§ 17

Het ‘Heilige der Heiligen’. Zijn ontaarding.

 

   Het sanctum sanctorum van de Ouden – ook het adytum genoemd – dat is die nis aan de westkant van de tempel, die aan drie kanten door blinde muren was omsloten en waar vóór de enige opening of deur een gordijn hing, kwam bij alle oude volkeren voor.
Niettemin is er een groot verschil tussen de geheime betekenissen van deze symbolische plaats in de esoterie van de heidenen en die van de latere joden, hoewel de symboliek ervan oorspronkelijk bij alle oude rassen en volkeren gelijk was. De heidenen, die pantheïsten waren, bewezen het de grootste eer door in het adytum een sarcofaag of tombe (taphos) te plaatsen, en ook de zonnegod aan wie de tempel was gewijd. Zij beschouwden het – in zijn esoterische betekenis – als het symbool van kosmische, zonne- (of dagelijkse) en menselijke wederopstanding. Het omvatte het hele terrein van periodieke en stipt op tijd optredende manvantara’s of het geregelde herontwaken van de Kosmos, de aarde en de mens tot een nieuw bestaan; waarbij de zon het meest dichterlijke en ook het meest grootse symbool ervan in de hemel is, en de mens – in zijn reïncarnaties – op aarde. De joden – van wie het realisme, als men het beoordeelt naar de dode letter, in de tijd van Mozes even praktisch en grof was als nu1 – voerden in de loop van hun vervreemding van de goden van hun heidense buren een nationale en levitische politiek, door hun Heilige der Heiligen exoterisch voor te stellen als het plechtigste teken van hun monotheïsme; terwijl zij er esoterisch slechts een universeel fallisch symbool in zagen. Terwijl de kabbalisten alleen Ain-Soph en de ‘goden’ van de mysteriën kenden, hadden de levieten geen tombe en geen god in hun adytum behalve de ‘heilige’ ark van het verbond – hun ‘Heilige der Heiligen’.
   Wanneer echter de esoterische betekenis van deze nis duidelijk is gemaakt, zullen de niet-ingewijden beter kunnen begrijpen waarom David ‘ontbloot’ voor de ark van het verbond danste en zo graag verachtelijk wilde schijnen ter wille van zijn ‘Heer’, en onedel in zijn eigen ogen. (Zie 2 Samuel vi, 16-22.)
   De ark is de bootvormige Argha van de mysteriën. Parkhurst, die er in zijn Griekse woordenboek een lange verhandeling over geeft en er geen woord over zegt in het Hebreeuwse lexicon, verklaart haar als volgt: ‘Άρχή komt in dit verband overeen met het Hebreeuwse rasit of wijsheid . . . een woord dat de betekenis had van het symbool van de vrouwelijke voortbrengende kracht, de arg of arca waarin, zoals men veronderstelde, de kiem van de hele natuur boven de grote afgrond zweefde of hing tijdens het interval na elke wereldcyclus.’ Juist; en de joodse ark van het verbond had precies dezelfde betekenis; met de verdere aanvulling dat zij in plaats van een mooie en kuise sarcofaag (het symbool van de schoot van de Natuur en de wederopstanding), zoals in het sanctum sanctorum van de heidenen, de ark nog realistischer van bouw hadden gemaakt door de twee Cherubijnen, die op de kist of ark van het verbond tegenover elkaar zijn geplaatst, met hun vleugels zó uitgespreid dat zij een volmaakte yoni vormden (zoals men die nu in India ziet). Bovendien werd de betekenis van dit voortbrengingssymbool nog versterkt door de vier mystieke letters van de naam Jehova, nl. יהוה; of י , dat jod betekent (membrum virile, zie de Kabbala); ה (hé, de baarmoeder); ו (vau, een haak, een spijker), en weer ה (wat ook ‘een opening’ betekent); het geheel vormt het volmaakte dubbelgeslachtelijke embleem, of Y(e) H(o) V(a) H, het mannelijke en vrouwelijke symbool.
   Misschien zal – als men zich de werkelijke betekenis van functie en titel van de kadesh kadeshim, ‘de heiligen’ of ‘de aan de tempel van de Heer gewijden’ realiseert – het ‘Heilige der Heiligen’ van de laatstgenoemde een verre van stichtelijk aspect aannemen.
   Iacchus is ook Iao of Jehova; en Baäl of Adon was evenals Bacchus een fallische god. ‘Wie zal de heuvel (de hoge plaats) van de Heer beklimmen?’ vraagt de heilige koning David, ‘wie zal staan in de plaats van zijn kadushu קדשו?’ (Psalmen xxiv, 3). Kadesh is in één betekenis toewijden, wijden, heiligen en zelfs inwijden of afzonderen; maar het betekent ook de dienst van de wulpse riten (de Venus-verering), en de ware interpretatie van het woord kadesh wordt botweg gegeven in Deuteronomium xxiii, 17; Hosea iv, 14 en Genesis xxxvii, 15 tot 22. De ‘heilige’ kadeshuth van de bijbel hadden dezelfde ambtsplichten als de nautch-meisjes van de latere hindoepagoden. De Hebreeuwse kadeshim of galli woonden ‘bij het huis van de Heer, waar de vrouwen kleden voor het beeld van het bos weefden’, of voor het borstbeeld van Venus-Astarte, zegt het zevende vers van het 23ste hoofdstuk van 2 Koningen.
   De dans die David rond de ark uitvoerde, was de ‘cirkeldans’, die zoals men zegt door de amazonen voor de mysteriën was voorgeschreven. Dit was ook de dans van de dochters van Silo (Richteren xxi, 21, 23, e.v.), en het springen van de profeten van Baäl (1 Koningen xviii, 26). Deze dans was eenvoudig een kenmerk van de sabaeïsche eredienst, want hij gaf de beweging van de planeten rond de zon aan. Dat de dans een bacchische razernij was, is duidelijk. Bij die gelegenheid werden sistra gebruikt, en de hoon van Michal en het antwoord van de koning waren vol betekenis. Isis Ontsluierd, Deel II, blz. 49, Eng. uitgave.
   ‘De ark, waarin de kiemen worden bewaard van alle levende wezens die nodig zijn om de aarde weer te bevolken, vertegenwoordigt het voortbestaan van het leven en het oppergezag van de geest over de stof, door de strijd tussen de tegengestelde natuurkrachten. In het astro-theosofische schema van de westerse ritus komt de ark overeen met de navel en wordt geplaatst aan de linkerzijde, de zijde van de vrouw (de maan), die als een van haar symbolen de linkerzuil van de tempel van Salomo – boaz – heeft. De navelstreng is door middel van de placenta verbonden met de vruchtbodem waarin de embryo’s van het ras worden bevrucht. . . . De ark is de heilige argha van de hindoes, en haar relatie tot de ark van Noach kan dus gemakkelijk worden afgeleid als we vernemen dat de argha een langwerpig vat was, dat door de hogepriesters werd gebruikt als offerkelk bij de eredienst van Isis, Astarte en Venus-Aphrodite, die allen godinnen waren van de voortbrengende krachten in de natuur of van de stof – en dus symbolisch de ark voorstelden die de kiemen van alle levende dingen bevat.’ (Isis Ontsluierd, Deel II, blz. 444, Eng. uitgave.) Wie de kabbalistische boeken van vandaag en de interpretaties van de Zohar door de rabbi’s aanziet voor de ware kabbalistische leer van de oudheid, heeft het bij het verkeerde eind2! Want de voor Europa en Amerika toegankelijke Kabbala bevat heden, evenmin als in de tijd van Friedrich von Schelling, veel meer dan ‘puinhopen en fragmenten, sterk verminkte overblijfselen van dat oorspronkelijke stelsel dat de sleutel is tot alle religieuze stelsels’ (zie Kabbala, door prof. Franck, Voorwoord). Het oudste stelsel en de Chaldeeuwse Kabbala waren identiek. De laatste versies van de Zohar zijn die van de synagoge in de eerste eeuwen – namelijk de thora, die dogmatisch en star is.
   De ‘koningskamer’ in de piramide van Cheops is dus een Egyptisch ‘Heilige der Heiligen’. Op de dagen van de inwijdingsmysteriën moest de kandidaat, die de zonnegod voorstelde, in de sarcofaag afdalen als de krachtgevende straal, die binnengaat in de vruchtbare schoot van de Natuur. De volgende ochtend komt hij eruit tevoorschijn en stelt de wederopstanding van het leven voor, na de verandering die dood heet. In de grote mysteriën duurde zijn zinnebeeldige dood twee dagen, waarna hij op de derde morgen met de zon verrees, na een laatste nacht van de wreedste beproevingen. Terwijl de kandidaat de zon voorstelde – de allesverlevendigende bol die elke morgen ‘herrijst’, alleen om aan alles leven te schenken – was de sarcofaag het symbool van het vrouwelijke beginsel. Zo was het in Egypte; de vorm en gedaante ervan waren in elk land verschillend, als het maar een vaartuig bleef, een zinnebeeldige navis of bootvormig voertuig, dat symbolisch kiemen of de levenskiem bevatte. In India is het de ‘gouden’ koe, waardoor de kandidaat-brahmaan moet heengaan als hij een brahmaan wil zijn en een dvija (iemand die een tweede keer is geboren’) wil worden. De halvemaanvormige argha van de Grieken was het type van de koningin van de hemel – Diana, of de maan. Zij was de grote moeder van alle bestaansvormen, zoals de zon de vader was. De Joden vereerden Astoreth, zowel vóór als nadat zij Jehova in een mannelijke god hadden omgevormd; daarom verklaarde Jesaja: ‘Mijn ziel haat uw nieuwe manen en feesten’ (i, 14); waarmee hij kennelijk onrechtvaardig was. Astoreth en de feesten van de nieuwe maan (de halvemaanvormige argha) hadden als vorm van openbare eredienst geen ongunstiger betekenis dan de verborgen zin van de maan in het algemeen die, zoals bekend is, kabbalistisch direct was verbonden met en gewijd aan Jehova, met het enige verschil dat de ene het vrouwelijke en de andere het mannelijke aspect van de maan en van de ster Venus was.
   De zon (de vader), de maan (de moeder) en Mercurius-Thoth (de zoon) vormden de oudste drie-eenheid van de Egyptenaren, die hen verpersoonlijkten in Osiris, Isis en Thoth (Hermes). In ΠΙΣΤΙΣ ΣΟΦΙΑ zijn de zeven grote goden, verdeeld in twee drietallen en de hoogste god (de Zon): de lagere Τριδυνάμειϛ, waarvan de vermogens respectievelijk in Mars, Mercurius en Venus zetelen; en de hogere triade (‘de drie onzichtbare goden’) die in de Maan, Jupiter en Saturnus wonen (zie § 359 en 361 e.v.).
   Dit behoeft geen bewijs. Astoreth was in één betekenis een onpersoonlijk symbool van de natuur, het schip van het leven dat de kiemen van al het zijnde door de grenzeloze sterrenoceaan draagt. En wanneer zij niet werd vereenzelvigd met Venus, zoals elke andere ‘koningin van de hemel’, aan wie koeken en broodjes werden geofferd, werd Astoreth, de weerspiegeling van de Chaldeeuwse ‘Nuah, de universele moeder’ (de vrouwelijke Noach, die als één met de ark werd beschouwd) en van de vrouwelijke triade Ana, Belita en Davikina; die wanneer zij als één werd samengevat, ‘opperste godin, vrouwe van de onderwereld, moeder van de goden, koningin van de aarde en koningin van vruchtbaarheid’ werd genoemd. Belita of Damti (de zee), de moeder van de stad Erech (de grote Chaldeeuwse necropolis) werd later Eva; en nu is zij in de Latijnse kerk Maria, de Maagd, afgebeeld als staand op de maansikkel en soms bij afwisseling op de aardbol. De navi of scheepsvorm van de maansikkel, die al die gemeenschappelijke symbolen van het schip van het leven in zich verenigt, zoals de ark van Noach, de yoni van de hindoes en de ark van het verbond, is het vrouwelijke symbool van de universele ‘moeders van de goden’ en wordt nu in elke kerk onder zijn christelijke symbool aangetroffen, als het schip (Lat. navis)3. De navis – het sterrenschip – wordt bevrucht door de geest van het leven – de mannelijke god; of zoals de geleerde Kenealy (in zijn Apocalypse) die heel toepasselijk noemt – de heilige geest. In de westerse religieuze symboliek was de maansikkel het mannelijke en de volle maan het vrouwelijke aspect van die universele geest. Het mystieke woord alm, dat de profeet Mohammed aan het begin van veel hoofdstukken van de koran plaatste, verwijst naar haar als de alm, de onbevlekte maagd van de hemelen. En – omdat het verhevene altijd omslaat in het belachelijke – moeten we uit deze wortel alm het woord almeh – de Egyptische danseressen – afleiden. Dit zijn ‘maagden’ van hetzelfde type als de nautchni’s in India en de (vrouwelijke) kadeshim, de heiligen van de joodse tempels (zij die aan Jehova waren gewijd, die beide geslachten voorstelde), van wie de heilige functies in de israëlitische tempels dezelfde waren als die van de nautchni’s.
   Nu verklaart Eustathius dat (ΙΩ) IO in het dialect van de Argiërs de maan betekent, en in Egypte was het een van de namen van de maan. Jablonski zegt: ‘ΙΩ, Ioh, Aegyptiis lunam significat neque habent illi in communi sermonis usu, aliud nomen quo Lunam, designent praeter IO.’ De kolom en de cirkel (IO), die nu het eerste decimale getal vormen dat bij Pythagoras het volmaakte getal was in de Tetraktis4, werden later een bij uitstek fallisch getal – in de eerste plaats bij de joden, bij wie het de mannelijke en vrouwelijke Jehova is.
   Een geleerde verklaart het als volgt:
   ‘Ik vind op de Rosetta-steen van Uhlemann het woord mouth, en eveneens in Seiffarth, namelijk de naam van de maan, gebruikt als een tijdcyclus, vandaar de maanmaand van de hiërogliefe met en als bepalende tekens, zoals in het Koptisch I O H of I O H. Het Hebreeuwse הוי kan ook als IOH worden gebruikt, want de letter vau of ו werd gebruikt voor o en voor u, en voor v of w. Dit was vóór de Massora, waarin de . werd gebruikt als וֹ = o, וּ = u en ו = v of w. Nu had ik uit eigen onderzoek geconcludeerd dat de grote kenmerkende functie van de godnaam Jehova een aanduiding was van de invloed van de maan als oorzaak van de voortplanting, en van de exacte waarde ervan als een maanjaar volgens de natuurlijke maat van de dagen, zoals u volledig zult inzien . . . En hier komt dit taalkundig zelfde woord uit een veel oudere bron, namelijk het Koptisch, of beter het oude Egyptisch in de tijd van het Koptisch’ . . . (Uit een manuscript).
   Dit is nog opmerkelijker wanneer de egyptologie het vergelijkt met het weinige dat zij weet over de triade van Thebe – die bestaat uit Ammon, Mouth (of Mout) en hun zoon Khonsoo. Verenigd was deze triade vervat in de maan als hun gemeenschappelijke symbool; en gescheiden was zij Khonsoo de god lunus en werd zo verward met Thoth en Ptah. Zijn moeder Mout(h) (de naam betekent moeder en niet de maan, die slechts haar symbool was) wordt de ‘koningin van de hemel’ genoemd; de ‘maagd’, enz., omdat zij een aspect is van Isis, Hathor en andere moedergodinnen. Zij was minder de vrouw dan de moeder van Ammon, die de kenmerkende titel ‘de echtgenoot van zijn moeder’ heeft. In een beeldje in Boulak, Caïro, wordt deze triade voorgesteld (Nummer 1981, Serapeum, Griekse periode) als een mummiegod, die in zijn hand drie verschillende scepters vasthoudt en op zijn hoofd de maanschijf draagt, terwijl uit de karakteristieke haarlok de bedoeling blijkt om een kind-god af te beelden, of ‘de zon’ in de triade. Hij was in Thebe de god van het lot en verschijnt onder twee aspecten: (1) als ‘Khonsoo, de maangod en Heer van Thebe, Nofir-hotpoo – ‘hij die in absolute rust is’; en (2) als Khonsoo Iri-sokhroo of ‘Khonsoo, die het lot zich laat voltrekken’: de eerste bereidt de gebeurtenissen voor en ontwerpt ze voor degenen die onder zijn voortbrengende invloed worden geboren; de laatste legt ze ten uitvoer’. (Zie de definities van Maspero.) Ammon wordt door theogonische omzettingen Horus, hor-ammon en in een beeldje uit de Saïtische periode ziet men dat Mout(h)-Isis hem voedt. (Abydos.) Op zijn beurt wordt Khonsoo in deze omgezette triade Thoth-Lunus, ‘hij die de verlossing brengt’. Zijn voorhoofd is gekroond met de kop van een ibis die is versierd met de maanschijf en het diadeem, dat io-tef wordt genoemd.
  Al deze symbolen worden ongetwijfeld weerspiegeld in de Yave of Jehova van de bijbel (sommigen geloven dat ze daarmee identiek zijn). Dit zal iedereen duidelijk worden die The Source of Measures, de Key to the Hebrew Egyptian Mystery, leest en die de onweerlegbare, duidelijke en wiskundige bewijzen begrijpt, dat de esoterische grondslagen, of het stelsel dat werd gebruikt bij de bouw van de grote piramide en de bouwkundige maten van de tempel van Salomo (of deze nu mythisch is of werkelijk), de ark van Noach en de ark van het verbond, dezelfde zijn. Indien er iets in de wereld is dat het twistpunt kan beslechten – of zowel de oude als de latere (na-Babylonische) joden, en vooral de eerstgenoemden, hun theogonie en religie baseerden op dezelfde grondslag als alle heidenen – dan is het wel het genoemde boek.
   En het is ook goed de lezer hier te herinneren aan wat in ons boek Isis Ontsluierd over I A O werd gezegd.

   ‘Geen andere godheid verschaft zo’n verscheidenheid van etymologieën als Jaho, en er is ook geen enkele naam die op zoveel verschillende manieren kan worden uitgesproken. Alleen door deze naam te verbinden met de masoretische punten, slaagden de latere rabbi’s erin Jehova te laten lezen als ‘Adonai’ – of Heer, zoals Philo Byblius het spelt met Griekse letters Ι Η Υ Ω – I E V O. Theodoretus zegt dat de Samaritanen het uitspraken als Jahé (yahra) en de Joden als Yaho; waardoor het, zoals wij zagen, I-Ah-O zou worden. Diodorus zegt dat ‘bij de joden wordt verteld dat Mozes de god IAO noemde’. Wij beweren dus op gezag van de bijbel zelf dat Mozes vóór zijn inwijding door zijn schoonvader Jethro het woord Jaho nooit had gehoord5.’

   Het bovenstaande wordt bevestigd in een persoonlijke brief van een geleerde kabbalist. In Stanza IV en op andere plaatsen wordt gezegd dat Brahma (onzijdig), dat door de oriëntalisten zo lichtzinnig en zo vaak wordt verward met Brahmā de mannelijke, exoterisch soms kalahansa (zwaan in de eeuwigheid) wordt genoemd, en wordt de esoterische betekenis van a-ham-sa gegeven. (Ik-ben-hij, want so ham is gelijk aan sah, ‘hij’, en aham is ‘ik’ – een mystiek anagram en een omzetting.) Het is ook de Brahmā ‘met de vier gezichten’, de chatur mukha (de volmaakte kubus) die zich vormt in en uit de oneindige cirkel; en verder het gebruik van de 1, 3, 5 en = 14, zoals de esoterische hiërarchie van de Dhyan-Chohans wordt verklaard. Hierop geeft de genoemde correspondent het volgende commentaar:

   ‘Over de 1, 3, 5, en tweemaal 7, waarmee in het bijzonder 13514 wordt bedoeld, dat op een cirkel kan worden gelezen als 31415 (of de waarde van π), kan volgens mij geen twijfel mogelijk zijn; en vooral als men deze beschouwt met symbooltekens op sacr6, ‘chakra’ of cirkel van Vishnu.’
   ‘Maar laat mij uw beschrijving een stap verder volgen. U zegt: ‘De een uit het ei, de zes en de vijf (zie Stanza IV, Deel I) geven de getallen 1065, de waarde van de eerstgeborene.’ . . . Als dat zo is, hebben we in 1065 de beroemde naam van Jehova, de Jve of Jave of Jupiter, en door verandering van ה in נ of van h in n ontstaat נוי of het Latijnse Jun of Juno, de basis van het Chinese raadsel, de sleutel tot de getallen van Sni (Sinai) en Jehova die op die berg neerdaalt, getallen (1065) die slechts het gebruik laten zien van onze verhouding 113 tot 355, omdat 1065 = 355 x 3, en dat is de omtrek van een cirkel met middellijn 113 x 3 = 339. Zo geeft de eerstgeborene van Brahmā-prajāpati (of welke demiurg ook) het gebruik als maat aan van een verhouding die hoort bij de cirkel, ontleend aan de Chakra (van Vishnu), en zoals boven werd gezegd, neemt de goddelijke manifestatie de vorm aan van leven en de eerstgeborene.’
   ‘Het is heel merkwaardig: bij de ingang van de koningskamer is de afstand van de bovenkant van de grote trede7 en de vloer van de grote galerij tot de zolder van de genoemde galerij, volgens de heel zorgvuldige metingen van Piazzi Smyth, 339 duim. Neem A als middelpunt en beschrijf met deze straal een cirkel; de middellijn van die cirkel zal 339 x 2 = 678 zijn en dit zijn de getallen van de uitdrukking ‘en de raaf’, in de ‘duif en raaf’-scènes of afbeeldingen van de vloed van Noach; (de straal wordt genomen om de verdeling in twee delen te laten zien, die elk 1065 zijn) want 113 (mens) x 6 = 678; en dit is de middellijn die hoort bij een omtrek van 1065 x 2 – we hebben hier een aanduiding van de kosmische mens op deze hoge trap of trede, bij de ingang van de koningskamer (het Heilige der Heiligen) – die de moederschoot is. Deze doorgang is zo laag dat een mens moet bukken om er binnen te gaan. Maar een rechtopstaande mens is 113, en gebroken en gebukt wordt hij = 113/2 = 56,5 of of Jehova. Dat wil zeggen, hij verpersoonlijkt8 Jehova terwijl hij het Heilige der Heiligen binnengaat. Maar volgens de Hebreeuwse esoterie was de belangrijkste functie van Jehova het schenken van kinderen, enz., en dat was zo omdat hij in verband met de getallen van zijn naam, de maat van het maanjaar was, de tijdcyclus die, omdat deze door zijn factor 7 (zeven) gelijk liep met de perioden van het ontstaan van het leven, de levensvatbaarheid en de zwangerschap, werd beschouwd als de oorzaak van de voortbrengingsactiviteit en daarom werd vereerd en aanbeden.’

   Deze ontdekking verbindt Jehova nog meer met alle andere scheppende en voortbrengende zonne- en maangoden en vooral met ‘koning’ Soma, de Deus Lunus van de hindoes, de maan, vanwege de esoterische invloed die in het occultisme aan deze planeet wordt toegeschreven. Er zijn echter in de Hebreeuwse overlevering zelf nog meer bewijzen voor. Van Adam worden in Maimonides (More Nevochim, ‘De wegwijzer van de verwarden’, inderdaad!) twee aspecten besproken; die van een mens, die evenals alle anderen is geboren uit een man en een vrouw en – die van de profeet van de maan; de reden hiervoor wordt nu duidelijk en moet worden uitgelegd.
   Adam, als de veronderstelde grote ‘voorvader van het mensenras’, is als Adam Kadmon gemaakt naar het beeld van God – een priapisch beeld dus. De Hebreeuwse woorden sacr en n’cabvah zijn letterlijk vertaald lingam (fallus) en yoni, ondanks hun vertaling in de bijbel (Genesis, i, v. 27) als ‘mannelijk en vrouwelijk’. Zoals daar wordt gezegd: ‘God schiep ‘de mens naar zijn beeld’ . . . naar het beeld van god schiep hij hem, man en vrouw schiep hij hen’, de androgyne Adam Kadmon. Nu is deze kabbalistische naam niet die van een levend mens, zelfs niet van een menselijk of goddelijk wezen, maar van de twee geslachten of voortplantingsorganen, die in het Hebreeuws met de gebruikelijke openhartigheid van taal, die bij uitstek bijbels is, sacr en n’cabvah9 worden genoemd; deze twee zijn dus het beeld waaronder de ‘Heer God’ gewoonlijk aan zijn uitverkoren volk verscheen. Dat dit zo is, is nu onweerlegbaar bewezen, zowel door bijna alle kenners van de symboliek en Hebreeuwse geleerden als door de Kabbala. Daarom is Adam in zekere zin gelijk aan Jehova. Dit verklaart een andere algemene traditie in het oosten, die wordt genoemd in Gregorie’s Notes and Observations upon several passages in Scripture (1684; Deel I, blz. 120-21), en die wordt geciteerd door Hargrave Jennings in zijn Phallicism: ‘Dat Adam door God werd bevolen zijn dode lichaam boven de grond te bewaren totdat het door een priester van de allerhoogste god aan het midden van de aarde zou worden toevertrouwd.’ Daarom ‘bad Noach dagelijks in de ark vóór het lichaam van adam’, of voor de fallus in de ark: weer het Heilige der Heiligen. Een kabbalist, die gewend is aan de onophoudelijke omzettingen van bijbelse namen zal, als deze eenmaal numeriek en symbolisch zijn geïnterpreteerd, de bedoeling begrijpen. De twee woorden waaruit de naam Jehova is samengesteld, ‘vormen de oorspronkelijke gedachte van het mannelijk-vrouwelijke als voortbrenger van de geboorten, want de י was het membrum virile en Houah was Eva’. Daarom . . . ‘neemt de volmaakte, als oorsprong van maten, ook de vorm van geboorte-oorsprong aan, als hermafrodiet; vandaar het gebruik van de fallische vorm’. (Source of Measures, 159.) Bovendien bewijst dezelfde schrijver numeriek en meetkundig, dat (a) arets, aarde, Adam, mens en H’Adam aan elkaar verwant zijn, en in de bijbel in één vorm worden verpersoonlijkt, als de Egyptische en Hebreeuwse Mars, de god van de voortplanting; en (b) dat Jehova, of ‘Jah, Noach is, want Jehova is Noach zou in het Hebreeuws zijn ינה, of letterlijk in het Engels, Inch’.
   Het bovenstaande geeft dus een sleutel tot de genoemde overleveringen. Noach, een goddelijke omzetting, de veronderstelde verlosser van de mensheid, die in zijn ark of argha (de maan) de kiemen van alle levende wezens draagt, bidt vóór het ‘lichaam van Adam’, en dit lichaam is het beeld van een schepper, en zelf een schepper. Daarom wordt Adam de ‘profeet van de maan’ genoemd, de argha of het ‘Heilige der Heiligen’ van de י (yodh). Hieruit blijkt ook de oorsprong van het joodse volksgeloof dat het gezicht van Mozes in de maan is – d.w.z. de vlekken op de maan. Want ook Mozes en Jehova zijn omzettingen, zoals kabbalistisch is aangetoond. De schrijver van de Source of Measures (blz. 271) zegt: ‘Er is met betrekking tot Mozes en zijn boeken één feit dat te belangrijk is om weg te laten. Als de Heer hem over zijn opdracht aanwijzingen geeft, is de machtsnaam die door de godheid wordt aangenomen: ik ben die ik ben, in het Hebreeuws:

 אהיה־אשר־אהיה

een variant van יהוה. Nu is Mozes משה, en is gelijk aan 345. Tel de waarden van de nieuwe vorm van de naam Jehova op, 21 + 501 + 21 = 543, of omgekeerd gelezen 345, waardoor wordt aangetoond dat Mozes in deze combinatie een vorm van Jehova is. 21 ÷ 2 = 10,5 of omgekeerd 501, zodat het asher of het die in ik ben die ik ben eenvoudig een aanwijzing is voor een gebruik van 21 of 7 x 3; 5012 = 251+, een heel waardevol piramidegetal, enz.
   Om het voor niet-kabbalisten duidelijker uit te leggen, stellen wij het zo: ‘Ik ben die ik ben’ is in het Hebreeuws:

   Optelling van de getallen van deze afzonderlijke woorden geeft:

(wat betrekking heeft op de neerdaling in vuur op de berg om de mens te maken, enz.) en wat volgens de verklaring slechts een controle en een gebruik is van de getallen van de bergen; want aan de ene kant hebben we 10 + 5 + 6 = 21, in het midden 501, en aan de andere kant 6 + 5 + 10 = 21. (Van dezelfde schrijver.) (Zie § 22, ‘De symboliek van de mysterienaam IAO’.)
   Het ‘Heilige der Heiligen’, zowel van de kabbalisten als van de rabbi’s, blijkt dus een internationaal symbool en gemeenschappelijk eigendom te zijn. Geen van beide is bij de Hebreeën ontstaan; maar door de al te realistische behandeling door de half-ingewijde levieten heeft het symbool bij hen een betekenis gekregen, die het tot dusver bij geen enkel ander volk heeft gehad en die de ware kabbalisten oorspronkelijk nooit hadden bedoeld. Het lingam en de yoni van een willekeurige hedendaagse hindoe zijn, oppervlakkig beschouwd, natuurlijk niet beter dan het ‘Heilige der Heiligen’ van de rabbi’s – maar ook niet slechter; en dit is een punt vóór op de christelijke lasteraars van de Aziatische religieuze filosofieën. Want in zulke religieuze mythen, in de verborgen symboliek van een geloof en een filosofie, zou de geest van de verkondigde leringen hun relatieve waarde moeten bepalen. En wie zal beweren dat, hoe dan ook beschouwd, deze zogenaamde ‘wijsheid’, alleen toegepast voor het gebruik van en ten behoeve van één klein volk, daarin ooit iets als een nationale ethiek heeft ontwikkeld? De profeten zijn er om de levenswandel te laten zien van het uitverkoren maar ‘koppige’ volk vóór, tijdens en na de dagen van Mozes. Dat zij eens de beschikking hadden over de wijsheid-religie en het gebruik van de universele taal en haar symbolen, wordt bewezen door dezelfde esoterie, die nog steeds in India bestaat in verband met het ‘Heilige der Heiligen’. Zoals gezegd, was en is dit de doorgang door de ‘gouden’ koe in dezelfde gebukte houding als die werd aangenomen in de galerij van de piramide, die de mens in de Hebreeuwse esoterie aan Jehova gelijkstelde. Het hele verschil ligt in de geest waarin dit wordt geïnterpreteerd. Zowel bij de Hindoes als bij de oude Egyptenaren was en is die geest volkomen metafysisch en psychologisch; bij de Hebreeën was hij realistisch en fysiologisch. Deze geest duidde op de eerste geslachtelijke scheiding van het mensenras (Eva, die Kaïn-Jehova het leven schenkt, zoals wordt aangetoond in de Source of Measures); op het voltrekken van de aardse fysiologische vereniging en conceptie (zoals in de allegorie van Kaïn, die Abels bloed vergiet – Habel, het vrouwelijke beginsel) en – het baren van kinderen; een proces dat, zoals gezegd, begon bij het derde Ras, of met de derde zoon van Adam, Seth; bij Seths zoon Henoch begon de mens zich Jehova of Jah-hovah te noemen, de mannelijke Jod en Havah of Eva – dat is, mannelijke en vrouwelijke wezens10. Het verschil ligt dus in het religieuze en ethische gevoel, maar de twee symbolen zijn gelijk. Ongetwijfeld was voor de volledig ingewijde Joodse tanaïm de innerlijke betekenis van de symboliek in haar abstractheid even heilig als voor de oude Arische dvija’s. De verering van de ‘god in de ark’ dateert uit de tijd van David; en duizend jaar lang kende Israël geen fallische Jehova. En nu is de oude, uitgegeven en her-uitgegeven Kabbala ermee besmet geraakt.
   Bij de oude Ariërs was de verborgen betekenis groots, verheven en dichterlijk, hoewel de uiterlijke verschijningsvorm van hun symbool nu met die bewering in strijd kan zijn. De ceremonie van het gaan door het Heilige der Heiligen (nu gesymboliseerd door de koe), in het begin door de tempel Hiranya garbha (het stralende ei) – op zichzelf een symbool van de universele abstracte natuur – betekende geestelijke conceptie en geboorte, of liever weder-geboorte van het individu en zijn regeneratie: de bukkende mens bij de ingang van het Sanctum Sanctorum, gereed om door de schoot van moeder natuur te gaan, of het stoffelijke wezen, dat gereed is om opnieuw het oorspronkelijke geestelijke Wezen, de prenatale mens, te worden. Bij de Semieten betekende die bukkende mens de val van de geest in de stof, en die val en degradatie werden door hen verheerlijkt met als gevolg dat de godheid werd neergehaald tot het niveau van de mens. Voor de Ariërs stelde het symbool de scheiding van geest en stof voor, zijn opgaan in en terugkeer tot de oorspronkelijke bron; voor de Semieten het huwelijk van de geestelijke mens met de stoffelijke vrouwelijke natuur, waarbij het fysiologische wezen een plaats inneemt boven het psychologische en het zuiver onstoffelijke. De Arische opvattingen over de symboliek waren die van de hele heidense wereld; de interpretaties van de Semieten kwamen voort uit en waren bij uitstek die van een kleine stam, en vertoonden de nationale eigenschappen en de eigenaardige gebreken die veel joden nog steeds kenmerken – grof realisme, zelfzucht en zinnelijkheid. Zij hadden door bemiddeling van hun vader Jakob een overeenkomst gesloten met hun stamgod die zich boven alle andere goden had verheven, en een verbond dat zijn zaad ‘zal zijn als het stof van de aarde’; en die godheid kon van toen af niet beter worden voorgesteld dan door het symbool van de voortplanting en worden afgebeeld als een getal en getallen.
   Carlyle spreekt over deze beide volkeren wijze woorden. Bij de hindoe-Ariër – het meest metafysische en spirituele volk op aarde – was de religie volgens hem altijd ‘een eeuwigdurende leidende ster, die des te helderder aan de hemel schijnt naarmate de nacht hier op aarde duisterder wordt’. De religie van de hindoe maakt hem los van deze aarde; daarom is zelfs nu nog het symbool van de koe in zijn innerlijke betekenis een van de grootste en meest filosofische van alle symbolen. Op de ‘meesters’ en ‘Heren’ van Europese machten – de israëlieten – zijn bepaalde woorden van Carlyle nog toepasselijker; voor hen ‘is religie een wijze voorzorgsmaatregel, gebaseerd op berekening alleen’ – en dat was zo vanaf het begin. Omdat de christelijke volkeren de last van die religie hadden aanvaard, voelen ze zich verplicht deze ten koste van alle andere religies te verdedigen en er dichterlijk over te spreken.
   Maar dat was niet zo bij de oude volkeren. Voor hen betekenden de doorgang naar en de sarcofaag in de koningskamer regeneratie – niet generatie. Het was het plechtigste symbool, inderdaad een Heilige der Heiligen, waarin onsterfelijke hiërofanten en ‘zonen van god’ werden geschapen – nooit sterfelijke mensen en zonen van wellust en vlees – zoals nu in de verborgen betekenis van de Semitische kabbalist. De reden voor het verschil in opvatting van de twee rassen is gemakkelijk te geven. De Arische Hindoe behoort tot de oudste rassen die nu op aarde leven; de Semitische Hebreeër tot de jongste. Het ene is bijna één miljoen jaar oud; het andere is een klein onderras dat niet meer dan ongeveer 8000 jaar oud is11.
   Maar de fallische eredienst heeft zich slechts ontwikkeld toen de sleutels tot de innerlijke betekenis van religieuze symbolen geleidelijk verloren waren gegaan; en er was een tijd dat de Israëlieten even zuivere geloofsopvattingen hadden als de Ariërs. Maar nu is het judaïsme, dat alleen is gebouwd op fallische eredienst, een van de jongste geloofsovertuigingen in Azië geworden, en in theologisch opzicht een religie van haat en boosaardigheid tegen iedereen en alles buiten hen. Philo Judaeus laat zien wat het ware Hebreeuwse geloof was. De heilige geschriften, zegt hij, schrijven voor wat we behoren te doen . . . en bevelen ons de heidenen en hun wetten en instellingen te haten. Zij haatten inderdaad de Baäl- en Bacchusverering in het openbaar, maar lieten toe dat de slechtste praktijken ervan in het geheim werden nagevolgd. Juist bij de talmoedische joden werden de grootse symbolen van de natuur het meest ontheiligd. Zoals nu is aangetoond door de ontdekking van de sleutel tot de juiste lezing van de bijbel, namelijk de meetkunde, werd bij hen deze vijfde goddelijke wetenschap (‘vijfde’, omdat zij de vijfde sleutel is in de reeks van zeven sleutels tot de universele esoterische taal en symboliek) ontheiligd en toegepast om de meest aardse en grof seksuele mysteriën te verbergen, waarbij zowel de godheid als de religie omlaag werd gehaald.
   Men zegt ons dat precies hetzelfde geldt voor onze Brahmā-prajāpati, voor Osiris en alle andere scheppende goden. Inderdaad, wanneer men hun riten exoterisch en naar het uiterlijk beoordeelt; maar het omgekeerde is waar als hun innerlijke betekenis wordt ontsluierd, zoals we zullen zien. Het hindoe-lingam is ontegenzeglijk identiek met de ‘zuil van Jakob’. Maar zoals gezegd, schijnt het verschil erin te bestaan dat de esoterische betekenis van het lingam te heilig en te metafysisch was om te worden onthuld aan de niet-ingewijden en het gewone volk; daarom werd de uiterlijke verschijningsvorm ervan overgelaten aan de opvattingen van de menigte. Ook zouden de Arische hiërofant en brahmaan in hun trotse exclusivisme en de zelfvoldaanheid over hun kennis, niet de moeite nemen om de oorspronkelijke naaktheid van het symbool te verbergen onder spitsvondige fabels; terwijl de rabbi, omdat hij het symbool zo had geïnterpreteerd dat het bij zijn eigen opvattingen paste, de grove betekenis moest versluieren; en dit diende een dubbel doel – zijn geheim voor zich te houden en zich in zijn veronderstelde monotheïsme boven de heiden te verheffen, die hij volgens zijn wet moest haten12. Een gebod dat ook de christenen nu graag aanvaarden, ondanks een ander en later gebod: ‘hebt elkaar lief’. Zowel India als Egypte hadden en hebben hun heilige lotussen, symbool van hetzelfde ‘Heilige der Heiligen’ – de lotus groeit immers in het water, een dubbel vrouwelijk symbool – de draagster van haar eigen zaad en de wortel van alles. Virāj en Horus zijn beiden mannelijke symbolen, die voortkomen uit de androgyne Natuur, de ene uit Brahmā en zijn vrouwelijke tegenhanger Vāch, de andere uit Osiris en Isis – nooit uit de ene oneindige God. In de joods-christelijke stelsels is het anders. Terwijl de lotus die Brahmā, het Heelal bevat, groeit uit de navel van Vishnu, het centrale punt in de wateren van de oneindige Ruimte, en terwijl Horus voortkomt uit de lotus van de hemelse Nijl – zijn al deze abstracte pantheïstische denkbeelden in de bijbel verlaagd en aards concreet gemaakt: men is bijna geneigd te zeggen dat zij in de esoterische versie grover en nog antropomorfer zijn dan in hun exoterische vorm. Neem als voorbeeld hetzelfde symbool, zelfs zoals de christenen het gebruiken; de lelies in de hand van de Aartsengel Gabriël (Lucas i, 28). In het hindoeïsme is het ‘Heilige der Heiligen’ een universele abstractie, waarvan de dramatis personae de Oneindige geest en de Natuur zijn; in het christelijke judaïsme is het een persoonlijke god, buiten die Natuur, en de menselijke moederschoot – Eva, Sara, enz.; dus een antropomorfe fallische god en zijn beeld – de mens.
   Wij beweren dus dat, wat de inhoud van de bijbel betreft, één van de twee hypothesen als waar moet worden erkend. Òf achter het symbolische substituut – Jehova – stond de onbekende, onkenbare godheid, het kabbalistische Ain-Soph; òf de joden waren vanaf ‘het begin niet beter dan de dode-letter lingam13-vereerders van het tegenwoordige India. Wij zeggen dat het eerstgenoemde het geval was, en dat dus de geheime of esoterische eredienst van de joden hetzelfde pantheïsme was als waarvan de Vedanta-filosofen nu een verwijt wordt gemaakt; Jehova was een substituut ten dienste kan een exoterisch nationaal geloof, en had geen betekenis of werkelijkheid in de ogen van de geleerde priesters en filosofen – de Sadduceeën, de meest verfijnde en geleerdste van de israëlitische sekten, die met hun minachtend verwerpen van elk geloof behalve de wet, er een levend bewijs van vormen. Want hoe konden zij die het verbazingwekkende stelsel uitvonden dat nu bekend staat als de bijbel – of hun opvolgers die, zoals alle kabbalisten, wisten dat het zo was opgezet om voor het volk de waarheid te versluieren, eerbied voelen voor zo’n fallisch symbool en een getal, zoals Jehova volgens de kabbalistische boeken ontegenzeglijk blijkt te zijn? Hoe kon iemand die de naam filosoof waardig was en die de werkelijke geheime betekenis van hun ‘zuil van Jakob’, hun bethel, met olie gezalfde falli en hun ‘koperen slang’ kende, zo’n grof symbool vereren en dienen, en er hun ‘verbond’ – de Heer zelf – in zien! Laat de lezer zich wenden tot Gemara Sanhedrim en zelf oordelen. Zoals verschillende schrijvers hebben aangetoond en zoals botweg wordt gezegd in Phallicism van Hargrave Jennings (blz. 67): ‘Wij weten uit de joodse geschriften dat de ark een stenen tafel bevatte . . . die steen was fallisch en toch identiek met de heilige naam Jehova . . . die in ongepunt Hebreeuws wordt geschreven met vier letters, J-E-V-E of JHVH (de H is slechts een geaspireerde letter en hetzelfde als de E). Zo houden wij de twee letters I en V (in een andere vorm U) over; als we vervolgens de I in de U plaatsen, hebben we het ‘Heilige der Heiligen’; we hebben dan ook de linga en yoni en argha van de hindoes, de Isvara en ‘opperste Heer’; en hier zien we het hele geheim van zijn mystieke en hoog hemelse betekenis, in zichzelf bevestigd doordat het identiek is met de linyoni (?) van de ark van het verbond.’
   De bijbelse joden van onze tijd gaan niet terug op Mozes, maar op David – zelfs als men aanneemt dat de oude echte boekrollen van Mozes identiek zijn met de latere en omgewerkte. Vóór die tijd verliest hun nationaliteit zich in de mist van de voorhistorische duisternis, waarvan de sluier nu wordt opgelicht voorzover de ruimte het toelaat. Slechts tot de tijd van de Babylonische gevangenschap kan het Oude Testament volgens de mildste kritiek nog worden beschouwd als de bij benadering juiste weergave van de opvattingen die in de tijd van Mozes gangbaar waren. Zelfs fanatieke christenen en vereerders van Jehova, zoals de eerw. Horne, moeten de talrijke veranderingen en wijzigingen toegeven die door de latere samenstellers van het ‘Boek van God’ zijn gemaakt sinds het door Hilkia werd gevonden (zie Introduction to the Old Testament en Elohistic and Jehovistic writers door bisschop Colenso), en dat ‘de Pentateuch ontstond uit de oorspronkelijke of oudere documenten, met behulp van een aanvullend document’. De elohistische teksten werden 500 jaar na de tijd van Mozes herschreven en de jehovistische 800 jaar, op gezag van de bijbelchronologie zelf. Wij beweren daarom dat de godheid, afgebeeld als het voortplantingsorgaan in zijn zuilvorm en als een symbool van het dubbelgeslachtelijke orgaan in de getallenwaarde van de letters van zijn naam, י de yodh (fallus) en ה he (de opening of de moederschoot) op gezag van de Kabbala van veel latere datum is dan de Elohimsymbolen en aan de heidense exoterische riten is ontleend; en Jehova staat dus op één lijn met het lingam en de yoni die men langs alle wegen in India aantreft.
   Zoals de iao van de mysteriën verschilde van Jehova, zo was de latere Iao en Abraxas van sommige gnostische sekten identiek met de god van de Hebreeën, die dezelfde was als de Egyptische Horus. Dit wordt onweerlegbaar bewezen, zowel op ‘heidense’ als op gnostische ‘christelijke’ gemmen. In de verzameling van dergelijke gemmen van Matter is er een ‘Horus’, gezeten op de lotus met de inscriptie ΑΒΡΑΣΑΞ ΙΑΩ (Abrasax Iao) – een spreuk die precies overeenstemt met het zo vaak voorkomende ΕΙΣ ΖΕϒΣ ΣΑΡΑΠΙ (Eis Zeus sarapi) op de heidense gemmen van die tijd; en daarom alleen te vertalen met ‘Abraxas is de ene Jehova’ (King, Gnostics, blz. 327). Maar wie was Abraxas? Zoals dezelfde schrijver aantoont: ‘De getallen- of kabbalistische waarde van de naam Abraxas heeft rechtstreeks betrekking op de Perzische titel van de god ‘Mithra’, de heerser van het jaar, die vanaf de oudste tijden onder de benaming Iao werd vereerd.’ Dus in één opzicht de zon, in een ander de maan of de maangenius, die voortbrengende godheid die door de gnostici werd gegroet als ‘Gij die heerst over de mysteriën van de vader en de zoon, die schijnt in de nacht en de tweede plaats bekleedt, de eerste Heer van de dood’.
   Alleen in zijn hoedanigheid van genius van de maan, die in de oude kosmogonie de moeder van onze aarde wordt genoemd, kon Jehova ooit worden aangezien voor de schepper van onze bot en de hemel daarvan, namelijk het uitspansel.
   Bekendheid met dit alles zal echter voor de gemiddelde fanaticus geen bewijs zijn. Zendelingen zullen doorgaan met de kwaadaardigste aanvallen op de religies van India, en christenen zullen met dezelfde domme zelfvoldane glimlach als altijd, deze belachelijk onrechtvaardige woorden van Coleridge lezen: ‘Het is stellig waard op te merken dat de geïnspireerde geschriften die de christenen ontvingen, zich door hun sterke en veelvuldige aanprijzing van de waarheid (!!) onderscheiden van alle andere boeken die aanspraak maken op inspiratie, van de geschriften van de brahmanen en zelfs van de koran . . .’

 

Noten:

  1. Maar dit was in werkelijkheid niet zo, getuige hun profeten. Pas de latere rabbi’s en het talmoedische stelsel doodden alle spiritualiteit in hun symbolen, zodat alleen hun heilige geschriften overbleven – een dode schil, waaruit de ziel is verdwenen.
  2. De schrijver van de Qabbalah doet verschillende pogingen om de ouderdom van de Zohar afdoende te bewijzen. Zo toont hij aan dat Mozes de Leon in de XIIIe eeuw niet de schrijver of vervalser van de boeken van de Zohar kon zijn, waarvan hij wordt beschuldigd, omdat Ibn Gebirol 225 jaar vóór de tijd van Mozes de Leon dezelfde filosofische leer verkondigde. Geen ware kabbalist of geleerde zal dit feit ooit ontkennen. Het staat vast dat Ibn Gebirol zijn leringen baseerde op de oudste kabbalistische bronnen, namelijk het Chaldeeuwse Boek van de Getallen, en ook op enkele niet meer bestaande midrashim, ongetwijfeld dezelfde als die Mozes de Leon gebruikte. Maar juist het verschil tussen de twee manieren waarop dezelfde esoterische onderwerpen worden behandeld, wijst – terwijl het de enorme ouderdom van het esoterische stelsel aantoont – op een onmiskenbare klank van talmoedische en zelfs christelijke sektegeest in de samenstelling en in het woordgebruik van het Zoharstelsel door rabbi Mozes. Ibn Gebirol citeerde nooit uit de Schrift om de leringen kracht bij te zetten (zie Myer, Qabbalah, blz. 7). Mozes de Leon heeft de Zohar gemaakt tot wat deze tot nu toe is gebleven, ‘een doorlopend commentaar op de . . . boeken van de Pentateuch’ (ibid.), met enkele latere toevoegingen door de christenen. De een volgt de archaïsche esoterische filosofie; de ander alleen dat deel dat was aangepast aan de verloren boeken van Mozes die door Ezra waren gereconstrueerd. Terwijl dus het stelsel of de stam waarop de eerste oorspronkelijke Zohar was geënt een enorme ouderdom had, zijn veel van de (latere) vertakkingen van de Zohar sterk gekleurd door de merkwaardige denkbeelden van de christelijke gnostici (Syrische en Chaldeeuwse), de vrienden en medewerkers van Mozes de Leon die, zoals Munk heeft aangetoond, hun interpretaties aanvaardde.
  3. Timaeus de Locriër noemt de arka ‘het beginsel van de beste dingen’. Het woord arcanum, ‘verborgen’ of geheim, is afgeleid van arka. ‘Aan niemand wordt het arcanum getoond, behalve aan de Allerhoogste’ (Codex Nazareus), een toespeling op de natuur, de vrouwelijke, en de geest, de mannelijke kracht. Alle zonnegoden werden archagetos genoemd, ‘geboren uit de arka’, de goddelijke moedermaagd van de hemelen.
  4. Omdat het bestaat uit tien punten die in de vorm van een driehoek in vier rijen zijn gerangschikt. Het is het tetragrammaton van de westerse kabbalisten.
  5. De lezer moet zich ervan bewust zijn dat Jethro de ‘schoonvader’ van Mozes wordt genoemd, maar niet omdat Mozes werkelijk met een van zijn zeven dochters was gehuwd. Indien hij ooit heeft bestaan, was Mozes een ingewijde en als zodanig een asceet, een nazar, en kan hij nooit gehuwd zijn geweest. Het is evenals al het andere een allegorie. Zippora (de stralende) is een van de verpersoonlijkte occulte wetenschappen die door Revel-Jethro, de midianitische priester-inwijder, aan Mozes, zijn Egyptische leerling, werd gegeven. De ‘bron’ waarbij Mozes neerzat op zijn vlucht voor de farao, symboliseert de ‘bron van kennis’.
  6. In het Hebreeuws het fallische symbool lingam en yoni.
  7. Op die trede komt men op het niveau van de vloer en de open ingang van de koningskamer, het Egyptische ‘Heilige der Heiligen’.
  8. De kandidaat voor inwijding verpersoonlijkte altijd de god van de tempel waartoe hij behoorde, zoals de hogepriester de god altijd verpersoonlijkte; en evenals de paus nu Petrus en zelfs Jezus Christus verpersoonlijkt als hij het binnenste altaar – het christelijke ‘Heilige der Heiligen’ – binnengaat.
  9. Jehova zegt tegen Mozes: ‘De samenvatting van mijn naam is sacr, de drager van de kiem’ – fallus. ‘Het is het voertuig van de verkondiging en de sacr is de eeuwen door blijven voortleven in het sacr-factum van de roomse priester en het sacr-fice en sacrament van het Engels sprekende ras.’ (Source of Measures, blz. 236.) Daarom is het huwelijk in de Griekse en de Roomse kerk een sacrament.
  10. In het vierde hoofdstuk van Genesis, v. 26, staat de onjuiste vertaling: ‘. . . en hij noemde zijn naam Enos (mens); toen begonnen de mensen de naam van de Heer aan te roepen’ – wat niet logisch is: Adam en de anderen moeten dit ook hebben gedaan.
  11. Strikt genomen zijn de Joden een kunstmatig Arisch ras, dat in India is geboren en behoort tot het Kaukasische deel. Ieder die bekend is met de Armeniërs en de Parsi’s zal in deze drie hetzelfde Arische, Kaukasische type herkennen. Van de zeven oorspronkelijke typen van het vijfde Ras zijn er nu op aarde nog drie over, Zoals prof. W.H. Flower in 1885 terecht zei: ‘Ik moet wel tot de conclusie komen die zo vaak door verschillende antropologen is getrokken, dat uit de oorspronkelijke mens, wat hij ook mag zijn geweest, in de loop van de tijd drie extreme typen zijn ontstaan, vertegenwoordigd door de Kaukasiër van Europa, de Mongool van Azie en de Ethiopiër van Afrika, en dat alle bestaande individuen van de soort rondom deze typen kunnen worden gegroepeerd . . .’ (Toespraak van de voorzitter van het Anthrop. Inst. of Great Britain, enz.). Hoe kan het anders, als we bedenken dat ons Ras zijn vijfde onderras heeft bereikt?
  12. Telkens wanneer er op zulke analogieën tussen de heidenen en de joden en later de christenen werd gewezen, was het de onveranderlijke gewoonte van laatstgenoemden te zeggen dat het het werk van de duivel was, die de heidenen dwong de joden te imiteren met het doel een smet te werpen op de religie van de ene, ware levende God. Hierop zegt Faber heel terecht: ‘Sommigen hebben zich verbeeld dat de heidenen slaafse navolgers van de israëlieten waren en dat elk punt van overeenkomst was ontleend aan de mozaïsche instellingen. Maar deze theorie zal het probleem in geen geval oplossen, zowel omdat de ceremoniën van volkeren die ver van Palestina af wonen, precies gelijk blijken te zijn aan de riten van volkeren in de onmiddellijke nabijheid ervan, en ook omdat het ongelooflijk schijnt dat zij allen deze gebruiken zouden hebben overgenomen van een volk waarvan men algemeen een afkeer had en dat werd veracht.’ (Pagan Idol. I, 104.)
  13. Hun gewijde zuilen (ongehouwen stenen), opgericht door Abraham en Jakob, waren lingams.

 


De Geheime Leer 2:521-38

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag