§ 4

De duur van de geologische tijdperken,

rascyclussen en de oudheid van de mens

 


B

Over ketens van planeten en hun veelvoudigheid


   Kenden de Ouden buiten hun eigen wereld nog andere werelden? Op welke gegevens berust de bewering van de occultisten dat iedere bol een zevenvoudige keten van werelden is – waarvan er maar één zichtbaar is – en dat deze, evenals iedere zichtbare ster of planeet, door mensen wordt, werd of zal worden bewoond? Wat bedoelen zij met ‘een morele en fysieke invloed’ van de sterrenwerelden op onze bollen?
   Dit zijn vragen die ons vaak worden gesteld, en men moet ze vanuit ieder gezichtspunt beschouwen. Het antwoord op de eerste van de twee vragen is: wij geloven het, omdat de eerste natuurwet eenvormigheid in verscheidenheid is, en de tweede is analogie. ‘Zo boven, zo beneden.’ De tijd is voor altijd voorbij, waarin onze vrome voorouders geloofden dat onze aarde het middelpunt van het heelal was, en de kerk en haar arrogante dienaren konden eisen dat wij de veronderstelling dat een andere planeet bewoond zou kunnen zijn, als een godslastering zouden beschouwen. Adam en Eva, de slang en de erfzonde, gevolgd door de verzoening door het bloed hebben te lang ons denken in de weg gestaan, en zo werd de universele waarheid opgeofferd aan de krankzinnige verwaandheid van ons, kleine mensen.
   Wat zijn nu de bewijzen hiervoor? Behalve op deductie berustend bewijsmateriaal en logische redenering, bestaan er voor de niet-ingewijde geen bewijzen. Voor de occultisten, die geloven in de kennis die door talloze generaties zieners en ingewijden is verkregen, zijn de gegevens die in de geheime boeken worden geboden, volstrekt voldoende. Het grote publiek heeft echter andere bewijzen nodig. Er zijn sommige kabbalisten en zelfs sommige oosterse occultisten die, omdat zij in de mystieke boeken van de volkeren geen overeenstemmende bewijzen op dit punt vinden, aarzelen de leer te aanvaarden. Zelfs zulke ‘overeenstemmende bewijzen’ zullen al snel worden geleverd. Intussen kunnen we het onderwerp in zijn algemeenheid benaderen en zien of het wel zo absurd is daarin te geloven, als sommige geleerden en andere Nicodemussen het voorstellen. Als we denken aan een aantal bewoonde ‘werelden’, stellen we ons – misschien onbewust – voor dat deze lijken op de bol die wij bewonen en die is bevolkt door wezens die min of meer op ons lijken. En daarmee volgen we slechts een natuurlijk instinct. Inderdaad, zolang het onderzoek beperkt blijft tot de levensgeschiedenis van deze bol, kunnen we met enig voordeel over deze kwestie speculeren en ons afvragen wat de ‘werelden’ waren waarover in alle oude geschriften van de mensheid wordt gesproken, en enige hoop hebben dat we tenminste een begrijpelijke vraag stellen. Maar hoe weten wij (a) welke soort wezens de bollen in het algemeen bewonen; en (b) of zij, die planeten besturen die hoger staan dan de onze, niet bewust dezelfde invloed op onze aarde uitoefenen, die wij op de lange duur onbewust uitoefenen – zeg op de kleine planeten (planetoïden en asteroïden) – door onze aarde in stukken te verdelen, kanalen te graven en daardoor ons klimaat volledig te veranderen. Natuurlijk kunnen de planetoïden evenmin als de vrouw van Caesar door onze argwaan worden beïnvloed. Zij staan te ver weg, enz. Omdat we echter in de esoterische sterrenkunde geloven, zijn we daar niet zo zeker van.
   Maar wanneer we onze speculaties buiten onze planeetketen uitstrekken en proberen de grenzen van het zonnestelsel te overschrijden, dan handelen we inderdaad als arrogante dwazen. Want als we het oude Hermetische axioma aanvaarden: ‘zo boven, zo beneden’, en bedenken dat de Natuur op aarde de grootste zuinigheid aan de dag legt en alle nietige en overtollige dingen bij haar wonderbaarlijke transformaties gebruikt en zich toch nooit herhaalt, dan mogen we terecht concluderen dat er in al haar oneindige stelsels geen andere bol is die zoveel op deze aarde lijkt, dat gewone denkvermogens in staat zouden zijn zich voor te stellen en weer te geven hoe hij eruitziet en wat hij bevat1.
   En inderdaad vinden we zowel in de romantische verhalen als in de zogenaamd wetenschappelijke ficties en spiritistische openbaringen over maan, sterren en planeten, alleen maar nieuwe combinaties of wijzigingen van de mensen en dingen, de hartstochten en levensvormen waarmee wij vertrouwd zijn, al zijn de natuur en het leven zelfs op de andere planeten van ons eigen stelsel heel verschillend van de onze. Swedenborg was een vooraanstaande figuur bij het verspreiden van zo’n verkeerd geloof.
   Maar er is meer. De gewone mens heeft geen ondervinding van enige andere bewustzijnstoestand dan die waarmee zijn fysieke zintuigen hem in verbinding brengen. De mensen dromen; ze slapen de diepe slaap die zo diep is dat geen dromen zich op het fysieke brein afdrukken; en in deze toestanden moet er nog steeds bewustzijn bestaan. Hoe kunnen wij dan hopen, zolang deze mysteries niet zijn onderzocht, met succes te speculeren over de aard van bollen, die in de huishouding van de natuur noodzakelijk moeten behoren tot bewustzijnstoestanden die anders zijn dan, en heel verschillend van alle, die de mens hier ervaart?
   En dit is letterlijk waar. Want zelfs grote adepten (ingewijden natuurlijk) kunnen, hoewel ze geoefende zieners zijn, slechts aanspraak maken op grondige bekendheid met de aard en uiterlijke vorm van planeten en hun bewoners die tot ons zonnestelsel behoren. Ze weten dat bijna alle planetaire werelden bewoond zijn, maar hebben alleen toegang – zelfs in de geest – tot die van ons stelsel; en ze zijn zich ook ervan bewust hoe moeilijk het is, zelfs voor hen, om zich volledig in verbinding te stellen met alleen al de bewustzijnsgebieden binnen ons stelsel, die echter verschillen van de bewustzijnstoestanden die op deze bol mogelijk zijn, d.w.z. op de drie gebieden van de keten van bollen boven onze aarde. Een dergelijke kennis en gemeenschap zijn voor hen mogelijk, omdat ze hebben geleerd hoe ze die bewustzijnsgebieden kunnen binnendringen, die zijn afgesloten voor de waarnemingen van gewone mensen; maar al zouden ze hun kennis overdragen, dan zou de wereld er niet wijzer van worden, omdat ze die ervaring van andere waarnemingsvormen mist, die als enige haar in staat zou stellen te begrijpen wat haar werd meegedeeld.
   Toch blijft het een feit dat de meeste planeten, evenals de sterren buiten ons stelsel, bewoond zijn, een feit dat de geleerden zelf hebben erkend. Laplace en Herschel geloofden het, hoewel zij zich wijselijk onthielden van onvoorzichtige beschouwingen; en dezelfde conclusie werd getrokken door C. Flammarion, de bekende Franse sterrenkundige, en ondersteund door een reeks wetenschappelijke overwegingen. De argumenten die hij aanvoert, zijn strikt wetenschappelijk en zodanig dat ze zelfs een materialistisch brein moeten aanspreken, dat onbewogen zou blijven door gedachten als die van Sir David Brewster, de beroemde natuurkundige, die schrijft:
   ‘Die ‘dorre geesten’ of ‘lage zielen’, zoals de dichter hen noemt, die men zou kunnen laten geloven dat de aarde het enige bewoonde lichaam in het heelal is, zouden er geen moeite mee hebben zich ook voor te stellen dat de aarde zonder bewoners is geweest. En wat nog meer zegt, indien zulke personen bekend waren met de gevolgtrekkingen van de geologie, zouden ze erkennen dat de aarde tienduizenden jaren onbewoond was; en hier komen we tot de onmogelijke conclusie dat er gedurende deze tienduizenden jaren geen enkel intelligent wezen in de uitgebreide gebieden van de Universele Koning was en dat er vóór de protozoïsche formaties in de hele oneindige ruimte plant noch dier bestond2!’
   Flammarion toont bovendien aan, dat alle voorwaarden voor leven – zelfs zoals wij het kennen – op tenminste enkele van de planeten aanwezig zijn, en wijst erop dat deze voorwaarden daar veel gunstiger moeten zijn dan op onze aarde.
   Wetenschappelijke redeneringen en waargenomen feiten komen dus overeen met de uitspraken van de ziener en de innerlijke stem van het menselijke hart, als zij verklaren dat er leven – intelligent, bewust leven – op andere werelden dan de onze moet bestaan.
   Maar dit is de grens waarbuiten de gewone vermogens van de mens hem niet kunnen brengen. Er zijn veel romantische verhalen en sprookjes, sommige zuiver fantasie, andere vol wetenschappelijke kennis, waarin wordt geprobeerd het leven op andere bollen voor te stellen en te beschrijven. Maar ze geven allemaal slechts een verminkte kopie van het levensdrama om ons heen. Het zijn òf, zoals bij Voltaire, de mensen van ons eigen ras onder een microscoop, òf het is, zoals bij De Bergerac, een bekoorlijk spel van fantasie en satire; maar we vinden altijd dat de nieuwe wereld eigenlijk slechts die is waarin we zelf leven. Deze neiging is zo sterk, dat zelfs grote niet-ingewijde zieners met een natuurlijke aanleg, indien niet geoefend, er het slachtoffer van worden; getuige Swedenborg, die zo ver gaat de bewoners van Mercurius, die hij in de geestenwereld ontmoet, in de kleding te zien zoals die in Europa wordt gedragen.
   Flammarion geeft over deze neiging in zijn boek Sur la Pluralité des Mondes habités het volgende commentaar:

‘Het schijnt alsof in de ogen van de auteurs die over dit onderwerp hebben geschreven, de aarde het type van het Heelal is; en de mens van de aarde het type van de bewoners van de hemelen. Het is integendeel veel waarschijnlijker dat – omdat de aard van andere planeten wezenlijk gevarieerd is en de omgeving en bestaansvoorwaarden essentieel verschillend zijn, terwijl de krachten die de schepping van wezens beheersen en de substanties die in hun samenstelling voorkomen, sterk uiteenlopen – onze manier van bestaan in het geheel niet op andere bollen kan worden toegepast. Zij die over dit onderwerp hebben geschreven, hebben zich door aardse denkbeelden laten beheersen en zijn daardoor in fouten vervallen.’ (Pluralité des Mondes, blz. 439.)

   Maar Flammarion vervalt zelf in de fout die hij hier veroordeelt, want hij neemt stilzwijgend de levensomstandigheden op aarde aan als de maatstaf om te bepalen in hoeverre andere planeten geschikt zijn voor bewoning door ‘andere mensheden’.
   Laten we echter ophouden met deze nutteloze en ijdele speculaties, want hoewel deze ons hart met een gloed van geestdrift schijnen te vervullen en ons verstandelijke en geestelijke bevattingsvermogen lijken te vergroten, veroorzaken ze in werkelijkheid slechts een kunstmatige prikkel en maken ons meer en meer blind voor onze onwetendheid, niet alleen over de wereld die we bewonen, maar ook over de in onszelf gelegen oneindigheid.
   Wanneer we daarom ontdekken dat er in de bijbels van de mensheid wordt gesproken over ‘andere werelden’, kunnen we veilig concluderen dat deze niet alleen betrekking hebben op andere toestanden van onze planeetketen en aarde, maar ook op andere bewoonde bollen – sterren en planeten; daarbij komt dat men over deze laatste nooit speculeerde. De hele oudheid geloofde in de universaliteit van het leven. Maar geen werkelijk ingewijde ziener van enig beschaafd volk heeft ooit verkondigd dat het leven op andere sterren kon worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf van het aardse leven. Wat in het algemeen met ‘aarden’ en werelden wordt bedoeld, heeft betrekking op (a) de ‘wedergeboorten’ van onze bol na elk manvantara en een lange periode van ‘verduistering’; en (b) de periodieke en algehele veranderingen van het oppervlak van de aarde, wanneer continenten verdwijnen om plaats te maken voor oceanen, en oceanen en zeeën met geweld worden verplaatst en naar de polen gestuwd om plaats in te ruimen voor nieuwe continenten.
   Wij kunnen beginnen met de bijbel, het jongste van de heilige geschriften van de wereld. In Prediker, hfst. i, lezen wij deze woorden van de koning-ingewijde: ‘Het ene geslacht gaat en het andere komt, maar de aarde blijft eeuwig bestaan’, en verder: ‘Wat is geweest, is dat wat er zal zijn; en wat is gedaan, is dat wat er zal worden gedaan, en er is niets nieuws onder de zon.’ Het is niet gemakkelijk in deze woorden een verwijzing te zien naar de opeenvolgende rampen, waardoor de mensenrassen worden weggevaagd of, als we verder teruggaan, naar de verschillende veranderingen van de bol tijdens het proces van zijn vorming. Maar indien men ons zegt dat dit alleen betrekking heeft op onze wereld zoals wij die nu zien, zullen we de lezer verwijzen naar het Nieuwe Testament, waar Paulus (Hebreeën i) spreekt over de zoon (de gemanifesteerde kracht) die (door God) is benoemd tot erfgenaam van alle dingen, door wie hij ook de werelden (meervoud) heeft gemaakt3. Deze ‘kracht’ is hokhmah (of chochmah), de wijsheid en het woord. Men zal ons waarschijnlijk zeggen dat met deze term ‘werelden’, de sterren, hemellichamen, enz., werden bedoeld. Maar afgezien van het feit dat ‘sterren’ bij de onwetende opstellers van de Brieven niet bekend waren als ‘werelden’, ook al moet Paulus, die een ingewijde (‘een meester-bouwer’) was, ze hebben gekend, kunnen we op dit punt een eminent theoloog citeren, kardinaal Wiseman. In Deel I, blz. 309 van zijn boek, dat gaat over de onbepaalde periode van de zes dagen – of moeten we zeggen de ‘al te bepaalde’ periode van de zes dagen – van de schepping en de 6000 jaar, erkent hij dat wij volstrekt in het duister tasten over de betekenis van die uitspraak van Paulus, tenzij we mogen veronderstellen dat daarin een toespeling wordt gemaakt op de periode die is verlopen tussen het eerste en het tweede vers van hoofdstuk i van Genesis – op die oorspronkelijke omwentelingen, d.w.z. het herhaalde vernietigen en weer voortbrengen (van de wereld), aangeduid in hoofdstuk i van Prediker; dan wel met zoveel anderen en in de letterlijke betekenis de passage mogen aanvaarden (Hebreeën i, 1) die spreekt over de schepping van werelden – in het meervoud. . . . Het is heel merkwaardig, voegt hij eraan toe, dat alle kosmogonieën hetzelfde denkbeeld zouden opperen, en de overlevering van een eerste reeks omwentelingen zouden bewaren, tengevolge waarvan de wereld werd vernietigd en hernieuwd.
   Indien de kardinaal de Zohar had bestudeerd, zou zijn twijfel in zekerheid zijn overgegaan. Zo zegt de Idra Suta (in de Zohar, iii, 292 c): ‘Er waren oude werelden die ten onder gingen zodra ze tot bestaan kwamen; werelden met en zonder vorm, scintilla’s genoemd – want zij waren als de vonken onder de smidshamer, die in alle richtingen wegvliegen. Sommige waren de oorspronkelijke werelden die niet lang konden voortduren, omdat de ‘oude’ – zijn naam zij geheiligd – zijn vorm nog niet had aangenomen4, de werkman was nog niet de ‘hemelse mens5’.’ Verder verklaart rabbi Abahu in de Midrash, die lang vóór de Kabbala van Simeon Ben Iochai werd geschreven: ‘De heilige, gezegend zij zijn naam, heeft vóór deze wereld achtereenvolgens diverse werelden gevormd en vernietigd6 . . . Dit nu heeft betrekking zowel op de eerste rassen (de ‘koningen van Edom’) als op de vernietigde werelden7.’ ‘Vernietigd’ betekent hier wat wij ‘verduisteringen’ noemen. Dit wordt duidelijk wanneer men de gegeven verklaring verder leest: ‘Maar wanneer wordt gezegd dat zij (de werelden) vergingen, wordt daarmee alleen bedoeld dat zij (hun mensheden) de ware vorm misten, totdat de menselijke (onze) vorm ontstond, waarin alle dingen zijn begrepen en die alle vormen bevat . . .8. Het betekent niet de dood, maar geeft alleen een afdaling uit hun toestand aan . . .’ (die van werkzame werelden)9.
   Wanneer wij dus lezen over de vernietiging van de werelden, heeft dit woord veel betekenissen, die in verschillende van de Toelichtingen op de Zohar en in kabbalistische verhandelingen heel duidelijk zijn. Zoals elders al is gezegd, betekent het niet alleen de vernietiging van veel werelden die hun levenstaak hebben volbracht, maar ook van de verschillende continenten die zijn verdwenen, en hun verval en geografische verplaatsing.
   De geheimzinnige ‘koningen van Edom’ worden soms de ‘werelden’ genoemd die waren vernietigd; maar dit is een ‘dekmantel’. De koningen die in Edom heersten voordat er in Israël een koning regeerde, of de ‘Edomitische koningen’, konden nooit de ‘vroegere werelden’ hebben gesymboliseerd, maar alleen de ‘pogingen tot mensen’ op deze bol; de ‘vooradamitische Rassen’, waarover de Zohar spreekt en die wij aanduiden als het eerste Wortelras. Want evenals er, als we over de zes aarden (de zes ‘ledematen’ van microprosopus) spreken, wordt gezegd dat de zevende (onze aarde) niet in aanmerking werd genomen toen de zes werden geschapen (de zes sferen boven onze bol in de aardketen), zo worden in Genesis de eerste zeven koningen van Edom buiten beschouwing gelaten. Volgens de wet van analogie en omzetting betekenen zowel in het ‘Chaldeeuwse Boek van de Getallen’ als in de ‘Boeken van Kennis’ en ‘Wijsheid’ de ‘zeven oorspronkelijke werelden’ tevens de ‘zeven oorspronkelijke’ rassen (onderrassen van het eerste Wortelras van de schaduwen); en verder zijn de koningen van Edom de zonen van ‘Ezau, de vader van de Edomieten’ (Genesis xxxvi, 43); d.w.z. Ezau vertegenwoordigt in de bijbel het ras dat staat tussen het vierde en het vijfde, het Atlantische en het Arische. ‘Twee volkeren zijn in uw schoot’, zei de Heer tot Rebekka; en Ezau was rood en harig. Vers 24 tot 34 van hfst. xxv van Genesis bevat de allegorische geschiedenis van de geboorte van het vijfde Ras.
   ‘En de koningen uit de oude tijd stierven, en hun aanvoerders (kronen) werden niet meer gevonden’, zegt Siphrah Dzenioutha (3). . . . ‘Het hoofd van een volk dat niet in het begin is gevormd naar de gelijkenis van het Witte Hoofd: zijn volk is niet van deze vorm’, verklaart de Zohar (iii). . . . ‘Voordat dit (het Witte Hoofd, het vijfde Ras of Oude der Ouden) zich in zijn (eigen of huidige) vorm schikte . . . werden alle werelden vernietigd; daarom staat er geschreven: En Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom’ (Gen. xxxvi). Hier staan de ‘werelden’ voor rassen. ‘En hij (de een of andere koning van Edom) stierf, en een ander regeerde in zijn plaats’ (ibid. 31 e.v.).
   Geen enkele kabbalist die zich tot dusver heeft beziggehouden met de symboliek en allegorie die achter deze ‘koningen van Edom’ schuilgaat, schijnt meer dan één aspect ervan te hebben waargenomen. Ze zijn noch alleen de ‘werelden die werden vernietigd’, noch uitsluitend de ‘koningen die stierven’, maar beide en veel meer; er is hier echter geen ruimte om deze te behandelen. Daarom zullen we de mystieke parabels van de Zohar laten rusten en terugkeren tot de harde feiten van de materialistische wetenschap; eerst citeren we echter enkele uit de lange lijst van grote denkers die hebben geloofd in de veelheid van bewoonde werelden in het algemeen en in werelden die aan de onze voorafgingen. Het zijn de grote wiskundigen Leibniz en Bernouilli, Isaac Newton zelf, zoals men in zijn Optica kan lezen; Buffon, de natuuronderzoeker; Condillac, de scepticus; Bailly, Lavater, Bernardin de St. Pierre, en als tegenstelling tot beide laatstgenoemden – die tenminste van mysticisme worden verdacht – Diderot en de meeste encyclopedisten. Hierna volgen Kant, de stichter van de moderne filosofie; de dichter-filosofen Goethe, Krause, Schelling; en veel sterrenkundigen, van Bode, Fergusson en Herschel tot Lalande en Laplace met hun vele discipelen in meer recente jaren.
   Inderdaad een schitterende lijst van beroemde namen; maar de feiten van de fysische sterrenkunde spreken nog veel sterker ten gunste van het bestaan van leven, zelfs georganiseerd leven, op andere planeten. Zo werd in vier meteorieten, die respectievelijk te Alais in Frankrijk, aan de Kaap de Goede Hoop, in Hongarije en weer in Frankrijk waren neergekomen, bij analyse grafiet gevonden, een vorm van koolstof waarvan men weet dat die op aarde altijd met organisch leven is verbonden. En dat de aanwezigheid van deze koolstof niet is toe te schrijven aan enige werking binnen onze dampkring, blijkt uit het feit dat er koolstof in het binnenste van een meteoriet is aangetroffen; terwijl er in één die in 1857 bij Argueil in het zuiden van Frankrijk viel, water en turf werd gevonden; deze laatste wordt altijd gevormd door ontbinding van plantaardige stoffen.
   Wanneer men verder de sterrenkundige omstandigheden van de andere planeten onderzoekt, is gemakkelijk aan te tonen dat verschillende ervan veel beter geschikt zijn voor de ontwikkeling van leven en intelligentie – zelfs onder de omstandigheden waarmee de mensen bekend zijn – dan onze aarde. Op de planeet Jupiter bijvoorbeeld veranderen de seizoenen – in plaats van tussen ruime grenzen te variëren zoals de onze – bijna onmerkbaar en duren twaalf keer zo lang als de onze. Tengevolge van de helling van zijn as zijn de seizoenen op Jupiter vrijwel geheel toe te schrijven aan de excentriciteit van zijn baan en veranderen ze daarom langzaam en regelmatig. Men zal ons zeggen dat er op Jupiter geen leven mogelijk is, omdat de planeet zich in gloeiende toestand bevindt. Maar niet alle sterrenkundigen zijn het daarmee eens. Flammarion bijvoorbeeld zegt hetzelfde als wij: en hij zou het moeten weten.
   Anderzijds zou Venus minder geschikt zijn voor menselijk leven zoals dat op Aarde bestaat, omdat haar seizoenen veel extremer en haar temperatuursveranderingen plotselinger zijn, hoewel het merkwaardig is dat de duur van de dag op de vier binnenplaneten, Mercurius, Venus, de Aarde en Mars bijna dezelfde is.
   Op Mercurius zijn de warmte en het licht van de zon zeven keer zo groot als op Aarde, en de sterrenkunde leert dat deze planeet in een heel dichte dampkring is gehuld. Omdat het leven op Aarde actiever is naarmate het licht en de warmte van de zon sterker zijn, is het meer dan waarschijnlijk dat de intensiteit ervan op Mercurius veel groter is dan hier.
   Venus heeft evenals Mercurius een heel dichte dampkring, zoals ook Mars, en de sneeuw die hun polen bedekt, de wolken die hun oppervlak verbergen, de geografische verspreiding van zeeën en continenten, de wisseling van seizoenen en klimaten, lijken alle veel op elkaar – tenminste voor het oog van de fysische sterrenkundige. Maar dergelijke feiten en de overwegingen waartoe zij aanleiding geven, hebben alleen betrekking op het mogelijke bestaan op deze planeten van menselijk leven zoals dat op aarde bekend is. Dat sommige levensvormen zoals wij die kennen, op deze planeten mogelijk zijn, is allang afdoend bewezen, en het schijnt volkomen nutteloos in te gaan op bijzonderheden van de fysiologie, enz., van die hypothetische bewoners, omdat de lezer tenslotte slechts tot een denkbeeldige uitbreiding van de hem bekende omgeving zou komen. Het is beter zich tevreden te stellen met de drie conclusies die C. Flammarion, die we zo uitvoerig hebben geciteerd, formuleert als strenge en exacte deducties uit de bekende feiten en wetten van de wetenschap.
   I. De verschillende krachten die aan het begin van de evolutie werkzaam waren, brachten op de verschillende werelden een grote verscheidenheid van wezens voort; zowel in de organische als in de anorganische natuurrijken.
   II. De bezielde wezens werden vanaf het begin samengesteld volgens vormen en organismen die samenhingen met de fysiologische toestand van elke bewoonde bol.
   III. De mensheden van andere werelden verschillen van ons, zowel wat hun innerlijke bouw als hun uiterlijke fysieke type betreft.
   Tenslotte kunnen we de lezer die misschien geneigd is de geldigheid van deze conclusies in twijfel te trekken, omdat ze in strijd zijn met de bijbel, verwijzen naar een aanhangsel in het boek van Flammarion dat dit vraagstuk uitvoerig behandelt; in een boek als het onze lijkt het onnodig te wijzen op de logische absurditeit van die kerkleiders die op dergelijke gronden de veelheid van de werelden ontkennen.
   In dit verband mogen we misschien die dagen in herinnering roepen toen de brandende ijver van de Moederkerk de leer van de bolvorm van de aarde bestreed, omdat de volkeren van de antipoden dan buiten het bereik van de verlossing zouden vallen; en laten we verder bedenken hoe lang het duurde voordat een opkomende wetenschap het denkbeeld uitroeide van een vast firmament, in de groeven waarvan de sterren zich voortbewogen voor de bijzondere stichting van de aardse mensheid.
   De theorie van de aswenteling van de aarde ontmoette een soortgelijke tegenstand – zelfs tot het martelaarschap van de ontdekkers toe – omdat deze theorie, behalve dat deze onze bol van zijn verheven centrale plaats in de ruimte beroofde, een verschrikkelijke verwarring van denkbeelden teweegbracht over de Hemelvaart, omdat de woorden ‘boven’ en ‘beneden’ slechts relatief bleken te zijn, waardoor het probleem van de juiste ligging van de hemel niet weinig werd gecompliceerd10.
   Volgens de beste hedendaagse berekeningen liggen er niet minder dan 500.000.000 sterren van verschillende grootte binnen het bereik van de beste telescopen. Wat de afstanden ertussen betreft, deze zijn onberekenbaar. Is dan onze microscopische aarde – een ‘zandkorrel aan een oneindige zeekust’ – het enige centrum van intelligent leven? Onze eigen zon, die zelf 1.300.000 keer zo groot is als onze planeet, verzinkt in het niet bij die reusachtige zon – Sirius – en deze laatste is weer een dwerg naast andere lichten in de oneindige Ruimte. De egocentrische opvatting van Jehova als de speciale beschermer van een kleine en onbetekenende half-nomadische stam is nog te verdragen naast het denkbeeld dat het bewuste bestaan is beperkt tot onze microscopische bol. De voornaamste redenen waren ongetwijfeld: (1) onwetendheid over sterrenkunde aan de kant van de eerste christenen, gepaard gaande met een overdreven opvatting van de eigen belangrijkheid van de mens – een grove vorm van zelfzucht; en (2) de vrees dat, indien de hypothese van miljoenen andere bewoonde bollen werd aanvaard, de verpletterende vraag zou volgen: ‘Was er dan een openbaring voor iedere wereld?’, wat het denkbeeld zou insluiten dat de zoon van God als het ware eeuwig ‘de ronde doet’. Gelukkig is het nu niet nodig tijd en energie te verspillen om de mogelijkheid van het bestaan van zulke werelden te bewijzen. Alle verstandige mensen erkennen het. Wat nu nog moet worden aangetoond is dat – indien eenmaal is bewezen dat er bewoonde werelden buiten de onze zijn met mensheden die volkomen verschillend zijn van elkaar en van de onze, zoals de occulte wetenschappen verkondigen – de evolutie van de voorafgaande rassen al half is bewezen. Want waar is de natuurkundige of geoloog die bereid is vol te houden dat de aarde in de miljoenen jaren die in de loop van haar bestaan zijn verstreken, niet tientallen keren is veranderd; en dat de aarde bij het verwisselen van haar ‘huid’, zoals het in het occultisme wordt genoemd, niet elke keer haar bijzondere mensheden heeft gehad, die waren aangepast aan de atmosferische en klimatologische omstandigheden die optraden. En als dat zo is, waarom zouden onze vier voorafgegane en heel verschillende mensheden dan niet vóór ons adamitische (vijfde Wortel-)Ras hebben bestaan en gebloeid?
   Voordat we onze discussie afsluiten, moeten we echter de zogenaamde organische evolutie nauwkeuriger beschouwen. Laten we deze goed onderzoeken en zien of het inderdaad volstrekt onmogelijk is om onze occulte gegevens en chronologie tot op zekere hoogte met die van de wetenschap te laten overeenkomen.

 

Noten:

  1. Er wordt ons geleerd dat de hoogste Dhyāni-Chohans of planeetgeesten (afgezien van hun kennis van de wet van analogie) niet weten wat er buiten de zichtbare planeetstelsels ligt, omdat hun essentie zich niet kan assimileren met die van werelden buiten ons zonnestelsel. Wanneer ze een hoger evolutiestadium bereiken, zullen deze andere heelallen voor hen openstaan – intussen bezitten ze volledige kennis van alle werelden binnen en beneden de grenzen van ons zonnestelsel.
  2. Geen enkel atoom in de hele Kosmos is zonder leven en bewustzijn; hoeveel te meer geldt dat dan voor zijn machtige bollen? – hoewel zij verzegelde boeken blijven voor ons mensen die zelfs in het bewustzijn van de levensvormen die het dichtst bij ons staan nauwelijks kunnen binnendringen?
       We kennen onszelf niet; hoe kunnen we, als we er nooit in zijn geoefend en ingewijd, ons dan verbeelden dat we kunnen doordringen in het bewustzijn van de kleinste dieren om ons heen?
  3. Dit slaat op de logos van elke kosmogonie. Het onbekende licht – waarmee, zoals men zegt, hij gelijktijdig en eeuwig is – wordt weerspiegeld in de ‘eerstgeborene’, de protogonos; en de demiurgos of het universele denkvermogen richt zijn goddelijke gedachte op de Chaos, die onder de vormgevende werkzaamheid van de lagere goden zal worden verdeeld in de zeven oceanen – sapta samudras. Het is purusha, Ahura Mazda, Osiris, enz., en tenslotte de gnostische Christos, die in de kabbala hokhmah of wijsheid, het ‘woord’ is.
  4. De vorm van Tikkun of de protogonos, de ‘eerstgeborene’, d.i. de universele vorm en idee, was nog niet in de Chaos weerspiegeld.
  5. De ‘hemelse mens’ is Adam Kadmon – de synthese van de sephiroth, zoals ‘Manu Svāyambhuva’ de synthese van de prajāpati’s is.
  6. Bereshith Rabba, Parsha IX.
  7. Dit heeft betrekking op de drie Ronden die aan onze vierde Ronde voorafgingen.
  8. Deze zin heeft een dubbele betekenis en bevat een diepzinnig mysterie in de occulte wetenschappen, waarvan het geheim, indien en wanneer het bekend is, de adept geweldige vermogens verleent om zijn zichtbare vorm te veranderen.
  9. Idra Suta, Zohar iii, 136, c. ‘Een afdaling uit hun toestand’ is duidelijk; van actieve werelden zijn ze tot een tijdelijke verduistering vervallen – ze rusten en zijn daarom volledig veranderd.
  10. In het geleerde en geestige boek ‘God en zijn boek’ door de gevreesde ‘Saladin’ van agnostische reputatie, herinnert de vermakelijke berekening dat, indien Christus was verrezen met de snelheid van een kanonskogel, hij zelfs Sirius nog niet zou hebben bereikt, ons levendig aan het verleden. Het wekt misschien een niet ongegrond vermoeden dat zelfs onze eeuw van wetenschappelijke verlichting even grof absurd kan zijn in haar materialistische ontkenningen, als de mensen uit de middeleeuwen dwaas en materialistisch waren in hun religieuze beweringen.

 


De Geheime Leer 2:795-806

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag