§ 6

Reuzen, beschavingen en verzonken continenten

in de geschiedenis


   Wanneer beweringen in de geest van bovenstaand opschrift worden gedaan, verwacht men natuurlijk van de schrijfster dat zij historische in plaats van legendarische bewijzen aanvoert om dergelijke aanspraken te ondersteunen. Is dit mogelijk? Ja; want zulke bewijzen zijn overvloedig aanwezig en hoeven slechts te worden verzameld en bijeengebracht. Voor de onbevooroordeelde zijn ze dan overstelpend.
   Zodra de scherpzinnige lezer de leidraad te pakken heeft, kan hij het zelf ontdekken. Wij geven feiten en laten wegwijzers zien: laat de reiziger ze volgen. Wat hier wordt gegeven, is ruim voldoende voor deze eeuw.
   In een brief aan Voltaire vindt Bailly het vanzelfsprekend dat de sympathieën van de ‘grote oude invalide van Ferney’ uitgaan naar de ‘vertegenwoordigers van kennis en wijsheid, de brahmanen van India’. Hij voegt er dan een merkwaardige uitspraak aan toe. ‘Maar’, zegt hij, ‘uw brahmanen zijn heel jong in vergelijking met hun leermeesters uit de oudheid’1.
   Bailly, die niets wist van de esoterische leringen of van Lemurië, geloofde niettemin onvoorwaardelijk in het verloren Atlantis en ook in het bestaan van verschillende voorhistorische en beschaafde volkeren, die waren verdwenen zonder een onmiskenbaar spoor na te laten. Hij had de oude klassieken en overleveringen uitvoerig bestudeerd en hij zag in dat de kunsten en wetenschappen die bekend waren aan hen die we nu de ‘Ouden’ noemen, ‘niet de prestaties waren van een van de nu of zelfs toen bestaande volkeren, en ook niet van een van de historische volkeren van Azië’. En dat, ondanks de geleerdheid van de hindoes, de ontegenzeglijk hogere ouderdom van hun ras moest worden teruggevoerd tot een volk of een ras dat nog ouder en geleerder was dan zelfs de brahmanen2.
   Voltaire, de grootste scepticus van zijn tijd, de materialist bij uitstek, deelde de opvatting van Bailly. Hij vond het heel aannemelijk ‘dat lang vóór de keizerrijken van China en India er beschaafde, geleerde en machtige volkeren waren geweest, die door een zondvloed van barbaren waren overweldigd en zo waren teruggeworpen in hun oorspronkelijke toestand van onwetendheid en barbaarsheid, of wat men de zuivere natuurstaat noemt3. (Lettres sur l’Atlantide, blz. 15.)
   Wat bij Voltaire het scherpzinnige vermoeden van een groot intellect was, was bij Bailly ‘een kwestie van historische feiten’. Want hij schreef: ‘Ik hecht grote waarde aan oude overleveringen, die door een lange reeks van geslachten bewaard zijn gebleven.’ (Ibid.) Het was inderdaad mogelijk, dacht hij, dat een vreemd volk, nadat het een ander volk had onderwezen, zo zou verdwijnen dat het geen sporen achterliet. Toen men hem vroeg hoe het had kunnen gebeuren dat dit oude of liever archaïsche volk niet althans enige herinnering in de menselijke geest had achtergelaten, antwoordde hij dat de tijd een meedogenloze verslinder van feiten en gebeurtenissen was. Maar de geschiedenis van het verleden is nooit geheel verloren gegaan, want de wijzen van het oude Egypte hadden deze bewaard en ‘zij wordt ook nu nog elders bewaard’. ‘U weet niet wat het beste en schoonste mensengeslacht was dat ooit op deze aarde leefde’, zeiden volgens Plato de priesters van Saïs tegen Solon. ‘Slechts een zwak zaad ervan, waarvan u (de Grieken) de afstammelingen4 bent, is alles wat is overgebleven.’ ‘Hun boeken’, voegden zij eraan toe, ‘bewaarden de verslagen van een groot volk dat kwam uit een gebied dat nu de Atlantische zee heet, en dat Europa en Azië was binnengedrongen (Timaeus). De Grieken waren slechts het verkleinde en zwakke overblijfsel van dat eens roemruchte volk. . . .’5
   Welk volk was dit? De geheime leer zegt dat het het laatste, het zevende onderras van de Atlantiërs was, dat al was opgegaan in een van de eerste onderrassen van de Arische stam, een volk dat zich geleidelijk over het continent en de eilanden van Europa had verspreid, zodra deze waren begonnen uit de zeeën te verrijzen. Afdalend van de hoogvlakten van Azië, waar de twee rassen in de tijd van de doodsstrijd van Atlantis een goed heenkomen hadden gezocht, had het langzaam de pas verrezen landen gekoloniseerd. Het daarheen geëmigreerde onderras had zich op die maagdelijke bodem snel vermenigvuldigd; het had zich verdeeld in een groot aantal families, die zich op hun beurt weer in volkeren verdeelden. Egypte en Griekenland, de Feniciërs en de noordelijke stammen waren zo uit dat ene onderras voortgekomen. Duizenden jaren later begonnen andere rassen – de overgeblevenen van de Atlantiërs – ‘geel en rood, bruin en zwart’, het nieuwe continent binnen te vallen. Er volgden oorlogen, waarin de nieuwkomers werden verslagen; en zij vluchtten, sommigen naar Afrika, anderen naar verafgelegen landen. Sommige van deze landen werden in de loop van de tijd – tengevolge van nieuwe geologische bewegingen van de aarde – eilanden. Doordat ze op deze manier met geweld van de continenten waren gescheiden, vervielen de onontwikkelde stammen en families van het Atlantische Ras geleidelijk tot een nog rampzaliger en barbaarser toestand.
   Ontmoetten de Spanjaarden bij de Cibola-expedities niet blanke wilde opperhoofden; en heeft men nu niet vastgesteld dat er in voorhistorische tijden in Europa Afrikaanse negertypen voorkwamen? Deze aanwezigheid van een type dat verwant is met dat van de neger, en ook met dat van de Mongool, vormt het struikelblok van de antropologie. Het individu dat onberekenbaar lang geleden in La Naulette in België leefde (zie het artikel van dr. Carter Blake, ‘On the Naulette Jaw’, Anthrop. Review, sept. 1867) is een voorbeeld ervan. Deze antropoloog zegt: ‘De grotten aan de oevers van de Lesse in Zuidoost-België verschaffen het bewijsmateriaal voor het bestaan van wat misschien de laagststaande mens is, zoals blijkt uit de Naulette-kaak. Deze mens bezat echter stenen amuletten, voor versieringsdoeleinden doorboord; deze zijn gemaakt van een soort zandsteen die nu in het bekken van de Gironde voorkomt.’
   De Belgische mens was dus buitengewoon oud. Die mens, die vóór de grote watervloed leefde – die het heuvelland van België tot 30 meter boven het peil van de huidige rivieren bedekte met een afzetting van leem of hooglandkiezel – moet de kenmerken van de Turaniër en de neger in zich hebben verenigd. De Canstadt- of La Naulette-mens kan zwart zijn geweest en had niets te maken met het Arische type waarvan de overblijfselen uit dezelfde tijd stammen als die van de holenbeer te Engis. De bewoners van de beendergrotten in Aquitanië behoren tot een veel latere periode van de geschiedenis en zijn mogelijk niet zo oud als de eerstgenoemden.
   Indien men tegen deze bewering bezwaar maakt op grond van het feit dat de wetenschap de aanwezigheid van de mens op aarde sinds onheuglijke tijden niet ontkent, hoewel die ouderdom niet kan worden bepaald, omdat zijn aanwezigheid samenhangt met de duur van de geologische perioden waarvan de ouderdom niet is vastgesteld; indien verder wordt aangevoerd, bijvoorbeeld dat de wetenschappers vastbesloten bezwaar maken tegen de bewering dat de mens aan de dieren voorafging, of dat de beschaving dateert van het vroege Eoceen of dat er ooit reuzen hebben bestaan, mensen met drie ogen, vier armen en vier benen, androgynen, enz., dan vragen wij degenen die bezwaar maken, op onze beurt: ‘Hoe weet u dat? Welke bewijzen heeft u behalve uw persoonlijke hypothesen, die stuk voor stuk elk moment kunnen worden omvergeworpen door nieuwe ontdekkingen?’ En deze toekomstige ontdekkingen zullen ongetwijfeld bewijzen dat, welke huidkleur dit vroegere menstype dat aan de antropologen bekend is, ook heeft gehad, hij in geen enkel opzicht aapachtig was. De Canstadt-mens en ook de Engis-mens bezaten essentieel menselijke eigenschappen. (Zie De Quatrefages en Hamy, Crânes des Races Humaines.) Men heeft de ontbrekende schakel aan het verkeerde einde van de keten gezocht; en de Neanderthalmens is al lang aan de ‘vergetelheid van alle overhaaste blunders’ prijsgegeven (ibid.). Disraeli verdeelde de mensen in de metgezellen van de apen en van de engelen. In de tekst worden argumenten gegeven ten gunste van een ‘engelenleer’ – zoals de christenen zouden zeggen – die tenminste even toepasbaar is op enkele mensenrassen. In elk geval kan, zelfs als de mens pas sinds het Mioceen bestaat, de mensheid als geheel niet zijn samengesteld uit rampzalige wilden van het Paleolithicum, zoals ze nu door de wetenschappers worden voorgesteld. Hun hele bijdrage bestaat uit zuiver willekeurige speculatieve gissingen, die ze een vorm hebben gegeven die past bij en overeenstemt met hun eigen fantastische theorieën.
   Wij spreken over gebeurtenissen die honderdduizenden, zelfs miljoenen jaren in het verleden liggen – indien de mens dateert uit de geologische tijdperken6 – niet over een van die gebeurtenissen die plaatsvonden tijdens de paar duizend jaar die de bescheiden en altijd voorzichtige geschiedenis aan de prehistorie toekent. Toch zijn er wetenschappers die er bijna precies zo over denken als wij. Moedig erkent de abbé Brasseur de Bourbourg: ‘Overleveringen waarvan de sporen in Mexico, in Midden-Amerika, in Peru en in Bolivia worden gevonden, geven aanleiding tot het denkbeeld dat de mens in deze verschillende landen bestond in de tijd van de reusachtige opheffing van de Andes, en dat hij de herinnering eraan heeft bewaard.’ Van deze schrijver tot de paleontologen en antropologen van de laatste tijd staat de meerderheid van de geleerden achter de opvatting van precies zo’n ouderdom. Wat Peru betreft, is er ooit een bevredigende poging gedaan om de etnologische affiniteiten en kenmerken te bepalen van het ras dat die cyclopische bouwwerken heeft opgericht waarvan de ruïnes overblijfselen van een grote beschaving laten zien? Die worden bijvoorbeeld bij Cuelap aangetroffen en bestaan ‘uit een muur van gehouwen steen, 3600 voet lang, 560 breed en 150 hoog, die een aaneengesloten massa met een platte top vormt. Op deze massa stond een andere, 600 voet lang, 500 breed en 150 voet hoog, zodat de totale hoogte 300 voet was. Hierin bevonden zich kamers en cellen.’ (Vgl. de grote hoeveelheid bewijzen die Donnelly heeft verzameld om aan te tonen dat de Peruaanse kolonie een tak van de Atlantiërs was.) Een feit dat veel te denken geeft is de verrassende overeenkomst tussen de architectuur van deze kolossale gebouwen en die van de archaïsche Europese volkeren. Fergusson beschouwt de overeenkomst tussen de ruïnes van de ‘Inca’-beschaving en de cyclopische overblijfselen van de Pelasgen in Italië en Griekenland als ‘de merkwaardigste samenloop van omstandigheden in de geschiedenis van de architectuur’. ‘Het is moeilijk de conclusie te weerstaan dat er misschien een verband tussen hen bestaat.’ Dit ‘verband’ wordt eenvoudig verklaard uit de herkomst van de stammen die deze gebouwen hebben opgericht en die uit een gemeenschappelijk centrum op een Atlantisch continent afkomstig waren. Slechts het aanvaarden van het laatstgenoemde kan ons helpen nader te komen tot de oplossing van dit en van soortgelijke problemen in bijna elke tak van de moderne wetenschap.
   Dr. Lartet maakt bij zijn behandeling van dit onderwerp een eind aan de discussie door te verklaren: ‘De zo lang omstreden waarheid van het gelijktijdige bestaan van de mens met de grote uitgestorven soorten (Elephas primigenius, Rhinoceros tichorrhinus, Hyaena spelaea, Ursus spelaeus, enz.) lijkt mij voortaan onbetwistbaar en door de wetenschap definitief bevochten.’ (Cavernes de Périgord, blz. 35.)
   Elders is aangetoond dat dit ook de opvatting van De Quatrefages is. ‘De mens heeft naar alle waarschijnlijkheid in het Mioceen7 en dus ook in het hele Plioceen geleefd’, zegt hij, en er zijn redenen om te geloven dat ‘sporen van zijn bestaan in een nog verder verleden zullen worden aangetroffen . . .’, voegt hij eraan toe (The Human Species, blz. 152).
   Egypte is veel ouder dan Europa zoals dat er nu op de kaart uitziet. Atlantisch-Arische stammen begonnen zich daar te vestigen toen de Britse eilanden8 en Frankrijk zelfs nog niet bestonden. Men weet dat ‘de landtong van de Egyptische Zee’ of de Delta van Beneden-Egypte heel geleidelijk vast land is geworden en later dan het hoogland van Abessinië is ontstaan; in tegenstelling tot het laatste, dat betrekkelijk plotseling verrees, werd zij in de loop van vele eeuwen heel langzaam gevormd uit opeenvolgende lagen zeeslijk en modder, die jaarlijks werden meegebracht en afgezet door een grote rivier, de huidige Nijl. Toch is zelfs de Delta als een vast en vruchtbaar land al meer dan 100.000 jaar bewoond. Latere stammen, met nog meer Arisch bloed dan hun voorgangers, kwamen uit het oosten en veroverden het land op een volk waarvan zelfs de naam voor het nageslacht verloren is gegaan, behalve in geheime boeken. Deze natuurlijke barrière van slijk, die langzaam maar zeker elke boot die deze onherbergzame kusten naderde, omlaag zoog, was tot enkele duizenden jaren v.Chr. de beste beveiliging van de latere Egyptenaren, die erin waren geslaagd het land te bereiken via Arabië, Abessinië en Nubië, aangevoerd door Manu Vina in de tijd van Viśvāmitra. (Zie in Isis Ontsluierd, Deel I, blz. 627, Engelse uitgave, wat Kullūka Bhatta zegt.)
   De oudheid van de mens wordt met de dag zoveel duidelijker, dat zelfs de kerk zich op een eervolle overgave en terugtocht voorbereidt. De geleerde abbé Fabre, professor aan de Sorbonne, heeft categorisch verklaard dat de voorhistorische paleontologie en archeologie, zonder enige schade voor de Schrift, in de Tertiaire beddingen . . . zoveel sporen van de voor-adamitische mens mogen ontdekken als ze maar willen. ‘Omdat zij alle scheppingen van vóór de laatste zondvloed op één na (die volgens de abbé het Diluvium voortbracht) buiten beschouwing laat, geeft de bijbelse openbaring ons de vrijheid het bestaan van de mens in het grijze Diluvium, het Plioceen en zelfs het Eoceen te erkennen. Anderzijds zijn niet alle geologen het erover eens dat we de mensen die de bol in deze oertijden bewoonden, als onze voorouders moeten beschouwen9.’
   De dag waarop de kerk zal inzien dat haar enige redding ligt in de occulte uitleg van de bijbel, is misschien niet zover als sommigen denken. Menige abbé en geestelijke is al een vurige kabbalist geworden en er treden ook velen openlijk in het strijdperk om met theosofen en occultisten een lans te breken voor de metafysische verklaring van de bijbel. Maar jammer voor hen beginnen ze aan het verkeerde eind. Wij raden hun aan, voordat ze beginnen te speculeren over het metafysische in hun heilige geschriften, een grondige studie te maken van wat daarin het zuiver fysieke betreft, bijv. de geologische en etnologische aanwijzingen. Want zowel in het Nieuwe als in het Oude Testament staan talloze van dergelijke zinspelingen op de zevenvoudige samenstelling van de aarde en van de mens en op de zeven Ronden en Rassen, en ze zijn voor wie ze beide symbolisch leest, even duidelijk als de zon aan de hemel. Waarop hebben de wetten in hoofdstuk xxiii, v. 15 van Leviticus betrekking? Wat is de filosofische reden voor al die wekelijkse offers en symbolische berekeningen zoals: ‘gij zult tellen . . . van de dag na de sabbat . . . waarop gij de garve van het beweegoffer hebt gebracht; zeven volle weken zullen het zijn’ (15), ‘Bij het brood zult gij zeven gave eenjarige schapen offeren’, enz. (18). Men zal ons ongetwijfeld tegenspreken wanneer we zeggen dat al deze ‘beweeg’- en vrede’-offers waren bedoeld als herdenking van de zeven ‘sabbatten’ van de mysteriën; deze sabbatten zijn zeven pralaya’s tussen zeven manvantara’s of wat wij Ronden noemen – want ‘sabbat’ is een elastisch woord, dat een rustperiode van welke aard ook betekent, zoals elders werd uitgelegd (Afdeling II, hoofdstuk over het zevental). En als dit niet doorslaggevend is, kunnen we ons wenden tot het volgende vers (16), dat eraan toevoegt: ‘Zelfs tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen’ (negenenveertig, 7 x 7 stadia van werkzaamheid, en negenenveertig stadia van rust, op de zeven bollen van de keten, en dan komt de rust van de sabbat, de vijftigste); waarna ‘gij een nieuw spijsoffer aan de Heer zult brengen’, d.w.z. gij zult een offer brengen van uw vlees of ‘rokken van vellen’ en gij zult u van uw lichamen ontdoen en zuivere geesten blijven. Deze offerwet, die in de loop van de eeuwen is ontaard en verstoffelijkt, was een instelling die dateerde van de eerste Atlantiërs; zij kwam tot de Hebreeën via de ‘Chaldeeën’, die de ‘wijzen’ van een kaste, niet van een volk waren, een gemeenschap van grote adepten, gekomen uit hun ‘slangenholen’, en die zich eeuwen tevoren in Babylonië hadden gevestigd. En indien men deze interpretatie van Leviticus (vol verminkte wetten van Manu) te ver gezocht vindt, kan men zich tot de Openbaring wenden. Welke interpretatie niet-ingewijde mystici ook aan het beroemde Hoofdstuk xvii geven, met zijn raadsel van de vrouw in purper en scharlaken; of nu de protestanten knikken naar de rooms-katholieken, wanneer ze lezen ‘een geheimenis: het grote babylon, moeder van de hoeren en van de gruwelen van de aarde’, of de rooms-katholieken de protestanten woedend aankijken; de occultisten verklaren in hun onpartijdigheid dat deze woorden vanaf het begin van toepassing waren op elk exoterisch kerkendom, dat wat vanouds de ‘ceremoniële magie’ was met haar verschrikkelijke gevolgen, en wat nu de onschadelijke (want verminkte) klucht is van de rituele eredienst. De ‘geheimenis’ van de vrouw en het beest zijn de symbolen van het zieldodende kerkendom en van het bijgeloof. ‘Het beest dat was en niet is en toch is.’ ‘En hier is het verstand dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen (zeven continenten en zeven rassen) waarop de vrouw zit’, het symbool van alle exoterische, barbaarse, afgoden vererende geloofsvormen, die dat symbool hebben bedekt ‘met het bloed van de heiligen en het bloed van de martelaren’ die protesteerden en nog protesteren. ‘En het zijn zeven koningen (zeven rassen); vijf ervan zijn gevallen (waaronder ons vijfde Ras), één is er nog (het vijfde duurt voort) en de andere (het zesde en het zevende Ras) is nog niet gekomen. . . . En wanneer hij (de ras-‘koning’) komt, moet hij korte tijd blijven’ (xvii, 10). Er zijn veel van zulke toespelingen in de Apocalyps, maar de lezer moet ze zelf ontdekken. Deze vijf koningen werden al eerder genoemd.
   Als zowel volgens de bijbel als volgens de archeologie en de geologie de menselijke beschaving door drie min of meer verschillende stadia is gegaan, althans in Europa; en als de mens, zowel in Amerika en Europa als in Azië, uit geologische tijdperken dateert – waarom zou men dan de uitspraken van de Geheime Leer niet in overweging nemen? Is het filosofischer of logischer en ook wetenschappelijker om met Albert Gaudry niet in de Miocene mens te geloven, terwijl men wel gelooft dat de beroemde vuurstenen van Thenay10 ‘door de Dryopithecus-aap werden bewerkt’; of om met de occultist te zeggen dat de antropomorfe aap eeuwen na de mens kwam? Want als men eenmaal erkent en zelfs wetenschappelijk aantoont dat ‘er in het midden van het Mioceen geen enkele soort zoogdier was, identiek met nu bestaande soorten’ (Albert Gaudry, Les Enchaînements du monde animal dans les temps géologiques, blz. 240); en dat de mens toen precies was wat hij nu is, alleen groter en atletischer dan wij nu zijn11 – waar ligt dan de moeilijkheid? Dat zij bezwaarlijk de afstammelingen van apen kunnen zijn, die zelf niet vóór het Mioceen worden gevonden12, wordt anderzijds door verschillende bekwame natuuronderzoekers bevestigd.

   ‘Zo vinden wij bij de wilde van het Kwartair, die met stenen wapens tegen de mammoet moest strijden, alle craniologische kenmerken die meestal worden beschouwd als het teken van grote intellectuele ontwikkeling’ (De Quatrefages, The Human Species, blz. 312).

   Tenzij de mens spontaan en in het bezit van al zijn verstand en wijsheid, uit zijn hersenloze catarrhine voorvader is ontstaan, kon hij dergelijke hersenen niet binnen de grenzen van het Mioceen hebben verkregen, als we de geleerde abbé Bourgeois moeten geloven (zie de laatst gegeven voetnoot).
   Wat de reuzen betreft: hoewel de langste mens die tot dusver onder de fossielen in Europa is gevonden, de ‘Mentone-mens’ is (6 voet 8 duim), kunnen er toch nog andere worden opgegraven. Nilsson, geciteerd door Lubbock, deelt mee dat er ‘in 1807 in een graf uit het Neolithicum . . . een skelet van buitengewone grootte werd gevonden’ en dat het werd toegeschreven aan een koning van Schotland, Albus McGaldus.
   En wanneer wij in onze tijd nu en dan mannen en vrouwen aantreffen van 7 voet tot zelfs 9 en 11 voet lang, bewijst dit slechts – volgens de wet van het atavisme of het weer verschijnen van voorvaderlijke kenmerken – dat er een tijd was waarin 9 of 10 voet de gemiddelde lengte van de mensheid was, zelfs bij ons laatste Indo-Europese ras.
   Maar omdat dit onderwerp elders voldoende is behandeld, kunnen we overgaan tot de Lemuriërs en de Atlantiërs, en zien wat de oude Grieken over deze vroege rassen wisten en wat men er tegenwoordig van weet.
   Het grote volk dat door de Egyptische priesters werd genoemd, waarvan de voorvaderen van de Grieken uit de tijd van Troje afstamden en dat, zoals wordt beweerd, door het Atlantische Ras werd vernietigd, was toen, zoals we zien, beslist geen ras van paleolithische wilden. Niettemin schijnt al in de tijd van Plato niemand, met uitzondering van priesters en ingewijden, een duidelijke herinnering aan de voorafgaande rassen te hebben bewaard. De eerste Egyptenaren waren al eeuwen en eeuwen van de laatste Atlantiërs gescheiden; ze waren zelf afstammelingen van een vreemd ras en hadden zich ongeveer 400.000 jaar tevoren in Egypte gevestigd13, maar hun ingewijden hadden alle verslagen bewaard. Zelfs nog in de tijd van Herodotus bezaten zij de standbeelden van 341 koningen die over hun kleine Atlantisch-Arische onderras hadden geregeerd (zie hierover Esoteric Buddhism, blz. 66, vijfde druk). Wanneer men als gemiddelde duur van de regering van elke koning slechts twintig jaar neemt, moet het Egyptische Rijk in de tijd van Herodotus al ongeveer 17.000 jaar hebben bestaan.
   Bunsen kende aan de grote Piramide een ouderdom toe van 20.000 jaar. Meer moderne archeologen geven haar niet meer dan 5000 of op zijn hoogst 6000 jaar, en schenken Thebe met zijn honderd poorten grootmoedig 7000 jaar vanaf de stichting. En toch zijn er verslagen die aantonen dat Egyptische priesters – ingewijden – over land in noordwestelijke richting reisden, via wat later de Straat van Gibraltar werd; toen naar het noorden gingen en door de toekomstige Fenicische nederzettingen in Zuid-Gallië trokken; vervolgens nog verder naar het noorden gingen tot ze Carnac (Morbihan) bereikten. Daarna wendden ze zich weer naar het westen en bereikten, terwijl ze nog steeds over land reisden, het noordwestelijke voorgebergte van het Nieuwe Continent14.
   Wat was het doel van hun lange reis? En hoever terug moeten we de datum van dergelijke bezoeken plaatsen? De archaïsche verslagen delen mee dat de ingewijden van het tweede onderras van de Arische familie zich van het ene land naar het andere begaven met het doel toezicht te houden op de bouw van menhirs en dolmens, van kolossale Dierenriemen in steen, en begraafplaatsen die moesten dienen om de as van toekomstige geslachten te ontvangen. Wanneer was dit? Het feit dat zij over land van Frankrijk naar Groot-Brittannië overstaken, kan ons enig idee geven van de tijd waarin een dergelijke reis op het vaste land kon worden volbracht.
   Het was

   ‘Toen het niveau van de Oostzee en de Noordzee 400 voet hoger was dan nu; toen het Sommedal nog niet zo diep was uitgehold als nu; toen Sicilië was verbonden met Afrika, en Barbarije met Spanje’, toen ‘Carthago, de piramiden van Egypte, de paleizen van Uxmal en Palenque nog niet bestonden, en de moedige zeevaarders van Tyrus en Sidon, die later hun gevaarlijke reizen langs de kusten van Afrika zouden ondernemen, nog niet waren geboren. Wat we met zekerheid weten, is dat de Europese mens de tijdgenoot was van de uitgestorven soorten van het Kwartair . . . dat hij getuige was van het verheffen van de Alpen15 en de uitbreiding van de gletsjers, kortom dat hij duizenden jaren vóór de dageraad van de oudste historische tradities leefde. . . . Het is zelfs mogelijk dat de mens de tijdgenoot was van uitgestorven zoogdieren van nog oudere soorten . . . van de Elephas meridionalis van de zandvlakten van St. Prest . . . en van de Elephas antiquus, waarvan men veronderstelt dat hij nog ouder is dan de Elephas primigenius, omdat hun beenderen in verschillende Engelse grotten worden aangetroffen samen met bewerkte vuurstenen, naast beenderen van de Rhinoceros haemitaechus en zelfs van de Machairodus latidens, die van een nog eerdere datum is. . . . E. Lartet is van mening dat het volstrekt niet onmogelijk is dat de mens al in het Tertiair heeft bestaan16.’

   Indien het denkbeeld wetenschappelijk gesproken ‘volstrekt niet onmogelijk’ is en men mag aannemen dat de mens al in het Tertiair leefde, dan mogen we de lezer er misschien aan herinneren dat Croll het begin van dat tijdperk 2.500.000 jaar terug plaatst (Croll, Climate and Time); maar er was een tijd dat hij dit begin op 15.000.000 jaar geleden stelde.
   En als dit alles van de Europese mens kan worden gezegd, hoe oud zijn dan de Lemurisch-Atlantische en de Atlantisch-Arische mens? Ieder ontwikkeld mens die de vorderingen van de wetenschap volgt, weet hoe alle sporen van de Tertiaire mens worden ontvangen. De laster die in 1863 over Desnoyers werd uitgestort, toen hij aan het Institut de France bekendmaakte dat hij een ontdekking had gedaan ‘in de ongerepte Pliocene zandvlakten van St. Prest bij Chartres, die bewees dat de mens tegelijk met de Elephas meridionalis bestond’, was evenredig aan het belang van de zaak. De latere ontdekking (in 1867) door de abbé Bourgeois, dat de mens in het Mioceen leefde, en de ontvangst die deze ontdekking op het congres voor de prehistorie te Brussel in 1872 kreeg, bewijst dat de gemiddelde wetenschapper nooit iets anders ziet dan wat hij wenst te zien17.
   Hoewel hij tot in het oneindige beschouwingen geeft over de dolmens en hun bouwers, weet de hedendaagse archeoloog in werkelijkheid niets daarover, noch over hun oorsprong. Toch staan deze geheimzinnige en vaak kolossale monumenten van onbewerkte stenen – die gewoonlijk bestaan uit vier of zeven bij elkaar geplaatste reusachtige blokken – in groepen of rijen verspreid over Azië, Europa, Amerika en Afrika. Stenen van enorme omvang zijn horizontaal en afwisselend op twee, drie, vier en zoals in Poitou, op zes en zeven blokken geplaatst. Het volk noemt ze ‘duivels-altaren’, druïdenstenen en reuzengraven. De stenen van Carnac in Morbihan, Bretagne – bijna een mijl lang en 11.000 in getal, gerangschikt in 11 rijen – zijn tweelingbroers van die in Stonehenge. De kegelvormige menhir van Loch-Maria-ker in Morbihan is twintig yards lang en bijna twee yards breed. De menhir van Champ Dolent (bij St. Malo) verheft zich dertig voet boven de grond en is daaronder vijftien voet diep. Zulke dolmens en voorhistorische monumenten vindt men op bijna elke breedtegraad. Men treft ze aan in het bekken van de Middellandse Zee; in Denemarken (plaatselijke grafheuvels van zevenentwintig tot vijfendertig voet hoog); in Shetland, en in Zweden, waar ze ganggriften (of graven met gangen) worden genoemd; in Duitsland, waar ze bekendstaan als reuzengraven (Hünengräber); in Spanje (zie de dolmen van Antiguera bij Malaga) en Afrika; in Palestina en Algerije; op Sardinië (zie de nuraghi en sepolture dei giganti, of reuzengraven); in Malabar, in India, waar ze de graven van de daitya’s (reuzen) en van de rākshasa’s, de mensdemonen van Lanka worden genoemd; in Rusland en Siberië, waar ze bekendstaan als de koorgan; in Peru en Bolivia, waar ze chulpa’s of begraafplaatsen heten, enz.
   Er is geen land waar ze niet zijn. Wie hebben ze gebouwd? Waarom worden ze alle in verband gebracht met slangen en draken, met alligators en krokodillen? Men beweert dat het oude graven zijn omdat, zoals men denkt, in enkele ervan overblijfselen van de ‘paleolithische mens’ zijn gevonden, en omdat in de grafheuvels van Amerika lichamen van latere rassen zijn ontdekt met de gebruikelijke persoonlijke eigendommen zoals benen halskettingen, wapens, stenen en koperen urnen, enz. Maar ongetwijfeld waren de twee beroemde heuvels – de ene in het Mississippidal en de andere in Ohio – die respectievelijk bekendstonden als ‘de alligatorheuvel’ en ‘de grote slangenheuvel’, nooit als graven bedoeld18 (zie hieronder). Toch wordt op gezaghebbende manier gezegd dat de heuvels, en de heuvel- of dolmenbouwers in Europa alle ‘Pelasgisch’ zijn, en dateren van vóór de Inca’s in Amerika, hoewel ze ‘niet uit extreem ver verwijderde tijden stammen’. Ze zijn niet door ‘een ras van dolmenbouwers’ gemaakt, dat nooit bestond (volgens De Mortillet, Bastian en Westropp), behalve in de vroegere archeologische fantasie. Tenslotte wordt nu de opvatting van Virchow over de reuzengraven van Duitsland als een axioma aanvaard: ‘Alleen de graven zijn gigantisch, niet de beenderen die ze bevatten’, zegt deze Duitse bioloog; en de archeologie heeft slechts te buigen en zich aan die beslissing te onderwerpen19.
   Dat er tot nu toe in de ‘graven’ geen reusachtige skeletten zijn gevonden, is nog geen reden om te zeggen dat daarin nooit overblijfselen van reuzen zijn geweest. Crematie was tot betrekkelijk kort geleden – ongeveer 80.000 of 100.000 jaar – algemeen. Bovendien werden de werkelijke reuzen bijna allen met Atlantis verzwolgen. Niettemin spreken de klassieken, zoals elders is gezegd, vaak over reuzenskeletten die nog in hun tijd werden opgegraven. Afgezien hiervan kunnen menselijke fossielen nog steeds op de vingers worden geteld. Geen enkel tot nog toe gevonden skelet is ouder dan 50 tot 60.000 jaar20, en de lengte van de mens was sinds het derde onderras van de Arische stam verminderd van 15 tot 10 of 12 voet. Dit onderras – geboren en ontwikkeld in Europa en Klein-Azië bij nieuwe klimaten en omstandigheden – was Europees geworden. Vanaf toen is die lengte voortdurend afgenomen, zoals gezegd. Het is daarom beter te zeggen dat alleen de graven archaïsch zijn, en niet noodzakelijk de lichamen van de mensen die er nu en dan in worden gevonden; en dat die graven, omdat ze reusachtig zijn, reuzen moeten hebben bevat21, of liever de as van geslachten van reuzen.
   Al die cyclopische bouwwerken waren echter niet als graven bedoeld. De bovengenoemde reizende ingewijden hadden te maken met de zogenaamde druïdische overblijfselen, zoals Carnac in Bretagne en Stonehenge in Groot-Brittannië. En al deze gigantische monumenten zijn symbolische getuigenissen van de wereldgeschiedenis. Ze zijn niet druïdisch maar universeel. Ze zijn ook niet door de druïden gebouwd, want deze waren slechts de erfgenamen van de cyclopische kennis die hun door geslachten van machtige bouwers en ‘tovenaars’, zowel goede als slechte, waren nagelaten.
   Het zal altijd te betreuren blijven dat de geschiedenis, die a priori het werkelijke bestaan van reuzen heeft verworpen, zo weinig van de optekeningen van de oudheid over hen voor ons heeft bewaard. Toch spelen in bijna elke mythologie – die tenslotte oude geschiedenis is – de reuzen een belangrijke rol. In de oude Noorse mythologie waren de reuzen, Skrymir en zijn broers, tegen wie de zonen van de goden streden, machtige factoren in de geschiedenis van godheden en mensen. De hedendaagse exegese, die deze reuzen tot broers van de dwergen maakt en de gevechten van de goden terugbrengt tot de geschiedenis van de ontwikkeling van het Arische ras, zal slechts geloof vinden bij de aanhangers van de Arische theorie, zoals die door Max Müller is uiteengezet. Zelfs als we aannemen dat de Turaanse rassen werden getypeerd door de dwergen (dwergar) en dat een donker, rondhoofdig dwergachtig ras naar het noorden werd gedreven door de blanke Scandinaviërs of Aesir, de goden die de mens gelijk waren, dan bestaat er noch in de geschiedenis, noch in enig ander wetenschappelijk boek enig antropologisch bewijs voor het bestaan in tijd of ruimte van een ras van reuzen. Dat dit toch in vergelijking met, en in feite naast de dwergen bestaat, kan Schweinfurth getuigen. De Nyam-Nyam van Afrika zijn echte dwergen, terwijl hun naaste buren (verschillende stammen van betrekkelijk blanke Afrikanen) reuzen zijn als men ze naast de Nyam-Nyams plaatst, en zelfs heel groot naast Europeanen, want al hun vrouwen zijn meer dan 6,5 voet lang. (Zie de laatste boeken van Schweinfurth.)
   In Cornwall en in het oude Brittannië zijn anderzijds de overleveringen over deze reuzen heel algemeen; men zegt dat ze zelfs tot in de tijd van koning Arthur hebben geleefd. Uit dit alles blijkt dat er veel langer reuzen hebben geleefd onder de Kelten dan onder de Teutoonse volkeren.
   Als we zien naar de Nieuwe Wereld, hebben we daar overleveringen over een ras van reuzen in Tarija op de oostelijke hellingen van de Andes en in Ecuador, die goden en mensen bestreden. Dit oude geloof, dat sommige plaatsen ‘los campos de los gigantes’, ‘de velden van de reuzen’ noemt, gaat altijd samen met het bestaan van Pliocene zoogdieren en de aanwezigheid van Pliocene verhoogde stranden. ‘Niet alle reuzen liggen onder de berg Ossa’, en het zou inderdaad een armzalige antropologie zijn, die de overleveringen van reuzen zou beperken tot Griekse en bijbelse mythologieën. De Slavische landen, vooral Rusland, wemelen van legenden over de bogaterey (machtige reuzen) van vroeger; en hun folklore, die grotendeels heeft gediend als grondslag voor nationale geschiedenissen, hun oudste liederen en hun meest archaïsche overleveringen, spreken over de reuzen van voorheen. We kunnen dus zonder gevaar de moderne theorie, die van de titanen alleen maar symbolen voor kosmische krachten wil maken, verwerpen. Het waren echte levende mensen, of ze nu twintig of slechts twaalf voet lang waren. Zelfs de homerische helden, die natuurlijk tot een veel recentere periode in de geschiedenis van de rassen behoorden, schijnen wapens te hebben gehanteerd van een grootte en een gewicht, die de kracht van de sterkste mensen van de huidige tijd te boven gaan.

‘Geen tweemaal tien mensen konden de zware last opheffen,
Mensen zoals er leven in deze dagen van verval.’

   Indien de fossiele voetafdrukken uit Carson, Indiana22, Verenigde Staten, van mensen zijn, dan wijzen ze op reusachtige mensen. Over hun echtheid kan er geen twijfel zijn. Het is te betreuren dat het hedendaagse en wetenschappelijke bewijs voor het bestaan van reusachtige mensen alleen op voetafdrukken moet berusten. Telkens weer bleken de skeletten van hypothetische reuzen die van olifanten en mastodonten te zijn. Maar al dergelijke blunders van vóór de tijd van de geologie, en zelfs de reisverhalen van Sir John Mandeville, die zegt dat hij in India reuzen met een lengte van 56 voet zag, bewijzen slechts dat het geloof in het bestaan van reuzen nooit uit de gedachten van de mensen is verdwenen.
   Wat men weet en aanvaardt, is dat er verschillende rassen van reusachtige mensen hebben bestaan en duidelijke sporen hebben achtergelaten. In het tijdschrift van het Anthropological Institute (Deel 1871, art. door dr. C. Carter Blake) wordt gezegd dat er zo’n ras in Palmyra en mogelijk in Midian heeft bestaan, dat schedelvormen vertoonde die heel verschillend zijn van die van de joden. Het is niet onwaarschijnlijk dat er een dergelijk ras in Samaria bestond, en dat het geheimzinnige volk dat in Galilea de cirkels van stenen bouwde, neolithische vuurstenen in het Jordaandal bewerkte en een oude Semitische taal in stand hield, die heel verschillend was van de vierkante Hebreeuwse lettertekens – een heel grote gestalte had. De Engelse bijbelvertalingen zijn nooit betrouwbaar, zelfs niet in hun hedendaagse herziene vorm. Zij spreken over nephilim, en vertalen dit woord door ‘reuzen’ en voegen eraan toe dat dit ‘harige’ mensen waren, waarschijnlijk de grote en krachtige prototypen van latere saters, die door de fantasie van de kerkvaders zo welsprekend zijn beschreven; enkelen van de kerkvaders verzekeren hun bewonderaars en volgelingen dat zij zelf deze ‘saters’ hadden gezien – sommige levend, andere in pekel ingemaakt en geconserveerd. Toen eenmaal het woord ‘reuzen’ als synoniem voor nephilim was aangenomen, hebben de commentatoren hen sindsdien vereenzelvigd met de zonen van Anak. De vrijbuiters die het Beloofde Land in bezit namen, vonden daar een oudere bevolking die hun in lengte ver overtrof, en ze noemden hen een ras van reuzen. Maar de rassen van werkelijk reusachtige mensen waren al eeuwen vóór de geboorte van Mozes verdwenen. Deze lange mensen leefden in Kanaän en zelfs in Bashan, en kunnen vertegenwoordigers hebben gehad in de Nabateeërs van Midian. Zij hadden een veel grotere gestalte dan de kleine joden. Vierduizend jaar geleden onderscheidden hun schedelvorm en hun lange gestalte hen van de kinderen van Heber. Veertigduizend jaar geleden kunnen hun voorouders een nog veel reusachtiger gestalte hebben gehad, en vierhonderdduizend jaar daarvóór moeten zij in verhouding tot mensen van onze tijd zijn geweest als de Brobdingnagianen voor de Lilliputters. De Atlantiërs van de middenperiode werden de Grote Draken genoemd, en het eerste symbool van hun stamgodheden, toen de ‘goden’ en de goddelijke dynastieën hen hadden verlaten, was dat van een reusachtige slang.
   Het mysterie dat de oorsprong en de religie van de druïden versluiert, is even groot als dat van hun veronderstelde heiligdommen voor de moderne kenners van de symboliek, maar niet voor de ingewijde occultisten. Hun priesters waren de afstammelingen van de laatste Atlantiërs, en wat over hen bekend is, wettigt de conclusie dat zij oosterse priesters waren, verwant aan de Chaldeeën en Indiërs, maar niet veel meer. Men mag aannemen dat zij hun godheid op dezelfde manier symboliseerden als de Hindoes hun Vishnu, als de Egyptenaren hun ‘mysteriegod’ en als de bouwers van de Grote Slangenheuvel in Ohio hun godheid vereerden – namelijk in de vorm van de ‘machtige slang’, het embleem van de eeuwige godheid tijd (Kāla van de hindoes). Plinius noemde hen de ‘magiërs van de Galliërs en Britten’. Maar zij waren meer dan dat. De schrijver van Indian Antiquities ziet veel verwantschap tussen de druïden en de brahmanen van India. Dr. Borlase wijst op een nauwe overeenkomst tussen hen en de magiërs van Perzië23; anderen zien een gelijkheid van hen met de orfische priesters van Thracië: eenvoudig omdat zij, wat hun esoterische leringen betreft, waren verbonden met de universele wijsheid-religie, en zo banden hadden met de exoterische eredienst van allen.
   Evenals de Hindoes, de Grieken en de Romeinen (we spreken over de ingewijden), de Chaldeeën en de Egyptenaren, geloofden de Druïden in de leer van een opeenvolging van werelden, en ook in die van zeven ‘scheppingen’ (van nieuwe continenten) en veranderingen van het aardoppervlak, en in een zevenvoudige nacht en dag voor elke aarde of bol (zie Esoteric Buddhism). Overal waar de slang met het ei wordt aangetroffen, was deze lering ongetwijfeld aanwezig. Hun Dracontia zijn er een bewijs van. Dit geloof was zo universeel, dat wanneer we er in de esoterie van verschillende religies naar zoeken, we het bij alle zullen ontdekken. We zullen het vinden bij de Arische Hindoes en Mazdeeërs, de Grieken, de Romeinen en zelfs bij de oude Joden en de eerste Christenen, van wie het tegenwoordige nageslacht nauwelijks begrijpt wat zij in hun Schrift lezen. Zie wat Seneca zegt in Brief 9 en Quaest. Nat. III, c., ult.: ‘Nadat de wereld zich heeft opgelost en in de boezem van Jupiter is teruggekeerd, blijft deze god enige tijd in zichzelf verdiept en verborgen, geheel verzonken in contemplatie. Waarna er een nieuwe wereld uit hem voortkomt. . . . Een onschuldig ras van mensen en dieren wordt opnieuw voortgebracht . . . , enz.’ Als hij dan spreekt over de periodieke ontbinding van de wereld die met de universele dood gepaard gaat, zegt Seneca: ‘Wanneer de natuurwetten onder het puin zullen zijn begraven, en de laatste dag van de wereld zal aanbreken, zal de zuidpool bij haar val alle gebieden van Afrika verpletteren, en de noordpool zal alle landen beneden haar bedelven. De verschrikte zon zal van zijn licht worden beroofd; het paleis van de hemel raakt in verval en zal tegelijk leven en dood voortbrengen, en een soort ontbinding zal gelijkelijk alle godheden treffen, die zo zullen terugkeren tot hun oorspronkelijke chaos.’ (Geciteerd in Book of God, blz. 160.)
   Men zou kunnen denken dat men het Purāna-verhaal van Parāśara over de grote pralaya aan het lezen is. Het is bijna hetzelfde, denkbeeld voor denkbeeld. Heeft het christendom niet iets dergelijks? Wij zeggen van wel. Laat de lezer de bijbel opslaan en vers 3 tot 14 uit hoofdstuk iii van de Tweede Brief van Petrus lezen en hij zal daar dezelfde denkbeelden vinden. . . . ‘Er zullen in de laatste dagen spotters komen . . . die zeggen, ‘waar is de belofte van zijn komst? . . . Sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zó, als het vanaf het begin van de schepping is geweest.’ Want zij zijn onwetend . . . dat door het woord van God de hemelen er sinds lang zijn geweest en de aarde, die uit en door het water bestaat: waardoor de wereld die toen was, is vergaan, verzwolgen door het water. Maar de hemelen en de aarde, die nu zijn . . . zijn voor het vuur bewaard . . . de hemelen . . . zullen vergaan, en de elementen zullen smelten door de hevige hitte . . . wij verwachten echter nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, enz.’ Wanneer de uitleggers hierin een verwijzing verkiezen te zien naar de schepping, de zondvloed en de beloofde komst van Christus, waarna zij in een nieuw Jeruzalem in de hemel zullen leven, is dat niet de schuld van ‘Petrus’. Wat de schrijver van de Brieven bedoelde, was de vernietiging van dit, ons vijfde Ras door onderaardse vuren en overstromingen en het verschijnen van nieuwe continenten voor het zesde Wortelras. Want de schrijvers van deze Brieven waren allen op de hoogte van de symboliek, zoal niet van de wetenschappen.
   Elders is al gezegd dat het geloof in de zevenvoudige samenstelling van onze ‘keten’ de oudste lering van de eerste Iraniërs was, die deze van de eerste Zarathoestra hadden gekregen. Het is tijd dit te bewijzen aan de parsi’s die de sleutel tot de betekenis van hun heilige geschriften hebben verloren. In de Avesta wordt de aarde beschouwd als tegelijkertijd zevendelig en driedelig. Dr. Geiger beschouwt dit als een inconsequentie, om de volgende redenen, die hij tegenstrijdigheden noemt: de Avesta spreekt over de drie derden van de aarde, omdat de Rig Veda ‘drie aarden’ noemt. . . . ‘Drie strata of lagen die boven elkaar liggen, worden hiermee zoals men zegt bedoeld24.’ Maar hij heeft het volstrekt bij het verkeerde eind, evenals alle exoterische niet ingewijde vertalers. De Avesta heeft het denkbeeld niet aan de Rig Veda ontleend, maar herhaalt slechts de esoterische leer. De ‘drie strata of lagen’ hebben niet betrekking op onze bol alleen, maar ook op drie lagen van de bollen van onze aardketen – twee aan twee op elk gebied, één op de neergaande, de andere op de opgaande boog. Zo is onze aarde, de zevende en de vierde bol, zevendelig als we zien naar de zes sferen of bollen boven haar, terwijl ze driedelig is in verband met de gebieden boven ons gebied. Deze betekenis wordt uitgewerkt en bevestigd door de tekst in de Avesta en de Vendidad en zelfs door de speculaties – heel bewerkelijke en onbevredigende gissingen – van de vertalers en commentatoren. Hieruit volgt dat de verdeling van de ‘aarde’, of liever van de aardketen, in zeven karshvars niet in tegenspraak is met de drie ‘zones’, indien dit woord als ‘gebieden’ wordt gelezen. Zoals Geiger opmerkt, is deze zevenvoudige verdeling heel oud – de oudste van alle – omdat de Gāthā’s al spreken over de ‘zevendelige aarde’. (Būmi haptāiti, Yasna, xxxii, 3.) Want ‘volgens de parsi-geschriften moet men de zeven karshvars beschouwen als volledig gescheiden delen van de aarde’, wat ze ongetwijfeld zijn. Want ‘tussen hen in golft de oceaan, zodat het, zoals in verschillende passages wordt gezegd, onmogelijk is van de ene karshvar naar de andere te gaan’25. De ‘oceaan’ is natuurlijk de ruimte, want deze laatste werd ‘wateren van de ruimte’ genoemd voordat zij bekend stond als ether. Bovendien wordt het woord karshvar consequent vertaald met dvīpa, en vooral Hvaniratha door Jambudvīpa (‘Neriosengh, de vertaler van de Yasna’)26. Maar dit feit wordt door de oriëntalisten niet bij hun beschouwingen betrokken, en daarom zien wij dat zelfs een geleerde Zoroastriër en parsi van geboorte als de vertaler van het boek van dr. Geiger, aan verschillende opmerkingen van de eerstgenoemden over de ‘tegenstrijdigheden’ van deze soort, die in overvloed in de mazdeïsche geschriften voorkomen, zonder ze op te merken en zonder een woord van commentaar voorbijgaat. Een van zulke ‘tegenstrijdigheden’ en ‘toevalligheden’ betreft de gelijkvormigheid van de Zoroastrische en de Indiase leer op het punt van de zeven dvīpa’s (eilanden, of liever continenten), zoals die in de Purāna’s voorkomen, nl.: ‘De dvīpa’s vormen concentrische ringen die, gescheiden door de oceaan, Jambu Dvīpa omringen, dat in het midden ligt’ (blz. 130, deel I) en ‘volgens de Iraanse opvatting ligt de karshvar hvaniratha ook in het centrum van de rest . . . elk van hen (de zes andere karshvars) is een bijzondere individuele ruimte, en zo groeperen zij zich rond (boven) Hvaniratha’ (ibid. blz. 131). Nu is Hvaniratha niet, zoals Geiger en zijn vertaler denken, ‘het land bewoond door de Iraanse stammen’, en de andere namen betekenen niet ‘de aangrenzende gebieden van vreemde volkeren in het noorden, zuiden, westen en oosten’ (blz. 132), maar onze bol of aarde. Want wat wordt bedoeld met de zin die op de laatst geciteerde volgt, namelijk dat ‘twee, Vourubaresti en Vourugaresti in het noorden liggen; twee, Vidadhafshu en Fradadhafshu, in het zuiden; Savahi en Arezahi in het oosten en westen’, is eenvoudig de heel aanschouwelijke en nauwkeurige beschrijving van de ‘keten’ van onze planeet, de aarde, die aldus is weergegeven in het boek van Dzyan (11):

 

 

   De bovenstaande mazdeïsche namen hoeft men slechts te vervangen door de in de Geheime Leer gebruikte om een orthodoxe leerstelling te verkrijgen. De ‘aarde’ (onze wereld) is dus ‘driedelig’, omdat de keten van de werelden is gelegen op drie verschillende gebieden boven onze bol, en ze is zevendelig wegens de zeven bollen of sferen die de keten vormen. Vandaar de verdere betekenis die in de Vendidad XIX, 39 wordt gegeven, namelijk dat ‘alleen Hvaniratha met imat, ‘deze’ (aarde), is verbonden, terwijl alle andere karshvars zijn verbonden met het woord ‘avat’, ‘dat’ of die – hogere aarden’. Het kon niet duidelijker zijn.
   Hetzelfde kan worden gezegd van de tegenwoordige opvattingen over alle andere oude geloofsstelsels.
   De druïden begrepen dus de betekenis van de Zon in de Stier wanneer, terwijl alle vuren op 1 november werden uitgedoofd, alleen hun heilige en onblusbare vuren de horizon bleven verlichten, evenals die van de magiërs en de hedendaagse Zoroastriërs. En evenals het vroege vijfde Ras en later de Chaldeeën, de Grieken en ook evenals de christenen, die tot op heden hetzelfde doen zonder de werkelijke betekenis te vermoeden, begroetten zij de morgenster – de schone Venus-Lucifer27. Strabo spreekt over een eiland dicht bij Brittannië, ‘waar Ceres en Persephone werden vereerd met dezelfde riten als in Samothrake (lib. iv), en dit eiland was het heilige Ierna’, waar een eeuwig vuur brandde. De druïden geloofden in de wedergeboorte van de mens, niet zoals Lucianus zegt: ‘dat dezelfde geest een nieuw lichaam zal bezielen, niet hier, maar in een andere wereld’, maar in een reeks reïncarnaties in deze zelfde wereld; want zoals Diodorus zegt, zij verklaarden dat de zielen van mensen na verloop van een bepaalde periode andere lichamen zouden binnengaan28.
   De Ariërs van het vijfde Ras namen deze leringen over van hun voorgangers van het vierde Ras, de Atlantiërs. De leringen, die hun zeiden hoe hun ouderlijke Wortelras met elk geslacht arroganter was geworden tengevolge van het verkrijgen van bovenmenselijke vermogens en geleidelijk naar zijn einde was afgegleden, hadden ze vroom bewaard. Die verslagen herinnerden hen zowel aan het reusachtige intellect van de voorafgaande Rassen als aan hun reusachtige gestalte. Men kan dergelijke optekeningen terugvinden in elke eeuw van de geschiedenis, in bijna elk oud fragment dat uit de oudheid tot ons is gekomen.
   Aelianus bewaarde een uittreksel uit Theophrastus, dat was geschreven in de tijd van Alexander de Grote. Het is een gesprek tussen Midas de Frygiër en Silenus. Aan de eerstgenoemde wordt verteld over een continent dat in oude tijden had bestaan, en dat zo enorm groot was, dat Azië, Europa en Afrika in vergelijking daarmee kleine armzalige eilanden schenen. Het was het laatste continent dat dieren en planten van reusachtige grootte voortbracht. Daar, zei Silenus, bereikten de mensen twee keer de lengte van de langste mens in zijn tijd (van de verteller), en ze werden tweemaal zo oud. Ze hadden rijke steden met tempels, en één van die (steden) had meer dan een miljoen inwoners en er was goud en zilver in grote overvloed. . . .
   De veronderstelling van Grote dat Atlantis slechts een mythe was, ontstaan uit een luchtspiegeling – wolken aan een verblindende hemel, die er uitzagen als eilanden in een gouden zee – is te slim bedacht om er zelfs aandacht aan te besteden.

 

Noten:

  1. Lettres sur l’Atlantide.
  2. Histoire de l’Astronomie Ancienne, blz. 25 e.v.
  3. Dit vermoeden is maar voor de helft een gissing. Er waren zulke ‘zondvloeden van barbaren’ tijdens het vijfde Ras. Het vierde Ras werd inderdaad door een echte zondvloed van water weggevaagd. Maar noch Voltaire, noch Bailly wist iets over de Geheime Leer van het oosten.
  4. Voor een volledige bespreking van de relaties tussen de oude Grieken en Romeinen en de Atlantische kolonisten, zie Five Years of Theosophy.
  5. Het verhaal over Atlantis en alle tradities daarover werden, zoals men weet, verteld door Plato in zijn Timaeus en Kritias. Plato had het als kind gehoord van zijn negentigjarige grootvader Kritias, die er in zijn jeugd over was verteld door Solon, de vriend van zijn vader Dropides – Solon, een van de zeven wijzen van Griekenland. Wij geloven dat men geen betrouwbaarder bron zou kunnen vinden.
  6. De ‘mensaap’ van Haeckel uit het Mioceen is de droom van een monomaan, die De Quatrefages (zie zijn Human Species, blz. 105-113) op knappe manier heeft weerlegd. Het is niet duidelijk waarom de wereld het nachtelijke werk van een psychofobische materialist eerder zou aanvaarden dan de overleveringen van de oudheid (het aanvaarden van Haeckels theorie maakt het nodig dat men ook in goed vertrouwen het bestaan van verschillende dieren aanneemt, die in de wetenschap of in de Natuur onbekend zijn – zoals bijvoorbeeld de Sozura, een amfibie die buiten de verbeelding van Haeckel nooit ergens heeft bestaan).
  7. De bekwame schrijver van Atlantis, the Ante-diluvian World geeft bij de bespreking van de oorsprong van verschillende Griekse en Romeinse instellingen uiting aan zijn overtuiging dat ‘de wortels van de hedendaagse instellingen teruggaan tot het Mioceen’. Ja, en nog verder, zoals al is gezegd.
  8. Echter zoals wij ze kennen. Want niet alleen bewijst de geologie dat de Britse eilanden vier keer zijn verzonken en herrezen, maar ook dat de zeestraat tussen deze eilanden en Europa in een ver verwijderd verleden droog land was.
  9. Les origines de la terre et de l’homme, blz. 454. In verband hiermee geeft prof. N. Joly uit Toulouse, die de abbé in zijn Man before Metals citeert, uiting aan de hoop dat Fabre hem zal toestaan ‘op dit laatste punt met hem van mening te verschillen’; blz. 186. Dat doen de occultisten ook; want hoewel zij beweren dat de vijf rassen die tot dusver zijn geëvolueerd, in hun fysiologie en uiterlijke verschijning grote verschillen vertonen, houden zij toch vol dat de tegenwoordige mensensoort afstamt van een en dezelfde oorspronkelijke stam, geëvolueerd uit de ‘goddelijke mensen’ – onze gemeenschappelijke voorouders.
  10. ‘De vuurstenen van Thenay dragen onmiskenbare sporen van bewerking door mensenhanden.’ (G. de Mortillet, Promenades au Musée de St. Germain, blz. 76.)
  11. Over de rendierjagers van Périgord zegt Joly dat ‘zij heel lang en atletisch waren, met een stevig gebouwd skelet . . .’ enz. (Man before Metals, blz. 353).
  12. ‘Aan de oevers van het meer van Beauce’, zegt de abbé Bourgeois, ‘leefde de mens te midden van een fauna die volledig is verdwenen (aceratherium, tapir, mastodont). Met het rivierzand van het Orléanais kwam de antropomorfe aap (pliopithecus antiquus); dus later dan de mens.’ (Zie Comptes Rendus van het ‘Congres voor de Prehistorie’ van 1867 in Parijs.)
  13. ‘Bij het verrichten van peilingen in de modderachtige bodem van het Nijldal werden twee bakstenen ontdekt, een op een diepte van 20, de andere van 25 yards. Als we aannemen dat de dikte van de jaarlijkse door de rivier gevormde afzetting 8 duim per eeuw bedraagt (nauwkeuriger berekeningen hebben aangetoond dat deze niet meer dan drie tot vijf duim per eeuw is), moeten we de ouderdom van de eerste van deze stenen op 12.000 jaar, en die van de tweede op 14.000 jaar stellen. Door middel van analoge berekeningen komt Burmeister tot de veronderstelling dat er sinds het eerste verschijnen van de mens op Egyptische bodem 72.000 jaar zijn verlopen, en Draper kent aan de Europese mens die getuige was van de laatste ijstijd, een ouderdom toe van meer dan 250.000 jaar.’ (Man before Metals, blz. 183.) De Egyptische Dierenriemen vermelden meer dan 75.000 jaar van waarneming! (Zie hierna.) Er moet hierbij worden opgemerkt dat Burmeister slechts over de Deltabevolking spreekt.
  14. Of wat nu de Britse Eilanden zijn, die in die tijd nog niet van het hoofdcontinent waren gescheiden. ‘De vroegere bewoner van Picardië kon naar Groot-Brittannië gaan zonder het Kanaal over te steken. De Britse Eilanden waren met Gallië verbonden door een landengte die later is verzonken.’ (Man before Metals, blz. 184.)
  15. Hij was er getuige van en herinnerde het zich ook, omdat ‘de uiteindelijke verdwijning van het grootste continent van Atlantis een gebeurtenis was die samenviel met het verheffen van de Alpen’, schrijft een Meester (zie Esoteric Buddhism, blz. 70). Telkens wanneer een deel van het droge land van ons halfrond verdween, verhief zich een stuk land van het nieuwe continent uit de zeeën. Op deze reusachtige aardramp, die zich over een periode van 150.000 jaar uitstrekte, berusten de overleveringen van alle ‘zondvloeden’; de joden baseerden hun versie op een gebeurtenis die later op ‘Poseidonis’ plaatsvond.
  16. ‘The Antiquity of the Human Race’, in Man before Metals, door Joly, professor aan de Faculteit van de natuurwetenschappen van Toulouse, blz. 184.
  17. De wetenschappelijke ‘jury’ was het zoals gebruikelijk onderling oneens; terwijl De Quatrefages, De Mortillet, Worsaae, Engelhardt, Waldemar, Schmidt, Capellini, Hamy en Cartailhac op de vuurstenen de sporen van menselijk handwerk zagen, weigerden Steenstrup, Virchow en Desor die als zodanig te erkennen. Toch is de meerderheid, met uitzondering van een paar Engelse wetenschappers, op de hand van Bourgeois.
  18. Aan een wetenschappelijk boek ontlenen wij de volgende beschrijving. ‘Het eerste van deze dieren (de alligator), dat met grote bekwaamheid is gemaakt, is niet minder dan 250 voet lang. . . . Het binnenste wordt gevormd door een hoop stenen, waarover de vorm in fijne stevige klei is aangebracht. De grote slang wordt weergegeven met geopende bek, bezig een ei te verslinden waarvan de middellijn op het dikste gedeelte 100 voet bedraagt; het lichaam van het dier is in sierlijke bochten gekronkeld en de staart is tot een spiraal opgerold. De hele lengte van het dier is 1100 voet. Dit werk is uniek . . . en er is niets op het oude continent dat ermee overeenkomt.’ Met uitzondering echter van zijn symboliek, van de slang – de cyclus van de tijd – die de Kosmos, het ei, verslindt.
  19. Het zou misschien voor de feiten beter zijn, als we meer specialisten in de wetenschap hadden en minder ‘autoriteiten’ op het gebied van algemene vraagstukken. Wij hebben nooit gehoord dat Humboldt gezaghebbende en definitieve uitspraken deed over poliepen of over de aard van een gezwel.
  20. 57.000 jaar is de ouderdom die dr. Dowler toeschrijft aan de overblijfselen van het menselijke skelet dat onder vier oude wouden in New Orleans aan de oevers van de Mississippi lag begraven.
  21. Murray zegt dat de barbaren van de Middellandse Zee zich over de bekwaamheid van de Atlantiërs hebben verbaasd. ‘Hun lichaamskracht was buitengewoon (waarvan hun cyclopische bouwwerken inderdaad getuigen), de aarde schudde soms onder hun voetstappen. Wat zij ook deden, werd snel gedaan. . . . Zij waren wijs en deelden hun wijsheid aan de mensen mee’ (Mythology, blz. 4).
  22. Noot vert. Mogelijk is Nevada bedoeld.
  23. Maar de magiërs van Perzië waren nooit Perzen – zelfs geen Chaldeeën. Zij kwamen uit een ver land; de oriëntalisten zijn van mening dat dit Medië was. Dit kan zo zijn, maar uit welk deel van Medië? Hierop krijgen we geen antwoord.
  24. Civilization of the Eastern Iranians in Ancient Times, blz. 129.
  25. Vgl. bijv. Deel I, 4 van de Pablavi vertaling, Bdh. xxi, 2-3.
  26. Voetnoot van Dārāb Dastur Peshotan Sanjānā, B.A., de vertaler van het boek van dr. Wilhelm Geiger over de Civilization of the Eastern Iranians.
  27. Dr. Kenealy citeert in zijn Book of God, Vallancey, die zegt: ‘Ik was nog geen week in Ierland aangekomen uit Gibraltar, waar ik Hebreeuws en Chaldeeuws had gestudeerd onder joden uit verschillende landen, toen ik een boerenmeisje tegen een naast haar staande boer hoorde zeggen ‘Teach an Maddin Nag’ (kijk, de morgenster), terwijl zij naar de planeet Venus wees, de Maddena Nag van de Chaldeeën.’
  28. Er was een tijd toen de hele wereld, het totaal van de mensheid, één religie had, en men ‘één taal’ sprak. ‘Alle religies van de aarde waren aanvankelijk één en gingen uit van één centrum’, zegt Faber terecht.

 


De Geheime Leer 2:844-64

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag