§ 17

De dierenriem en zijn ouderdom

 

   ‘Alle mensen zijn geneigd een hoge dunk van hun eigen begripsvermogen te hebben en vast te houden aan hun opvattingen’, zegt Jordan, en terecht voegt hij eraan toe: ‘En toch worden bijna alle mensen geleid door de opvattingen van anderen, niet van henzelf; en men kan met meer recht zeggen dat zij hun meningen overnemen, dan dat zij die zelf vormen.’
   Dit is dubbel waar als het gaat om wetenschappelijke opvattingen over ter discussie staande hypothesen – waarbij het vooroordeel en de vooropgezette meningen van zogenaamde ‘autoriteiten’ vaak beslissen over vraagstukken die voor de geschiedenis van levensbelang zijn. Bij onze geleerde oriëntalisten leven verschillende van zulke vooropgezette meningen, maar weinig daarvan zijn onrechtvaardiger of onlogischer dan de algemene dwaling met betrekking tot de ouderdom van de Dierenriem. Dankzij de liefhebberij van enkele Duitse oriëntalisten hebben Engelse en Amerikaanse sanskritisten de opvatting van prof. Weber aanvaard, dat de volkeren van India vóór de Macedonische inval geen idee of kennis hadden van de Dierenriem, en dat de oude Hindoes deze uit Griekenland in hun land hebben ingevoerd. Verschillende andere ‘autoriteiten’ zeggen ons verder dat geen enkel oosters volk de Dierenriem kende voordat de Grieken zo vriendelijk waren hun buren met hun uitvinding bekend te maken. Dit ondanks het Boek Job, dat zelfs volgens hun eigen verklaring het oudste van de Hebreeuwse canon is en ongetwijfeld van vóór Mozes dateert, en dat spreekt over het maken ‘van Arcturus, Orion en de Pleiaden (Ash, Kesil en Cimah) en de kamers van het zuiden’ (ix, 9); van de Schorpioen en de Mazzaroth – de twaalf tekens (xxxviii, 31, 32), woorden die, als zij al iets betekenen, kennis van de Dierenriem inhouden, zelfs bij de nomadische Arabische stammen. Het Boek Job, zeggen zij, is tenminste duizend jaar ouder dan Homerus en Hesiodus, de twee Griekse dichters die zelf ongeveer acht eeuwen voor de christelijke tijdrekening (!!) hebben geleefd. Intussen zou iemand die er de voorkeur aan geeft Plato te geloven – die aantoont dat Homerus veel eerder leefde – op een aantal tekens van de Dierenriem kunnen wijzen, die worden genoemd in de Ilias en de Odyssee, in de orfische gedichten en elders. Maar na de onmogelijke hypothese van sommige hedendaagse critici, dat Orpheus, Homerus en Hesiodus nooit hebben bestaan, schijnt het verloren moeite deze schrijvers uit de oudheid zelfs maar te noemen. Het Arabische Boek Job zal wel voldoende zijn, tenzij men inderdaad zijn klaagliederen, samen met de gedichten van de twee Grieken en bovendien die van Linus, nu ook tot een patriottische vervalsing van de jood Aristobulus wil verklaren. Maar als de Dierenriem bekend was in de tijd van Job, hoe konden dan de beschaafde en filosofische hindoes daarmee onbekend zijn gebleven?
   Op gevaar af te worden getroffen door de pijlen van de hedendaagse kritiek – die door misbruik nogal stomp zijn geworden – willen wij de lezer op de hoogte stellen van de geleerde opvatting van Bailly over dit onderwerp. Afgeleide speculaties kunnen onjuist blijken te zijn. Wiskundige berekeningen berusten op zekerder grondslagen. Uitgaande van verschillende astronomische verwijzingen in Job, bedacht Bailly een handige manier om te bewijzen dat de eerste grondleggers van de wetenschap van de Dierenriem behoorden tot een voordiluviaans primitief volk. Het feit dat hij bereid schijnt te zijn in Thoth, Seth en in Fohi (van China) enkele van de bijbelse aartsvaders te zien, tast de geldigheid van zijn bewijs voor de ouderdom van de Dierenriem niet aan1. Zelfs als wij terwille van de redenering zijn voorzichtige schatting van 3700 v.Chr. aanvaarden als de juiste tijd voor het ontstaan van deze wetenschap, dan is dit jaartal het onweerlegbare bewijs dat niet de Grieken de Dierenriem hebben uitgevonden, eenvoudig omdat zij zevenendertig eeuwen vóór Christus nog niet als volk bestonden – in elk geval niet als een door de critici erkend historisch ras. Bailly berekende toen de tijd waarin de sterrenbeelden de atmosferische invloed manifesteerden die door Job de ‘liefelijke invloeden van de Pleiaden’2 wordt genoemd (in het Hebreeuws Chimah, zie Job, xxxviii, 31); van Cesil (Orion); en die van de woestijnregens in verband met de Schorpioen, het achtste sterrenbeeld. Omdat men steeds dezelfde verdeling van de Dierenriem en dezelfde namen van de planeten aantreft, die overal en altijd in eenzelfde volgorde worden gebruikt, en gelet op de onmogelijkheid dit alles aan toeval of aan een samenloop van omstandigheden toe te schrijven, ‘die nooit zulke overeenkomsten schept’, concludeerde hij dat aan de Dierenriem inderdaad een hoge ouderdom moet worden toegekend. (Zie Astronomie Antique, blz. 63 tot 74.)
   Als men verder aanneemt dat de bijbel op ieder gebied gezaghebbend is (en er zijn mensen die dat uit christelijke of kabbalistische overwegingen nog steeds geloven), dan wordt de Dierenriem duidelijk genoemd in II Koningen xxiii, 5. Voordat het ‘boek van de wet’ door Hilkia, de hogepriester, was ‘gevonden’ (xxii), waren de tekens van de Dierenriem bekend en werden ze vereerd. Ze werden op dezelfde manier vereerd als de zon en de maan, omdat de ‘priesters, aan wie de koningen van Juda hadden opgedragen wierook te branden . . . voor Baäl, voor de zon, de maan en de planeten en voor alle menigten van de hemel’, of de twaalf tekens of sterrenbeelden, zoals de kanttekening in de Engelse bijbel verklaart (zie II Koningen xxiii, 5), dit bevel eeuwenlang hadden uitgevoerd. Pas in 624 v.Chr. werd aan hun afgodendienst een einde gemaakt door koning Josia.
   Het Oude Testament staat vol toespelingen op de twaalf tekens van de Dierenriem en het hele stelsel is erop gebaseerd – helden, persoonlijkheden en gebeurtenissen. Zo wordt in de droom van Jozef, die elf ‘sterren’ zag, die bogen voor de twaalfde, die zijn ‘ster’ was, de Dierenriem bedoeld. De rooms-katholieken hebben er bovendien een profetie van Christus in ontdekt, die volgens hen die twaalfde ster is, en van de elf apostelen; de afwezigheid van de twaalfde wordt eveneens beschouwd als een profetische toespeling op het verraad van Judas. De twaalf zonen van Jakob zijn weer een verwijzing naar hetzelfde, zoals Villapandus terecht heeft aangetoond (Temple de Jérusalem, Deel II, tweede afd., hfst. xxx.). Sir James Malcolm toont in zijn History of Persia (hfst. vii) aan, dat de Dabistan al die overleveringen over de Dierenriem beaamt. Om de oorsprong ervan op te sporen, gaat hij terug tot de bloeitijd van de gouden eeuw van Iran, en merkt op dat een van de genoemde overleveringen zegt dat de genii van de planeten met dezelfde vormen en figuren worden afgebeeld als die zij hadden aangenomen toen zij zich aan verschillende heilige profeten vertoonden, en dit heeft geleid tot het instellen van de riten die zijn gebaseerd op de Dierenriem.
   Pythagoras en na hem Philo Judaeus beschouwden het getal 12 als heel heilig. ‘De dodecaëder is een volmaakt getal.’ Het is het getal van de tekens van de Dierenriem, voegt Philo eraan toe, die de zon in twaalf maanden bezoekt, en het is ter ere van dat teken dat Mozes zijn volk in twaalf stammen verdeelde, de twaalf koeken (Levit. xxiv, 5) van het toonbrood instelde en twaalf edelstenen plaatste rond het gewaad van de hogepriesters. (Zie De Profugis.)
   Volgens Seneca onderwees Berosus het voorspellen van elke toekomstige gebeurtenis en ramp op basis van de Dierenriem; en de door hem vastgestelde tijd voor de grote wereldbrand (pralaya) en die voor een zondvloed blijken overeen te stemmen met de tijd die wordt gegeven in een oude Egyptische papyrus. Die tijd komt bij elke vernieuwing van de cyclus van het siderische jaar van 25.868 jaar. De namen van de Akkadische maanden werden genoemd naar en ontleend aan de namen van de tekens van de Dierenriem, en de Akkadiërs zelf waren er veel eerder dan de Chaldeeën. Proctor toont in zijn Myths and Marvels of Astronomy aan, dat de sterrenkundigen van de oudheid in 2400 v.Chr. een heel nauwkeurig sterrenkundig stelsel hadden verkregen; de hindoes rekenen hun kaliyuga vanaf een grote periodieke conjunctie van de planeten, die 31 eeuwen vóór Christus plaatsvond; en toch waren het de Grieken die behoorden tot de veldtocht van Alexander de Grote, die de Arische hindoes in de sterrenkunde zouden hebben onderwezen!
   Of de oorsprong van de Dierenriem nu Arisch of Egyptisch is, deze is in ieder geval ontzaglijk oud. Simplicius (6de eeuw n.Chr.) schrijft dat hij altijd had gehoord dat de Egyptenaren gedurende de laatste 630.000 jaar sterrenkundige waarnemingen hadden bijgehouden en opgetekend. G. Massey schijnt door deze mededeling te zijn geschrokken; hij merkt hierover in zijn Natural Genesis (Deel II, blz. 318) op: ‘Als wij dit aantal jaren als maanden lezen, die de Egyptenaren volgens Euxodus jaren noemden, dan zou dat nog de duur van twee precessiecyclussen (of 51.736 jaar) opleveren.’ Diogenes Laërtius voerde de sterrenkundige berekeningen van de Egyptenaren terug tot 48.863 jaar vóór Alexander de Grote (Proloog, 2). Martianus Capella bevestigt dit door het nageslacht mee te delen dat de Egyptenaren de sterrenkunde meer dan 40.000 jaar lang in het geheim hadden bestudeerd, voordat zij hun kennis aan de wereld schonken (Astronomy of the Ancients, Lewis, blz. 264).
   In Natural Genesis worden verschillende waardevolle aanhalingen gegeven om de theorieën van de schrijver te ondersteunen, maar zij rechtvaardigen de stellingen van de Geheime Leer nog veel meer. Bijvoorbeeld wordt Plutarchus aangehaald, die in zijn Leven van Sulla zegt: ‘Op een dag toen de hemel helder was . . . hoorde men daarin het geluid . . . van een trompet, zo luid, schril en droevig, dat het de wereld . . . schrik aanjoeg. De Toscaanse wijzen zeiden dat het een nieuw mensenras en een hernieuwing van de wereld aankondigde; want zij beweerden dat er acht verschillende mensensoorten waren, die alle verschilden in leven en gewoonten en dat de hemel aan elk ervan haar tijd had toegewezen, die was beperkt door de omloop van het grote jaar’ (25.868 jaar).
   Dit doet sterk denken aan onze zeven mensenrassen, en aan het achtste – de ‘dierlijke mens’ – die van het latere derde Ras afstamde; en ook aan de opeenvolgende overstromingen en de vernietiging van de continenten, die tenslotte dat ras bijna geheel ten onder deden gaan.
   Iamblichus zegt: ‘De Assyriërs hebben niet alleen de historische geschriften over 27 myriaden jaren (270.000 jaar) bewaard, zoals Hipparchus zegt, maar ook over alle apocatastasen3 en perioden van de zeven heersers van de wereld.’ (Proclus, in Timaeus, d. 1.) Dit benadert de berekening van de esoterische leer zo dicht als maar mogelijk is. Want deze rekent 1.000.000 jaar voor ons huidige Wortelras (het vijfde), en ongeveer 850.000 jaar sinds de overstroming van het laatste grote eiland (een deel van het continent), het Ruta van het vierde Ras of de Atlantiërs; Daitya, een klein eiland dat door een gemengd ras werd bewoond, werd ongeveer 270.000 jaar geleden, omstreeks de ijstijd verwoest (zie Deel II). Maar de zeven heersers of de zeven grote dynastieën van goddelijke koningen behoren tot de tradities van ieder groot volk van de oudheid. Telkens wanneer er twaalf worden genoemd, zijn dit onveranderlijk de 12 tekens van de Dierenriem.
   Dit feit is zo duidelijk, dat de rooms-katholieke schrijvers – vooral Franse ultramontanen – stilzwijgend zijn overeengekomen de twaalf joodse aartsvaders in verband te brengen met de tekens van de Dierenriem. Dit wordt op een soort profetisch-mystieke manier gedaan, die voor vromen en onwetenden zou lijken op een ontzagwekkend teken, een stilzwijgende goddelijke erkenning van het ‘uitverkoren volk van God’, die vanaf het begin van de schepping de getallen van deze aartsvaders opzettelijk aan de hemel heeft getekend. Zo herkennen deze schrijvers (o.a. De Mirville) merkwaardig genoeg alle kenmerken van de 12 tekens van de Dierenriem in de woorden die de stervende Jakob richtte tot zijn zoons, en in zijn beschrijving van de toekomst van elke stam. (Zie Genesis, hfst. xlix.) Bovendien wordt gezegd dat de verschillende banieren van diezelfde stammen dezelfde symbolen en namen vertoonden als de tekens, die ook zijn te vinden in de 12 stenen van Urim en Thummim en op de 12 vleugels van de cherubijn. Het bewijs van de juistheid van de beweerde overeenkomst wordt overgelaten aan de genoemde mystici. Deze overeenkomst luidt als volgt: De mens of de Waterman is in de sfeer van Ruben, van wie wordt gezegd dat hij ‘onstandvastig is als water’ (volgens de Vulgaatsnelstromend als water’); de Tweelingen in die van de sterke broederlijke band van Simeon en Levi; de Leeuw in die van Juda, ‘de sterke leeuw’ van zijn stam, ‘de leeuwenwelp’; de Vissen in Zebulon, die ‘aan de haven van de zee zal wonen’; de Stier in Issachar, omdat hij ‘een sterke ezel die ligt’ is, enz., en daarom in verband wordt gebracht met de stallen; de Maagd-Schorpioen is in de sfeer van Dan, die wordt beschreven als ‘een slang, een bijtende adder op het pad’, enz.; de Steenbok is in Nafthali, ‘een losgelaten hinde (een hert)’; de Kreeft in Benjamin, want hij is ‘vraatzuchtig’; de Weegschaal in Aser, van wie ‘het brood vet zal zijn’; de Boogschutter in Jozef, omdat ‘zijn boog krachtig standhield’. Het twaalfde teken, de Maagd (onafhankelijk gemaakt van de Schorpioen), is in Dina, de enige dochter van Jakob (Zie Genesis xlvi). De overlevering zegt dat de veronderstelde stammen de 12 tekens op hun banieren droegen. Maar afgezien hiervan staat de bijbel vol theo-kosmologische en sterrenkundige symbolen en personificaties.
   Men kan zich dan nog afvragen: als het lot van de werkelijke levende aartsvaders zo onverbrekelijk was verbonden met de Dierenriem, hoe komt het dan dat na het verlies van de tien stammen, niet ook tien van de twaalf tekens op wonderbaarlijke manier uit de sterrenhemel zijn verdwenen? Maar dit is niet van groot belang. Laten we ons liever bezighouden met de geschiedenis van de Dierenriem zelf.
   De lezer kan misschien nu worden herinnerd aan enige meningen over dit onderwerp die naar voren zijn gebracht door verschillende hoge autoriteiten in de wetenschap.
   Newton geloofde dat de uitvinding van de Dierenriem was terug te voeren tot de tocht van de Argonauten; en Dulaure stelde de oorsprong ervan vast op 6500 v.Chr., precies 2496 jaar vóór de schepping van de wereld volgens de chronologie van de bijbel.
   Volgens Creuzer is het heel gemakkelijk aan te tonen dat de meeste theogonieën nauw zijn verbonden met religieuze kalenders en vermoedelijk uit de Dierenriem zijn ontstaan – en al komt deze niet precies overeen met de ons nu bekende Dierenriem, hij lijkt er toch veel op. Hij is ervan overtuigd dat de Dierenriem en zijn mystieke relaties in een of andere vorm ten grondslag liggen aan alle mythologieën, en dat hij al eeuwen daarvóór in de oude vorm had bestaan; tengevolge van een bijzondere samenloop van gebeurtenissen kreeg hij vervolgens het tegenwoordige sterrenkundige kleed. (Creuzer, Deel III, blz. 930.)
   Of ‘de genii van de planeten’ (onze Dhyāni-Chohans van de bovenaardse sferen) zich, zoals in de Dabistan wordt beweerd, aan ‘heilige profeten’ vertoonden of niet, het schijnt dat leken van naam en krijgers in oude tijden, toen astrologische magie en theofanie in Chaldea hand in hand gingen, op eenzelfde manier werden begunstigd. Want Xenophon, geen gewoon mens, vertelt ons over Cyrus, dat deze koning op zijn sterfbed de goden en helden vurig bedankte dat zijzelf hem zo vaak hadden onderwezen over de tekens aan de hemel, ἐν οὐρανίοιϛ σημείοιϛ (Cyropédie, ‘Ant. du Zodiaque’).
   Hoe kan men verklaren dat de tekens van de Dierenriem in de oudste theogonieën worden aangetroffen, als men niet aan de wetenschap daarvan de hoogste ouderdom en universaliteit toeschrijft? Men zegt dat Laplace heel verbaasd was bij de gedachte dat de dagen van Mercurius (woensdag), Venus (vrijdag), Jupiter (donderdag), Saturnus (zaterdag) en andere in India en in Noord-Europa als dagen van de week in dezelfde volgorde stonden en dezelfde namen hadden. ‘Probeer, als u kunt, door middel van het huidige stelsel van autochtone beschavingen, dat nu zo in de mode is, te verklaren hoe volkeren zonder gemeenschappelijke voorouders, tradities of geboorteplaats, erin konden slagen een soort hemels schimmenspel uit te denken, een echte warboel van sterrenamen, zonder volgorde of doel en zonder beeldrelatie met de sterrenbeelden die zij voorstellen en blijkbaar nog minder met de fasen van ons aardse leven die zij moeten aanduiden’, als er niet een algemene bedoeling en een universele oorzaak en geloof aan dit alles ten grondslag hadden gelegen? (Pneumatologie, Deel IV, blz. 61.) Dupuis heeft heel terecht hetzelfde verklaard: ‘Het is onmogelijk het minste spoor van overeenstemming te ontdekken tussen de delen van de hemel en de beelden die de sterrenkundigen er willekeurig hebben getekend, en anderzijds kan deze overeenstemming onmogelijk door toeval zijn ontstaan’, zegt hij. (Origine des Cultes, ‘Zodiaque’.)
   Toeval is hier beslist ‘onmogelijk’. Er is geen ‘toeval’ in de Natuur, waarin alles wiskundig is gerangschikt en waarvan de eenheden in onderling verband staan. ‘Toeval’, zegt Coleridge, ‘is slechts het pseudoniem voor God (of de Natuur) voor die bijzondere gevallen die hij niet openlijk wenst te ondertekenen’. Vervang het woord ‘God’ door karma en het wordt een oosters axioma. De ‘profetieën’ op basis van de Dierenriem, zoals zij door christelijke mystici worden genoemd, wijzen daarom nooit op één bepaalde gebeurtenis, hoe plechtig en heilig deze voor een deel van de mensheid ook mag zijn, maar op steeds terugkerende, periodieke natuurwetten, die slechts worden begrepen door hen die door de sterrengoden zelf zijn ingewijd.
   Geen occultist en geen astroloog uit het oosten zal het ooit eens zijn met christelijke mystici of zelfs met de mystieke sterrenkunde van Kepler, ondanks zijn grote wetenschappelijke kennis en geleerdheid; eenvoudig omdat, zelfs als zijn vooronderstellingen geheel juist zijn, zijn gevolgtrekkingen daaruit eenzijdig zijn en vertekend door christelijke vooroordelen. Waar de laatstgenoemde een profetie vindt die rechtstreeks wijst op de Heiland, zien andere volkeren een symbool van een eeuwige wet, die is vastgesteld voor het tegenwoordige manvantara. Waarom zou men in de Vissen een directe verwijzing naar Christus zien – een van de verschillende wereldhervormers, alleen een heiland voor zijn naaste volgelingen, maar voor alle anderen slechts een groot en glorieus ingewijde – als dat sterrenbeeld straalt als een symbool van alle vroegere, tegenwoordige en toekomstige geestelijke heilanden, die licht verspreiden en verstandelijke duisternis verdrijven? Christelijke kenners van de symboliek hebben geprobeerd te bewijzen dat dit het teken was van Efraïm (de zoon van Jozef), de uitverkorene van Jakob, en dat ‘de uitverkoren messias’, de Ἰχθύϛ van de eerste christenen, daarom moest worden geboren op het moment dat de zon in het teken van de Vissen (Pisces) kwam. Maar als Jezus van Nazareth die messias was – werd hij dan werkelijk op dat ‘moment’ geboren, of liet men hem toen geboren worden door middel van een aanpassing door theologen, die alleen probeerden hun vooropgezette meningen te laten overeenstemmen met siderische feiten en volksgeloof? Iedereen weet dat de werkelijke tijd en het jaar van de geboorte van Jezus volstrekt onbekend zijn. En de joden – hun voorvaderen gaven aan het woord dag zowel de betekenis van ‘vis’ als van ‘messias’ – zijn de eersten die bij de geforceerde ontwikkeling van hun rabbijnse taal deze christelijke bewering ontkennen. En wat te denken van de verdere feiten, dat de brahmanen hun ‘messias’, de eeuwige Avatāra Vishnu, ook in verband brengen met een vis en de zondvloed, en dat de Babyloniërs van hun Dag-On eveneens een vis en een messias maakten, de mens-vis en profeet?
   Onder de egyptologen zijn er van die geleerde beeldenstormers, die zeggen dat ‘toen de Farizeeën een ‘teken uit de hemel’ vroegen, Jezus zei, ‘er zal geen ander teken worden gegeven dan het teken van Jonas’ (Matth. xvi, 4) . . . Het teken van Jonas is dat van de Oan of vismens van Ninive. . . . Er was ongetwijfeld geen ander teken dan dat van de zon, die werd herboren in de Vissen. De stem van de Geheime Wijsheid zegt, dat zij die uitzien naar een teken, geen ander kunnen krijgen dan dat van de terugkerende vismens Ichthys, Oannes of Jonas – die geen vlees kon worden.’
   Het lijkt erop dat Kepler als een vaststaand feit stelde, dat alle planeten op het moment van de ‘incarnatie’ in conjunctie stonden in het teken Vissen, dat door de joden (de kabbalisten) het ‘sterrenbeeld van de messias’ wordt genoemd. ‘In dit sterrenbeeld’, verzekerde hij, ‘werd de ster van de wijzen geplaatst’. Deze bewering, die door dr. Sepp (Vie de Notre Seigneur Jésus Christ, Deel I, blz. 9) werd aangehaald, moedigde hem aan op te merken dat ‘in alle joodse overleveringen die deze ster aankondigen, die vele volkeren hebben gezien’ (!)4, eraan wordt toegevoegd dat ‘deze de zeventig planeten in zich zou opnemen, die heersen over het lot van verschillende volkeren op deze bol’5. ‘Volgens deze natuurlijke profetieën’, verklaart dr. Sepp, ‘stond in de sterren van het firmament geschreven dat de messias zou worden geboren in het maanjaar van de wereld 4320, in dat gedenkwaardige jaar waarin het hele koor van de planeten zijn vreugdefeest zou vieren’.
   Aan het begin van deze6 eeuw was het inderdaad een rage om van de hindoes herstel te eisen voor een beweerde roof bij de joden van hun ‘goden’, aartsvaders en tijdrekening. Wilford had Noach herkend in Prithī en in Satyavrata, Enos in Dhruva en zelfs Assur in Īśvara. Toch zouden tenminste enkele oriëntalisten, nadat ze jarenlang in India hadden gewoond, moeten weten dat niet alleen de hindoes deze personen hadden, of hun grote tijdperk hadden verdeeld in vier kleinere. Niettemin leefden schrijvers in de Asiatic Researches zich uit in de meest buitensporige veronderstellingen.
   ‘Christelijke theologen achten het hun plicht te schrijven tegen de lange tijdperken van de hindoechronologie’, beweert S.A. Mackey, de ‘filosoof, sterrenkundige en schoenmaker’ uit Norwich, heel ter zake. ‘Maar wanneer een geleerde de namen en getallen van de Ouden geweld aandoet en ze in een vorm perst en wringt met een betekenis die geheel vreemd is aan de bedoeling van de schrijvers uit de oudheid – een vorm die, na aldus te zijn verminkt, zó precies past bij een grillige gedachte die al tevoren in zijn brein bestond, dat hij voorwendt over de ontdekking verbaasd te zijn – dan kan ik niet vinden dat hem dat zonder meer kan worden vergeven’ (Key of Urania).
   Hiermee wordt kapitein (later kolonel) Wilford bedoeld, maar de woorden kunnen worden toegepast op meer dan een van onze hedendaagse oriëntalisten. Wilford was de eerste die zijn ongelukkige speculaties over de hindoechronologie en de Purāna’s bekroonde door de 4.320.000 jaar in verband te brengen met de bijbelse chronologie en het getal eenvoudig terug te brengen tot 4320 jaar (het veronderstelde maanjaar van de geboorte van Jezus), en dr. Sepp heeft dit denkbeeld eenvoudig van deze dappere officier overgenomen. Bovendien bleef hij hierin zowel joods eigendom als een christelijke profetie zien, en beschuldigde zo de Ariërs ervan zich een Semitische openbaring te hebben toegeëigend, terwijl het omgekeerd was. De joden hoeven er ook niet van te worden beschuldigd dat zij de hindoes hebben geplunderd; Ezra wist waarschijnlijk niets over hun getallen. Zij hadden die kennelijk en ontegenzeglijk aan de Chaldeeën ontleend, en tegelijk ook hun goden. Van de 432.000 jaar van de Chaldeeuwse goddelijke dynastieën7 maakten zij 4320 maanjaren vanaf de schepping van de wereld tot de christelijke jaartelling, en de Babylonische en Egyptische goden veranderden zij even rustig en bescheiden in aartsvaders. Elk volk heeft zich meer of minder schuldig gemaakt aan zo’n omwerking en aanpassing van een (vroeger gemeenschappelijk) pantheon van universele goden tot nationale stamgoden en helden. In zijn nieuwe vorm in de Pentateuch was het hun eigendom en geen Israëliet heeft het ooit aan een ander volk opgedrongen – en nog het minst aan de Europeanen.
   Zonder langer bij deze heel onwetenschappelijke tijdrekening te blijven stilstaan dan nodig is, kunnen we enige opmerkingen maken die relevant kunnen blijken. Deze getallen van 4320 maanjaren van de wereld (in de bijbel worden de zonnejaren gebruikt) zijn als zodanig niet uit de lucht gegrepen, zelfs al worden ze verkeerd toegepast; want ze vormen alleen maar de verwrongen echo van de oorspronkelijke esoterische en later brahmaanse leer over de yuga’s. Een ‘dag’ van Brahmā is gelijk aan 4.320.000.000 jaar, evenals een ‘nacht’ van Brahmā of de duur van pralaya, waarna een nieuwe zon triomfantelijk oprijst boven een nieuw manvantara, voor de zevenvoudige keten die hij verlicht. Deze leer was eeuwen vóór het christelijke tijdperk doorgedrongen tot Palestina en Europa (zie Isis Ontsluierd, Deel II, blz. 132, Engelse uitgave) en was in de gedachten van de mozaïsche joden aanwezig, die er hun kleine cyclus op baseerden. Zij kwam echter pas volledig tot haar recht door de christelijke tijdrekenaars van de bijbel, die deze leer overnamen, evenals de 25ste december, de dag waarop, zoals men zegt, alle zonnegoden zijn geïncarneerd. Is het dan een wonder dat men de messias geboren liet worden in ‘het maanjaar van de wereld 4320’? De ‘zoon van gerechtigheid en verlossing’ was opnieuw opgestaan en had de pralaya-duisternis van de chaos en het niet-zijn op het gebied van onze objectieve kleine bol en keten verdreven. Toen het voorwerp van verering eenmaal was vastgesteld, was het gemakkelijk om de veronderstelde gebeurtenissen van zijn geboorte, leven en dood in overeenstemming te brengen met de eisen van de Dierenriem en met de oude overleveringen, hoewel zij voor deze gelegenheid wat moesten worden omgevormd.
   Zo wordt begrijpelijk wat Kepler als groot sterrenkundige zei. Hij erkende het grote en universele belang van al dergelijke planeetconjuncties, ‘waarvan elk’ – zoals hij terecht zei – ‘een climacterisch jaar van de mensheid vormt’8. De zeldzame conjunctie van Saturnus, Jupiter en Mars heeft haar betekenis en belang omdat deze bepaalde grote gevolgen heeft, zowel in India en China als in Europa, voor de verschillende mystici van al die landen. En het is slechts arrogantie om te beweren dat de natuur alleen Christus op het oog had, toen zij haar (voor niet-ingewijden) fantastische en zinloze constellaties vormde. Als men beweert dat de archaïsche architecten van de Dierenriem duizenden jaren geleden niet op grond van het toeval het teken Stier met een sterretje (a) hebben aangeduid, terwijl men er geen beter en doorslaggevender bewijs voor heeft dat het een profetie is voor het Woord of Christus, dan dat de aleph van Taurus ‘de ene’ en de eerste betekent en dat Christus ook de alpha of de ene was, dan kan men op meer dan één manier aantonen dat dit bewijs vreemd en ondeugdelijk is. Om te beginnen bestond de Dierenriem in ieder geval al vóór het christelijke tijdperk; verder waren alle zonnegoden mystiek verbonden met dat sterrenbeeld (Stier) – Osiris bijvoorbeeld – en werden alle door hun respectievelijke vereerders ‘de Eerste’ genoemd. Vervolgens waren de samenstellers van de mystieke benamingen die aan de christelijke Heiland werden gegeven, allen meer of minder bekend met de betekenis van de tekens van de Dierenriem; en het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat zij hun beweringen zo hebben ingekleed dat deze beantwoorden aan de mystieke tekens, dan dat die tekens miljoenen jaren lang zouden hebben geschitterd als een voorspelling voor een deel van de mensheid, zonder rekening te houden met de talloze generaties die eraan waren voorafgegaan en die erna zouden worden geboren.
   ‘Het is niet alleen toeval’, zegt men ons, ‘dat men in sommige afbeeldingen de kop van die stier (Taurus) op een troon heeft geplaatst, terwijl hij met het ansata-kruis op zijn horens een Draak probeert weg te duwen; dit is te meer zo, omdat het sterrenbeeld Stierde grote stad van God en de moeder van openbaringen’ werd genoemd en ook ‘degene die de goddelijke stem weergeeft’, de Apis pacis van Hermoutis in Egypte, die (zoals de kerkvaders de wereld zouden willen verzekeren) orakels uitsprak die betrekking hadden op de geboorte van de Heiland’ (Pneumatologie, iv, 71).
   Op deze theologische arrogantie kan men verschillende antwoorden geven. Ten eerste hebben het Egyptische ansata-kruis of de tau, het Jainakruis of de swastika en het christelijke kruis alle dezelfde betekenis. Ten tweede gaf geen enkel volk of natie, behalve de christenen, aan de Draak de betekenis die men er nu aan geeft. De slang was het symbool van wijsheid en de Stier (Taurus) het symbool van fysieke of aardse voortplanting. Zo zou de Stier, die de Draak of de spirituele goddelijke wijsheid wegstoot met de tau of het kruis – dat esoterisch ‘de grondslag en het geraamte is van alles wat is gebouwd’ – een volkomen fallische, fysiologische betekenis hebben, als hij niet nog een andere betekenis had die onbekend is aan onze bijbelgeleerden en kenners van de symboliek. In elk geval verwijst Taurus niet in het bijzonder naar het Verbum van Johannes, behalve misschien in algemene zin. De taurus (die tussen haakjes geen lam is, maar een stier) was heilig in elke kosmogonie, zowel bij de Hindoes als bij de Zoroastriërs, bij de Chaldeeën en bij de Egyptenaren. Dat weet elke schooljongen.
   Het kan misschien het geheugen van onze theosofen helpen opfrissen als wij hen verwijzen naar wat in Isis, II, blz. 490 (Engelse uitgave) met betrekking tot bepaalde passages in de Openbaringen wordt gezegd over de Maagd en de Draak en over de periodieke geboorten en wedergeboorten van wereldverlossers – zonnegoden – die men telkens weer aantreft.
   In 1853 hield de geleerde Erard-Mollien voor het Institut de France een voordracht die de ouderdom moest aantonen van de Indiase Dierenriem, in de tekens waarvan de wortel en de filosofie van de belangrijkste religieuze feesten van dat land werden gevonden; de oorsprong van die religieuze ceremoniën gaat terug tot in de nacht van de tijd, tenminste 3000 v.Chr., zoals de spreker probeerde te bewijzen. Hij meende dat de Dierenriem van de Hindoes veel ouder was dan de Dierenriem van de Grieken, en daarvan in enkele opzichten enorm veel verschilde. Men ziet er de Draak op een boom, aan de voet waarvan de ‘Maagd’, Kanya-Durga, een van de oudste godinnen, is geplaatst op een leeuw, die de zonnewagen achter zich aan trekt. Hij voegde eraan toe: ‘Dit is de reden waarom deze Maagd Durga niet de eenvoudige herinnering aan een sterrenkundig feit is, maar inderdaad de oudste godheid van de Indiase Olympus. Zij is kennelijk dezelfde over wie alle sibillijnse boeken spraken; boeken die voor Vergilius een bron van inspiratie zijn geweest; de maagd van wie de terugkeer werd voorspeld als een teken van universele vernieuwing . . . En’, voegde hij eraan toe, ‘als we zien dat de maanden door het Malayalam-sprekende volk van Zuid-India nog steeds worden genoemd naar de namen van de godheden van deze zonne-Dierenriem – waarom zou dat volk dan de Dierenriem van zijn voorouders hebben opgegeven om zich te belasten met die van de Grieken? Integendeel, alles duidt erop dat deze tekens van de Dierenriem aan de Grieken zijn overgebracht door de Chaldeeën, die ze weer van de brahmanen hadden.’ (Zie Recueil de l’Académie des Inscriptions, 1853)
   Dit alles vormt een erg mager bewijs. Maar we moeten ook bedenken wat werd gezegd en aanvaard door de tijdgenoten van Volney, die in zijn Ruins of Empires, blz. 360, opmerkt, dat uit het feit dat de Ram in 1447 v.Chr. in zijn 15de graad stond, volgt dat de eerste graad van ‘Weegschaal’ niet later dan in 15.194 v.Chr. had kunnen samenvallen met de lente-equinox; telt men hier de 1790 jaar na Christus bij op, dan blijkt dat er 16.984 jaar zijn verstreken sinds de oorsprong van de Dierenriem.
   Bovendien schrijft dr. Schlegel in zijn Uranographie Chinoise aan de Chinese opvatting over het hemelgewelf een ouderdom van 18.000 jaar toe. (Zie blz. 54, 196, e.v.)
   Omdat het aanhalen van meningen zonder afdoend bewijs weinig nut heeft, is het misschien beter zich te wenden tot wetenschappelijk bewijsmateriaal. Bailly, de beroemde Franse sterrenkundige uit de vorige eeuw, lid van de Académie, enz., beweert dat de sterrenkundige stelsels van de Hindoes verreweg de oudste zijn en dat de Egyptenaren, de Grieken, de Romeinen en zelfs de Joden hun kennis aan hen ontleenden. Ter ondersteuning van deze opvatting zegt hij:

   ‘De sterrenkundigen van vóór 1491 zijn ten eerste de Grieken van Alexandrië; Hipparchus, die 125 jaar vóór onze tijdrekening leefde en Ptolemeus, 260 jaar na Hipparchus. Na hen volgden de Arabieren, die de studie van de sterrenkunde in de negende eeuw nieuw leven inbliezen. Deze werden opgevolgd door de Perzen en de Tartaren, aan wie we de tabellen van Massireddin in 1269 en die van Ulug-beg in 1437 te danken hebben.
   Dit is de bekende opeenvolging van gebeurtenissen in Azië vóór de Indiase epoche9 1491. Wat is hier dan een epoche? Het is de waarneming van de astronomische lengte van een ster op een gegeven moment, de plaats aan de hemel waar deze werd gezien en die dient als referentiepunt, als uitgangspunt, vanwaar zowel de vroegere als de toekomstige standen van de ster uit haar waargenomen beweging zijn te berekenen. Maar een epoche is nutteloos als de beweging van de ster niet is vastgelegd. Voor een volk dat nog onbekend is met de wetenschap en dat een vreemde sterrenkunde moet lenen, is het vastleggen van een epoche geen probleem, omdat de enige waarneming die nodig is, op elk moment kan worden gedaan. Maar wat het vooral nodig heeft en wat het moet lenen, zijn die elementen die afhankelijk zijn van een nauwkeurige vastlegging en die voortdurende waarneming vereisen; vooral die bewegingen die afhankelijk zijn van de tijd en die alleen nauwkeurig kunnen worden vastgelegd door eeuwenlange waarneming. De gegevens over deze bewegingen moeten dus worden ontleend aan een volk dat zulke waarnemingen heeft verricht en het werk van eeuwen achter zich heeft. Wij concluderen hieruit dat een nieuw volk niet de epochen aan een oud volk zal ontlenen zonder ook de ‘gemiddelde bewegingen’ van hen over te nemen. Als we van dit beginsel uitgaan, zullen we ontdekken dat de hindoe-epochen 1491 en 3102 niet kunnen zijn ontleend aan die van Ptolemeus of Ulug-beg.’

   Er blijft dan nog de veronderstelling over dat de Hindoes, toen zij hun waarnemingen van 1491 vergeleken met de eerder door Ulug-beg en Ptolemeus gemaakte, de intervallen tussen deze waarnemingen hebben gebruikt om de ‘gemiddelde bewegingen’ vast te stellen. De tijd van Ulug-beg ligt voor zo’n vaststelling te kort in het verleden; terwijl de tijden van Ptolemeus en Hipparchus nauwelijks ver genoeg verwijderd zijn. Maar als de bewegingen volgens de Hindoes met behulp van deze vergelijkingen waren vastgesteld, zouden de epochen met elkaar in verband staan. Uitgaande van de epochen van Ulug-beg en Ptolemeus zouden we tot alle epochen van de Hindoes moeten komen. Maar dit is niet het geval. Dus waren andere epochen aan de Hindoes òf onbekend òf voor hen nutteloos10.
   We kunnen hieraan een andere belangrijke overweging toevoegen. Als een volk de methoden of de gemiddelde bewegingen in zijn sterrenkundige tabellen aan zijn buurvolkeren moet ontlenen, heeft het er nog meer behoefte aan om bovendien de kennis van de onregelmatigheden van de bewegingen van de hemellichamen, de bewegingen van het apogeum, van de knopen en van de helling van de ecliptica over te nemen; kortom al die elementen waarvan de vaststelling de kunst van het waarnemen, enig gebruik van instrumenten en grote ijver vereist. Al deze sterrenkundige elementen, die bij de Grieken van Alexandrië, de Arabieren, de Perzen en de Tartaren meer of minder verschillen, vertonen geen enkele overeenkomst met die van de Hindoes. De laatsten hebben dus niets van hun buren overgenomen.
   Als we de opmerkingen van Bailly samenvatten, komt hij tot de volgende conclusies:

   ‘Als de Hindoes hun epoche niet hebben overgenomen, moeten zij een eigen epoche hebben gehad, gebaseerd op hun eigen waarnemingen; en dit moet òf de epoche van het jaar 1491 na, òf die van het jaar 3102 vóór onze jaartelling zijn; de laatstgenoemde ligt 4592 jaar vóór 1491. We moeten tussen deze twee epochen kiezen en beslissen welke ervan berust op waarneming. Maar voordat we de argumenten noemen die voor het vraagstuk beslissend kunnen en moeten zijn, zal men ons toestaan enkele opmerkingen te maken, gericht tot degenen die misschien geneigd zijn te geloven dat pas de moderne waarnemingen en berekeningen de Hindoes in staat hebben gesteld om de standen van de hemellichamen in het verleden vast te stellen. Het is lang niet gemakkelijk de bewegingen van de hemellichamen zó nauwkeurig te bepalen, dat men 4592 jaar kan teruggaan in de tijd en de verschijnselen kan beschrijven die in die periode moeten hebben plaatsgevonden.
   Tegenwoordig bezitten we voortreffelijke instrumenten; tijdens twee of drie eeuwen heeft men nauwkeurige waarnemingen verricht, die ons al in staat stellen de gemiddelde bewegingen van de planeten met aanzienlijke nauwkeurigheid te berekenen; we hebben de waarnemingen van de Chaldeeën, van Hipparchus en Ptolemeus die ons, doordat ze ver in het verleden liggen, in staat stellen deze bewegingen met nog grotere zekerheid vast te stellen. Toch kunnen we de waarnemingen tijdens de lange periode tussen de Chaldeeën en onszelf niet met constante nauwkeurigheid weergeven; en nog minder kunnen we de gebeurtenissen die 4592 jaar vóór onze tijd plaatsvonden, precies bepalen. Cassini en Maier hebben elk de seculaire beweging van de maan vastgesteld en hun uitkomsten verschillen 3 min. 43 sec. Dit verschil zou in zesenveertig eeuwen leiden tot een onzekerheid van bijna drie graden in de positie van de maan. Ongetwijfeld is een van deze berekeningen nauwkeuriger dan de andere; slechts door waarnemingen van heel vroege datum kan men beslissen welke de beste is. Maar voor heel oude tijden, waarover waarnemingen ontbreken, moeten we onzeker zijn wat de verschijnselen betreft. Hoe konden de Hindoes dan van het jaar 1491 n.Chr. hebben teruggerekend tot het jaar 3102 vóór onze jaartelling, als zij pas kort geleden zijn begonnen de sterrenkunde te bestuderen?
   De oosterlingen zijn nooit geweest wat wij zijn. Hoe hoog wij hun kennis ook mogen aanslaan na bestudering van hun sterrenkunde, het is niet aan te nemen dat zij ooit dat grote instrumentarium hebben bezeten dat onze moderne sterrenwachten kenmerkt en dat het resultaat is van gelijktijdige vooruitgang in verschillende wetenschappen. Evenmin konden zij dat genie voor ontdekkingen hebben gehad, dat tot dusver uitsluitend aan Europa scheen toe te behoren en dat, doordat het de rol van de tijd overneemt, de snelle vooruitgang van de wetenschap en van het menselijke denken veroorzaakt. Als de Aziaten machtig, geleerd en wijs zijn geweest, dan brachten macht en tijd al hun verdiensten en successen teweeg. Hun rijken zijn door macht gesticht of verwoest; nu eens heeft zij gebouwen van indrukwekkende omvang laten verrijzen, dan weer heeft zij ze tot eerbiedwaardige ruïnes teruggebracht; en terwijl deze gebeurtenissen elkaar afwisselden, werd door geduld kennis verzameld, en bracht langdurige ervaring wijsheid voort. Door hun hoge ouderdom verkregen de volkeren van het oosten hun wetenschappelijke reputatie.
   Als de Hindoes in 1491 voldoende nauwkeurig bekend waren met de bewegingen in de hemel om in staat te zijn 4592 jaar terug te rekenen, dan volgt daaruit dat zij deze kennis alleen uit heel oude waarnemingen konden hebben verkregen. Als men toegeeft dat ze een dergelijke kennis hadden, terwijl men ontkent dat ze over de waarnemingen beschikten waaruit deze is afgeleid, veronderstelt men een onmogelijkheid; dit zou gelijkstaan met aan te nemen dat zij al bij het begin van hun loopbaan de vruchten van tijd en ervaring hadden geplukt. Als men aan de andere kant aanneemt dat hun epoche 3102 reëel is, zou daaruit volgen dat de Hindoes eenvoudig gelijke tred hadden gehouden met de opeenvolgende eeuwen tot het jaar 1491 van onze tijdrekening. De tijd zelf was dus hun leermeester; zij kenden de bewegingen van de hemellichamen in deze tijdperken, omdat zij ze hadden gezien; en door het langdurige verblijf van het hindoevolk op aarde zijn hun verslagen betrouwbaar en hun berekeningen nauwkeurig.
   Het schijnt dat het probleem, welke van de twee epochen 3102 en 1491 de ware is, moet worden opgelost op grond van één enkele overweging, nl. dat de Ouden in het algemeen en de Hindoes in het bijzonder alleen eclipsen hebben berekend en dus waargenomen.

Bailly zegt:

   Er was op het moment van de epoche 1491 geen zonsverduistering, en ook geen maansverduistering veertien dagen ervoor of erna. De epoche 1491 is dus niet op waarneming gebaseerd. Wat de epoche 3102 betreft, de brahmanen van Tirvalour plaatsen deze bij zonsopgang op 18 februari. De zon stond toen volgens zijn werkelijke astronomische lengte op het beginpunt van de Dierenriem. De andere tabellen laten zien dat de maan de voorafgaande middernacht op dezelfde plaats stond, maar volgens haar gemiddelde lengte. De brahmanen zeggen ook dat dit beginpunt, de oorsprong van hun Dierenriem, in het jaar 3102 v.Chr. 54 graden voorbij de equinox stond. Hieruit volgt dat de oorsprong – het eerste punt van hun Dierenriem – in de zesde graad van Weegschaal lag.
   Er vond dus ongeveer in die tijd en op die plaats een gewone conjunctie plaats; ‘en inderdaad staat deze conjunctie aangegeven in onze beste tabellen: die van La Caille voor de zon en die van Maier voor de maan’. Er was geen zonsverduistering, omdat de maan te ver van de knoop stond; maar veertien dagen later, toen de maan de knoop was genaderd, moet deze zijn verduisterd. Als men de tabellen van Maier gebruikt zonder correctie voor de versnelling, geven deze die verduistering aan, maar laten deze overdag optreden, op een moment dat zij in India niet kon zijn waargenomen. Volgens de tabellen van Cassini had de verduistering ’s nachts plaats, wat aantoont dat de door Maier aangenomen bewegingen – als men geen rekening houdt met de acceleratie – te snel zijn voor eeuwen die in een ver verleden liggen; en wat ook bewijst dat wij, ondanks de verbetering van onze kennis, nog steeds geen zekerheid kunnen hebben over de werkelijke toestand van de hemel in vroegere tijden.
   Daarom geloven we dat van de twee hindoe-epochen het jaar 3102 de juiste is, omdat deze vergezeld ging van een eclips die kon worden waargenomen en die moet hebben gediend om deze vast te leggen. Dit is een eerste bewijs voor de juistheid van de lengten die voor dat moment door de Hindoes aan de zon en de maan zijn toegeschreven, en dit bewijs zou misschien voldoende zijn; maar deze oude bepaling van het tijdpunt wordt van het grootste belang om de bewegingen van deze hemellichamen te verifiëren, en moet daarom worden bevestigd door elk mogelijk bewijs van haar echtheid.
   We merken in de eerste plaats op dat de Hindoes twee epochen schijnen te hebben gecombineerd tot die van het jaar 3102. De brahmanen van Tirvalour rekenen aanvankelijk vanaf het eerste moment van het kali-yuga, maar zij hebben een tweede epoche die 2 dagen 3 uur 32 minuten en 30 seconden later valt. De laatste is de werkelijke sterrenkundige epoche, terwijl de eerste een burgerlijke jaartelling schijnt te zijn. Maar als deze epoche van het kali-yuga geen werkelijkheidswaarde heeft, en alleen de uitkomst van een berekening was, waarom zouden deze epochen dan zo moeten worden gescheiden? De berekende sterrenkundige epoche zou die van het kali-yuga zijn geworden, die dan zou zijn begonnen bij de conjunctie van de zon en de maan, zoals het geval is met de epochen van de drie andere tabellen. Zij moeten een reden hebben gehad om onderscheid te maken tussen die twee; en deze reden kan alleen zijn gelegen in de omstandigheden rond de epoche, die dus niet de uitkomst van een berekening kan zijn. Dit is nog niet alles; uitgaande van de zonne-epoche, die wordt bepaald door het opkomen van de zon op 18 februari 3102 en 2 dagen 3 uur 32 minuten en 30 seconden teruggaande, komen we tot 2 uur 27 minuten en 30 seconden in de ochtend van 16 februari, wat het moment is waarop het kali-yuga begint. Het is merkwaardig dat men dit tijdperk niet heeft laten beginnen met een van de vier hoofdgedeelten van de dag. Men zou kunnen vermoeden dat de epoche om middernacht zou zijn, en dat de 2 uur 27 minuten en 30 seconden een meridiaancorrectie vormen. Maar wat ook de reden was voor het vaststellen van dit moment, het is duidelijk dat als deze epoche de uitkomst van een berekening was, het even gemakkelijk zou zijn geweest deze terug te brengen tot middernacht, om de epoche te laten overeenkomen met het begin van een van de hoofdgedeelten van de dag, in plaats van met een moment dat wordt bepaald door een gedeelte van de dag.
   Ten tweede. De Hindoes beweren dat er bij het begin van het kali-yuga een conjunctie van alle planeten was; en hun tabellen geven deze conjunctie aan, terwijl de onze aangeven dat deze werkelijk kan hebben plaatsgevonden. Jupiter en Mercurius stonden precies in dezelfde graad van de ecliptica; Mars was er 8° en Saturnus 17° van verwijderd. Hieruit volgt dat rond die tijd of ongeveer veertien dagen na het begin van het kali-yuga, de Hindoes vier planeten achtereenvolgens uit de zonnestralen tevoorschijn zagen komen, eerst Saturnus, dan Mars, toen Jupiter en Mercurius, en deze planeten schenen in een vrij kleine ruimte te zijn verenigd. Hoewel Venus er niet bij was, was de zucht naar het wonderbaarlijke de oorzaak ervan dat het een algemene conjunctie van alle planeten werd genoemd. Het getuigenis van de brahmanen komt hier overeen met dat van onze tabellen; en dit bewijsmateriaal, het resultaat van een traditie, moet op werkelijke waarneming berusten.
   Ten derde. We kunnen opmerken dat dit verschijnsel ongeveer veertien dagen na de epoche zichtbaar was, precies op de tijd dat de maansverduistering moet zijn waargenomen, die diende om de epoche vast te stellen. De twee waarnemingen bevestigen elkaar en wie de ene heeft gedaan, moet ook de andere hebben verricht.
   Ten vierde. We mogen ook veronderstellen dat de Hindoes tegelijkertijd de plaats van de maanknoop vaststelden; hun berekening maakt dit aannemelijk. Zij geven de lengte van dit punt van de maanbaan op het moment van hun epoche, en hierbij voegen ze een constante van 40 minuten, wat correspondeert met de beweging van de knoop in 12 dagen en 14 uur. Het lijkt alsof ze wilden aanduiden dat dit 13 dagen na hun epoche was vastgesteld en dat we, om het met die epoche te laten overeenstemmen, er de 40 minuten bij moeten voegen die de knoop in de tussentijd was teruggegaan.
   Deze waarneming is dus van dezelfde datum als die van de maansverduistering, en zo hebben wij drie waarnemingen die elkaar wederzijds bevestigen.
   Ten vijfde. Uit de beschrijving van de Dierenriem van de Hindoes door M.C. Gentil blijkt dat daarop de plaatsen van de sterren die ‘het oog van Taurus’ en de ‘tarwe-aar van Virgo’ worden genoemd, kunnen worden bepaald voor het moment waarop het kali-yuga begint.
   Als wij deze plaatsen vergelijken met de werkelijke posities, nadat deze op grond van onze precessie van de dag- en nachteveningen zijn teruggebracht tot het moment waar het om gaat, zien we dat het beginpunt van de Dierenriem van de Hindoes moet liggen tussen de vijfde en de zesde graad van de Weegschaal. De brahmanen hadden dus gelijk toen zij het in de zesde graad van dat teken plaatsten, te meer nog omdat dit kleine verschil kan worden toegeschreven aan de eigen beweging van de sterren, die onbekend is.
   Het was dus nòg een waarneming, die de Hindoes leidde tot deze tamelijk nauwkeurige vaststelling van het eerste punt van hun veranderlijke Dierenriem.
   Het lijkt onmogelijk te twijfelen aan het bestaan in de oudheid van waarnemingen van deze datum. De Perzen zeggen dat vier mooie sterren als wachters aan de vier hoeken van de wereld waren geplaatst. Nu wil het geval dat bij het begin van het kali-yuga, 3000 of 3100 jaar vóór onze tijdrekening, ‘het oog van de Stier’ en het ‘hart van de Schorpioen’ precies op de nachteveningspunten stonden, terwijl het ‘hart van de Leeuw’ en de ‘zuidelijke Vis’ zich heel dicht bij de zonnestilstandpunten bevonden. Een waarneming van het opgaan van de Pleiaden ’s avonds, zeven dagen vóór de herfstevening, behoort ook tot het jaar 3000 vóór onze tijdrekening. Deze en overeenkomstige waarnemingen – verzameld in de kalenders van Ptolemeus, hoewel hij niet aangeeft wie ze hebben verricht – die ouder zijn dan die van de Chaldeeën, kunnen heel goed het werk van de Hindoes zijn. Ze zijn goed op de hoogte van het sterrenbeeld de Pleiaden, en terwijl wij het in de volkstaal de ‘Poussinière’ (Kuikenmand) noemen, geven zij het de naam Pillaloo-codi – de ‘hen met kuikens’. Deze naam is dus van volk op volk overgegaan en komt van de oudste volkeren van Azië tot ons. We zien dat de Hindoes het opgaan van de Pleiaden moeten hebben waargenomen en er gebruik van hebben gemaakt om hun jaren en maanden te regelen, want dit sterrenbeeld wordt ook Krittikās genoemd. Zij hebben een maand met dezelfde naam, en deze overeenkomst kan alleen hieraan worden toegeschreven, dat deze maand werd aangekondigd door het opkomen of ondergaan van het bedoelde sterrenbeeld. Augustinus Riccius bewijst nog doorslaggevender dat de Hindoes de sterren op dezelfde manier observeerden als wij, door hun plaats te bepalen volgens hun lengte. Hij zegt namelijk dat volgens aan Hermes toegeschreven waarnemingen, die 1985 jaar vóór Ptolemeus werden verricht, de heldere ster in de Lier en die in het hart van de Hydra elk zeven graden verder waren dan hun respectievelijke plaatsen zoals Ptolemeus ze had vastgesteld.
   Het vaststellen hiervan lijkt heel merkwaardig. De sterren gaan ten opzichte van de equinox regelmatig vooruit; en Ptolemeus had moeten vinden dat de lengten 28 graden meer waren dan 1985 jaar vóór zijn tijd. Bovendien vertoont dit feit een opvallende eigenaardigheid; men vindt dezelfde fout of hetzelfde verschil in de posities van beide sterren; de fout was dus toe te schrijven aan een oorzaak die dezelfde invloed had op beide sterren. Om deze eigenaardigheid te verklaren, stelde de Arabier Thebith zich voor dat de sterren een oscillerende beweging hadden, waardoor ze afwisselend vooruit en achteruit gingen.
   Deze hypothese werd gemakkelijk weerlegd; maar de waarnemingen die aan Hermes werden toegeschreven, bleven onverklaard. De verklaring wordt echter gevonden in de hindoe-sterrenkunde. Op de tijd die voor deze waarnemingen is vastgesteld, 1985 jaar vóór Ptolemeus, lag het beginpunt van de hindoe-Dierenriem 35 graden vóór de equinox; daarom zijn de lengten die vanaf dit punt werden gerekend, 35 graden groter dan wanneer men vanaf de equinox rekent. Maar na verloop van 1985 jaar zouden de sterren 28 graden zijn vooruitgegaan, en er zou een verschil van maar 7 graden overblijven tussen de lengten van Hermes en die van Ptolemeus, en het verschil zou voor de twee sterren hetzelfde zijn omdat het is toe te schrijven aan het verschil tussen de beginpunten van de Dierenriem van de Hindoes en die van Ptolemeus, die vanaf de equinox rekent. Deze verklaring is zo eenvoudig en natuurlijk, dat zij waar moet zijn. We weten niet of Hermes, die in de oudheid zo beroemd was, een Hindoe was, maar we zien dat de waarnemingen die aan hem worden toegeschreven, op de manier van de Hindoes zijn berekend, en we concluderen dat ze door de Hindoes zijn verricht, die dus in staat waren alle door ons opgenoemde waarnemingen te doen die we in hun tabellen aantreffen.
   Ten zesde. De waarneming van het jaar 3102, die hun epoche schijnt te hebben bepaald, was niet moeilijk. We zien dat de Hindoes, toen ze eenmaal de dagelijkse beweging van de maan van 13 graden 10 minuten en 35 seconden hadden vastgesteld, hiervan gebruikmaakten om de Dierenriem te verdelen in 27 sterrenbeelden, die in verband stonden met de periode van de maan, die ongeveer 27 dagen beslaat.
   Zij stelden volgens deze methode de standen van de sterren in deze Dierenriem vast; zo ontdekten ze dat een bepaalde ster van de Lier in 8 uur 24 minuten stond11, het hart van de Hydra in 4 dagen 7 uur, lengten die worden toegeschreven aan Hermes, maar die volgens de hindoe-Dierenriem worden berekend. Zij ontdekten eveneens dat de ‘tarwe-aar van Virgo’ het begin van hun vijftiende sterrenbeeld vormt, en het ‘oog van Taurus’ het einde van het vierde; van deze sterren staat de ene in 6 dagen 6 uur 40 minuten en de andere in 1 dag 23 uur 20 minuten van de hindoe-Dierenriem12. Omdat dit zo is, had de maansverduistering die 14 dagen na de kali-yuga epoche optrad, plaats op een punt tussen de ‘tarweaar’ van Virgo en de ster θ van hetzelfde sterrenbeeld. Deze sterren staan bij benadering één sterrenbeeld van elkaar; de ene staat aan het begin van het vijftiende, de andere aan het begin van het zestiende. Het was dus niet moeilijk om de plaats van de maan te bepalen door haar afstand te meten tot een van deze sterren; hieruit hebben zij de plaats van de zon afgeleid, die in oppositie met de maan stond. Vervolgens berekenden ze op grond van hun gemiddelde bewegingen dat de maan op het eerste punt van de Dierenriem was volgens haar gemiddelde lengte om middernacht van de 17de op de 18de februari 3102 vóór onze jaartelling en dat de zon zes uur later volgens zijn ware lengte op dezelfde plaats stond; een gebeurtenis die het begin van het hindoejaar bepaalt.
   Ten zevende. De Hindoes zeggen dat het beginpunt van hun Dierenriem 20.400 jaar vóór het begin van het kali-yuga samenviel met de lente-equinox en dat de zon en de maan daar in conjunctie stonden. Dit tijdpunt is kennelijk fictief13, maar we kunnen vragen van welk punt, van welke epoche de Hindoes uitgingen om het vast te stellen. Als we de waarden van de Hindoes nemen voor de omlooptijden van de zon en de maan, nl. 365 dagen 6 uur 12 minuten 30 seconden en 27 dagen 7 uur 43 minuten 13 seconden, dan hebben we

20.400 omwentelingen van de zon = 7.451.277 dagen en 2 uur
272.724 omwentelingen van de maan = 7.451.277 dagen en 7 uur.

   Dit is de uitkomst die men verkrijgt als men van de kali-yuga epoche uitgaat; en de bewering van de Hindoes dat er op het genoemde tijdstip een conjunctie was, is op hun tabellen gebaseerd; maar als we dezelfde elementen gebruiken en de telling vanaf het jaar 1491 toepassen, of een andere, die van het jaar 1282 uitgaat en waarover we later zullen spreken, zal er altijd een verschil zijn van bijna één of twee dagen. Het is zowel eerlijk als voor de hand liggend, dat we bij het verifiëren van de berekeningen van de Hindoes die elementen van hen nemen, die dezelfde uitkomst geven als waartoe zij zelf waren gekomen, en dat we uit al hun epochen die kiezen, die ons in staat stelt bij de bedoelde fictieve epoche uit te komen. Omdat zij voor deze berekening moeten zijn uitgegaan van hun werkelijke epoche, die was gebaseerd op een waarneming, en niet van een epoche die door middel van zo’n berekening uit de eerstgenoemde was afgeleid, volgt hieruit dat hun werkelijke epoche die van het jaar 3102 vóór onze tijdrekening was.
   Ten achtste. De brahmanen van Tiravalore geven de beweging van de maan14 als 7 dagen 2 uur 8 minuten op de veranderlijke Dierenriem en als 9 dagen 7 uur 45 minuten 1 seconde met betrekking tot de equinox, in een groot tijdvak van 1.600.984 dagen of 4386 jaar en 94 dagen. Wij geloven dat deze beweging door waarneming werd vastgesteld; en we moeten er direct bij zeggen dat deze periode een lengte heeft die haar weinig geschikt maakt voor het berekenen van de gemiddelde beweging.
   Bij hun sterrenkundige berekeningen maken de Hindoes gebruik van perioden van 248, 3031 en 12.372 dagen; maar afgezien van het feit dat deze perioden, hoewel ze veel te kort zijn, niet de nadelen van eerstgenoemde vertonen, bevatten ze precies een aantal omwentelingen van de maan met betrekking tot haar apogeum. Het zijn in werkelijkheid gemiddelde bewegingen. De grote periode van 1.600.984 is niet de som van een aantal omwentelingen; er is geen reden waarom deze eerder 1.600.984 dan 1.600.985 dagen zou bevatten. Het lijkt erop dat het aantal dagen en het begin en het einde van de periode alleen door waarneming zijn vastgesteld. Deze periode eindigt op 21 mei 1282 van onze tijdrekening om 5 uur 15 minuten en 30 seconden in Benares. De maan stond toen volgens de Hindoes in haar apogeum en haar lengte was15 . . . 7 dagen 13 uur 45 minuten en 1 seconde.
   Maier geeft voor de lengte 7 dagen 13 uur 53 minuten en 48 seconden en plaatst het apogeum op 7 dagen 14 uur 6 minuten en 54 seconden.
   De plaatsbepaling van de maan door de brahmanen verschilt dus maar negen minuten van de onze, en die van het apogeum 22 minuten, en het is overduidelijk dat zij deze overeenkomst met onze beste tabellen en deze nauwkeurigheid in de hemelstanden alleen door waarneming konden verkrijgen. Als het einde van deze periode door waarneming werd vastgelegd, is er alle reden om te geloven dat ook het begin erdoor werd bepaald. Maar dan zou deze direct bepaalde en op de natuur gebaseerde beweging noodzakelijk in nauwe overeenstemming moeten zijn met de ware bewegingen van de hemellichamen.
   En inderdaad verschilt de beweging volgens de Hindoes in deze lange periode van 4383 jaar nog geen minuut van die van Cassini en evenveel van die van Maier. Zo hebben twee volkeren, de Hindoes en de Europeanen, die aan de twee uiteinden van de wereld wonen en die door hun gewoonten misschien even ver van elkaar afliggen, precies dezelfde uitkomsten verkregen voor de bewegingen van de maan; en deze overeenstemming zou ondenkbaar zijn, als deze niet was gebaseerd op het waarnemen en het wederzijds navolgen van de natuur. We moeten opmerken dat elk van de vier tabellen van de Hindoes een kopie is van dezelfde sterrenkunde. Men kan niet ontkennen dat de Siamese tabellen bestonden in 1687, toen zij door De la Loubère uit India werden meegebracht. De tabellen van Cassini en Maier bestonden toen nog niet, en dus waren de Hindoes al in het bezit van nauwkeurige gegevens over de beweging die in deze tabellen stonden, terwijl wij die nog niet bezaten16. Men moet dus toegeven dat de nauwkeurigheid van deze beweging volgens de Hindoes, het gevolg is van waarneming. Zij is voor deze hele periode van 4383 jaar nauwkeurig, omdat zij aan de hemel zelf was ontleend; en als waarneming het eind ervan bepaalde, heeft deze ook het begin vastgesteld. Het is de langste periode die ooit is waargenomen en waarvan de herinnering in de annalen van de sterrenkunde wordt bewaard. Zij heeft haar oorsprong in de epoche van het jaar 3102 v.Chr. en vormt een overtuigend bewijs van de realiteit van die epoche.’

   Bailly wordt zo uitvoerig aangehaald, omdat hij een van de weinige wetenschappers is die hebben geprobeerd aan de sterrenkunde van de Ariërs volledig recht te doen. Van John Bentley tot en met de Sūrya-Siddhānta van Burgess is niet één sterrenkundige tegenover het geleerdste volk uit de oudheid eerlijk genoeg geweest. Hoe vervormd en hoe verkeerd begrepen de hindoesymboliek ook is, iedere occultist moet deze wel recht doen als hij eenmaal iets weet over de Geheime Wetenschappen. Hij zal zich dan ook niet afkeren van hun metafysische en mystieke interpretatie van de Dierenriem, al zouden alle Pleiaden van de Koninklijke Sterrenkundige Genootschappen in het geweer komen tegen hun wiskundige weergave ervan. Het neerdalen en weer opstijgen van de monade of ziel kan niet los worden gezien van de tekens van de Dierenriem, en het lijkt natuurlijker, in de zin van passender, om te geloven in een geheimzinnige sympathie tussen de metafysische ziel en de heldere sterrenbeelden, en in de invloed van de laatstgenoemde op de eerste, dan in het absurde denkbeeld dat de scheppers van hemel en aarde de typen van twaalf ondeugdzame joden aan de hemel hebben geplaatst. En als, zoals de schrijver van The Gnostics beweert, het doel van alle gnostische scholen en van de latere platonici was ‘om het oude geloof aan te passen aan de invloed van de boeddhistische theosofie, waarvan de essentie was dat de ontelbare goden van de hindoemythologie alleen maar de namen waren voor de energieën van de Eerste Triade in haar opeenvolgende avatāra’s of openbaringen aan de mens’, waarheen kunnen we ons dan beter wenden om deze theosofische denkbeelden tot hun wortel terug te voeren, dan tot de oude wijsheid van India? Wij zeggen nogmaals: het archaïsche occultisme zou voor iedereen onbegrijpelijk blijven als het anders werd weergegeven dan via de meer bekende kanalen van het boeddhisme en het hindoeïsme. Want het boeddhisme is uit het laatstgenoemde voortgekomen, en beide zijn kinderen van één moeder – de oude Lemurisch-Atlantische wijsheid.

 

 

Noten:

  1. Astronomie Antique.
  2. De Pleiaden zijn zoals men weet de zeven sterren voorbij de Stier, die aan het begin van de lente verschijnen. Zij hebben in de esoterische filosofie van de hindoes een heel occulte betekenis en staan in verband met geluid en andere mystieke beginselen van de Natuur.
  3. Noot vert. Apocatastasis = terugkeer tot dezelfde schijnbare (toe)stand of plaats.
  4. Of veel volkeren diezelfde ster hebben gezien of niet, wij weten allen dat de graven van ‘de drie wijzen’ – die zich verheugen in de echt Germaanse namen Kaspar en Melchior, die weinig Chaldeeuws klinken, terwijl Balthazar de enige uitzondering is – door de priesters in de beroemde kathedraal van Keulen worden getoond; en niet alleen veronderstelt men dat de wijzen daar liggen begraven, maar men is hiervan overtuigd.
  5. Deze overlevering betreffende de zeventig planeten die heersen over het lot van de volkeren, is gebaseerd op de occulte kosmogonische leer dat er behalve onze eigen zevenvoudige keten van wereldplaneten, nog veel andere in het zonnestelsel zijn.
  6. Noot vert. De negentiende.
  7. Elke geleerde weet natuurlijk dat de Chaldeeën voor hun goddelijke dynastieën dezelfde getallen 432 of 432.000 van toepassing achtten als de hindoes voor hun mahāyuga, nl. 4.320.000. Daarom heeft dr. Sepp uit München, Kepler en Wilford gesteund in hun beschuldiging dat de hindoes deze van de christenen hadden overgenomen, en de Chaldeeën van de joden die, zoals werd beweerd, hun messias in het maanjaar van de wereld 4320 verwachtten!!! Omdat deze getallen door Berosus overeenkomstig schrijvers uit de oudheid waren gebaseerd op de 120 sarossen – elk bestaande uit zes nerossen van 600 jaar, zodat het totaal 432.000 jaar bedraagt – lijken ze niet beslissend. Maar de vrome professor uit München probeerde ze op de juiste manier uit te leggen. Hij beweert dat hij het raadsel heeft opgelost door aan te tonen dat ‘omdat de saros volgens Plinius bestaat uit 222 synodische maanden, dat is 18,6 jaar’, de rekenaar vanzelf terugviel op de getallen ‘die door Suidas waren gegeven’; deze beweerde dat de 120 sarossen overeenkwamen met 2222 priesterlijke en cyclische jaren, wat gelijk is aan 1656 zonnejaren. (Vie de Notre Seigneur Jésus Christ, Deel II, blz. 417.)
       Suidas heeft iets dergelijks niet gezegd, en zelfs als dat wel zo was, zou hij daarmee weinig of niets bewijzen. De nerossen en sarossen waren net zo’n doorn in het oog van oningewijde schrijvers uit de oudheid, als het apocalyptische getal 666 van het ‘grote Beest’ voor de hedendaagse schrijvers, en zij hebben evenals laatstgenoemd getal hun ongelukkige Newtons gehad.
  8. De lezer moet bedenken dat de uitdrukking ‘climacterisch jaar’, wanneer deze door occultisten en mystici wordt gebruikt, meer dan de gewone betekenis heeft. Het is niet alleen een kritiek tijdvak waarin periodiek de een of andere grote verandering wordt verwacht, hetzij in het menselijke gestel of in de kosmische constitutie, maar het heeft eveneens betrekking op geestelijke universele veranderingen. De Europeanen noemden elk 63ste jaar ‘het grote climacterische jaar’, en veronderstelden misschien terecht dat die jaren worden verkregen door 7 te vermenigvuldigen met de oneven getallen 3, 5, 7 en 9. Maar zeven is in het occultisme de ware schaal van de natuur, en 7 moet op een heel andere manier worden vermenigvuldigd, die aan de Europese volkeren nog onbekend is.
  9. Noot vert. ‘Epoche’ (Eng. ‘epoch’) is volgens de Algemene Winkler Prins Encyclopedie ‘een technische term in de antieke astronomie; het is een aanduiding van een planeetpositie op een gegeven datum in het verleden, waarvan af men rekent om met behulp van tafels de positie op een andere gegeven datum te vinden. In de tijdrekenkunde ook: begindatum van een tijdrekening’ (cursivering van ons).
  10. Voor een gedetailleerd wetenschappelijk bewijs van deze conclusie zie men blz. 121 van het boek van Bailly, waar het onderwerp vaktechnisch wordt besproken.
  11. Noot vert. De betekenis hiervan is niet geheel duidelijk. Misschien wordt bedoeld 8 tekens, 24° (en op dezelfde regel 4 tekens, 7°). Ook op de hierna volgende bladzijden treedt deze onzekerheid op.
  12. Zie voetnoot van de vertalers, hierboven.
  13. Waarom het ‘fictief’ moet zijn, kan nooit door Europese wetenschappers duidelijk worden gemaakt.
  14. Zie de laatste voetnoot van de vertalers, hierboven.
  15. Zie de laatste voetnoot van de vertalers hierboven, mede in verband met de volgende 2 regels van de tekst.
  16. ‘Het volgende is een antwoord aan die wetenschappers die misschien vermoeden dat onze sterrenkunde naar India werd gebracht en door onze zendelingen aan de Hindoes werd meegedeeld. Ten eerste. De hindoesterrenkunde heeft haar eigen bijzondere vormen, die door hun originaliteit worden gekenmerkt; als het een overgenomen versie van onze sterrenkunde was geweest, zouden grote kundigheid en kennis nodig zijn geweest om de diefstal te verbergen. Ten tweede. Als zij de gemiddelde beweging van de maan hadden overgenomen, zouden zij ook de helling van de ecliptica, de correctie van het centrum van de zon en de lengte van het jaar hebben overgenomen; deze elementen verschillen volledig van de onze en zijn opvallend nauwkeurig als men ze toepast op de epoche van 3102; terwijl ze een grote fout zouden bevatten als ze voor de laatste eeuw waren berekend. Ten derde. Tenslotte konden onze zendelingen in 1687 de tabellen van Cassini niet aan de Hindoes hebben meegedeeld; deze tabellen bestonden toen nog niet. Ze kunnen alleen de gemiddelde bewegingen van Tycho, Riccioli, Copernicus, Bouilland, Kepler, Longomontanus en die van de tabellen van Alphonso hebben gekend. Ik geef nu een overzicht in tabelvorm van deze gemiddelde bewegingen voor 4383 jaar en 94 dagen:

       Geen van deze gemiddelde bewegingen, behalve die van Cassini, komt overeen met die van de Hindoes, die dus hun gemiddelde bewegingen niet hebben overgenomen, omdat hun cijfers alleen met die van Cassini overeenstemmen, en zijn tabellen bestonden in 1687 niet. Deze gemiddelde beweging van de maan behoort daarom aan de Hindoes, die deze alleen door waarneming konden hebben verkregen.’ Bailly, Traite de l’Astronomie Indienne et Orientale.

 


De Geheime Leer 1:718-43

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag