A

Enkele mededelingen in de klassieken over de heilige eilanden

en continenten, esoterisch verklaard


   Al het voorafgaande was aan Plato en aan veel anderen bekend. Maar omdat geen ingewijde het recht had alles wat hij wist te openbaren en te verkondigen, kreeg het nageslacht alleen toespelingen. Omdat het doel van zijn onderricht meer de ethiek dan de geografie en de etnologie of de geschiedenis betrof, versmolt de Griekse filosoof de geschiedenis van Atlantis, die miljoenen jaren omvatte, tot één gebeurtenis, die hij liet plaatsvinden op een betrekkelijk klein eiland van 3000 stadiën lang en 2000 stadiën breed (of ongeveer 350 bij 200 mijl, wat ongeveer de omvang van Ierland is), terwijl de priesters over Atlantis spraken als over een continent dat zo groot was als ‘heel Azië en Libië’ samen. Maar hoe het algemene aspect van het verhaal van Plato ook is veranderd, het draagt het stempel van de waarheid1. In ieder geval heeft hij het niet bedacht, want ook Homerus, die vele eeuwen vóór hem leefde, spreekt in zijn Odyssee over de Atlantes (dat zijn onze Atlantiërs) en hun eiland. De overlevering was dus ouder dan de bard van Ulysses. De Atlantes en de Atlantiden van de mythologie zijn gebaseerd op de Atlantes en Atlantiden van de geschiedenis. Zowel Sanchoniathon als Diodorus hebben de geschiedenissen van die helden en heldinnen bewaard, hoe sterk deze verslagen ook vermengd zijn geraakt met het mythische element.
   In onze tijd zijn we getuige van het verbazingwekkende feit dat het bestaan van betrekkelijk recente figuren zoals Shakespeare en Wilhelm Tell vrijwel wordt ontkend, waarbij men probeert aan te tonen dat de ene een pseudoniem was en de andere een persoon die nooit heeft bestaan. Is het dan een wonder dat de twee machtige rassen – de Lemuriërs en de Atlantiërs – in de loop van de tijd zijn versmolten en vereenzelvigd met een paar halfmythische volkeren, die alle dezelfde familienaam droegen?
   Herodotus spreekt over de Atlantes – een volk van West-Afrika, dat zijn naam gaf aan de berg Atlas, die vegetariërs waren en ‘van wie de slaap nooit werd verstoord door dromen’; en die bovendien ‘dagelijks de zon bij zijn op- en ondergaan vervloekten, omdat zijn overmatige hitte hen verschroeide en kwelde’.
   Deze mededelingen zijn gebaseerd op morele en psychische feiten en niet op fysiologische verstoringen. Het verhaal van Atlas (zie boven) geeft de sleutel ertoe. Als de slaap van de Atlantiërs nooit door dromen werd verstoord, was dat omdat die bijzondere overlevering betrekking heeft op de vroegste Atlantiërs, van wie het fysieke omhulsel en de hersenen in fysiologische zin nog niet voldoende waren verdicht om de zenuwcentra tijdens de slaap te laten werken. Wat die andere mededeling betreft – namelijk dat zij dagelijks ‘de zon vervloekten’ – ook deze heeft niets met de hitte te maken, maar met het morele verval dat toenam naarmate het ras groeide. Dit wordt in onze ‘Toelichtingen’ verklaard. ‘Zij (het zesde onderras van de Atlantiërs) gebruikten magische bezweringen zelfs tegen de zon’ – en toen zij daarin niet slaagden, vervloekten zij deze. Aan de tovenaars van Thessalië schreef men de macht toe de maan naar beneden te halen, zoals de Griekse geschiedenis ons verzekert. De Atlantiërs van de latere tijd waren berucht om hun magische vermogens en hun slechtheid, hun eerzucht en uitdaging van de goden. Vandaar dezelfde overleveringen in de bijbel over voordiluviaanse reuzen en de Toren van Babel, die men ook vindt in het Boek Henoch.
   Diodorus noemt nog een paar feiten: de Atlantiërs beroemden zich erop dat zij het land bezaten waarin alle goden waren geboren; ook dat Uranus hun eerste koning was geweest, en verder dat hij de eerste was die hun de sterrenkunde had geleerd. Uit de oudheid is weinig meer dan dit aan ons overgeleverd.
   De mythe van Atlas is een allegorie die gemakkelijk is te begrijpen. Atlas stelt de oude continenten Lemurië en Atlantis voor, verenigd en verpersoonlijkt in één symbool. De dichters schrijven aan Atlas, evenals aan Proteus, een hoge wijsheid en een universele kennis toe, en vooral een grondige bekendheid met de diepten van de oceaan, omdat beide continenten rassen droegen die door goddelijke meesters waren onderwezen, en omdat beide waren verzonken naar de bodem van de zeeën, waar zij nu sluimeren tot hun volgende herrijzing boven de wateren. Atlas is de zoon van een oceaannimf, en zijn dochter is Calypso – ‘de waterige diepte’ (zie de Theogonie van Hesiodus, 507-509, en Odyssee, I, 51): Atlantis ligt verzonken onder de wateren van de oceaan, en zijn nageslacht slaapt zijn eeuwige slaap op de oceaanbodem. De Odyssee stelt hem voor als de bewaker en de ‘drager’ van de enorme zuilen die de hemelen van de aarde scheiden (I, 52-53). Hij is hun ‘ondersteuner’. En omdat zowel Lemurië, vernietigd door onderzeese vuren, als Atlantis, verzwolgen door de golven, in de diepten van de oceaan verzonken2, zegt men dat Atlas werd gedwongen het aardoppervlak te verlaten en zich bij zijn broeder Iapetos in de diepten van de Tartarus te voegen. Sir Theodore Martin heeft gelijk als hij zegt dat deze allegorie betekent: Atlas ‘staat op de vaste bodem van het onderste halfrond van het heelal en draagt zo tegelijk de aardschijf en het hemelgewelf – het vaste omhulsel van het bovenste halfrond’ . . . (Mémoires de l’Académie des Inscriptions, blz. 176). Want Atlas is Atlantis, dat de nieuwe continenten en hun horizonnen op zijn ‘schouders’ draagt.
   Decharme geeft in zijn Mythologie de la Grèce Antique uiting aan zijn twijfel over de juistheid van de vertaling van Pierron van het Homerische woord ἔχει door sustinet (draagt), omdat het niet mogelijk is in te zien ‘hoe Atlas tegelijk verschillende zuilen die op verschillende plaatsen staan, kan steunen of dragen’. Als Atlas een individu was, zou het een onhandige vertaling zijn. Maar omdat hij een continent in het westen verpersoonlijkt, waarvan men zei dat het tegelijk de hemel en de aarde ondersteunt (Aeschylus, Prometheus Vinctus, 351, 429, enz.) – d.w.z. de voeten van de reus staan op de aarde, terwijl zijn schouders het hemelgewelf dragen, een toespeling op de reusachtige bergtoppen van het Lemurische en het Atlantische continent – wordt de benaming ‘ondersteuner’ heel juist. De term ‘conservator’ voor het Griekse woord ἔχει, dat Decharme in navolging van Sir Theodore Martin opvat in de betekenis van ϕυλάσσει en ἐπιμελεῖται, geeft niet dezelfde betekenis weer.
   Deze opvatting was ongetwijfeld toe te schrijven aan de reusachtige bergketen die langs de grens van de aarde (of schijf) liep. Deze bergtoppen hadden hun wortels tot in de bodem van de zeeën, terwijl ze hun hoofd naar de hemel verhieven en hun toppen in de wolken verdwenen. De oude continenten hadden meer bergen dan dalen. De Atlas en de Piek van Tenerife, nu twee nietige overblijfselen van de twee verloren continenten, waren in de tijd van Lemurië drie keer zo hoog, en in de tijd van Atlantis twee keer zo hoog. Zo noemden volgens Herodotus (IV, 184) de Libiërs de berg Atlas ‘de zuil van de hemel’, en Pindarus omschreef de latere Etna als ‘de hemelse zuil’ (Pyth. 1, 20; Decharme, 315). De Atlas was in de tijd van Lemurië een ontoegankelijke eilandpiek, toen het Afrikaanse continent nog niet uit zee was verrezen. Het is het enige westerse overblijfsel dat is blijven bestaan, onafhankelijk van het continent waarop het derde Ras werd geboren, zich ontwikkelde en ten val kwam3, want Australië vormt nu een deel van het oostelijke continent. Nadat de trotse Atlas volgens de esoterische overlevering voor een derde van de omvang in de wateren was verzonken, bleven twee derden als erfdeel van Atlantis over.
   Ook dit was bekend aan de priesters van Egypte en aan Plato zelf, en alleen de plechtige eed van geheimhouding, die zich zelfs uitstrekte tot de mysteriën van het neoplatonisme, verhinderde dat de hele waarheid werd geopenbaard4. Zo geheim was inderdaad de kennis van de laatste eilanden van Atlantis – wegens de bovenmenselijke vermogens van zijn bewoners, de laatste rechtstreekse afstammelingen van de goden of goddelijke koningen, zoals men dacht – dat het openbaren van de ligging en van het bestaan ervan met de dood werd gestraft. Theopompus zegt iets dergelijks in zijn altijd gewantrouwde Meropis, wanneer hij meedeelt dat de Feniciërs de enige zeevaarders waren aan de westkust van Afrika, en die dit met zoveel geheimzinnigheid deden dat zij vaak hun eigen schepen tot zinken brachten om al te nieuwsgierige vreemdelingen elk spoor van hen te doen verliezen.
   Er zijn oriëntalisten en geschiedkundigen – en ze vormen de meerderheid – die, terwijl ze volstrekt onbewogen blijven bij de nogal grove taal van de bijbel en bij sommige gebeurtenissen die daarin worden verteld, een grote afkeer tonen van de immoraliteit in de pantheons van India en Griekenland5. Men zal ons misschien zeggen dat vóór hen Euripides, Pindarus en zelfs Plato aan hetzelfde uitdrukking gaven; dat ook zij zich ergerden aan die verzinsels – ‘die ellendige verhalen van de dichters’, zoals Euripides het formuleert (ἀοιδῶν οἵδε δύστηνοι λόγι, Hercules furens, 1346, uitgave van Dindorf).
   Maar er is misschien een andere reden voor geweest. Zij die wisten dat er meer dan één sleutel tot de theogonische symboliek was, hebben een fout gemaakt door deze in een zo grove en misleidende taal uit te drukken. Want zelfs als de ontwikkelde en geleerde filosoof de kern van wijsheid onder de ruwe schil van de vrucht kon onderscheiden, en wist dat deze laatste zowel de hoogste wetten en waarheden van psychische en fysieke aard verborg, als ook de oorsprong van alle dingen – bij de niet ingewijde leek was dat niet het geval. De dode letter was voor hem religie; de interpretatie heiligschennis. En deze dode letter kon hem noch stichten, noch vervolmaken, als hij zag welk voorbeeld de goden hem gaven. Maar voor de filosoof – vooral de ingewijde – is de theogonie van Hesiodus zo historisch als een geschiedenis maar kan zijn. Plato aanvaardt haar als zodanig, en maakt zoveel van haar waarheden openbaar als zijn geloften hem toelaten.
   Het feit dat de Atlantes beweerden dat Uranus hun eerste koning was, en dat Plato zijn geschiedenis van Atlantis begint bij de verdeling van het grote continent door Neptunus, de kleinzoon van Uranus, bewijst dat er continenten en koningen waren vóór Atlantis. Want Neptunus, aan wie dat continent ten deel viel, vindt op een eilandje slechts één mensenpaar, gemaakt van klei (d.i. de eerste fysieke menselijke mens; van wie de oorsprong begon bij de laatste onderrassen van het derde Wortelras). De god huwt met hun dochter Clito, en zijn oudste zoon Atlas ontvangt als zijn deel de berg en het continent dat naar hem werd genoemd.
   Nu waren alle goden van de Olympus, evenals die van het hindoepantheon en de rishi’s, de zevenvoudige personificaties (1) van de noumena van de intelligente natuurkrachten; (2) van kosmische krachten; (3) van hemellichamen; (4) van goden of Dhyāni-Chohans; (5) van psychische en spirituele vermogens; (6) van goddelijke koningen op aarde (of de incarnaties van de goden); (7) van aardse helden of mensen. De kennis om onder deze zeven vormen de vorm te onderscheiden die wordt bedoeld, behoorde te allen tijde aan de ingewijden, van wie de eerste voorgangers dit symbolische en allegorische stelsel hadden ontworpen.
   Terwijl dus Uranus (of de menigte die deze hemelse groep vertegenwoordigde) regeerde en heerste over het tweede Ras en hun (toenmalige) continent, regeerde Kronos of Saturnus over de Lemuriërs, en streden Jupiter, Neptunus6 en anderen volgens de allegorie voor Atlantis, dat in de tijd van het vierde Ras de hele aarde was. Poseidonis, of het (laatste) eiland van Atlantis, ‘de derde stap van Idaspati’ (of Vishnu) in de mystieke taal van de geheime boeken – bestond tot ongeveer 12.000 jaar geleden7. De Atlantes van Diodorus hadden gelijk toen zij beweerden dat ‘de goden’ in hun land, de streek rondom de berg Atlas, ‘waren geboren’ – d.i. ‘incarneerden’. Maar pas na hun vierde incarnatie werden ze voor de eerste keer menselijke koningen en heersers.
   Diodorus noemt Uranus de eerste koning van Atlantis, waarbij hij bewust of onbewust de continenten met elkaar verwart; maar, zoals gezegd, verbetert Plato op indirecte manier deze bewering. De eerste sterrenkundeleraar van de mensen was Uranus, omdat hij een van de zeven Dhyāni-Chohans van dat tweede tijdperk of Ras is. Zo vinden we ook in het tweede manvantara (dat van Svārochisha) onder de zeven zonen van de Manu, de heersende goden of rishi’s van dat ras, Jyotis8, de leraar in de sterrenkunde (Jyotisha), een van de namen van Brahmā. En zo vereren ook de Chinezen Tien (of de hemel, Ouranos), en noemen hem hun eerste leraar in de sterrenkunde. Uranus bracht de titanen van het derde Ras voort, en zij waren het die (verpersoonlijkt door Saturnus-Kronos) hem verminkten. Want omdat de titanen tot voortplanting vervielen, toen ‘schepping door wil werd gevolgd door fysieke voortplanting’, hadden ze Uranus niet meer nodig.
   En hier moet men ons een korte afdwaling van het onderwerp toestaan en vergeven. Tengevolge van de laatste geleerde bijdrage van Gladstone in de Nineteenth Century, ‘The Greater Gods of Olympos’, zijn de denkbeelden van het grote publiek over de Griekse mythologie nu nog meer door verdraaiing en vooroordeel verminkt. Aan Homerus wordt een innerlijke gedachte toegeschreven, die door Gladstone wordt beschouwd als ‘de ware sleutel tot de homerische opvatting’, terwijl deze ‘sleutel’ alleen maar een sluier was. Poseidon ‘is inderdaad in essentie van de aarde aards . . . sterk en arrogant, zinnelijk en in hoge mate jaloers en wraakzuchtig’ – maar dit is omdat hij de geest van het vierde Wortelras symboliseert, de heerser van de zeeën, dat ras dat boven het oppervlak van de zeeën (λίμνη, Ilias, xxiv, 79) woont, dat bestaat uit reuzen, de kinderen van Eurymedon, het ras dat de vader van Polyphemus, de titan en éénogige cycloop is. Hoewel Zeus over het vierde Ras regeert, is Poseidon de heerser en de ware sleutel tot de triade van de drie broeders, zonen van Kronos, en tot onze menselijke rassen. Poseidon en Nereus zijn één: de eerste is de heerser of geest van Atlantis vóór het begin van zijn verzinken, de laatste daarna. Neptunus is de titanische kracht van het levende ras; Nereus zijn geest, gereïncarneerd in het volgende vijfde of Arische ras: en dit is wat de grote Engelse hellenist nog niet heeft ontdekt of zelfs maar vaag vermoed. En toch maakt hij veel opmerkingen over de ‘spitsvondigheid’ van Homerus, die Nereus nooit noemt, en die ons slechts wordt aangeduid . . . door de familienaam van de Nereïden!
   Zo hebben zelfs de geleerdste hellenisten de neiging hun beschouwingen te beperken tot de exoterische voorstellingen van de mythologie en hun innerlijke betekenis uit het oog te verliezen, en een opmerkelijk voorbeeld daarvan is de zeer geachte W.E. Gladstone, zoals we hebben aangetoond. Terwijl hij als staatsman bijna de meest op de voorgrond tredende figuur van onze eeuw is, is hij tegelijk een van de grootste geleerden die Engeland heeft voortgebracht. De Griekse letterkunde heeft altijd zijn voorliefde gehad, en hij heeft naast zijn drukke ambtsbezigheden tijd gevonden om de hedendaagse literatuur te verrijken met bijdragen tot onze kennis van het oude Griekenland, die zijn naam bij toekomstige generaties beroemd zullen maken. Omdat de schrijfster hem oprecht bewondert, betreurt zij het echter diep dat het nageslacht, al erkent het zijn grote geleerdheid en hoge beschaving, toch in het grotere licht dat dan op de hele kwestie van symboliek en mythologie moet schijnen, van oordeel zal zijn dat hij er niet in is geslaagd de geest van het religieuze stelsel te begrijpen, dat hij vaak vanuit een dogmatisch christelijk standpunt heeft bekritiseerd. In die toekomstige tijd zal men inzien dat de esoterische sleutel tot de mysteriën van zowel de christelijke als de Griekse theogonieën en wetenschappen wordt gevormd door de Geheime Leer van de voorhistorische volkeren, die hij evenals anderen heeft ontkend. Alleen deze Leer kan de verwantschap van alle menselijke religieuze speculaties of zelfs zogenaamde openbaringen aantonen, en het is deze Leer die de marionetten op de bergen Meru, Olympus, Walhalla of Sinaï de geest van het leven inblaast. Als Gladstone jonger was, zouden zijn bewonderaars kunnen hopen dat zijn geleerde studies zouden worden bekroond door de ontdekking van deze grondwaarheid. Zoals het er nu voorstaat, verspilt hij slechts de gouden uren van zijn laatste levensjaren door nutteloze discussies met die grote vrijdenker kol. Ingersoll, waarbij beiden strijden met exoterische wapenen uit de arsenalen van onwetende letterknechterij. Deze twee grote tegenstanders zijn beiden blind voor de ware esoterische betekenis van de teksten die zij elkaar als ijzeren kogels naar het hoofd slingeren, terwijl de wereld onder die strijd alleen maar lijdt, omdat de een de gelederen van het materialisme helpt versterken en de ander die van blinde sektegeest en van de dode letter. En nu keren we tot ons eigenlijke onderwerp terug.
   Atlantis wordt vaak met een andere naam genoemd, die aan onze commentatoren onbekend is. De macht van namen is groot, en was bekend sinds de eerste mensen door de goddelijke meesters werden onderwezen. En omdat Solon dit wist, vertaalde hij de ‘Atlantische’ namen in namen die hij zelf had bedacht. In verband met het continent Atlantis is het wenselijk te bedenken dat de verhalen die van de oude Griekse schrijvers tot ons zijn gekomen, een warboel van beweringen bevatten, waarvan sommige betrekking hebben op het grote continent en andere op het laatste kleine eiland Poseidonis. Het is gewoonte geworden ze alle op te vatten als verwijzingen naar alleen het laatste, maar dat dit onjuist is, blijkt uit de onverenigbaarheid van de verschillende uitspraken over de grootte, enz., van ‘Atlantis’.
   Zo zegt Plato in de Timaeus en Kritias dat de vlakte die de stad omringde, zelf was omgeven door bergketens. . . . En de vlakte was glad en effen en had een langwerpige vorm, die van noord naar zuid liep, drieduizend stadiën in de ene richting en tweeduizend in de andere. . . . Zij omringden de vlakte door een enorm kanaal of een gracht, 101 voet diep, 606 voet breed en 1250 mijl lang.
   Op andere plaatsen wordt de hele omvang van het eiland Poseidonis opgegeven als ongeveer gelijk aan de omvang die hier wordt toegeschreven aan de ‘vlakte rondom de stad’ alleen. Blijkbaar heeft het ene gedeelte van de mededelingen betrekking op het grote continent en het andere op het laatste overblijfsel ervan – het eiland van Plato.
   Verder geeft men voor het staande leger van Atlantis meer dan een miljoen man op, voor de vloot 1200 schepen en 240.000 man. Dergelijke beweringen zijn volstrekt niet van toepassing op een kleine eilandstaat van ongeveer de grootte van Ierland!
   De Griekse allegorieën geven Atlas of Atlantis zeven dochters (zeven onderrassen), met de namen Maia, Electra, Taygeta, Asterope, Merope, Alcyone en Celaeno. Dit moet etnologisch worden opgevat, omdat men van hen zegt dat zij met goden zijn gehuwd en dat zij de moeders zijn geworden van beroemde helden, de stichters van veel volkeren en steden. In sterrenkundige zin zijn de Atlantiden de zeven Pleiaden (?) geworden. In de occulte wetenschap zijn deze twee met het lot van volkeren verbonden, lotsbestemmingen die overeenkomstig de karmische wet worden bepaald door gebeurtenissen uit hun vorige levens.
   Drie grote volkeren maakten in de oudheid aanspraak op een rechtstreekse afstamming van het rijk van Saturnus, of Lemurië (dat al duizenden jaren vóór onze tijd werd verward met Atlantis): en dit waren de Egyptenaren, de Feniciërs (zie Sanchoniathon) en de oude Grieken (zie Diodorus, volgens Plato). Maar het oudste beschaafde land van Azië – India – maakt, zoals kan worden aangetoond, aanspraak op dezelfde afstamming. Onderrassen, geleid door de karmische wet of het lot, herhalen onbewust de eerste stappen van hun respectievelijke moederrassen. Omdat de betrekkelijk blanke brahmanen – toen zij India met zijn donker gekleurde Dravidiërs binnentrokken – uit het noorden kwamen, moet het Arische vijfde Ras aanspraak maken op afkomst uit noordelijke streken. De occulte wetenschappen tonen aan dat de stichters (de respectievelijke groepen van de zeven prajāpati’s) van de Wortelrassen allen in betrekking staan met de poolster. In de Toelichting lezen wij:
   ‘Hij die de ouderdom van Dhruva9 begrijpt, die 9090 sterfelijke jaren telt, zal de tijden van de pralaya’s begrijpen, de uiteindelijke bestemming van de volkeren, o lanoo.’
   Bovendien moet er een goede reden zijn geweest waarom een Aziatisch volk zijn grote voorvaderen en heiligen heeft geplaatst in de Grote Beer, een noordelijk sterrenbeeld. Het is echter 70.000 jaar geleden sinds de pool van de aarde wees naar het uiteinde van de staart van de kleine beer; en veel meer duizenden jaren sinds de zeven rishi’s met het sterrenbeeld de Grote Beer konden worden vereenzelvigd.
   Het Arische ras werd in het hoge noorden geboren en ontwikkeld, hoewel na het verzinken van het continent Atlantis zijn stammen verder naar het zuiden Azië introkken. Prometheus is dus de zoon van Azië, en zijn zoon Deukalion, de Griekse Noach – die mensen schiep uit de stenen van moeder aarde – wordt door Lucianus een Scyth uit het noorden genoemd, terwijl Prometheus tot de broeder van Atlas wordt gemaakt en te midden van de sneeuw aan de berg Kaukasus wordt geketend10.
   Griekenland had zowel zijn Apollo van de Hyperboreeërs als zijn zuidelijke Apollo. Zo zijn bijna alle goden van Egypte, Griekenland en Fenicië, evenals die van andere pantheons, van noordelijke herkomst en afkomstig uit Lemurië, tegen het einde van het derde Ras, nadat zijn fysieke en fysiologische evolutie geheel was voltooid11. Alle ‘fabels’ van Griekenland waren gebaseerd op historische feiten, als die geschiedenis maar zuiver aan het nageslacht was overgebracht, zonder door mythen te zijn vervalst. De ‘éénogige’ cyclopen, de reuzen die volgens de fabel de zonen waren van Coelus en Terra – zoals Hesiodus zegt, drie in getal – waren de laatste drie onderrassen van de Lemuriërs; het ‘ene oog’ had betrekking op het oog van de wijsheid12; want de twee ogen vóór in het gezicht werden pas in het begin van het vierde Ras als fysieke organen volledig ontwikkeld. De allegorie van Ulysses, van wie de metgezellen werden verslonden, terwijl de koning van Ithaca werd gered door het oog van Polyphemus met een brandend stuk hout uit te steken, is gebaseerd op de psychisch-fysiologische atrofie van het ‘derde’ oog. Ulysses behoort tot de cyclus van de helden van het vierde Ras, en hoewel hij in de ogen van de laatstgenoemden een ‘wijze’ was, moet hij volgens de cyclopische herders een losbandig persoon zijn geweest13. Zijn avontuur met deze laatsten – een wild, reusachtig ras, de antithese van de hoge beschaving in de Odyssee – is een allegorisch verslag van de geleidelijke overgang van de cyclopische beschaving van steen en kolossale gebouwen tot de meer zinnelijke en fysieke cultuur van de Atlantiërs, die er tenslotte de oorzaak van was dat de laatsten van het derde Ras hun alles doordringende spirituele oog verloren. Die andere allegorie, waarin Apollo de cyclopen doodt om de dood van zijn zoon Asclepios te wreken, heeft geen betrekking op de drie rassen die worden voorgesteld door de drie zonen van de hemel en de aarde, maar op het ras van Arimaspische cyclopen van de Hyperboreeërs, de laatsten van het ras dat het ‘oog van wijsheid’ bezat. De eerstgenoemden hebben overal overblijfselen van hun bouwwerken nagelaten, zowel in het zuiden als in het noorden; de laatstgenoemden waren beperkt tot noordelijke streken. Daarom heeft Apollo – bij uitstek de god van de zieners, die als plicht heeft ontheiliging te straffen – hen gedood, waarbij zijn pijlen de vurige en dodelijke menselijke hartstochten voorstellen, en hij verborg zijn pijl achter een berg in de streken van de Hyperboreeërs (Hygin., Astron. Poétique, Deel II, c. 15). In kosmische en sterrenkundige zin is deze hyperborese god de verpersoonlijkte zon, die in de loop van het siderische jaar (25.868 jaar) de klimaten op het aardoppervlak verandert, waarbij tropische gebieden tot koude streken worden gemaakt en omgekeerd. In psychische en spirituele zin is zijn betekenis veel belangrijker. Zoals Gladstone in zijn ‘Greater Gods of Olympos’ heel toepasselijk opmerkt, zijn ‘de eigenschappen van Apollo (samen met Athene) onmogelijk te verklaren zonder terug te grijpen op bronnen die buiten de grens van de overleveringen liggen, die meestal worden geraadpleegd voor de uitleg van de Griekse mythologie’. (Nineteenth Century, juli 1887.)
   De geschiedenis van Latona (Leto), de moeder van Apollo, is rijk aan verschillende betekenissen. Sterrenkundig gezien is Latona de poolstreek en de nacht, die de Zon, Apollo, Phoebus, enz., voortbrengt. Zij werd geboren in de landen van de Hyperboreeërs, waar alle bewoners priesters van haar zoon waren, die elke negentien jaar bij de hernieuwing van de maancyclus zijn opstanding en neerdaling in hun land vierden (Diod. Sic. II, 307). Latona is geologisch gezien het continent van de Hyperboreeërs en het daar wonende ras14.
   Wanneer de sterrenkundige betekenis haar plaats afstaat aan de spirituele en goddelijke – waarbij Apollo en Athene zich in vogels veranderen, het symbool en teken van de hogere godheden en engelen – dan krijgt de stralende god goddelijke scheppende vermogens. Apollo wordt de personificatie van het zienerschap, wanneer hij het astrale dubbel van Aeneas naar het slagveld zendt (Ilias, v, 431-53), en hij heeft de gave aan zijn zieners te verschijnen zonder voor andere aanwezige personen zichtbaar te zijn – (Ilias, xvii, 322-36) – een gave die echter door alle hoge adepten met hem wordt gedeeld.
   De koning van de Hyperboreeërs was dus de zoon van Boreas, de noordenwind, en de hogepriester van Apollo. De twist van Latona met Niobe (het Atlantische ras) – de moeder van zeven zonen en zeven dochters, die de zeven onderrassen van het vierde Ras en hun zeven vertakkingen verpersoonlijken (voor dit getal zie Apollodorus) – is een allegorie van de geschiedenis van de twee continenten. De toorn van ‘de zonen van god’ of van ‘wil en yoga’ bij het zien van de gestage ontaarding van de Atlantiërs was groot (zie ‘De zonen van god en het heilige eiland’); en de vernietiging van de ‘kinderen van Niobe’ door de kinderen van Latona – Apollo en Diana, de godheden van licht, wijsheid en zuiverheid, of sterrenkundig gezien de zon en de maan, waarvan de invloed veranderingen in de aardas, zondvloeden en andere kosmische rampen teweegbrengt – is dus heel duidelijk15. De fabel over de nooit ophoudende tranenvloed van Niobe – haar verdriet is er de oorzaak van dat Zeus haar in een fontein verandert: Atlantis bedekt met water – is als symbool niet minder tekenend. Men moet bedenken dat Niobe de dochter is van een van de Pleiaden (of Atlantiden) en dus de kleindochter van Atlas (zie Metamorfosen van Ovidius, Deel VI), omdat zij de laatste geslachten van het tot ondergang gedoemde continent voorstelt.
   Bailly merkt heel terecht op dat Atlantis een enorme invloed op de oudheid had. Hij voegt eraan toe: ‘Indien deze namen slechts allegorieën zijn, dan is alles wat die fabels aan waarheid bevatten afkomstig van Atlantis; indien de fabel een werkelijke overlevering is – hoe ook veranderd – dan bevat deze toch de hele geschiedenis van de oudheid.’ (Lettres sur l’Atlantide, blz. 137.)
   Die invloed van Atlantis was zo sterk, dat alle oude geschriften – proza en poëzie – vol herinneringen aan de Lemuro-Atlantiërs zijn, de eerste fysieke rassen, maar het derde en vierde in getal. Hesiodus noemt de overlevering over de mensen van het bronzen tijdperk, die door Jupiter uit essenhout waren gemaakt en die harten hadden die harder waren dan diamant. Van top tot teen in brons gekleed, brachten zij hun leven al strijdende door. Ze waren monsterachtig van omvang en bezaten een verschrikkelijke kracht, onoverwinnelijke armen en handen daalden van hun schouders af, zegt de dichter (Hesiodus, Opera et dies, v. 143). Zo waren de reuzen van de eerste fysieke rassen. De Iraniërs hebben in Yasna ix, 15 een verwijzing naar de latere Atlantiërs. Volgens de overlevering trokken de ‘zonen van god’, of de grote ingewijden van het heilige eiland, voordeel uit de zondvloed, om de aarde te verlossen van alle tovenaars onder de Atlantiërs. Het genoemde vers richt zich tot Zarathoestra als een van de ‘zonen van god’. Het luidt: ‘U, o Zarathoestra, liet alle demonen (d.i. tovenaars), die tevoren in menselijke vorm op de wereld rondzwierven, zich in de aarde verbergen’ (d.i. hielp om hen te laten verdrinken).
   De Lemuriërs en ook de eerste Atlantiërs waren in twee verschillende klassen verdeeld – de ‘zonen van de nacht’ of duisternis en de ‘zonen van de zon’ of het licht. De oude boeken vertellen ons over de verschrikkelijke gevechten tussen deze twee, toen de eersten hun land van duisternis verlieten, waaruit de zon voor lange maanden verdween, en uit hun onherbergzame streken afdaalden en ‘probeerden de heer van het licht te ontroven’ aan hun meer bevoorrechte broeders van equatoriale streken. Men zal ons misschien zeggen dat de Ouden niets wisten over de lange nacht van de poolgebieden, die zes maanden duurt. Zelfs Herodotus, die geleerder was dan de anderen, noemt alleen een volk dat zes maanden per jaar sliep en de andere helft wakker bleef. Toch wisten de Grieken heel goed dat er in het noorden een land was waar het jaar was verdeeld in een dag en een nacht, die elk zes maanden duurden, want Plinius zegt dit in zijn vierde boek, hfst. 12. Zij spreken over de Kimmeriërs en de Hyperboreeërs en maken een onderscheid tussen die twee. De eerstgenoemden bewoonden de Palus Maeotis (tussen de 45ste en 50ste breedtegraad). Plutarchus verklaart dat zij slechts een klein deel van een groot volk waren, dat door de Scythen was verdreven; dit volk hield op bij Tanais, nadat het Azië had doorkruist. ‘Deze oorlogszuchtige menigten woonden vroeger aan de oceaankusten, in dichte wouden en onder een donkere hemel. Daar raakt de pool bijna het hoofd, daar verdelen lange nachten en dagen het jaar’ (in Mario). Wat de Hyperboreeërs betreft, deze volkeren, zoals Solinus Polyhistor (hfst. 16) het uitdrukt, ‘zaaien ’s morgens, oogsten ’s middags, verzamelen ’s avonds hun vruchten en slaan ze ’s nachts in hun grotten op’.
   Zelfs de schrijvers van de Zohar kenden dit feit (zoals blijkt in iii, fol. 10a), want er staat geschreven: ‘In het Boek van Hammannunah de Oude lezen we . . . dat er sommige landen op aarde zijn die zijn verlicht, terwijl andere zich in duisternis bevinden; deze hebben dag, terwijl het voor de eerstgenoemde nacht is; en er zijn landen waarin het voortdurend dag is, of waarin tenminste de nacht slechts enkele ogenblikken duurt.’ (Isaac Meyer, Qabbalah, blz. 139.)
   Het eiland Delos, het Asteria van de Griekse mythologie, heeft nooit in Griekenland gelegen, een land dat in die tijd nog niet bestond, zelfs niet in moleculaire vorm. Verschillende schrijvers hebben aangetoond dat het een land of eiland voorstelde, veel groter dan de kleine stukjes land die Griekenland werden. Zowel Plinius als Diodorus Siculus plaatsen het in de noordelijke zeeën. De een noemt het Basileia of ‘koninklijk’ (Deel II, blz. 225 van Diod.); de ander, Plinius, noemt het Osericta (Deel xxxvii, hfst. 2), een woord dat volgens Rudbeck (Deel I, blz. 462-464) ‘in de noordelijke talen een betekenis heeft gehad, gelijkwaardig met het eiland van de goddelijke koningen of god-koningen’, of ook het ‘koninklijke eiland van de goden’, omdat de goden daar werden geboren, d.w.z. de goddelijke dynastieën van de koningen van Atlantis kwamen daar vandaan. De geografen en geologen kunnen ernaar zoeken in die groep eilanden die zijn ontdekt door Nordenskiöld op zijn reis met de Vega in de arctische gebieden16. De geheime boeken delen ons mee dat het klimaat in die gebieden meer dan eens is veranderd sinds de eerste mensen die nu bijna ontoegankelijke breedten bewoonden. Ze waren een paradijs vóór ze een hel werden; de donkere Hades van de Grieken en het koude rijk van de schimmen, waar de Scandinavische Hel, de godin-koningin van het dodenrijk, ‘diep beneden in Helheim en Niflheim heerst’. Toch was het de geboorteplaats van Apollo, de schitterendste van de goden in de hemel – sterrenkundig gezien – zoals hij in zijn menselijke betekenis de meest verlichte van de goddelijke koningen was die over de eerste volkeren heersten. Het laatstgenoemde feit wordt bevestigd in de Ilias IV, 239-62, zie ‘De grotere goden’ – waarin staat dat Apollo vier keer in zijn eigen vorm is verschenen (als de god van de vier rassen) en zes keer in menselijke vorm, d.w.z. als verbonden met de goddelijke dynastieën van de vroegere ongescheiden Lemuriërs.
   Deze eerste geheimzinnige volkeren, hun landen (die nu onbewoonbaar zijn geworden), en ook de naam die zowel aan de dode als aan de levende mens is gegeven, hebben de onwetende kerkvaders de gelegenheid verschaft om een hel te bedenken, die zij hebben omgevormd tot een brandende in plaats van een ijskoude plaats17.
   Het is natuurlijk duidelijk dat noch de Hyperboreeërs, noch de Kimmeriërs, de Arimaspen of zelfs de Scythen – die aan de Grieken bekend waren en betrekkingen met hen onderhielden – onze Atlantiërs waren. Maar zij waren allen afstammelingen van hun laatste onderrassen. De Pelasgen waren ongetwijfeld een van de wortelrassen van het latere Griekenland en waren een overblijfsel van een onderras van Atlantis. Plato zinspeelt hierop wanneer hij spreekt over de laatstgenoemden, van wie de naam, zoals men zegt, is afgeleid van pelagus, de grote zee. De zondvloed van Noach is sterrenkundig en allegorisch, maar niet mythisch, want het verhaal is gebaseerd op dezelfde archaïsche overlevering van mensen – of liever van volkeren – die tijdens de rampen in kano’s, arken en schepen werden gered. Niemand zou willen beweren dat de Chaldeeuwse Xisuthrus, Vaivasvata van de Hindoes, de Chinese Peirun – de ‘lieveling van de goden’, die hem in een kano uit de vloed redden – of de Zweedse Belgamer, voor wie de goden in het noorden hetzelfde deden, allen een en dezelfde persoon zijn. Maar hun legenden zijn alle voortgekomen uit de ramp die zowel het continent als het eiland Atlantis trof.
   De allegorie over de voordiluviaanse reuzen en hun daden van tovenarij is geen mythe. Bijbelse gebeurtenissen zijn inderdaad geopenbaard. Maar noch door de stem van God te midden van donder en bliksem op de berg Sinaï, noch door een goddelijke vinger die de gebeurtenissen op stenen tafelen schrijft, maar eenvoudig door overlevering via heidense bronnen. Diodorus herhaalde stellig niet de Pentateuch toen hij over de titanen schreef – de reuzen, geboren uit de hemel en de aarde, of liever uit de zonen van God, die de dochters van de mensen die schoon waren, tot vrouw namen. Ook citeerde Pherecydes niet uit Genesis, toen hij over die reuzen bijzonderheden gaf die niet in de joodse heilige geschriften zijn te vinden. Hij zegt dat de Hyperboreeërs van het ras van de titanen waren, een ras dat afstamde van de eerste reuzen, en dat het gebied van de Hyperboreeërs de geboorteplaats van de eerste reuzen was. De Toelichtingen op de heilige boeken verklaren dat het genoemde gebied het hoge noorden was, nu de poolgebieden, het voor-Lemurische eerste continent, dat eens het huidige Groenland, Spitsbergen, Zweden, Noorwegen, enz., omvatte.
   Maar wie waren de Nephilim van Genesis vi, 4? Er waren in Palestina paleolithische en neolithische mensen, eeuwen vóór de gebeurtenissen die in het boek van het Begin staan opgetekend. De theologische overlevering vereenzelvigt deze Nephilim met harige mensen of saters, waarvan de laatsten in het vijfde Ras al een mythe vormden en de eerstgenoemden in zowel het vierde als het vijfde Ras historisch waren. We hebben elders meegedeeld wat de prototypen van deze saters waren, en we hebben gesproken over de bestialiteit van het vroege en het latere Atlantische ras. Wat is de betekenis van de liefdesgeschiedenissen van Poseidon onder zo’n verscheidenheid van dierlijke vormen? Hij werd een dolfijn om Amphitrite te winnen; een paard om Ceres te verleiden; een ram om Theophane te bedriegen, enz. Poseidon is niet alleen de personificatie van de geest en het ras van Atlantis, maar ook van de ondeugden van deze reuzen. Gesenius en anderen wijden enorm veel ruimte aan de betekenis van het woord Nephilim, en verklaren erg weinig. Maar de esoterische geschriften tonen aan dat deze harige schepsels de laatste afstammelingen waren van die Lemurisch-Atlantische rassen, die kinderen verwekten bij vrouwelijke dieren van nu al lang uitgestorven soorten; daardoor brachten zij mensen zonder spraak voort, ‘monsters’, zoals de stanza’s zeggen.
   De mythologie, die is gebaseerd op de theogonie van Hesiodus – slechts een dichterlijk verslag van werkelijke overleveringen of mondeling overgebrachte geschiedenis – spreekt over drie reuzen, Briareus, Kottos en Gyges genaamd, die in een donker land woonden, waar ze door Kronos waren gevangengezet voor hun opstand tegen hem. Alle drie hebben volgens de mythe honderd armen en vijftig hoofden, waarbij de laatstgenoemde staan voor rassen en de eerstgenoemde voor onderrassen en stammen. Wanneer men bedenkt dat in de mythologie bijna elke persoon een god of een halfgod is, en in zijn tweede aspect ook een koning of een eenvoudige sterveling18, en dat beide worden opgevat als symbolen van landen, eilanden, natuurkrachten, elementen, volkeren, rassen en onderrassen, zal de esoterische Toelichting begrijpelijk worden. Daarin staat dat de drie reuzen de drie poollanden zijn, die verschillende keren van vorm zijn veranderd, bij elke nieuwe ramp of bij het verdwijnen van het ene continent om plaats te maken voor het andere. De hele aardbol komt periodiek in beroering; en dit is sinds het verschijnen van het eerste Ras vier keer gebeurd. Hoewel het hele aardoppervlak daardoor elke keer werd veranderd, is toch de uiterlijke vorm van de noord- en de zuidpool maar weinig gewijzigd. De poollanden verenigen zich en vallen uiteen in eilanden en schiereilanden, maar blijven toch altijd dezelfde. Daarom wordt Noord-Azië het ‘eeuwige of altijddurende land’ genoemd, en Antarctica het ‘eeuwig levende’ en ‘het verborgene’; terwijl de landen rond de Middellandse Zee, de Atlantische en de Grote Oceaan en andere gebieden om beurten verdwijnen in en weer verschijnen boven de grote wateren.
   Vanaf het eerste verschijnen van het grote continent Lemurië waren de drie poolreuzen door Kronos in hun cirkel gevangen gezet. Hun gevangenis wordt door een bronzen muur omgeven, en de uitgang bestaat uit poorten die door Poseidon (of Neptunus, en dus door de zeeën) zijn gemaakt en die zij niet kunnen passeren; en in dat mistroostige gebied, waar eeuwige duisternis heerst, kwijnen de drie broeders weg. De Ilias (viii, 13) maakt er de Tartaros van. Toen de goden en titanen op hun beurt tegen Zeus – de godheid van het vierde Ras – in opstand kwamen, herinnerde de vader van de goden zich de gevangen reuzen, die hem konden helpen de goden en titanen te overwinnen en de laatstgenoemden in Hades te werpen; of duidelijker gezegd, om Lemurië te midden van donder en bliksem naar de bodem van de zeeën te slingeren, om plaats te maken voor Atlantis, dat op zijn beurt zou moeten verzinken en ten onder gaan19. De geologische opheffing en overstroming van Thessalië was een herhaling op kleine schaal van de grote ramp; en omdat deze in het geheugen van de Grieken bewaard bleef, werd zij door hen vermengd en verward met het algemene lot van Atlantis. De oorlog tussen de rākshasa’s van Lanka en de bewoners van Bharata, de schermutseling tussen de Atlantiërs en de Ariërs in hun grote worsteling, en het conflict tussen de devs en de izeds (of peri’s), werden zo ook eeuwen later de worsteling van de titanen, gescheiden in twee vijandelijke kampen, en nog later de oorlog tussen de engelen van god en de engelen van satan. Historische feiten werden theologische dogma’s. Eerzuchtige geleerde tekstuitleggers, mensen van een klein nog maar pas geboren onderras, en een van de laatste loten van de Arische stam, probeerden het religieuze denken van de wereld omver te werpen, en slaagden daarin. Bijna tweeduizend jaar lang doordrongen zij de denkende mensheid van het geloof in het bestaan van satan.
   Maar omdat nu meer dan één hellenist – evenals Bailly en Voltaire – ervan is overtuigd dat de theogonie van Hesiodus op historische feiten was gebaseerd (zie Decharme, Mythol. de la Grèce Antique), wordt het voor de occulte leringen gemakkelijker hun weg te vinden naar het denken van ernstige mensen; daarom worden deze passages uit de mythologie naar voren gebracht bij onze bespreking van de hedendaagse stand van de wetenschap in dit Aanhangsel.
   De symboliek die men in alle exoterische geloofsopvattingen aantreft, zijn even zoveel verwijzingen naar voorhistorische waarheden. Het zonnige, gelukkige land, de oorspronkelijke bakermat van de eerste mensenrassen, is sinds die tijd verschillende keren hyperborees en Saturnisch20 geworden, en heeft de Gouden Eeuw en de regering van Saturnus uit diverse aspecten laten zien. Het was inderdaad veelzijdig van aard, in klimatologisch, etnologisch en ethisch opzicht. Want het derde, Lemurische Ras moet fysiologisch worden verdeeld in het vroege androgyne en het latere biseksuele ras; en het klimaat van zijn woonplaatsen en continenten in dat van een eeuwige lente en een eeuwige winter, in leven en dood, zuiverheid en onzuiverheid. De cyclus van de legenden wordt op zijn reis door de volksfantasie voortdurend veranderd. Toch kan hij worden gezuiverd van de onreinheden die hij heeft verzameld op zijn weg door veel landen en door talloze gedachtewerelden, die hun eigen overvloedige bedenksels aan de oorspronkelijke feiten hebben toegevoegd. Als we de Griekse interpretaties een ogenblik laten rusten, kunnen we zoeken naar verdere bevestiging van deze feiten in het wetenschappelijke en geologische bewijsmateriaal.

 

Noten:

  1. De waarheidsliefde van Plato is zelfs door vriendelijke critici zoals prof. Jowett bij het bespreken van de ‘geschiedenis van Atlantis’ op zo’n onverantwoordelijke manier in twijfel getrokken, dat het goed lijkt het getuigenis van een specialist op dit gebied te citeren. Dit is voldoende om literaire haarklovers in een belachelijke positie te plaatsen:
       ‘Indien onze kennis van Atlantis groter was, zou ongetwijfeld blijken dat in elk opzicht waarin de bevolking van Europa overeenkomst vertoont met de bevolking van Amerika, zij beide overeenkomen met de bevolking van Atlantis. . . . Men zal zien dat in elk geval waarin Plato ons in dit verband informatie geeft over Atlantis, deze overeenkomst blijkt te bestaan. Zij bestond in de bouwkunst, de beeldhouwkunst, de scheepvaart, de graveerkunst, de schrijfkunst, een gevestigde priesterschap, de manier van eredienst, de landbouw en de aanleg van wegen en kanalen; en het is redelijk te veronderstellen dat dezelfde overeenkomst zich over alle kleinere details uitstrekte.’ (Donnelly, Atlantis, blz. 194.)
  2. De christenen zouden geen bezwaar moeten maken tegen deze leer van de periodieke vernietiging van continenten door vuur en water, want Petrus spreekt over de aarde die ‘uit het water en in het water staat; en dat deze aarde, die met water was bedekt, is vergaan, maar nu wordt bewaard voor het vuur’ (zie ook Lives of Alchemystical Philosophers, blz. 4, Londen, 1815).
  3. Dit wil niet zeggen dat de Atlas de plaats is waar het ten val kwam, want dat gebeurde in Noord- en Midden-Azië; maar dat de Atlas deel uitmaakte van het continent.
  4. Indien Diocletianus niet in 296 de esoterische boeken van de Egyptenaren had verbrand, samen met hun boeken over alchemie – ‘περὶ χυμείαϛ ἀργύρου καὶ χρυσοῦ’; en Caesar 700.000 boekrollen in Alexandrië, en Leo Isaurus 300.000 in Constantinopel (8ste eeuw); en de mohammedanen alles waar ze hun heiligschennende hand op konden leggen – dan zou de wereld nu misschien meer over Atlantis weten dan het geval is. Want de alchemie had haar geboorteplaats in Atlantis tijdens het vierde Ras, en had in Egypte slechts haar renaissance.
  5. De lezingen van prof. Max Müller, ‘On the Philosophy of Mythology’, liggen vóór ons. We lezen zijn citaten uit Herakleitos (460 v.Chr.), waarin wordt gezegd dat Homerus verdiende ‘uit de openbare samenkomsten te worden verjaagd en gegeseld’, en uit Xenophanes, ‘waar Homerus en Hesiodus verantwoordelijk worden gesteld voor het veel voorkomende bijgeloof van Griekenland . . .’ en voor het ‘aan de goden toeschrijven wat onder de mensen schandelijk en ergerlijk is . . . onwettige handelingen, zoals diefstal, overspel en bedrog’. Tenslotte citeert de Oxfordse professor uit de vertaling door prof. Jowett van Plato, waarin de laatste aan Adaimantos (Republiek) vertelt dat ‘de jonge man (in de Staat) niet mag worden verteld dat hij, door de ergste misdaden te plegen, er ver van is iets verschrikkelijks te doen en dat hij zijn vader mag kastijden (zoals Zeus met Kronos deed) . . . op de manier die hij verkiest, en dat hij hiermee slechts het voorbeeld van de eerste en grootste van de goden volgt. . . . Volgens mij zijn deze verhalen niet geschikt om te worden herhaald’. Hierbij merkt dr. Max Müller op, dat ‘de Griekse religie kennelijk een nationale en traditionele religie was, en als zodanig zowel aan de voordelen als aan de nadelen van deze vorm van religieus geloof deel had’; terwijl de christelijke religie ‘een historische en in sterke mate een individuele religie is, en het voordeel bezit van een geautoriseerde codex en van een gevestigd geloofsstelsel’ (blz. 349). Des te erger indien deze religie ‘historisch’ is, want de handelingen van Lot met zijn dochters zouden er slechts bij winnen als ze ‘allegorisch’ waren.
  6. Neptunus of Poseidon is de Idaspati van de hindoes, die identiek is met Nārāyana (die zich op de wateren beweegt) of Vishnu, en evenals deze hindoegod laat men hem de hele horizon in drie stappen afleggen. I∂aspati betekent ook ‘de meester van de wateren’.
  7. De bewering van Bailly dat de 9000 jaar die door de Egyptische priesters werden genoemd, geen ‘zonnejaren’ voorstellen, is ongegrond. Bailly wist niets over geologie en de berekeningen ervan, anders zou hij niet zo hebben gesproken.
  8. Zie Matsya Purāna, die hem tot de zeven prajāpati’s van dat tijdperk rekent.
  9. Het equivalent van deze naam wordt in het origineel gegeven.
  10. Men zegt dat Deukalion de verering van Adonis en Osiris naar Fenicië heeft gebracht. Deze eredienst is die van de zon, die in sterrenkundige betekenis verloren gaat en weer wordt teruggevonden. Alleen aan de pool blijft de zon zes maanden onzichtbaar, want op de 68ste breedtegraad blijft hij slechts veertig dagen weg, evenals bij het feest van Osiris. De beide erediensten ontstonden in het noorden van Lemurië, of op dat continent waarvan Azië een soort gebroken voortzetting was en dat zich uitstrekte tot de poolstreken. Dit wordt duidelijk aangetoond door Allégories d’Orient van Gébelin, blz. 246, en door Bailly; hoewel Hercules noch Osiris zonnemythen zijn, behalve in een van hun zeven aspecten.
  11. De Hyperboreeërs, die nu als mythisch worden opgevat, werden beschreven (Herodotus IV, 33-35; Pausanias, I, 31, 2; V, 7, 8; ad X, 5, 7, 8) als de geliefde priesters en dienaren van de goden en vooral van Apollo.
  12. De cyclopen zijn niet de enige ‘éénogigen’ in de overlevering. De Arimaspen waren een Scythisch volk, en ook van hen werd gezegd dat ze maar één oog hadden. (Géographie ancienne, Deel II, blz. 321.) Ze werden door Apollo met zijn pijlen vernietigd (zie boven).
  13. Ulysses leed schipbreuk bij het eiland Aeaea, waar Circe al zijn metgezellen wegens hun wellustigheid in varkens veranderde; en daarna werd hij op Ogygia, het eiland van Calypso, geworpen, waar hij ongeveer zeven jaar met de nimf in een onwettige verhouding leefde (Odyssee en elders). Calypso was een dochter van Atlas (Odys., Deel XII), en alle traditionele oude versies zeggen over het eiland Ogygia dat het heel ver van Griekenland lag en midden in de oceaan; zo vereenzelvigen zij het met Atlantis.
  14. Om onderscheid te maken tussen Lemurië en Atlantis, noemden de schrijvers uit de oudheid het laatstgenoemde het noordelijke of hyperborese Atlantis, en het eerstgenoemde het zuidelijke. Zo zegt Apollodorus (Mythology, Deel II): ‘De gouden appels die door Hercules werden weggenomen, zijn niet, zoals sommigen denken, in Libië; ze zijn in het hyperborese Atlantis.’ De Grieken naturaliseerden alle goden die zij overnamen en maakten er Hellenen van, en de modernen hielpen hen daarbij. Zo ook hebben de mythologen geprobeerd van de Eridanus de rivier de Po in Italië te maken. In de mythe van Phaëthon wordt gezegd dat zijn zusters bij zijn dood hete tranen stortten, die in de Eridanus vielen en in barnsteen veranderden! Barnsteen wordt echter alleen in de noordelijke zeeën, zoals in de Oostzee, gevonden. Phaëthon, die omkomt als hij warmte brengt naar de bevroren sterren van de noordelijke streken, terwijl hij aan de pool de door de kou verstijfde draak doet ontwaken en in de Eridanus wordt geslingerd, is een allegorie die rechtstreeks betrekking heeft op de klimaatsveranderingen in die lang vervlogen tijden, toen de poollanden van een koude zone een streek met een gematigd en warm klimaat waren geworden. Dat Phaëthon, die zich de functies van de zon had toegeëigend, door de bliksem van Jupiter in de Eridanus wordt geslingerd, is een toespeling op de tweede verandering die plaatsvond in die streken, toen het land waar ‘de magnolia bloeide’ nogmaals het verlaten onherbergzame land van het verste noorden en het eeuwige ijs werd. Deze allegorie gaat dus over de gebeurtenissen van twee pralaya’s; en als ze goed wordt begrepen, zou ze een bewijs moeten zijn voor de enorme oudheid van de mensenrassen.
  15. Zo occult en mystiek is een van de aspecten van Latona, dat men haar zelfs in de Openbaring (xii) weer laat optreden als de vrouw, met de zon (Apollo) bekleed en met de maan (Diana) onder haar voeten, en zij was zwanger ‘en schreeuwde in haar weeën en in haar pijn om te baren’. Een grote rode draak, enz., staat vóór de vrouw, gereed om het kind te verslinden. Zij baart de zoon, een mannelijk wezen, dat alle volkeren zou besturen met een ijzeren staf, en die plotseling werd weggevoerd naar de troon van God (de zon). De vrouw vluchtte naar de woestijn, nog achtervolgd door de draak, die weer vlucht en uit zijn bek water werpt als een stroom, toen de aarde de vrouw hielp en de stroom verzwolg; en de draak ging heen om oorlog te voeren tegen de overigen van haar nageslacht die de geboden van God bewaren, enz. (zie xii, 1, 17). Ieder die de allegorie leest van Latona die wordt achtervolgd door de wraak van de jaloerse Juno, zal de gelijkheid van de beide versies inzien. Juno zendt Python, de draak, om Latona te vervolgen en te vernietigen en haar kind te verslinden. Dit laatste is Apollo, de zon, want ‘het mannelijke kind dat alle volkeren met een ijzeren staf zou besturen’ uit de Openbaring, is beslist niet de zachtmoedige ‘zoon van God’, Jezus, maar de fysieke zon, ‘die alle volkeren bestuurt’; de draak is de noordpool, die geleidelijk de eerste Lemuriërs verdrijft uit de landen die meer en meer hyperborees werden en ongeschikt om te worden bewoond door degenen die zich snel tot fysieke mensen ontwikkelden, want zij moesten nu rekening houden met de klimaatswisselingen. De draak wil Latona niet toestaan ‘te baren’ – (de zon niet laten verschijnen). ‘Zij wordt uit de hemel verdreven en kan geen plaats vinden waar zij kan baren’, tot Neptunus (de oceaan), bewogen door medelijden, het drijvende eiland Delos (de nimf Asteria, die zich tot dan toe onder de golven van de oceaan voor Jupiter verbergt) tot stilstand brengt, waarop Latona een toevlucht vindt en waar de stralende god Δήλιοϛ wordt geboren, de god die, zodra hij verschijnt, Python doodt, de kou en het ijs van de poolstreek, in de dodelijke omarming van wie alle leven sterft. Met andere woorden, Latona-Lemurië verandert in Niobe-Atlantis, waarover haar zoon Apollo, of de zon, regeert – inderdaad met een ijzeren staf, want Herodotus laat de Atlanten zijn te grote hitte vervloeken. Deze allegorie wordt in haar andere mystieke betekenis (een andere van de zeven sleutels) herhaald in het zojuist geciteerde hoofdstuk van de Openbaring. Latona werd inderdaad een machtige godin, en zag haar zoon in bijna elk heiligdom van de oudheid vereerd (zonneverering). In zijn occulte aspect is Apollo de beschermheer van het getal 7. Hij is geboren op de zevende van de maand en de zwanen van Myorica zwemmen zeven keer rond Delos om die gebeurtenis te bezingen; zijn lier heeft zeven snaren – de zeven stralen van de zon en de zeven krachten van de natuur. Maar dit is alleen zo in de sterrenkundige betekenis, terwijl het bovenstaande zuiver geologisch is.
  16. Men vond deze eilanden ‘bezaaid met fossielen van paarden, schapen, runderen, enz., te midden van reusachtige beenderen van olifanten, mammoets, neushoorns’, enz. Als er in die tijd geen mensen op aarde waren, ‘hoe kwam het dan dat er paarden en schapen werden gevonden in gezelschap van de grote voordiluviaanse dieren’, vraagt een meester in een brief (Esoteric Buddhism, 67). Het antwoord wordt hierboven in de tekst gegeven.
  17. Een goed bewijs dat alle goden, religieuze opvattingen en mythen uit het noorden zijn gekomen, dat ook de bakermat van de fysieke mens was, ligt in verschillende suggestieve woorden die bij de noordelijke stammen ontstonden en er tot op heden in hun oorspronkelijke betekenis van kracht zijn gebleven; maar hoewel er een tijd was waarin alle volkeren ‘één taal’ hadden, hebben deze woorden bij de Grieken en de Latijnen een andere betekenis gekregen. Een van die woorden is Mann, Man, een levend wezen, en Manes, dode mensen. De Lappen noemen hun lijken nog steeds manee (Voyage de Rénard en Laponie I, 184). Mannus is de stamvader van het Germaanse ras; de Manu van de Hindoes, het denkende wezen, van man; de Egyptische Menes; en Minos, de koning van Kreta, na zijn dood rechter van de onderwereld – komen alle van dezelfde wortel of hetzelfde woord.
  18. Zo is bijvoorbeeld Gyges een honderdarmig en vijftighoofdig monster, in het ene geval een halfgod en volgens een andere versie een Lydiër, de opvolger van Candaules, de koning van het land. Hetzelfde treft men aan in het pantheon van India, waar rishi’s en de zonen van Brahmā als stervelingen worden herboren.
  19. De continenten gaan om beurten door vuur en water ten onder: òf door aardbevingen en vulkanische uitbarstingen, òf door verzinken en door grote verplaatsingen van wateren. Onze continenten zullen tengevolge van een ramp van eerstgenoemde soort worden vernietigd. De onophoudelijke aardbevingen van dit en de afgelopen jaren kunnen een waarschuwing zijn.
  20. Denis, de geograaf, deelt ons mee dat de grote zee ten noorden van Azië de ijs- of Saturnische zee werd genoemd (v. 35). Orpheus (v. 1077) en Plinius (Deel IV, c. 16) bevestigen dit door te zeggen dat de reusachtige bewoners ervan er die naam aan gaven. En de Geheime Leer verklaart beide uitspraken door te zeggen dat alle continenten van het noorden naar het zuiden waren gevormd; en dat, terwijl de plotselinge klimaatverandering het ras dat erop was geboren, verkleinde en zijn groei belemmerde, andere omstandigheden verscheidene graden zuidelijker altijd in elke nieuwe mensheid of ras de langste mensen voortbrachten. We zien dit tot op heden. De langste mensen worden nu in de noordelijke landen aangetroffen, terwijl de kleinste de Zuidaziaten, de Hindoes, de Chinezen, de Japanners, enz., zijn. Vergelijk de grote Sikhs en Punjabi’s, de Afghanen, Noren, Russen, Noordduitsers, Schotten en de Engelsen, met de bewoners van Midden-India en de gemiddelde Europeaan op het continent. Daarom zijn ook de reuzen van Atlantis en dus eveneens de titanen van Hesiodus allen noorderlingen.

 


De Geheime Leer 2:865-83

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag