§ 7

Een aanval door een geleerde op de krachttheorie van de wetenschap

 

   We moeten nu de wijze woorden van verschillende (Engelse) wetenschappers aanhalen die voor ons gunstig zijn. Terwijl ze door enkelen ‘ter wille van het beginsel’ in de ban worden gedaan, worden hun uitspraken door velen stilzwijgend goedgekeurd. Iedere occultist en zelfs sommige niet-ingewijde lezers zullen erkennen, dat een van hen bijna occulte leringen verkondigt, die in sommige opzichten identiek zijn met en vaak neerkomen op een openlijke erkenning van onze ‘fohat en zijn zeven zonen’ – de occulte gandharva van de Veda’s.
   Als de niet-ingewijde lezers Deel V van de Popular Science Review (blz. 329-334) opslaan, zullen zij daarin een artikel vinden door dr. B.W. Richardson, F.R.S., over ‘Zonnekracht en aardkracht’, dat als volgt luidt:

   ‘Op dit moment, nu de theorie dat alleen beweging de oorsprong is van alle soorten kracht, weer de overheersende opvatting wordt, zou het bijna ketterij zijn om een debat te heropenen dat met algemene instemming al een tijdlang feitelijk schijnt te zijn afgesloten. Maar ik aanvaard het risico en zal daarom uiteenzetten wat precies de opvattingen over de zonnekracht waren van de onsterfelijke ketter, van wie ik de naam aan de lezers heb toegefluisterd (Samuel Metcalfe). Hij begint met de stelling waarover bijna alle natuurkundigen het eens zijn, dat er in de natuur twee agentia bestaan – stof, die weegbaar, zichtbaar en tastbaar is, en iets dat onweegbaar en onzichtbaar is en alleen kan worden waargenomen door de invloed ervan op de stof. Metcalfe beweert dan dat het niet-weegbare en actieve agens, dat hij de ‘caloric1 noemt, geen zuivere bewegingsvorm is, geen trilling van de deeltjes weegbare stof, maar zelf een stoffelijke substantie, die vanuit de zon door de Ruimte stroomt2, de lege ruimten tussen de deeltjes van vaste lichamen vult en die door middel van het gevoel overdraagt, wat men warmte noemt. De aard van de caloric of zonnekracht wordt door hem op de volgende gronden gebaseerd:
   (i.) Zij kan aan andere lichamen worden toegevoegd en onttrokken en met wiskundige precisie worden gemeten.
   (ii.) Zij vergroot het volume van lichamen, die weer in omvang verminderen als zij eraan wordt onttrokken.
   (iii.) Zij verandert de vormen, eigenschappen en toestanden van alle andere lichamen.
   (iv.) Zij gaat door middel van straling door het meest volkomen vacuüm3 heen dat kan worden gevormd, en brengt hierin op de thermometer dezelfde gevolgen teweeg als in de atmosfeer.
   (v.) Zij oefent mechanische en scheikundige krachten uit die door niets kunnen worden bedwongen, zoals in vulkanen, het ontploffen van kruit en andere explosieve verbindingen.
   (vi.) Zij werkt op waarneembare wijze op het zenuwstelsel in en brengt hevige pijn teweeg, bij overdaad worden de weefsels verstoord.
   Tegen de trillingstheorie voert Metcalfe verder aan, dat als de caloric alleen maar een eigenschap of hoedanigheid was, zij het volume van andere lichamen niet zou kunnen vergroten. Voor dit doel moet zij zelf volume hebben, ruimte innemen en daarom een stoffelijk agens zijn. Als de caloric alleen het gevolg van een trillende beweging bij de deeltjes van weegbare stof was, zou zij niet van warme lichamen kunnen uitstralen zonder daarbij gelijktijdig de trillende deeltjes uit te zenden. Maar het is een bekend feit dat warmte kan uitstralen van stoffelijke weegbare substantie zonder dat deze substantie aan gewicht verliest. . . . Met deze opvatting over de stoffelijke aard van de caloric of zonnekracht, en vast overtuigd dat ‘alles in de Natuur is opgebouwd uit twee soorten stof, de ene in essentie actief en etherisch, de andere passief en bewegingloos’4, legde Metcalfe de basis voor de hypothese dat de zonnekracht of de caloric een zelfwerkend beginsel is. Hij meent dat zij haar eigen deeltjes afstoot en affiniteit heeft voor de deeltjes van alle weegbare stof; zij trekt de deeltjes van weegbare stof aan met krachten die omgekeerd evenredig zijn met de kwadraten van de afstanden. Zij werkt dus door middel van weegbare stof. Als de ruimte van het heelal alleen met caloric, of zonnekracht was gevuld (zonder weegbare stof), zou de caloric ook niet actief zijn en een grenzeloze oceaan vormen van krachteloze latente ether, omdat zij niets zou hebben om op in te werken, terwijl de weegbare stof, hoe passief die uit zichzelf ook is, ‘bepaalde eigenschappen heeft waardoor zij de werking van de caloric verandert en beheerst. Beide zijn gebonden aan onveranderlijke wetten, die hun oorsprong vinden in de onderlinge relaties en de specifieke eigenschappen van elk.’
   En hij formuleert een wet, waarvan hij gelooft dat deze absoluut geldt en die hij als volgt uitdrukt:
   ‘Door de aantrekking die de caloric uitoefent op de weegbare stof, verenigt zij alle dingen en houdt ze bij elkaar; door haar zelf-afstotende energie scheidt zij alle dingen en doet ze uitzetten.’’

Dit is natuurlijk bijna de occulte verklaring voor cohesie. Dr. Richardson vervolgt:

   ‘Zoals ik al heb gezegd, heeft de moderne leer de neiging te steunen op de hypothese . . . dat warmte beweging is, of misschien beter uitgedrukt, een specifieke kracht of bewegingsvorm5.
   Maar deze hypothese, hoe populair zij ook is, moet niet worden aanvaard met uitsluiting van de eenvoudiger opvattingen over de stoffelijke aard van de zonnekracht en over haar invloed bij het veranderen van de toestanden van de stof. We weten nog niet genoeg om dogmatisch te kunnen zijn6.
   . . . De hypothese van Metcalfe over de zonnekracht en de aardkracht is niet alleen heel eenvoudig, maar ook heel boeiend . . . Hier zijn twee elementen in het Heelal, het ene is weegbare stof . . . Het tweede element is de alles doordringende ether, het zonnevuur. Het heeft geen gewicht, substantie, vorm of kleur; het is oneindig deelbare stof en de deeltjes ervan stoten elkaar af. Zij is zo ijl dat we geen woord hebben, behalve ether7, om haar uit te drukken. Zij doordringt en vult de ruimte, maar op zichzelf is ook zij in rust – dood8. We brengen de twee elementen, de inerte stof en de zelf-afstotende ether (?) samen, en daarna wordt dode (?) weegbare stof tot leven gewekt; [weegbare stof kan inert zijn, maar nooit dood – dit is een occulte wet. – HPB] . . . de ether [het tweede beginsel van de ether. – HPB] doordringt de deeltjes van de weegbare substantie, verenigt zich zodoende met de weegbare deeltjes en houdt ze in een massa bijeen, houdt ze verenigd samen. Ze worden in de ether opgelost.
   Volgens de theorie die hier wordt besproken, strekt deze verspreiding door de ether van vaste weegbare stof zich uit tot alles wat op dit ogenblik bestaat. De ether doordringt alles. Het menselijke lichaam zelf is geladen met ether [of beter gezegd, astraal licht. – HPB]. Zijn kleinste deeltjes worden erdoor bij elkaar gehouden. De plant bevindt zich in dezelfde omstandigheid. Voor de meest vaste aarde, rots, diamant, het hardste kristal, metaal, geldt hetzelfde. Maar er zijn verschillen in het vermogen van diverse soorten weegbare stof om zonnekracht op te nemen; hierop berusten de verschillende veranderende toestanden van de stof: de vaste, de vloeibare, de gasvormige. Vaste lichamen hebben meer caloric aangetrokken dan vloeibare lichamen, vandaar hun sterke cohesie. Wanneer men een hoeveelheid gesmolten zink over een vaste zinken plaat uitgiet, wordt het gesmolten zink even vast, omdat er een toevoer is van caloric van het vloeibare naar het vaste en bij het gelijkmaken worden de deeltjes, die eerst los of vloeibaar waren, nauwer bijeengebracht . . . Metcalfe zelf staat stil bij de bovengenoemde verschijnselen en verklaart ze uit het beginsel van eenheid van handeling, dat al is toegelicht. Bij het toelichten van de dichtheden van verschillende lichamen vat hij zijn redenering in heel duidelijke bewoordingen samen. ‘Hardheid en zachtheid’, (zegt hij) ‘vastheid en vloeibaarheid zijn geen essentiële toestanden van lichamen, maar hangen af van het relatieve aandeel van de etherische en de weegbare stof waaruit ze zijn samengesteld. Het meest elastische gas kan in een vloeibare vorm worden omgezet door het onttrekken van caloric, en weer in een vaste stof worden omgezet. De deeltjes van die stof zouden zich dan samenhechten met een kracht die evenredig is met hun toegenomen affiniteit voor caloric. Anderzijds wordt door toevoeging van een voldoende hoeveelheid van hetzelfde beginsel aan de hardste metalen hun aantrekking tot de caloric verminderd, als men ze laat uitzetten tot de gasvormige toestand, en hun cohesie wordt vernietigd.’’

   Nadat hij zo de heterodoxe opvattingen van de grote ‘ketter’ uitvoerig heeft aangehaald – opvattingen die alleen maar hier en daar een kleine verandering van woorden behoeven – geeft dezelfde eminente wetenschapper, ontegenzeglijk een originele denker met ruime opvattingen, een samenvatting van die denkbeelden, en vervolgt:

   ‘Ik zal niet lang uitweiden over dit één-zijn van zonnekracht en aarde dat deze theorie impliceert. Maar ik kan er wel aan toevoegen dat we hieruit, of uit de hypothese van zuivere beweging als kracht en van kracht zonder substantie, als de best mogelijke benadering van de waarheid over dit onderwerp – het ingewikkeldste en diepzinnigste van alle onderwerpen – de volgende conclusies mogen trekken.
   (a) De Ruimte, tussen de sterren, tussen de planeten, tussen de stof en tussen de organismen, is geen vacuüm, maar is gevuld met een ijl fluïdum of gas, dat we bij gebrek aan een beter woord9 nog steeds evenals de Ouden, aith-ur – zonnevuur, aether kunnen noemen. Dit fluïdum, dat onveranderlijk van samenstelling, onverwoestbaar en onzichtbaar10 is, doordringt alles en alle [weegbare – HPB] stof11; de kiezelsteen in de stromende beek, de boom die er overheen hangt, de mens die ernaar kijkt, zijn in verschillende mate met ether geladen; de kiezelsteen minder dan de boom, de boom minder dan de mens. Alles op de planeet is op dezelfde manier geladen! Een wereld is opgebouwd in een etherisch fluïdum en beweegt door een zee daarvan.
   (b) De ether, wat zijn aard ook is, komt van de zon en van de zonnen12; de zonnen zijn de voortbrengers ervan, de voorraadschuren en de verspreiders ervan13.
   (c) Zonder ether zou er geen beweging ūkunnen zijn; zonder ether zouden de deeltjes van de weegbare stof niet over elkaar kunnen glijden; zonder ether zou er geen impuls zijn om die deeltjes tot werkzaamheid op te wekken.
   (d) Ether bepaalt de gesteldheid van lichamen. Als er geen ether zou zijn, zou er geen verandering in de gesteldheid van de substantie kunnen zijn. Water zou bijvoorbeeld alleen als een substantie kunnen bestaan, vast en onoplosbaar, zó dat wij ons er geen begrip van kunnen vormen. Het zou zelfs nooit ijs, nooit hard of dampvormig kunnen zijn, als er geen ether was.
   (e) Ether verbindt zon met planeet, planeet met planeet, mens met planeet, mens met mens. Zonder ether zou er in het Heelal geen communicatie kunnen zijn; geen licht, geen warmte, geen bewegingsverschijnselen.’

   Wij zien dus dat de ether en de elastische atomen volgens de mechanische opvatting van het Heelal, de geest en ziel van de Kosmos zijn en dat de theorie – op welke manier en in welke gedaante deze ook wordt gegeven – nog altijd meer ruimte voor de wetenschappers openlaat om te speculeren voorbij de grens die door het hedendaagse materialisme wordt getrokken – of om nauwkeuriger14 te zijn, noem het liever agnosticisme – dan waarvan de meerderheid gebruikmaakt. Of het nu gaat om atomen, ether of beide, de hedendaagse speculaties kunnen niet aan de gedachtesfeer van de Ouden ontkomen en deze laatste was doortrokken van archaïsch occultisme. De golftheorie of de deeltjestheorie – het is allemaal hetzelfde. Het is speculatie vanuit het gezichtspunt van de verschijnselen, niet vanuit de kennis van de essentiële aard van de oorzaak en de oorzaken. Als de hedendaagse wetenschap haar toehoorders de laatste resultaten van Bunsen en Kirchoff heeft uitgelegd en de zeven kleuren heeft laten zien, de ‘oorspronkelijke kleur’ van een straal die in een vaste volgorde op een scherm wordt ontleed, en de verschillende lengten van de lichtgolven heeft beschreven, wat heeft zij dan bewezen? Zij heeft haar reputatie van mathematische nauwkeurigheid gerechtvaardigd door zelfs de lengte van een lichtgolf te meten – ‘die varieert van ongeveer één 760.000.000ste deel van een millimeter aan het rode einde van het spectrum tot ongeveer één 393.000.000ste deel van een millimeter aan het violette einde’. Maar al wordt de nauwkeurigheid van de berekening voor wat betreft het effect op de lichtgolf zo bewezen, toch wordt de wetenschap gedwongen toe te geven, dat men gelooft dat de kracht (die de veronderstelde oorzaak is) ‘onvoorstelbaar kleine golvingen’ veroorzaakt in de een of andere middenstof – ‘die in het algemeen als identiek wordt beschouwd met de etherische middenstof15 – en die middenstof zelf is nog alleen maar . . . een ‘hypothetisch agens’!
   Het pessimisme van Auguste Comte met betrekking tot de onmogelijkheid om ooit de scheikundige samenstelling van de zon te kennen, is niet, zoals wordt beweerd, dertig jaar later door Kirchoff ondergraven. De spectroscoop heeft ons geholpen om in te zien, dat de elementen waarmee de hedendaagse scheikundige vertrouwd is, naar alle waarschijnlijkheid in het uiterlijke kleed van de zon aanwezig moeten zijn, niet in de zon zelf. Terwijl de natuurkundigen dit ‘kleed’, de kosmische sluier van de zon, voor de zon zelf hielden, hebben zij verklaard dat zijn lichtgevende eigenschap is toe te schrijven aan verbranding en hitte en hebben zij het vitale beginsel van die lichtgevende ster ten onrechte voor iets zuiver stoffelijks aangezien en dit ‘chromosfeer’ genoemd16. We hebben tot dusver alleen hypothesen en theorieën, maar volstrekt geen wetten.

 

Noten:

  1. Noot vert. Afgeleid van het Franse ‘calorique’, de naam die Lavoisier gaf (1792) aan een verondersteld elastisch fluïdum, waaraan de verschijnselen van warmte werden toegeschreven. Eerder ook ‘warmtestof’ genoemd.
  2. Niet alleen ‘door de ruimte’, maar elk punt van ons zonnestelsel vullend, want zij is als het ware het fysieke overblijfsel van de ether, de bekleding ervan op ons gebied. Ether dient namelijk nog andere kosmische en aardse doeleinden dan als het ‘agens’ op te treden voor het overbrengen van licht. Hij is het astrale fluïdum of het ‘licht’ van de kabbalisten en de ‘zeven stralen’ van de Zonne-Vishnu.
  3. Waarom heeft men dan etherische golven nodig voor het overbrengen van licht, warmte, enz., als deze substantie door een vacuüm kan gaan?
  4. En hoe kan het anders? Grove weegbare stof is het lichaam, het omhulsel van de stof of substantie, het vrouwelijke passieve beginsel, en deze kracht van fohat is het tweede beginsel, prāna, het mannelijke en het actieve. Op onze bol is deze substantie het tweede beginsel van het zevenvoudige element – aarde; in de dampkring is zij dat van lucht, het kosmische grove lichaam. In de zon wordt zij het zonnelichaam en dat van de zeven stralen; in de sterrenruimte komt zij overeen met een ander beginsel, enz. Alleen het geheel is een homogene eenheid, alle onderdelen zijn differentiaties.
  5. Of de terugkaatsing, en voor het geluid de weerklank op ons gebied van wat op hogere gebieden een eeuwige beweging van die substantie is. Onze wereld en onze zintuigen zijn onophoudelijk slachtoffer van māyā.
  6. Dat is een eerlijke erkenning.
  7. Toch is zij geen ether, maar slechts een van de beginselen van de ether; deze laatste is zelf een van de beginselen van ākāśa.
  8. Zo doordringt ook prāna (jīva) het hele levende lichaam van de mens: maar op zichzelf, zonder een atoom om op in te werken, zou dit in rust – dood zijn. Het zou in laya zijn of zoals Crookes het uitdrukt ‘opgesloten in de protyle’. Het is de werking van fohat op een samengesteld of zelfs een enkelvoudig lichaam, die leven voortbrengt. Als een lichaam sterft, gaat het over in dezelfde polariteit als zijn mannelijke energie en het stoot daarom het werkzame agens af dat, omdat het zijn greep op het geheel verliest, zich aan de delen of moleculen vasthecht. Deze werking noemt men chemisch. Vishnu, de instandhouder, verandert zich in Rudra-Śiva, de vernietiger – een verband dat aan de wetenschap onbekend schijnt te zijn.
  9. Tenzij men de occulte benamingen van de kabbalisten overneemt!
  10. Alleen tijdens manvantarische perioden ‘onveranderlijk’, waarna het weer opgaat in Mūlaprakriti; voor altijd ‘onzichtbaar’ wat zijn eigen essentie betreft, maar waar te nemen in zijn weerspiegelde glans, die door de hedendaagse kabbalisten het astrale licht wordt genoemd. Toch bewegen bewuste en verheven wezens, bekleed met diezelfde essentie, zich erin.
  11. Men moet er (weegbaar) aan toevoegen, om het te onderscheiden van die ether die nog stof is, hoewel een onderlaag.
  12. De occulte wetenschappen keren de bewering om en zeggen dat de zon, en alle zonnen die uit de ether zijn, bij de manvantarische dageraad uit de centrale zon voortkomen.
  13. Hier moeten we beslist met de geleerde van mening verschillen. Laten we bedenken dat deze aether, of met deze term nu ākāśa wordt bedoeld of zijn lagere beginsel, ether, zevenvoudig is. Ākāśa is aditi in de allegorie, en de moeder van mārtānda (de zon), de deva-mātri – ‘moeder van de goden’. In het zonnestelsel is de zon haar buddhi en vahāna, het voertuig, en dus het zesde beginsel. In de Kosmos zijn alle zonnen het kāmarūpa van ākāśa, en dat geldt ook voor de onze. Alleen als hij als individuele entiteit in zijn eigen rijk wordt beschouwd, is sūrya (de zon) het zevende beginsel van het grote lichaam van stof.
  14. Grof maar oprecht materialisme is nu eerlijker dan agnosticisme met een Januskop. Het monisme is de zalvende huichelaar van de hedendaagse filosofie die de psychologie en het idealisme een farizeeërsgezicht toekeert en zijn natuurlijke gezicht van een romeinse augur heimelijk spottend naar het materialisme toekeert. De monisten zijn erger dan de materialisten omdat de laatstgenoemden, terwijl ze het Heelal en de psychospirituele mens vanuit hetzelfde negatieve standpunt beschouwen, hun zaak veel minder geloofwaardig naar voren brengen dan sceptici van de stempel van Tyndall of zelfs Huxley. Herbert Spencer, Bain en Lewes zijn gevaarlijker voor de universele waarheden dan Büchner.
  15. Prof. A. Winchell, Geology.
  16. Zie Five Years of Theosophy, de artikelen ‘Do the Adepts deny the nebular theory?’ en ‘Is the Sun merely a cooling mass?’ voor de ware occulte lering.

 


De Geheime Leer 1:577-83

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag