§ 25

De mysteriën van het zevental

 


D

Het zevental in de exoterische boeken

 

   We kunnen nu andere geschriften uit de oudheid onderzoeken en zien of ze de zevenvoudige classificatie bevatten en zo ja, in welke mate.
   De getallen zeven en negenenveertig (7 x 7) spelen, verspreid in duizenden Sanskrietteksten – sommige nog ongeopend, andere nog onbekend – en ook in alle Purāna’s een heel belangrijke rol, zelfs in even grote, zo niet nog grotere mate dan in de joodse bijbel. Men vindt ze vanaf de zeven scheppingen in Hoofdstuk I tot de zeven stralen van de zon bij de eindpralaya, die zich tot zeven zonnen uitzetten en het materiaal van het gehele Heelal opnemen. Zo zegt de Matsya Purāna: ‘Ter wille van de verbreiding van de Veda’s vertelde Vishnu bij het begin van een kalpa aan Manu het verhaal van Narasimha en de gebeurtenissen van zeven kalpa’s.’ Dan ziet men in datzelfde Purāna dat ‘er in alle manvantara’s klassen van rishi’s1 verschijnen in groepen van zeven, en nadat zij een wetboek en een zedeleer hebben vastgesteld, gaan zij de gelukzaligheid in’ – waarbij de rishi’s nog veel andere betekenissen hebben naast die van levende wijzen.
   In Lofzang xix, 53 van de Atharva Veda (naar de Engelse vertaling van dr. Muir) lezen we:
   ‘1. De tijd voert (ons) voorwaarts, een ros, met zeven stralen, duizend ogen, onvergankelijk, vol vruchtbaarheid. Intelligente wijzen bestijgen het, zijn wielen zijn alle werelden.’
   ‘2. Zo beweegt de tijd op zeven wielen; hij heeft zeven naven; onsterfelijkheid is zijn as. Hij is nu al deze werelden. De tijd drijft de eerste god voort.’
   ‘3. De tijd bevat een volle kruik. Wij zien hem in veel vormen bestaan. Hij is al deze werelden in de toekomst. Men noemt hem ‘tijd in de hoogste hemel’.’ . . .
   Voeg hierbij het volgende vers uit de esoterische boeken:
   ‘Ruimte en tijd zijn één. Ruimte en tijd zijn naamloos, want ze zijn het onkenbare dat, wat alleen kan worden gevoeld door middel van zijn zeven stralen – die de zeven scheppingen, de zeven werelden, de zeven wetten zijn’, enz. . . .
   Als we bedenken dat de Purāna’s er de nadruk op leggen dat Vishnu identiek is met Tijd en Ruimte2, en dat zelfs het rabbijnse symbool voor God maqom, ‘Ruimte’ is, wordt het duidelijk waarom ter wille van een zich manifesterende godheid – ruimte, stof en geest – het ene centrale punt de driehoek en het viertal (de volmaakte kubus) werd, dus zeven. Zelfs de pravaha-wind (de mystieke en occulte kracht die de impuls geeft aan en de loop regelt van de sterren en planeten) is zevenvoudig. Het Kurma Purāna en het Linga Purāna noemen zeven hoofdwinden met die naam; deze winden zijn de beginselen van de kosmische Ruimte. Ze zijn nauw verbonden met Dhruva3 (nu Alpha), de poolster, die op haar beurt in verband staat met het voortbrengen van verschillende verschijnselen door middel van kosmische krachten.
   Zo is het getal van de zeven scheppingen, zeven rishi’s, zones, continenten, beginselen, enz. in de Arische geschriften, achtereenvolgens overgegaan in het Indiase, Egyptische, Chaldeeuwse, Griekse, Joodse, Romeinse, en tenslotte in het christelijke mystieke denken, tot het terecht kwam in en onuitwisbaar afgedrukt bleef op elke exoterische theologie. De zeven oude boeken die Cham uit de ark van Noach stal en aan zijn zoon Kush gaf, en de zeven koperen zuilen van Cham en Cheiron zijn een weerspiegeling van en een herinnering aan de zeven oorspronkelijke mysteriën, ingesteld overeenkomstig de ‘zeven geheime emanaties’, de ‘zeven klanken’, en de zeven stralen – de geestelijke en siderische modellen van de zevenduizend keer zeven kopieën daarvan in latere tijdperken.
   Het geheimzinnige getal treedt opnieuw op de voorgrond bij de niet minder geheimzinnige maruts. Het Vāyu Purāna zegt en Harivamśa bevestigt dat de maruts – de oudste en onbegrijpelijkste van alle secundaire of lagere goden in de Rig Vedain elk manvantara (Ronde) zeven keer zeven (of 49) worden geboren; dat zij in elk manvantara, vier keer zeven (of achtentwintig) tot bevrijding komen, maar dat hun plaatsen worden ingenomen door personen die in dat karakter worden herboren’. Wat zijn de maruts in hun esoterische betekenis en wie zijn die personen ‘die in dat karakter worden herboren’? In de Rig Veda en in andere Veda’s worden de maruts voorgesteld als de stormgoden en de vrienden en bondgenoten van Indra; ze zijn de ‘zonen van hemel en aarde’. Dit leidde tot een allegorie die hen maakt tot kinderen van Śiva, de grote beschermheer van de yogi’s, ‘de maha-yogi, de grote asceet, in wie de hoogste vervolmaking van strenge boetedoening en abstracte meditatie zijn verenigd, waardoor de meest onbegrensde vermogens worden verkregen, wonderen worden verricht, de hoogste geestelijke kennis wordt verworven en uiteindelijk vereniging met de grote geest van het heelal wordt bereikt’. In de Rig Veda is de naam Śiva onbekend, maar wordt de god Rudra genoemd, wat een woord is dat voor Agni, de vuurgod, wordt gebruikt, terwijl de maruts daarin zijn zonen worden genoemd. In het Rāmāyana en de Purāna’s zegt Kaśyapa, de wijze, tot hun moeder Diti – de zuster of het complement en een vorm van aditi – die ernaar verlangt een zoon te krijgen die Indra zou vernietigen, dat ‘wanneer zij met volkomen vrome gedachten en met een heel reine persoon het kind honderd jaar lang in haar schoot draagt’, zij zo’n zoon zal krijgen. Maar Indra verijdelt haar plan. Met zijn bliksem verdeelt hij het embryo in haar schoot in zeven delen, en verdeelt dan elk deel weer in zeven stukken, die de zich snel bewegende godheden, de maruts4 worden. Deze godheden zijn slechts een ander aspect of een ontwikkeling van de kumāra’s, die volgens hun geslachtsnaam rudra’s zijn, evenals veel anderen5.
   Diti, die aditi is, tenzij het tegendeel wordt bewezen – dus aditi of ākāśa in zijn hoogste vorm, is de Egyptische zevenvoudige hemel. Elke echte occultist zal begrijpen wat dit betekent. Diti, herhalen wij, is het zesde beginsel van de metafysische natuur, de buddhi van ākāśa. Diti, de moeder van de maruts, is een van haar aardse vormen, die tegelijkertijd de goddelijke ziel van de asceet en de goddelijke aspiraties van de mystieke mensheid naar verlossing uit het web van māyā en de daaruit voortvloeiende hoogste gelukzaligheid moet voorstellen. Indra, die nu is gedegradeerd in verband met het kali-yuga, waarin zulke aspiraties niet meer algemeen zijn, maar abnormaal zijn geworden door een algemene verspreiding van ahamkāra (het gevoel van egoïsme, zelf of ik-ben-heid) en onwetendheid – was in het begin een van de grootste goden van het hindoepantheon, zoals de Rig Veda aantoont. Surā-dhipa, ‘het hoofd van de goden’, is gezonken van Jishnu, ‘de leider van de hemelse menigte’ – de hindoese Michaël – tot een tegenstander van het ascetisme, de vijand van elke heilige aspiratie. Hij blijkt te zijn gehuwd met Aindrī (Indrānī), de personificatie van Aindriyaka, de evolutie van het element van de zintuigen, die hij huwde ‘vanwege haar weelderige bekoringen’; waarna hij begon hemelse vrouwelijke demonen te zenden om de hartstochten van heilige mannen, yogi’s, op te wekken, ‘om hun aandacht af te leiden van hun machtige boetedoeningen die hij vreesde’. Daarom is Indra, die nu wordt beschreven als ‘de god van het uitspansel, de verpersoonlijkte atmosfeer’, in werkelijkheid het kosmische beginsel mahat en het vijfde menselijke beginsel – manas in zijn tweevoudige aspect: als het met buddhi verbonden beginsel en als het beginsel dat zich laat neerhalen door zijn kāma-beginsel (het lichaam van hartstochten en begeerten). Dit blijkt uit het feit dat Brahmā aan de overwonnen god zegt dat zijn herhaalde nederlagen waren toe te schrijven aan karma, en een straf waren voor zijn losbandigheid en het verleiden van verschillende nimfen. In deze laatste hoedanigheid probeert hij, om zich voor vernietiging te redden, het op komst zijnde ‘kind’ te vernietigen, dat is bestemd om hem te overwinnen: – het kind stelt natuurlijk allegorisch de goddelijke en standvastige wil van de yogi voor – vastbesloten al dergelijke verleidingen te weerstaan en zo de hartstochten in zijn aardse persoonlijkheid te vernietigen. Indra slaagt daar opnieuw in, omdat het vlees de geest overwint – (de plannen van Diti worden verijdeld in het dvāpara yuga, tijdens de bloeitijd van het vierde Ras). Hij verdeelt het ‘embryo’ (van het nieuwe goddelijke adeptschap, dat nogmaals door de asceten van het Arische vijfde Ras wordt verwekt) in zeven delen – een verwijzing, niet alleen naar de zeven onderrassen van het nieuwe Wortelras, in elk waarvan er een ‘Manu’6 zal zijn, maar ook naar de zeven graden van adeptschap – en dan elk deel in zeven stukken, waarbij wordt gezinspeeld op de Manu-rishi’s van elk Wortelras en zelfs onderras.
   Het lijkt niet moeilijk in te zien wat wordt bedoeld met de maruts die in elk ‘manvantara’ ‘vier keer zeven’ bevrijdingen krijgen, en met de personen die in dat karakter (van de maruts in hun esoterische betekenis) worden herboren en ‘hun plaatsen innemen’. De maruts stellen voor: (a) de hartstochten die in de borst van iedere kandidaat razen en woeden, wanneer hij zich op een ascetisch leven voorbereidt – dit in mystieke zin; (b) de occulte vermogens die zijn verborgen in de veelvoudige aspecten van de lagere beginselen van ākāśa – terwijl zijn lichaam, of sthūla śarīra, de aardse, lagere atmosfeer van elke bewoonde bol vertegenwoordigt – dit in mystieke en siderische zin; (c) werkelijk bestaande bewuste wezens met een kosmische en psychische aard.
   Tegelijk is ‘maruts’ in het occulte spraakgebruik een van de namen die worden gegeven aan die ego’s van grote adepten die zijn heengegaan, en die ook bekendstaan als nirmānakāya’s; van die ego’s voor wie er – omdat ze boven de illusie staan – geen devachan is, en die, omdat ze òf dit vrijwillig opgaven ter wille van de mensheid, òf nirvāna nog niet hebben bereikt, onzichtbaar op aarde blijven. Daarom worden de maruts7 ten eerste voorgesteld als de zonen van Śiva-Rudra, de ‘yogi-beschermheer’, van wie de asceet in mystieke zin ‘het derde oog’ moet verkrijgen voordat hij een adept wordt; vervolgens in hun kosmische karakter afwisselend als de ondergeschikten en de tegenstanders van Indra. De ‘vier keer zeven’ bevrijdingen hebben betrekking op de vier Ronden en de vier Rassen die aan de onze voorafgingen, in elk waarvan marut-jīva’s (monaden) zijn wedergeboren en uiteindelijke bevrijding hebben verkregen, als zij van de gelegenheid hebben gebruikgemaakt. In plaats hiervan geven zij de voorkeur aan het heil van de mensheid, die zonder deze hulp van buitenaf nog hopelozer zou worstelen in de netten van onwetendheid en ellende, worden zij telkens weer ‘in dat karakter’ herboren en ‘nemen zij zo hun eigen plaatsen in’. Wie zij ‘op aarde’ zijn, weet elke beoefenaar van het occultisme. En hij weet ook dat de maruts rudra’s zijn, waartoe eveneens de familie van Tvashtri, een synoniem voor Viśvakarman – de grote beschermheer van de ingewijden – behoort. Dit geeft ons een ruime kennis van hun ware aard.
   Hetzelfde geldt voor de zevenvoudige verdeling van de Kosmos en de menselijke beginselen. De Purāna’s en andere heilige teksten bevatten een overvloed aan toespelingen hierop. Allereerst was het wereld-ei, dat Brahmā of het Heelal bevatte, ‘van buiten bekleed met zeven natuurlijke elementen, aanvankelijk losweg aangeduid als water, lucht, vuur, ether en drie verborgen elementen’ (Deel I); dan wordt gezegd dat de ‘wereld aan elke kant is omgeven’ door zeven elementen, ook in het ei – zoals wordt verklaard, ‘is het heelal aan elke kant, boven en onder, omgeven door de andakatāha – de schaal van het ei van Brahmā’ . . . Rond de schaal vloeit water, dat is omgeven door vuur; vuur door lucht; lucht door ether; ether door de oorsprong van de elementen (ahamkāra); de laatstgenoemde door het universele denkvermogen (‘intellect’ in de teksten) (Deel II, hfst. VII, Vishnu Purāna). Dit slaat evengoed op sferen van bestaan als op beginselen. Prithivī is niet onze aarde, maar de wereld, het zonnestelsel, en betekent het brede, het ruime. In de Veda’s – de meest gezaghebbende bron, hoewel er een sleutel nodig is om deze goed te lezen – worden drie aardse en drie hemelse aarden genoemd die tegelijk met bhūmi – onze aarde – tot bestaan zouden zijn geroepen. Men heeft ons vaak gezegd dat zes, niet zeven het aantal bollen, beginselen, enz., schijnt te zijn. Wij antwoorden dat er inderdaad maar zes beginselen in de mens zijn, omdat zijn lichaam geen beginsel is, maar de omhulling, de schil ervan. Dat geldt ook voor de planeetketen; hierin kan in esoterisch opzicht de aarde (zowel als het zevende of liever het vierde gebied: het zevende gebied als we tellen vanaf het eerste drievoudige rijk van de elementalen waarmee de formatie begint) buiten beschouwing worden gelaten, omdat die (voor ons) het enige zichtbare lichaam van de zeven is. De taal van het occultisme is gevarieerd. Maar stel dat er in de Veda’s drie aarden worden bedoeld in plaats van zeven, wat zijn die drie dan, want we kennen er maar één? Kennelijk moet de genoemde uitspraak een occulte betekenis hebben. Laten we eens zien. De ‘aarde die drijft’ op de universele oceaan (van de Ruimte), die Brahmā in de Purāna’s in zeven zones verdeelt, is prithivī, de wereld in zeven beginselen verdeeld; een kosmische verdeling, die er metafysisch genoeg uitziet, maar die in werkelijkheid in haar occulte gevolgen fysiek is. Veel kalpa’s later wordt onze aarde genoemd en op haar beurt in zeven zones8 verdeeld, volgens dezelfde wet van analogie die de oude filosofen leidde. Waarna men er zeven continenten, zeven eilanden, zeven oceanen, zeven zeeën en rivieren, zeven bergen en zeven klimaten, enz., op vindt9.
   Verder vindt men niet slechts in de Hindoegeschriften en filosofie verwijzingen naar de zeven aarden, maar ook in de Perzische, Fenicische, Chaldeeuwse en Egyptische kosmogonieën en zelfs in rabbijnse literatuur. De Feniks10 – door de Hebreeën Onech ענֶק (van Phenoch, Henoch, het symbool van een geheime cyclus en inwijding) en door de Turken Kerkes genoemd – leeft duizend jaar, waarna hij een vlam ontsteekt en zichzelf verteert; en vervolgens, uit zichzelf herboren, leeft hij opnieuw duizend jaar, tot zeven keer zeven toe (zie ‘Boek van Ali’, Russische vertaling), wanneer de dag van het oordeel komt. De ‘zeven keer zeven’, 49, zijn een doorzichtige allegorie en een toespeling op de negenenveertig ‘Manu’s’, de zeven Ronden en de zeven keer zeven menselijke cyclussen in elke Ronde op elke bol. De Kerkes en de Onech staan voor een rascyclus en de mystieke boom Ababel – de ‘Vader Boom’ in de koran – ontwikkelt nieuwe takken en bladeren bij elke herrijzenis van de Kerkes of Feniks; de ‘dag van het oordeel’ betekent een ‘kleine pralaya’ (zie Esoteric Buddhism). De schrijver van The Book of God en de Apocalypse gelooft dat ‘de Feniks heel duidelijk identiek is met de Simorgh, de Perzische roc, en het verhaal dat ons is meegedeeld over deze laatste vogel, bevestigt nog beslister de opvatting dat de dood en de herleving van de Feniks de opeenvolgende vernietiging en nieuwe voortbrenging van de wereld voorstellen, die volgens velen afwisselend werd teweeggebracht door middel van een vurige vloed’ (blz. 175) en door een watervloed. ‘Toen de Simorgh naar haar leeftijd werd gevraagd, deelde zij Caherman mee dat deze wereld heel oud is, want ze was al zeven keer opnieuw bevolkt door wezens die van mensen verschilden, en zeven keer ontvolkt11; dat de periode van het mensenras waarin we nu zijn, zevenduizend getallen zal duren, en dat zij zelf twaalf van deze omwentelingen had gezien en niet wist hoeveel zij er nog zou zien.’ (Oriental Collections, ii, 119.)
   Het bovenstaande is echter niets nieuws. Vanaf Bailly in de vorige eeuw tot dr. Kenealy in deze, zijn deze feiten door verschillende schrijvers opgemerkt, maar nu kan er een verband worden gelegd tussen het Perzische orakel en de Nazareense profeet. De schrijver van The Book of God zegt:
   ‘De Simorgh is in werkelijkheid dezelfde als de gevleugelde simha van de Hindoes en de sfinx van de Egyptenaren. Men zegt dat de eerstgenoemde bij het einde van de wereld zal verschijnen . . . als een monsterachtige leeuw-vogel. Aan dezen hebben de rabbi’s hun mythe van een reusachtige vogel ontleend, die soms op de aarde staat, soms in de oceaan loopt . . . terwijl zijn kop de hemel ondersteunt; en met het symbool hebben zij ook de leer overgenomen waarop het betrekking heeft. Zij verkondigen dat er zeven opeenvolgende vernieuwingen van de aardbol zullen zijn, dat elk opnieuw voortgebracht stelsel zevenduizend jaar zal duren (?) en dat de totale duur van het heelal 49.000 jaar zal zijn. Deze opvatting, die de leer van het voorbestaan van elk hernieuwd schepsel inhoudt, hebben ze misschien opgedaan tijdens hun Babylonische gevangenschap, of het was mogelijk een onderdeel van de oorspronkelijke religie die hun priesters uit lang vervlogen tijden hadden bewaard’ (blz. 176). Dit toont juist aan dat de ingewijde joden hun kennis aan anderen hebben ontleend en dat hun niet-ingewijde opvolgers, de talmoedisten, de betekenis ervan zijn vergeten en de zeven Ronden en de negenenveertig Rassen, enz., verkeerd hebben toegepast.
   Niet alleen ‘hun priesters’, maar ook die van alle andere landen. De gnostici, van wie de verschillende leringen de vele echo’s van de ene oorspronkelijke en universele leer zijn, legden in de heel occulte Pistis Sophia dezelfde getallen in een andere vorm aan Jezus in de mond. Wij gaan nog verder: zelfs de christelijke bewerker of schrijver van Openbaring heeft deze overlevering bewaard en spreekt over de zeven rassen, waarvan er vier, met een deel van het vijfde, zijn heengegaan en er nog twee moeten komen. Dit wordt zo duidelijk gezegd als maar mogelijk is, in hfst. xvii, de verzen 9 en 10. De engel spreekt: ‘En hier is het verstand, dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen, waarop de vrouw zit. En er zijn zeven koningen, vijf zijn gevallen en één is, en de ander is nog niet gekomen. . . .’ Wie, die ook maar enigszins bekend is met de symbolische taal uit de oudheid, zal niet in de vijf koningen die zijn gevallen, de vier Wortelrassen herkennen die er zijn geweest, en een deel van het vijfde, het Ras dat is; en in de andere, die ‘nog niet is gekomen’, het toekomstige zesde en zevende Wortelras, en ook de onderrassen van ons tegenwoordige ras? Een andere nog sterker sprekende toespeling op de zeven Ronden en de negenenveertig wortelrassen in Leviticus zal men elders in het Aanhangsel, Afdeling III aantreffen.

 

Noten:

  1. Parasāra zegt: ‘Dit zijn de zeven personen door wie in de verschillende manvantara’s geschapen wezens werden beschermd. Omdat de hele wereld is doordrongen van de energie van de godheid, wordt hij Vishnu genoemd, van de wortel viś, ‘binnengaan’ of ‘doordringen’; want alle goden, de Manu’s, de zeven rishi’s, de zonen van Manu, de Indra’s, zijn allen slechts de verpersoonlijkte machten (vibhūtayah) van Vishnu’ (Vish. Purāna). Vishnu is het Heelal; en het Heelal zelf wordt in de Rig Veda in zeven gebieden verdeeld – wat voldoende gezag zou moeten hebben, in elk geval voor de brahmanen.
  2. Vishnu is alles – de werelden, de sterren, de zeeën, enz. ‘Vishnu is alles wat is, alles wat niet is . . . maar geen vastubhūta’, ‘een substantie’ (Vishnu Purāna, Deel II, hfst. xii). ‘Dat wat de mensen de hoogste god noemen, is geen substantie maar de oorzaak ervan; niet iets dat hier, daar of elders is, niet wat we zien, maar dat waarin alles is – ruimte.’
  3. Daarom wordt in de Purāna’s gezegd dat de aanblik van Dhruva (de poolster) ’s nachts, en van de hemelse bruinvis (Śiśumāra, een sterrenbeeld) ‘iedere zonde die tijdens de dag werd begaan weer goedmaakt’. Het is een feit dat de stralen van de vier sterren in de cirkel van de eeuwige verschijning – de Agni, Mahendra, Kaśyapa en Dhruva, geplaatst in de staart van de Kleine Beer (Śiśumāra) – op een bepaalde manier en op een bepaald object gericht, buitengewone gevolgen teweegbrengen. De astro-magiërs van India zullen begrijpen wat wordt bedoeld.
  4. In het Rāmāyana doet Bala-Rāma, de oudere broer van Krishna, dit.
  5. Over de oorsprong van Rudra wordt in verschillende Purāna’s gezegd dat zijn (geestelijke) nageslacht, door Brahmā in hem geschapen, niet was beperkt tot de zeven kumāra’s of de elf rudra’s, enz., maar ‘oneindige aantallen wezens omvat die wat persoon en uitrusting betreft, waren als hun (maagdelijke) vader. Verontrust door hun vurigheid, aantal en onsterfelijkheid, verlangt Brahmā dat zijn zoon Rudra schepselen met een andere en sterfelijke aard vormt.’ Rudra weigert te scheppen, onthoudt zich, enz., vandaar dat Rudra de eerste opstandeling is. (Linga, Vāyu, Matsya en andere Purāna’s.
  6. Ondanks de verschrikkelijke en kennelijk opzettelijke verwarring van Manu’s, rishi’s en hun nageslacht in de Purāna’s, wordt één ding duidelijk: er waren (en zullen zijn) zeven rishi’s in elk Wortelras (in de heilige boeken ook manvantara genoemd), juist zoals er veertien Manu’s in elke Ronde zijn, terwijl de ‘heersende goden, de rishi’s en zonen van de Manu’s’ identiek zijn. (Zie Vishnu Purāna, Deel III, hfst. I.) In het Vishnu Purāna worden ‘zes’ manvantara’s gegeven, terwijl het zevende het onze is. Het Vāyu Purāna geeft de naamlijst van de zonen van de veertien Manu’s in ieder manvantara, en de zonen van de zeven wijzen of rishi’s. De laatstgenoemden zijn de nakomelingen van de voorvaderen van de mensheid. Alle Purāna’s spreken over de zeven prajāpati’s van deze periode (Ronde).
  7. ‘Chākshusha was de Manu van de zesde periode (derde Ronde en derde Ras); Indra was daarin Manojava’ (Mantradruma in het Bhagavata Purāna). Omdat er een volmaakte analogie is tussen de ‘grote Ronde’ (mahakalpa), elk van de zeven Ronden, en elk van de zeven grote Rassen in iedere Ronde – komt Indra van de zesde periode, of de derde Ronde, overeen met het einde van het derde Ras (in de tijd van de Val of de scheiding van de geslachten). Rudra heeft als vader van de maruts veel punten van aanraking met Indra, de Marutvān of ‘heer van de maruts’. Men zegt dat Rudra om een naam te krijgen, ervoor heeft geweend. Brahmā noemde hem Rudra; maar hij weende nog zeven keer en kreeg zo nog zeven andere namen waarvan hij er in elke ‘periode’ één gebruikt.
  8. Zie de Purāna’s.
  9. In het Vishnu Purāna, Deel II, hfst. iv, wordt gezegd dat de aarde ‘met haar continenten, bergen, oceanen en buitenste korst, vijftig crores (500 miljoen) yojana’s groot is’, waarop de commentator opmerkt dat ‘dit de planetaire sferen omvat; want de middellijn van de zeven zones en oceanen – elke oceaan heeft dezelfde middellijn als het continent dat hij omringt, en elk opeenvolgend continent heeft tweemaal de middellijn van het voorafgaande – bedraagt slechts twee crores en vierenvijftig lakhs, enz. . . . Telkens wanneer er tegenstrijdigheden in verschillende Purāna’s voorkomen, moeten ze worden toegeschreven . . . aan verschillen van kalpa’s en dergelijke.’ Voor ‘dergelijke’ moet men lezen ‘occulte betekenis’; deze verklaring wordt weggelaten door de commentator, die schreef voor exoterische, sektarische doeleinden en door de vertaler verkeerd werd begrepen, en wel om verschillende andere redenen, waarvan onwetendheid over de esoterische filosofie nog de minst belangrijke is.
  10. De Feniks, verbonden met de zonnecyclus van 600 jaar (waarbij nullen worden weggelaten of toegevoegd al naar gelang van de cyclus die wordt bedoeld), de westerse cyclus van de Grieken en andere volkeren – is een algemeen symbool voor verschillende soorten cyclussen. Verdere details zullen worden gegeven in het hoofdstuk over ‘Kalpa’s en Cyclussen’.
  11. De ‘verleden’ tijd wordt gebruikt omdat het boek allegorisch is en de erin voorkomende waarheden moet versluieren.

 


De Geheime Leer 2:696-704

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag