§ 7

Wetenschappelijke en geologische bewijzen

voor het bestaan van verschillende verzonken continenten


   Het is misschien gewenst – voor degenen die de overlevering van een verloren Mioceen Atlantis terugbrengen tot een ‘verouderde mythe’ – een paar wetenschappelijke uitspraken op dit punt te laten volgen. Het is waar dat de wetenschap in het algemeen tegenover dergelijke vraagstukken onverschillig staat. Maar er zijn wetenschappers die bereid zijn te erkennen dat bij geologische problemen een voorzichtig agnosticisme over het verre verleden in elk geval veel filosofischer is dan een a priori ontkenning, of zelfs een haastige generalisatie op basis van onvoldoende gegevens.
   Intussen kunnen we wijzen op twee heel interessante voorbeelden die we onlangs tegenkwamen, als een ‘bevestiging’ van bepaalde passages in de brief van een Meester, gepubliceerd in Esoteric Buddhism. Men zal niet betwijfelen dat deze schrijvers gezag bezitten:

 

Passage uit Esoteric Buddhism, blz. 61.
Passage uit een lezing door W. Pengelly, F.R.S., F.G.S.
No. 1
No. 1
‘Het verzinken van Atlantis (de groep continenten en eilanden) begon tijdens het Eoceen . . . en had zijn hoogtepunt in het Mioceen, eerst in het uiteindelijke verdwijnen van het grootste continent, een gebeurtenis die samenviel met het oprijzen van de Alpen, en vervolgens in het verzinken van het laatste van de mooie eilanden, zoals door Plato beschreven.’
‘Bestond er, zoals sommigen hebben geloofd, een Atlantis – een continent of archipel van grote eilanden die in het gebied van de noordelijke Atlantische Oceaan lagen? Er is in deze hypothese misschien niets onfilosofisch. Want omdat, zoals de geologen zeggen, ‘sinds het begin van het Eoceen de Alpen 4000 en zelfs op sommige plaatsen meer dan 10.000 voet van hun huidige hoogte hebben verkregen’ (Lyell, Principles, 2de druk, blz. 256), kan een na-Miocene daling het hypothetische Atlantis in bijna onpeilbare diepte hebben meegevoerd1.’
No. 2
No. 2
‘Lemurië mag evenmin met het Atlantische continent worden verward als Europa met Amerika. Beide verzonken en verdronken met al hun ‘goden’; toch verstreek er tussen de twee rampen een korte periode van ongeveer 700.000 jaar; Lemurië bloeide en eindigde zijn loopbaan precies in dat korte tijdsbestek vóór het vroege Eoceen, omdat zijn Ras het derde was. De overblijfselen van dat eens grote Ras zijn te zien in enkele van de plathoofdige oorspronkelijke bewoners van uw Australië.’ (Esoteric Buddhism, blz. 55.)
‘Omdat er nog geen bewijs is geleverd, zou het voorbarig zijn te zeggen dat er in het Eoceen geen mensen konden bestaan, vooral omdat kan worden aangetoond dat een mensenras, het laagste dat we kennen, tegelijk bestaat met dat restant van de Eocene flora dat nog op het continent en de eilanden van Australië voortleeft.’ (Passage uit een artikel in Popular Science Review, Deel V, blz. 18, door prof. Seemann, Ph. D., F.L.S., P.A.S.)
   Ook Haeckel, die het bestaan van een voormalig Lemurië volledig aanvaardt, beschouwt de Australiërs als rechtstreekse afstammelingen van de Lemuriërs. ‘Blijvende vormen (van zijn beide Lemurische stammen) leven naar alle waarschijnlijkheid nog voort . . . Papoea’s en Hottentotten . . . Australiërs . . . een deel van de Maleiers.’


   De opvatting van Gerland over een vroegere beschaving, waarvan een deel van deze ontaarde Australiërs de laatste overblijvende vertakking is, geeft veel te denken. Over de religie en de mythologie van de stammen schrijft hij: ‘De bewering dat de Australische beschaving (?) op een hogere trap wijst, wordt nergens duidelijker bewezen dan hier, waar alles klinkt als de wegstervende stem van een vroeger en rijker tijdperk. Het denkbeeld dat de Australiërs geen religie of mythologie hebben, is volstrekt onjuist. Maar deze religie is ongetwijfeld helemaal in verval geraakt.’ (Aangehaald in Schmidt, Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 301-2.) Wat zijn andere bewering betreft, nl. dat de Australiërs een ‘deel van de Maleiers’ zijn (zie zijn etnologische theorieën in Pedigree of Man), vergist Haeckel zich indien hij de Australiërs bij de rest indeelt. De Maleiers en Papoea’s zijn een gemengd ras, voortgekomen uit de vermenging van de lage Atlantische onderrassen met het zevende onderras van het derde Wortelras. Evenals de Hottentotten zijn ze indirect van Lemurisch-Atlantische afkomst. Het is heel suggestief – voor die concrete denkers die een fysiek bewijs voor karma verlangen – dat de laagste mensenrassen nu snel uitsterven; een verschijnsel dat grotendeels is toe te schrijven aan een buitengewone onvruchtbaarheid van de vrouwen, vanaf de tijd dat zij met Europeanen in aanraking kwamen. Er heeft over de hele aarde een decimeringsproces plaats bij die rassen voor wie ‘de tijd voorbij is’ – en wel juist onder die rassen die door de esoterische filosofie worden beschouwd als de afgeleefde vertegenwoordigers van verloren archaïsche volkeren. Het is onjuist te beweren dat het uitsterven van een lager ras onveranderlijk is toe te schrijven aan de wreedheden of misbruiken door kolonisten. Verandering van voedsel, dronkenschap, enz., hebben een grote rol gespeeld; maar degenen die op zulke gegevens afgaan om een volledige verklaring van het probleem te krijgen, hebben geen antwoord op het grote aantal feiten die nu in dichte slagorde staan opgesteld. ‘Niets’, zegt zelfs de materialist Lefèvre, ‘kan hen redden die hun weg hebben afgelegd. . . . Het zou nodig zijn de hun toegemeten cyclus uit te breiden. . . . De volkeren die het meest werden gespaard . . . bewoners van Hawaii of Maori’s, zijn even sterk gedecimeerd als de stammen die door Europese indringers werden uitgemoord of besmet.’ (Philosophy, blz. 508.)
   Dat is waar; maar is het hier bevestigde verschijnsel van de werking van de cyclische wet niet moeilijk langs materialistische weg te verklaren? Waar komen de ‘toegemeten cyclus’ en de wet waarvan hier melding wordt gemaakt, vandaan? Waarom treft deze (karmische) steriliteit bepaalde rassen en roeit deze op hun ‘vastgestelde tijd’ uit? Het antwoord, dat dit is toe te schrijven aan een ‘verstoring in de mentale verhouding’ tussen de koloniserende en de oorspronkelijke rassen, is kennelijk ontwijkend, want dit verklaart niet het plotselinge ‘verlies van vruchtbaarheid’ dat zo vaak optreedt. Het uitsterven van de bewoners van Hawaii bijvoorbeeld is een van de geheimzinnigste problemen van deze tijd. De etnologen zullen vroeg of laat met de occultisten moeten erkennen dat men de ware oplossing moet zoeken in het begrijpen van de werking van karma. Zoals Lefévre opmerkt, ‘nadert de tijd dat er slechts drie grote mensentypen zullen overblijven’ (vóór het zesde Wortelras begint), het blanke (Arische, vijfde Wortelras), het gele, en het Afrikaanse negerras, met hun kruisingen (Atlantisch-Europese vertakkingen). Roodhuiden, Eskimo’s, Papoea’s, Australiërs, Polynesiërs, enz., sterven allen uit. Zij die inzien dat elk Wortelras een gamma van zeven onderrassen doorloopt met zeven vertakkingen, enz., zullen het ‘waarom’ begrijpen. De vloedgolf van incarnerende ego’s is hun voorbijgerold om ervaring op te doen in meer ontwikkelde en minder afgeleefde geslachten; en hun uitsterven is dus een karmische noodzaak. Enkele buitengewone en niet verklaarde statistieken over het uitsterven van rassen worden gegeven door De Quatrefages in Human Species, blz. 428 e.v. Geen enkele oplossing, behalve langs occulte weg, kan deze verklaren.
   Maar we zijn van ons eigenlijke onderwerp afgedwaald. Laten we nu horen wat prof. Huxley heeft te zeggen over vroegere continenten in de Atlantische en Grote Oceaan.
   Hij schrijft in Nature, 4 november 1880: ‘Er is, zover ik weet, niets in het nu beschikbare biologische of geologische bewijsmateriaal dat de hypothese onhoudbaar zou maken, dat een gebied van de zeebedding van de midden-Atlantische of Grote Oceaan, zo groot als Europa, zou zijn opgeheven tot de hoogte van de Mont Blanc en sinds het Paleozoïcum weer zou zijn verzonken, als er enige reden zou zijn om deze hypothese aan te nemen.’
   Dat wil dus zeggen dat er niets is in te brengen tegen de positieve argumenten ten gunste van deze stelling, en dus ook niets tegen de geologische uitgangspunten van de esoterische filosofie. Dr. Seemann verzekert ons in de Popular Science Review (Deel V, blz. 18), in het artikel ‘Australia and Europe formerly one Continent’2:

   ‘De feiten die door plantkundigen zijn verzameld voor de reconstructie van deze verloren kaarten van de aardbol, zijn tamelijk veelomvattend; en zij hebben ook niet nagelaten het vroegere bestaan van grote stukken vasteland te bewijzen in streken die nu door de grote oceanen worden ingenomen. De vele opvallende aanrakingspunten tussen de huidige flora van de Verenigde Staten en van Oost-Azië brachten hen ertoe aan te nemen dat er tijdens de tegenwoordige orde van de dingen, tussen Zuidoost-Azië en West-Amerika een continentale verbinding heeft bestaan. De bijzondere overeenkomst tussen de tegenwoordige flora van het zuiden van de Verenigde Staten en de bruinkoolflora van Europa bracht hen ertoe te geloven dat Europa en Amerika in het Mioceen door een landstrook waren verbonden, waarvan IJsland, Madeira en de andere Atlantische eilanden overblijfselen zijn; dat inderdaad het verhaal van een Atlantis, dat een Egyptische priester aan Solon vertelde, niet slechts een fictie is, maar op een stevige historische basis berust. . . . Het Europa van het Eoceen kreeg de planten die zich over bergen en vlakten, dalen en rivieroevers (meestal uit Azië) verspreidden, niet uitsluitend uit het zuiden of het oosten. Ook het westen droeg ertoe bij, en al waren deze toevoegingen in die periode nogal schaars, zij tonen in ieder geval aan, dat de brug al werd gevormd die in een latere periode de verbinding tussen de twee continenten op zo’n opmerkelijke manier zou vergemakkelijken. In die tijd begonnen enkele planten uit het westelijke continent Europa te bereiken via het eiland Atlantis, dat toen waarschijnlijk juist (?) boven de oceaan uitkwam.’

   In een ander nummer van hetzelfde tijdschrift (Deel I, blz. 143) maakt Duppa Crotch, M.A., F.L.S. in het artikel ‘The Norwegian Lemming and its Migrations’, toespelingen op hetzelfde onderwerp:

   ‘Is het waarschijnlijk dat er land heeft bestaan waar nu de brede Atlantische Oceaan golft? Alle overleveringen zeggen het: oude Egyptische verslagen spreken over Atlantis, zoals Strabo en anderen ons hebben meegedeeld. De Sahara zelf is het zand van een oude zee, en de schelpen die men daar vindt, bewijzen dat er niet langer geleden dan het Mioceen een zee golfde boven wat nu woestijn is. De reis van de ‘Challenger’ heeft het bestaan bewezen van drie lange bergruggen3 in de Atlantische Oceaan4, waarvan er een zich over meer dan drieduizend mijl uitstrekt; zijdelingse uitlopers die deze ruggen verbinden, kunnen een verklaring geven van de wonderbaarlijke overeenkomst van de fauna van de Atlantische eilanden5. . . . Het verzonken continent lemurië in wat nu de Indische Oceaan is, wordt gezien als een oplossing van veel moeilijkheden wat betreft de verspreiding van het organische leven, en ik ben van mening dat men zal ontdekken dat het bestaan van een mioceen atlantis een helder licht zal werpen op onderwerpen van groter belang (inderdaad!) dan de migratie van de lemming. Hoe dan ook, indien kan worden aangetoond dat er in vroegere eeuwen land bestond waar nu de noordelijke Atlantische Oceaan ligt, is er niet alleen een motief gevonden voor deze schijnbaar met zelfmoord gelijkstaande migratie, maar ook een sterk parallel daarmee lopend bewijs dat wat wij instinct noemen, slechts de blinde en soms schadelijke erfenis is van vroeger opgedane ervaringen.’

   (Wij vernemen dat in bepaalde perioden grote aantallen van deze dieren naar de zee zwemmen en omkomen. Ze komen uit alle delen van Noorwegen, en het krachtige instinct dat door de eeuwen heen als een erfenis van hun voorouders in hen voortleeft, drijft hen ertoe een continent te zoeken dat ooit heeft bestaan, maar nu in de oceaan is verzonken, en zo een graf in het water te zoeken.)
   In een artikel dat een kritiek bevat op Island Life van A.R. Wallace – een boek dat grotendeels is gewijd aan de verspreiding van dieren, enz. – schrijft Starkie Gardiner (‘Subsidence and Elevation’, Geological Magazine, juni 1881):

   ‘Met behulp van een redenering die door een grote hoeveelheid feiten van verschillende aard wordt ondersteund, komt hij tot de conclusie dat de verdeling van het leven op het land zoals wij die nu zien, zonder de hulp van belangrijke veranderingen in de onderlinge ligging van continenten en zeeën tot stand is gebracht. Maar als we zijn opvattingen aanvaarden, moeten we geloven dat Azië en Afrika, Madagascar en Afrika, Nieuw-Zeeland en Australië, Europa en Amerika in een tijdperk dat geologisch niet ver weg ligt, verenigd zijn geweest, en dat zeeën met een diepte van 1000 vadem werden overbrugd; maar we moeten de veronderstelling dat de gematigde streken van Europa en Amerika, Australië en Zuid-Amerika ooit anders waren verbonden dan door de noord- en zuidpoolcirkel en dat landen die nu worden gescheiden door zeeën met een diepte van meer dan 1000 vadem, ooit verenigd zijn geweest, behandelen als volledig ongegrond en volkomen in strijd met alle gegevens die ons ter beschikking staan (!!). Men moet erkennen dat Wallace erin is geslaagd de voornaamste kenmerken van de bestaande verdeling van het leven te verklaren, zonder de Atlantische of Grote Oceaan te overbruggen, behalve in de omgeving van de polen, maar toch kan ik mij niet aan de indruk onttrekken, dat sommige feiten misschien gemakkelijker kunnen worden verklaard door het vroegere bestaan te erkennen van een verbinding tussen de kust van Chili en Polynesië6 en tussen Groot-Brittannië en Florida, aangeduid door de onderzeese banken die zich daartussen uitstrekken. Er wordt niets aangevoerd dat de meer rechtstreekse verbinding onmogelijk zou maken, en er wordt geen enkele fysische reden gegeven waarom de oceaanbodem niet uit de diepte kan zijn omhooggekomen. De weg waarlangs (volgens de anti-Atlantische en Lemurische hypothesen van Wallace) de flora’s van Zuid-Amerika en Australië zich zouden hebben vermengd, wordt versperd door bijna onoverkomelijke hindernissen, en het schijnbaar plotseling optreden van een aantal subtropische Amerikaanse planten in onze Eocene flora maakt een verbinding nodig die zuidelijker zou moeten liggen dan de tegenwoordige lijn van 1000 vadem . . . er zijn onophoudelijk krachten werkzaam, en er is geen reden waarom een opheffende kracht die eenmaal in het midden van een oceaan in werking is gesteld, zou ophouden te werken voordat er een continent is gevormd. Ze zijn werkzaam geweest en hebben in betrekkelijk recente geologische tijden de hoogste bergen op aarde uit de zee opgeheven. Wallace zelf erkent herhaaldelijk dat zeebeddingen soms 1000 vadem zijn omhooggekomen en dat er eilanden zijn verrezen uit diepten van 3000 vadem; en de veronderstelling dat de opheffende krachten beperkt zijn, lijkt mij ‘volkomen ongegrond en volstrekt in strijd met alle gegevens die ons ter beschikking staan’.’

   De ‘vader’ van de Engelse geologie – Sir Charles Lyell – was in zijn opvattingen over de vorming van continenten een uniformitariër. Op blz. 492 van zijn Antiquity of Man lezen we:

   ‘Prof. Unger (Die versunkene Insel Atlantis) en Heer (Flora Tertiaria Helvetiae) hebben op grond van botanische overwegingen het vroegere bestaan van een Atlantisch continent tijdens een bepaald deel van het Tertiair erkend, omdat dat de enig denkbare aannemelijke verklaring is van de analogie tussen de Miocene flora van Midden-Europa en de bestaande flora van Oost-Amerika. Prof. Oliver daarentegen toont aan hoeveel van de Amerikaanse typen die als fossiel in Europa worden gevonden, inheems zijn in Japan, en neigt tot de theorie die het eerst door dr. Asa Gray naar voren werd gebracht, dat de migratie van de soorten, waaraan de overeenkomst van typen in de oostelijke staten van Noord-Amerika en de Miocene flora van Europa is toe te schrijven, plaatsvond toen er een verbinding over land was van Amerika naar Midden-Azië tussen de vijftigste en de zestigste breedtegraad, of ten zuiden van de Beringstraat, die de richting van de Aleoeten volgde. Ze kunnen deze weg hebben gevolgd, hetzij in het Mioceen, het Plioceen of het Pleistoceen, vóór de IJstijd, naar het land van de Amoer aan de oostkust van Noord-Azië.’

   De onnodige moeilijkheden en complicaties die men zich hier op de hals haalt om de hypothese van een Atlantisch continent te vermijden, zijn inderdaad te opvallend om aan de aandacht te ontsnappen. Indien er alleen plantkundige bewijzen waren, zou scepsis half gewettigd zijn; maar in dit geval komen alle takken van wetenschap in één punt samen. De wetenschap heeft blunders begaan en zich opengesteld voor grotere dwalingen dan die waaraan de erkenning van onze twee nu onzichtbare continenten haar zou blootstellen. Zij heeft zelfs het onbetwistbare ontkend, vanaf de tijd van de wiskundige Laplace tot onze eigen tijd toe, en dat nog maar een paar jaar geleden7. We kennen de gezaghebbende uitspraak van prof. Huxley, dat mogelijke bewijzen die het geloof ondersteunen, niet a priori onwaarschijnlijk zijn (zie boven). Maar zal die eminente geleerde, nu het positieve bewijs naar voren wordt gebracht, de gevolgtrekking daaruit aanvaarden?
   Sir Charles Lyell zegt op een andere plaats (Principles of Geology, blz. 12-13) over dit probleem: ‘In verband met de kosmogonie van de Egyptische priesters krijgen we veel informatie van schrijvers van de Griekse sekten, die bijna al hun leerstellingen aan Egypte ontleenden, onder andere die van de vroegere opeenvolgende vernietiging en vernieuwing van de wereld. (Continentale, geen kosmische rampen.) Wij vernemen van Plutarchus, dat dit het thema van een van de hymnen van Orpheus was, die zo gevierd was in de legendarische eeuwen van Griekenland. Deze werd door hem van de oevers van de Nijl meegebracht; en we vinden zelfs in zijn verzen, evenals in de Indiase stelsels, een bepaalde periode aangegeven voor de duur van elke opeenvolgende wereld. De terugkeer van grote rampen werd bepaald door de huidige periode van het Magnus Annus of grote jaar – een cyclus bestaande uit de omwentelingen van de zon, de maan en de planeten, die eindigt wanneer deze alle terugkeren tot het teken vanwaar ze, zoals men veronderstelde, in een vervlogen tijdperk waren uitgegaan. We vernemen in het bijzonder uit de Timaeus van Plato, dat de Egyptenaren geloofden dat de wereld was onderworpen aan af en toe optredende grote branden en zondvloeden. De sekte van de Stoïcijnen nam volledig het stelsel aan van rampen die zijn bedoeld om met tussenpozen de wereld te vernietigen. Deze, zo leerden zij, waren van tweeërlei aard – het cataclysme of de vernietiging door water en de ecpyrosis of vernietiging door vuur (onderzeese vulkanen). Aan de Egyptenaren ontleenden zij de leer van de geleidelijke ontaarding van de mens uit een toestand van onschuld (de oorspronkelijke eenvoud van de eerste onderrassen van elk Wortelras). Tegen het einde van elk tijdperk konden de goden de slechtheid van de mens niet langer verdragen, en een schok van de elementen of een zondvloed overweldigde hen (zie het verval tot magische praktijken en grove dierlijkheid van de Atlantiërs); na die ramp daalde Astraea weer op aarde neer om de gouden eeuw te hernieuwen.’ (Dageraad van een nieuw Wortelras.)
   Astraea, de godin van de gerechtigheid, is de laatste van de godheden die de aarde ontrouw wordt wanneer, zoals men zegt, de goden de aarde verlaten om door Jupiter weer in de hemel te worden opgenomen. Maar zodra Ganymedes (het verpersoonlijkte lustobject) door Zeus van de aarde wordt weggevoerd, werpt de vader van de goden Astraea weer op aarde terug, waarbij ze op haar hoofd valt. Astraea is de Maagd, het sterrenbeeld van de Dierenriem. Sterrenkundig heeft dit een heel duidelijke betekenis, die de sleutel tot de occulte bedoeling geeft. Maar het is niet te scheiden van de Leeuw, het teken dat eraan voorafgaat, en van de Pleiaden en hun zusters, de Hyaden, waarvan Aldebaran de schitterende leider is. Deze staan allen in verband met de periodieke hernieuwingen van de aarde wat haar continenten betreft – en zelfs Ganymedes, die in de sterrenkunde de Waterman is. Wij hebben al aangetoond dat, terwijl de zuidpool de afgrond is (de hellegebieden in figuurlijke en kosmologische zin), de noordpool geografisch het eerste continent is; terwijl in sterrenkundige en overdrachtelijke zin de hemelpool, met haar poolster aan de hemel, Meru is, of de zetel van Brahmā, de troon van Jupiter, enz. Want in de tijd waarin de goden ontrouw werden aan de aarde en zoals men zei, naar de hemel opstegen, was de ecliptica evenwijdig met de meridiaan gekomen en scheen een deel van de Dierenriem van de noordpool naar de noordelijke horizon af te dalen. Aldebaran stond toen in conjunctie met de zon, evenals 40.000 jaar geleden, bij het grote feest ter herdenking van dat Magnus Annus, waarover Plutarchus sprak. Sinds dat jaar (40.000 jaar geleden) was er een retrograde beweging van de equator, en ongeveer 31.000 jaar geleden stond Aldebaran in conjunctie met het lentedag-en-nachteveningspunt. De plaats die zelfs in de christelijke mystiek aan de Stier wordt toegekend, is te goed bekend om herhaling nodig te hebben. De beroemde orfische hymne over de grote periodieke ramp onthult de hele esoterie van de gebeurtenis. Pluto (in de afgrond) ontvoert Eurydice, door de (pool)slang gebeten. Dan wordt de Leeuw overwonnen. Wanneer de Leeuw in de afgrond is, of beneden de zuidpool staat, volgt de Maagd hem als het volgende teken, en wanneer haar hoofd tot haar middel onder de zuidelijke horizon staat, is zij omgekeerd. De Hyaden daarentegen zijn de regen- of zondvloedsterrenbeelden; en Aldebaran (hij die de dochters van Atlas, of de Pleiaden volgt) kijkt neer uit het oog van de Stier. Uitgaande van dit punt van de ecliptica werden de berekeningen van de nieuwe cyclus begonnen. De lezer moet ook bedenken dat, wanneer Ganymedes (de Waterman) naar de hemel (of boven de horizon van de noordpool) is gestegen, de Maagd of Astraea, die Venus-Lucifer is, met het hoofd naar beneden afdaalt onder de horizon van de zuidpool of de afgrond; deze afgrond of de pool is ook de Grote Draak of de vloed. Laat de lezer zijn intuïtie gebruiken door deze feiten bij elkaar te voegen; er kan niet méér over worden gezegd.
   ‘Het verband’, licht Lyell toe, ‘tussen de leer van de opeenvolgende rampen en het herhaalde verval van het morele karakter van de mensheid, is nauwer en natuurlijker dan men aanvankelijk zou denken. Want in een onontwikkelde staat van de samenleving beschouwen de mensen alle grote rampen als straffen van God voor de slechtheid van de mens. . . . Zo vinden we ook in het door de Egyptische priesters aan Solon gedane verslag van het verzinken van het eiland Atlantis onder de wateren van de oceaan, na herhaalde aardschokken, dat deze gebeurtenis plaatsvond toen Jupiter de morele ontaarding van de bewoners had gezien.’
   Dat is waar; maar was dat niet het gevolg van het feit dat alle esoterische waarheden door de ingewijden van de tempels in de gedaante van allegorieën aan het publiek werden bekendgemaakt? ‘Jupiter’ is slechts de personificatie van die onveranderlijke cyclische wet, die de neerwaartse tendens van elk Wortelras na het bereiken van het toppunt van zijn roem tot staan brengt8. Tenzij we met prof. John Fiske de sterk dogmatische opvatting9 huldigen, dat elke mythe ‘een verklaring door een onontwikkelde geest is voor een of ander natuurverschijnsel; geen allegorie, geen esoterisch symbool, want men verspilt (!) zijn scherpzinnigheid als men in mythen de overblijfselen probeert te ontdekken van een verfijnde oorspronkelijke wetenschap – maar een verklaring. De oermensen hadden geen diepzinnige wetenschap die door allegorieën in stand moest worden gehouden (hoe weet Fiske dat?), en ze waren ook niet zulke zielige schoolmeesters dat ze in raadselen spraken als hun doel met duidelijke taal kon worden bereikt.’ Wij durven te zeggen dat de taal van de weinige ingewijden veel ‘duidelijker’ was, en hun wetenschappelijke filosofie veel omvattender en bevredigender voor de fysieke en spirituele behoeften van de mens, dan zelfs de terminologie en het stelsel die door de leermeester van Fiske – Herbert Spencer – werden uitgewerkt. Wat is echter Sir Charles Lyells ‘verklaring’ van de ‘mythe’? Het staat vast dat hij op geen enkele manier het denkbeeld van de ‘sterrenkundige’ oorsprong ervan huldigt, zoals sommige schrijvers doen.
   De twee uitleggers zijn het volledig met elkaar oneens. Lyells oplossing is als volgt. Omdat hij bij gebrek (?) aan betrouwbare historische gegevens op dit punt, en ook tengevolge van een sterke neiging tot de uniformitarische opvatting van geologische veranderingen10, niet gelooft in verandering door grote rampen, probeert hij de ‘overlevering’ over Atlantis terug te voeren tot de volgende bronnen:
   (1) Barbaarse stammen brengen rampen in verband met een wrekende god die, zoals zij denken, de immorele rassen zo straft.
   (2) Daarom is het logisch dat elk nieuw ras in het begin deugdzaam is.
   (3) De oorspronkelijke bron van de geologische basis van de overlevering was Azië – een continent dat onderhevig is aan zware aardbevingen. Overdreven verhalen worden zo door de eeuwen heen overgeleverd.
   (4) Egypte, dat zelf vrij was van aardbevingen, baseerde niettemin zijn niet onaanzienlijke geologische kennis op overleveringen van grote aardrampen.
   Een scherpzinnige ‘verklaring’, zoals alle van die aard. Maar bewijzen van een ontkenning is spreekwoordelijk een moeilijke taak. Beoefenaars van de esoterische wetenschap, die weten wat de bronnen van de Egyptische priesters in werkelijkheid waren, hebben zo’n gezochte hypothese niet nodig. Bovendien, terwijl een theoreticus met fantasie altijd in staat is een redelijke oplossing te verschaffen voor problemen, die in één tak van wetenschap de hypothese van periodieke door rampen teweeggebrachte veranderingen aan het oppervlak van onze planeet nodig schijnen te maken, zal de onpartijdige criticus, die geen specialist is, de enorme moeilijkheid inzien van het wegredeneren van het zich opeenhopende bewijsmateriaal – nl. het archeologische, etnologische, geologische, traditionele, botanische en zelfs biologische – ten gunste van het bestaan van vroegere nu verzonken continenten. Wanneer elke wetenschap voor haar eigen zaak vecht, verliest men bijna altijd de gezamenlijke kracht van het totale bewijsmateriaal uit het oog.
   In de Theosophist (augustus 1880) schreven wij: ‘We hebben als bewijzen de oudste overleveringen van verschillende wijdverspreid wonende volkeren – legenden in India, in het oude Griekenland, Madagascar, Sumatra, Java en al de voornaamste eilanden van Polynesië, en ook de legenden van de beide Amerika’s. De wilden en de overleveringen van de rijkste literatuur in de wereld – de Sanskrietliteratuur van India – zijn het erover eens, dat er eeuwen geleden in de Grote Oceaan een groot continent bestond, dat door een geologische ramp door de zee werd verzwolgen11 (Lemurië). En het is onze vaste overtuiging . . . dat de meeste, zo niet alle eilanden van de Maleise archipel tot Polynesië, fragmenten zijn van dat eens enorme verzonken continent. Zowel Malakka als Polynesië, die aan de twee uiteinden van de oceaan liggen en die sinds mensenheugenis nooit enig verkeer met elkaar hadden of konden hebben, of zelfs kennis van elkaars bestaan, hebben toch een overlevering die alle eilanden en eilandjes met elkaar gemeen hebben, dat hun respectievelijke landen zich ver, ver in de zee uitstrekten; dat er in de wereld maar twee reusachtige continenten waren, het ene bewoond door gele, het andere door zwarte mensen; en dat de oceaan op bevel van de goden en om hen te straffen voor hun onophoudelijke getwist, hen verzwolg. Ondanks het geografische bewijs dat Nieuw-Zeeland, de Sandwicheilanden en het Paaseiland op een afstand van 800 tot 1000 zeemijlen van elkaar liggen en dat volgens elk getuigenis, noch deze noch enig ander tussenliggend eiland, bijvoorbeeld de Marquesas, de Genootschapseilanden, Fiji, Tahiti, Samoa en andere eilanden, sinds zij eilanden werden en omdat hun bevolking niets wist van het kompas, verbindingen met elkaar konden onderhouden vóór de komst van de Europeanen, beweren ze toch allemaal dat hun respectieve landen zich aan de Aziatische kant ver naar het westen uitstrekten. Bovendien spreken ze, met heel kleine verschillen, allen dialecten die kennelijk van dezelfde taal zijn; ze hebben weinig moeite om elkaar te verstaan, huldigen dezelfde religieuze opvattingen en bijgeloof en bezitten vrijwel dezelfde gebruiken. En omdat weinig Polynesische eilanden eerder dan een eeuw geleden zijn ontdekt, omdat de Grote Oceaan zelf tot de tijd van Columbus in Europa onbekend was, en omdat deze eilandbewoners nooit hebben opgehouden dezelfde oude overleveringen te herhalen, sinds de Europeanen voor het eerst op hun kusten voet aan wal zetten, schijnt het ons een logische gevolgtrekking dat onze theorie dichter bij de waarheid staat dan enige andere. Het toeval zou zijn naam en betekenis moeten veranderen, als dit alles uitsluitend aan het toeval moest worden toegeschreven.’
   ‘Een lange reeks zoölogisch-geografische feiten’, verklaart professor Schmidt ter verdediging van de hypothese van een vroeger Lemurië, ‘is alleen verklaarbaar door de theorie van het vroegere bestaan van een zuidelijk continent waarvan Australië een overblijfsel is. . . .’ (De verspreiding van de soorten) ‘wijst op het verdwenen land van het zuiden, waar misschien ook het thuis van de voorouders van de maki van Madagascar moet worden gezocht12.
   A.R. Wallace komt in zijn Malay Archipelago na een overzicht van de grote hoeveelheid beschikbaar bewijsmateriaal tot de volgende conclusie: ‘De gevolgtrekking uit deze feiten is ongetwijfeld dat het geheel van de eilanden ten oosten van Borneo en Sumatra in feite deel uitmaakt van een vroeger Australisch of op de plaats van de huidige Grote Oceaan liggend continent. . . . Dit continent moet zijn uiteengevallen voordat het uiterste zuidoostelijke deel van Azië boven de wateren van de oceaan werd opgeheven, want een groot deel van het land van Borneo en Java is zoals bekend een vrij recente geologische formatie.’
   Haeckel zegt hierover: ‘Zuid-Azië zelf was niet de oudste bakermat van de mensheid, maar Lemurië, een continent dat ten zuiden van Azië lag en later onder het oppervlak van de Indische Oceaan verzonk.’ (Pedigree of Man, Eng. vert., blz. 73.) In één opzicht heeft Haeckel gelijk wat Lemurië betreft – de ‘bakermat van de mensheid’. Dat continent was inderdaad het thuis van de eerste fysieke mensheid – de latere mensen van het derde Ras. Vóór die tijd waren de rassen veel minder geconsolideerd en fysiologisch heel anders. (Volgens Haeckel strekte Lemurië zich uit van de Sunda-eilanden tot Afrika en Madagascar en naar het oosten tot Boven-India.)
   Prof. Rütimeyer, de eminente paleontoloog, vraagt: ‘Zal het vermoeden dat de bijna uitsluitend gras- en insectenetende buideldieren, luiaards, gordeldieren, miereneters en struisvogels eens een gemeenschappelijk gebied bezaten op een zuidelijk continent, waarvan de huidige flora van Vuurland en Australië de overblijfselen moeten zijn – zal dit vermoeden moeilijkheden opleveren op een ogenblik, waarop Heer uit hun fossiele overblijfselen de vroegere wouden van Smith Sound en Spitsbergen weer voor onze ogen doet herleven?’ (Geciteerd in Schmidt, Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 237.)
   Nu we ons in het algemeen met de houding van de wetenschap tegenover deze twee problemen hebben beziggehouden, zal het misschien de overzichtelijkheid bevorderen wanneer we de belangrijkste afzonderlijke feiten opsommen die spreken ten gunste van die fundamentele bewering van de esoterische etnologen: de werkelijkheid van Atlantis. Lemurië wordt in zo brede kring aanvaard, dat het niet nodig is verder op dit onderwerp in te gaan. Wat het eerstgenoemde continent betreft, zien we het volgende:
   (1) De Miocene flora van Europa heeft haar talrijkste en treffendste analogieën in de flora van de Verenigde Staten. In de wouden van Virginia en Florida vindt men de magnolia’s, tulpenbomen, groen blijvende eiken, platanen, enz., die stuk voor stuk overeenkomen met de Europese Tertiaire flora. Hoe heeft die migratie plaatsgevonden, wanneer we de theorie van een Atlantisch continent, dat de oceaan tussen Amerika en Europa overbrugde, verwerpen? De geopperde ‘verklaring’ dat de overbrenging plaats had via Azië en de Aleoeten, is slechts een ongemotiveerde theorie, die wordt weerlegd door het feit dat een groot deel van deze flora alleen ten oosten van het Rotsgebergte voorkomt. Hiermee vervalt tevens het denkbeeld van een migratie over de Grote Oceaan. De Aleoeten zijn nu in de verklaring verdrongen door Europese continenten en eilanden in het noorden.
   (2) Schedels die aan de oevers van de Donau en de Rijn zijn opgegraven, vertonen een treffende overeenkomst met die van de Caraïben en de oude Peruanen (Littré). In Midden-Amerika zijn monumenten opgegraven waarop afbeeldingen staan van hoofden en gezichten die onmiskenbaar van negers zijn. Hoe kan men dergelijke feiten anders verklaren dan op grond van de hypothese over het vroegere bestaan van Atlantis? Wat nu Noordwest-Afrika is, was eens met Atlantis verbonden door een netwerk van eilanden, waarvan er nu weinig zijn overgebleven.
   (3) Volgens Farrar (Families of Speech) heeft de ‘geïsoleerde taal’ van de Basken geen verwantschap met de andere talen13 van Europa, maar met ‘de inheemse talen van het grote tegenoverliggende continent (Amerika) en alleen met deze’. Prof. Broca heeft dezelfde opvatting.
   De paleolithische Europese mens van het Mioceen en het Plioceen was een zuivere Atlantiër, zoals we al eerder hebben gezegd. De Basken zijn natuurlijk van veel latere datum dan deze, maar zoals is aangetoond, vormen hun affiniteiten een duidelijk bewijs voor de oorspronkelijke afkomst van hun verre voorvaderen. De ‘geheimzinnige’ verwantschap tussen hun taal en die van de Dravidische rassen van India zal worden begrepen door degenen die onze schets van de continentale formaties en verschuivingen hebben gevolgd.
   (4) Op de Canarische Eilanden zijn stenen gevonden waarop uitgehouwen symbolen staan die overeenkomen met stenen en symbolen die zijn gevonden aan de oevers van het Bovenmeer. Berthollet werd er door dergelijk bewijsmateriaal toe gebracht de eenheid van ras van de eerste mensen op de Canarische Eilanden en in Amerika te veronderstellen (Vgl. Benjamin, The Atlantic Islands, blz. 130).
   De Guanches van de Canarische Eilanden waren lijnrechte afstammelingen van de Atlantiërs. Dit verklaart de grote gestalte van hun oude skeletten, en ook van die van hun Europese stamverwanten, de paleolithische Cro-Magnon mensen.
   (5) Een ervaren zeeman hoeft slechts de peilloze oceaan langs de Canarische Eilanden te bevaren, om zich af te vragen wanneer of hoe die groep vulkanische en rotsachtige eilandjes is gevormd, die aan alle kanten door die uitgestrekte watervlakte wordt omringd. Zulke herhaaldelijk gestelde vragen leidden tenslotte tot de expeditie van de beroemde Leopold von Buch, die in het eerste kwart van deze eeuw plaatsvond. Sommige geologen beweerden dat de vulkanische eilanden rechtstreeks uit de bodem van de oceaan waren opgerezen, waarvan de diepte in de directe nabijheid van het eiland varieert van 6000 tot 18.000 voet. Anderen waren geneigd in deze groepen, waartoe Madeira, de Azoren en de Kaap-Verdische Eilanden behoren, de overblijfselen te zien van een reusachtig maar verzonken continent, dat eens Afrika met Amerika had verbonden. De laatstgenoemde geleerden ondersteunden hun hypothese met een grote hoeveelheid bewijsmateriaal ten gunste ervan, ontleend aan oude ‘mythen’. Oeroud ‘bijgeloof’, zoals het sprookjesachtige Atlantis van Plato, de Tuin van de Hesperiden, Atlas, die de wereld op zijn schouders draagt – mythen, verbonden met de Piek van Tenerife – vond bij de sceptische wetenschap geen gehoor. De volkomen gelijkheid van dier- en plantensoorten – die wijst op een vroegere verbinding tussen Amerika en de resterende eilandengroepen – (de hypothese dat ze door de golven van de Nieuwe naar de Oude Wereld waren meegevoerd, was te absurd om lang stand te houden) – vond ernstiger belangstelling. Maar pas sinds kort, en verscheidene jaren nadat het boek van Donnelly was verschenen, heeft deze theorie betere kansen dan ooit tevoren om als feit te worden erkend. Er is nu bewezen dat fossielen die aan de oostkust van Zuid-Amerika zijn gevonden, tot de Juraformaties behoren en bijna identiek zijn aan de Jurafossielen van West-Europa en Noord-Afrika. De geologische structuur van beide kusten is eveneens bijna identiek; de overeenkomst tussen de kleinere zeedieren die leven in de ondiepe wateren van Zuid-Amerika, de West-Afrikaanse en de Zuid-Europese kust, is ook heel groot. Al dergelijke feiten moeten de natuuronderzoekers wel tot de conclusie brengen, dat er in verre voorhistorische tijden een continent was dat zich uitstrekte van de kust van Venezuela, over de Atlantische Oceaan tot de Canarische Eilanden en Noord-Afrika, en van Newfoundland bijna tot de kust van Frankrijk.
   (6) De grote overeenkomst tussen de Jurafossielen van Zuid-Amerika, Noord-Afrika en West-Europa is een feit dat op zichzelf al treffend genoeg is en geen verklaring toelaat, tenzij de oceaan door een Atlantis wordt overbrugd. Maar waarom is er ook zo’n opvallende gelijkenis tussen de fauna (dierenwereld) van de – nu – geïsoleerde Atlantische eilanden? Waarom leken de exemplaren van de Braziliaanse fauna, die door Sir C. Wyville Thompson werden opgedregd, op die van West-Europa? Waarom bestaat er een gelijkenis tussen veel West-Afrikaanse en West-Indische diergroepen? En verder:

   ‘Wanneer men de dieren en planten van de Oude en de Nieuwe Wereld vergelijkt, moet men wel worden getroffen door hun grote overeenkomst; alle, bijna alle behoren tot dezelfde geslachten, terwijl zelfs veel van de soorten op beide continenten voorkomen . . . een aanwijzing dat ze uit een gemeenschappelijk centrum (Atlantis) zijn gekomen.’ (Westminster Review, jan. 1872.)

   Het paard komt volgens de wetenschap oorspronkelijk uit Amerika. Een groot gedeelte van de eens ‘ontbrekende schakels’ die het verbinden met lagere vormen is althans uit Amerikaanse lagen opgegraven. Hoe is het paard tot Europa en Azië doorgedrongen, als er geen landverbinding was die de oceanen overbrugde? Of, indien men beweert dat het paard zijn oorsprong had in de Nieuwe Wereld, hoe kwamen dan vormen als de hipparion, enz., volgens de migratiehypothese in het begin in Amerika?
   Verder ‘had Buffon . . . over de herhaling van de Afrikaanse in de Amerikaanse fauna opgemerkt, hoe bijvoorbeeld de lama een jongere en zwakke kopie is van de kameel, en hoe de poema van de Nieuwe Wereld de leeuw van de Oude Wereld vertegenwoordigde’ (Schmidt, Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 223).
   (7) Het volgende citaat houdt verband met no. (2), maar het belang ervan is zodanig en de schrijver ervan heeft zoveel gezag, dat het een eigen plaats verdient:

   ‘Over de oorspronkelijke dolichocefalen van Amerika houd ik er een nog meer gedurfde hypothese op na, namelijk dat ze nauw verwant zijn aan de Guanches van de Canarische Eilanden en aan de Atlantische bevolkingen van Afrika, de Moren, Toearegs, Kopten, die Latham samenvat onder de naam Egyptische Atlantidae. Wij vinden een en dezelfde schedelvorm op de Canarische Eilanden, voor de Afrikaanse kust, en op de Caribische eilanden, bij de tegenover Afrika liggende kust. De huidkleur van de volkeren aan beide kanten van de Atlantische Oceaan wordt beschreven als roodbruin.’ (Prof. Retzius, Smithsonian Report, 1859, blz. 266.)

   Als dan de Basken en de Cro-Magnon holbewoners van hetzelfde ras zijn als de Canarische Guanches, volgt daaruit dat de eerstgenoemden ook verwant zijn aan de oorspronkelijke bewoners van Amerika. Dit is de conclusie waartoe de onafhankelijke onderzoekingen van Retzius, Virchow en De Quatrefages noodzakelijk voeren. De Atlantische verwantschap van deze drie typen komt duidelijk naar voren.
   (8) De diepzeepeilingen die door de schepen ‘Challenger’ en ‘Dolphin’ zijn verricht, hebben vastgesteld dat een reusachtige bodemverheffing van ongeveer 3000 mijl lang, die uit de peilloze diepten van de Atlantische Oceaan omhoogsteekt, zich van een punt bij de Britse eilanden naar het zuiden uitstrekt, bij de Kaap-Verdische Eilanden ombuigt en dan in zuidoostelijke richting langs de West-Afrikaanse kust loopt. Deze landrug is gemiddeld 9000 voet hoog en komt bij de Azoren, Ascension en op andere plaatsen boven het water uit. In de diepten van de oceaan in de omgeving van deze landrug zijn de kammen van een vroeger massief stuk land ontdekt (zie de onderzoekingen van het Amerikaanse schip de ‘Dolphin’ en andere). ‘De oneffenheden, de bergen en dalen aan het oppervlak ervan konden nooit zijn ontstaan volgens enige bekende wet voor de afzetting van sediment, en ook niet door onderzeese verheffing van de bodem, maar moeten integendeel het gevolg zijn van krachten die boven de waterspiegel hebben gewerkt.’ (Scientific American, 28 juli 1877.) Het is heel waarschijnlijk dat er vroeger ergens boven de monding van de Amazone landruggen bestonden die Atlantis met Zuid-Amerika verbonden, en met Afrika bij Kaap Verde, terwijl een soortgelijk verbindingspunt met Spanje niet onaannemelijk is, zoals Donnelly beweerde. (Zie zijn kaart, Atlantis, blz. 47, Eng. uitg., 1884, hoewel hij zich met maar een fragment van het werkelijke continent bezighoudt.) Of dit laatste bestond of niet, is van geen belang, want het is een feit dat (het tegenwoordige) Noordwest-Afrika – vóór het verheffen van de Sahara en het doorbreken van de verbinding bij Gibraltar – een uitbreiding van Spanje was. Er kunnen dus over de vraag hoe de migratie van de Europese fauna (enz.) plaatsvond geen moeilijkheden ontstaan.
   Er is nu genoeg gezegd vanuit zuiver wetenschappelijk standpunt, en het is, gelet op de manier waarop het onderwerp nu langs de lijnen van de esoterische kennis is ontwikkeld, niet nodig de massa bewijsmateriaal nog verder uit te breiden. Tot besluit kunnen we de woorden van een van de meest intuïtieve schrijvers van deze tijd aanhalen als een bewonderenswaardige illustratie van de opvattingen van de occultist, die de dageraad van de nieuwe dag geduldig afwacht:

  ‘We zijn pas begonnen het verleden te begrijpen; honderd jaar geleden wist de wereld niets over Pompeï of Herculaneum; niets over de taalverwantschap die de Indo-Europese volkeren verbindt; niets over de betekenis van het grote aantal inscripties op de graven en tempels van Egypte; niets over de betekenis van het spijkerschrift van Babylon; niets over de wonderbaarlijke beschavingen die worden geopenbaard door de overblijfselen van Yucatan, Mexico en Peru. We staan op de drempel. Het wetenschappelijke onderzoek gaat met reusachtige schreden vooruit. Wie weet of over honderd jaar de grote museums van de wereld niet zullen zijn versierd met edelstenen, standbeelden, wapens en gereedschappen uit Atlantis, terwijl de bibliotheken van de wereld vertalingen van Atlantische inscripties zullen bevatten, die een nieuw licht werpen op de oude geschiedenis van de mensheid en op alle grote problemen die nu de denkers voor raadsels zetten14.’

En nu tot besluit.


 

   We hebben ons beziggehouden met de oude geschriften van de volkeren, met de leer van de chronologische en psychische cyclussen, waarvan deze geschriften het tastbare bewijs zijn, en met veel andere onderwerpen, die op het eerste gezicht in dit deel misschien niet op hun plaats schijnen.
   Maar ze waren werkelijk noodzakelijk. Bij het behandelen van de geheime annalen en overleveringen van zoveel volkeren, waarvan zelfs de oorsprong nooit op een sterkere basis heeft gesteund dan op veronderstellingen en gevolgtrekkingen, is het, bij het bekendmaken van de geloofsopvattingen en de filosofie van meer dan voorhistorische rassen, niet zo gemakkelijk om de stof te behandelen als wanneer het alleen zou gaan om de filosofie van een bepaald ras, en de evolutie ervan. De Geheime Leer is het gemeenschappelijke eigendom van de ontelbare miljoenen mensen die in verschillende klimaten zijn geboren, in tijden waarmee de geschiedenis zich niet inlaat, en waaraan de esoterische leringen data toeschrijven die onverenigbaar zijn met de theorieën van de geologie en de antropologie. De geboorte en evolutie van de heilige wetenschap van het verleden verliezen zich in de nacht van de tijd; en zelfs dat wat historisch is – d.w.z. wat hier en daar verspreid over de oude klassieke literatuur wordt aangetroffen – wordt in bijna elk geval door de moderne kritiek toegeschreven aan een gebrek aan waarneming bij de oude schrijvers of aan bijgeloof, voortgekomen uit de onwetendheid van de oudheid. Het is dus onmogelijk dit onderwerp te behandelen zoals men dat zou doen met de gewone evolutie van een kunst of wetenschap van een bekend historisch volk. Alleen door de lezer een overvloed aan bewijzen te leveren, die alle aantonen dat in elke eeuw en onder elke toestand van beschaving en kennis, de ontwikkelde klassen van elk volk zich tot de min of meer getrouwe echo van eenzelfde stelsel en zijn fundamentele overleveringen maakten – kan men hem laten inzien dat zoveel stromen van hetzelfde water een gemeenschappelijke bron moeten hebben gehad, waaruit ze zijn voortgevloeid. Wat was deze bron? Als men zegt dat toekomstige gebeurtenissen hun schaduwen vooruitwerpen, dan kan het niet anders of gebeurtenissen uit het verleden moeten hun indrukken achterlaten. Door die schaduwen van het grijze verleden en hun fantastische silhouetten op het uiterlijke scherm van elke religie en filosofie in het voorbijgaan te onderzoeken en te vergelijken, kunnen we tenslotte het lichaam terugvinden dat ze voortbracht. Er moeten waarheden en feiten zijn te vinden in wat elk volk uit de oudheid aanvaardde en tot grondslag van zijn religie en geloof maakte. Bovendien, zoals Haliburton zei: ‘Hoor één kant en u zult in het duister blijven; hoor beide kanten en alles zal duidelijk zijn.’ Het publiek heeft tot dusver slechts toegang gehad tot één kant en deze gehoord – of beter gezegd de twee eenzijdige opvattingen van twee lijnrecht tegenover elkaar staande klassen van mensen, van wie de oppervlakkige beweringen of premissen ver uiteenlopen, maar van wie de eindconclusies dezelfde zijn – de wetenschap en de theologie. En nu hebben onze lezers een gelegenheid de verdediging van de andere partij – die van de gedaagde – te horen en de aard van onze argumenten te vernemen.
   Indien het publiek aan zijn oude opvattingen werd overgelaten: namelijk enerzijds, dat het occultisme, de magie, de oude legenden, enz., alle het gevolg van onwetendheid en bijgeloof zijn; en anderzijds, dat alles buiten de orthodoxe sleur het werk van de duivel is, wat zou dan het gevolg zijn? Met andere woorden, indien de theosofische en mystieke literatuur de laatste jaren geen gehoor had gekregen, zou dit boek weinig kans hebben gehad op een onpartijdige beoordeling. Men zou het hebben verklaard – en velen zullen het nog verklaren – tot een sprookje, geweven uit diepzinnige problemen, zwevend in en gebaseerd op lucht; opgebouwd uit zeepbellen, die bij de lichtste aanraking van ernstig nadenken uiteenspatten, zonder grondslag, zoals men zou zeggen, om op te staan. Zelfs ‘de oude bijgelovige en lichtgelovige klassieken’ bevatten niets dat er in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen naar verwijst, en de symbolen zelf geven geen enkele aanwijzing voor het bestaan van zo’n stelsel. Dat zou ieders oordeel zijn. Maar wanneer onweerlegbaar wordt bewezen dat de aanspraken van de tegenwoordige Aziatische volkeren op een Geheime Wetenschap en een esoterische geschiedenis van de wereld op feiten berusten; dat deze, hoewel tot dusver onbekend aan de grote massa en zelfs voor de geleerden een versluierd mysterie (omdat ze nooit de sleutel hadden tot een goed begrip van de overvloedige toespelingen door de oude klassieken), toch geen sprookje zijn, maar een werkelijkheid – dan zal dit boek de voorloper worden van veel meer dergelijke boeken. De bewering dat tot dusver zelfs de sleutels die door enkele grote geleerden zijn ontdekt, te roestig bleken om te gebruiken, en dat ze slechts de stille getuigen waren dat er achter de sluier inderdaad mysteriën bestaan die onbereikbaar zijn zonder een nieuwe sleutel – deze bewering wordt door zoveel bewijzen bevestigd, dat ze niet gemakkelijk kan worden afgewezen. Als illustratie kan een voorbeeld worden gegeven uit de geschiedenis van de vrijmetselarij.
   In zijn Franc-maçonnerie Occulte15 verwijt Ragon, een beroemde en geleerde Belgische vrijmetselaar, de Engelse vrijmetselaars terecht of ten onrechte, dat ze de vrijmetselarij, die eens was gebaseerd op de oude mysteriën, hebben verstoffelijkt en onteerd, door tengevolge van een onjuiste opvatting over de oorsprong van de orde, de naam vrij metselarij en vrij metselaars aan te nemen. De fout is toe te schrijven, zegt hij, aan hen die de vrijmetselarij in verband brengen met de bouw van de Tempel van Salomo en haar oorsprong daarvan afleiden. Hij spot met dit denkbeeld en zegt: . . . ‘De Franc-Maçon (wat niet maçon libre, of vrije metselarij is) wist, toen hij deze titel aannam, heel goed dat er geen sprake was van het bouwen van een muur, maar dat het erom ging te worden ingewijd in de oude mysteriën, die verborgen gingen achter de naam Francmaçonnerie (vrijmetselarij); dat zijn werk slechts de voortzetting of de hernieuwing van de oude mysteriën was en dat hij een metselaar moest worden op de manier van Apollo of Amphion. En weten we niet dat de oude ingewijde dichters, wanneer zij spraken over het stichten van een stad, daarmee het vestigen van een leer bedoelden? Zo boden Neptunus, de god van de redeneerkunst, en Apollo, de god van de verborgen dingen, zich als metselaars aan bij Laomedon, de vader van Priamus, om hem te helpen de stad Troje te bouwen, d.w.z. de Trojaanse religie te stichten.’ (Maçonnerie Orthodoxe, blz. 44.)
   Zulke versluierde zinnen met een dubbele betekenis komen bij de oude klassieke schrijvers overvloedig voor. Hadden we daarom geprobeerd aan te tonen, bijv. dat Laomedon de stichter van een tak van de archaïsche mysteriën was, waarin de aan de aarde gebonden stoffelijke ziel (het vierde beginsel) werd verpersoonlijkt in Menelaus’ ontrouwe vrouw (de schone Helena), en als Ragon er niet was geweest om onze bewering te bevestigen, dan had men ons misschien gezegd dat geen enkele klassieke schrijver daarover spreekt en dat volgens Homerus Laomedon een stad en geen esoterische eredienst of mysteriën stichtte! En wie zijn er nu nog overgebleven, afgezien van enkele ingewijden, die de taal en de juiste betekenis van zulke symbolische woorden begrijpen?
   Maar nadat we op veel verkeerd begrepen symbolen hebben gewezen die betrekking hebben op onze these, blijven er nog verschillende moeilijkheden te overwinnen. De belangrijkste van deze hinderpalen is de chronologie. Maar hieraan is nauwelijks iets te doen.
   Ingeklemd tussen de theologische chronologie en die van de geologen, die wordt gesteund door al de materialistische antropologen die aan de mens en de natuur data toekennen die slechts bij hun eigen theorieën passen – wat kon de schrijfster anders doen dan ze heeft gedaan? Want wanneer de theologie de zondvloed plaatst in 2448 v.Chr. en de schepping van de wereld slechts 5890 jaar geleden laat plaatsvinden; en wanneer de nauwkeurige onderzoekingen met de methoden van de exacte wetenschap de geologen en natuurkundigen ertoe hebben gebracht om aan onze bol sinds zijn vastwording een ouderdom toe te schrijven van tussen 10 miljoen en 1000 miljoen jaar16 (inderdaad een onbetekenend verschil!), en de antropologen om van mening te verschillen over het verschijnen van de mens – tussen 25.000 en 500.000 jaar geleden – wat kan iemand die de occulte leer bestudeert dan anders doen dan dapper de esoterische berekeningen aan de wereld voor te leggen?
   Maar om dit te doen, was een bevestiging nodig door ‘historische’ bewijzen, al waren het maar enkele, hoewel iedereen de werkelijke waarde van zogenaamd ‘historisch bewijsmateriaal’ kent. Want of de mens 18.000 of 18.000.000 jaar geleden op aarde is verschenen, kan voor de profane geschiedenis geen verschil maken, want deze begint nauwelijks een paar duizend jaar vóór onze jaartelling en raakt zelfs dan nog hopeloos in conflict met de tegenstrijdige en elkaar tenietdoende opvattingen die haar omringen. Niettemin, gelet op de eerbied voor de exacte wetenschap waarmee de gemiddelde lezer is opgevoed, zou zelfs dat korte verleden zonder betekenis blijven, tenzij de esoterische leringen – waar mogelijk – onmiddellijk werden bevestigd en gesteund door verwijzingen naar historische namen van een zogenaamde historische periode. Dit is de enige gids die men de beginner kan geven, vóór men hem toestaat zich te begeven op de (voor hem) onbekende kronkelpaden van dat duistere labyrint, dat de voorhistorische eeuwen wordt genoemd. Wij hebben in deze noodzaak voorzien. Het is slechts te hopen dat de wens om dit te doen, die de schrijfster ertoe heeft gebracht voortdurend oude en hedendaagse getuigenissen aan te voeren ter bevestiging van het archaïsche en geheel onhistorische verleden, niet ertoe zal leiden dat zij ervan wordt beschuldigd de verschillende en ver uiteenliggende tijdperken van de geschiedenis en de overlevering zonder orde of methode door elkaar te hebben gehaald. Maar de literaire vorm en methode moesten worden opgeofferd aan de grotere duidelijkheid van de algemene uiteenzetting.
   Om de voorgenomen taak te volbrengen, moest de schrijfster haar toevlucht nemen tot het tamelijk ongebruikelijke middel om elk Deel van het boek in drie Afdelingen te verdelen, waarvan alleen de eerste de doorlopende, hoewel heel fragmentarische geschiedenis van de kosmogonie en de evolutie van de mens op deze bol is. Maar deze twee delen moesten dienen als een proloog en moesten de geest van de lezer voorbereiden op de delen die nog zullen volgen. Bij het behandelen van de kosmogonie en daarna van het ontstaan van de mensheid was het noodzakelijk aan te tonen dat geen enkele religie, vanaf de oudste, ooit volledig op fictie was gebaseerd, dat geen enkele het object van een bijzondere openbaring was, en dat alleen het dogma altijd de oorspronkelijke waarheid heeft gedood. En tenslotte, dat geen van mensen afkomstige leer, geen geloof, hoe ook geheiligd door gewoonte en ouderdom, in heiligheid met de religie van de Natuur is te vergelijken. De sleutel van de wijsheid die de massieve poorten opent die leiden naar de geheimen van de binnenste heiligdommen, kan alleen in haar schoot worden gevonden: en die schoot ligt in de landen die door de grote ziener van de vorige eeuw, Emanuel Swedenborg, zijn aangeduid. Daar ligt het hart van de natuur, dat heiligdom waaruit de eerste rassen van de oorspronkelijke mensheid voortkwamen, en dat de bakermat van de fysieke mens is.
   Tot zover de ruwe schets van de geloofsopvattingen en leringen van de archaïsche, oudste rassen, die in hun tot dusver geheime heilige geschriften voorkomen. Maar onze uiteenzettingen zijn volstrekt niet volledig, en ze pretenderen ook niet de volledige tekst te geven, of te zijn gelezen met behulp van meer dan drie of vier sleutels van de zeven van de esoterische interpretatie, en zelfs dit is maar gedeeltelijk gebeurd. Het werk is te gigantisch om door één persoon te worden ondernomen, laat staan te worden voltooid. Onze voornaamste zorg was eenvoudig de bodem voor te bereiden. We vertrouwen dat we dit hebben gedaan. Deze twee delen vormen slechts het werk van een pionier die zich een weg heeft gebaand door de bijna ondoordringbare wildernis van de maagdelijke wouden van het land van het occulte. Er is een begin gemaakt met het vellen en uitroeien van de dodelijke oepasbomen van bijgeloof, vooroordeel en arrogante onwetendheid, opdat deze twee Delen voor de lezer een geschikte inleiding zouden vormen op de Delen III en IV. Zolang het afval van de eeuwen niet uit de geest van de theosofen aan wie deze delen zijn opgedragen, is weggeruimd, is het onmogelijk de meer praktische leringen in het derde deel te begrijpen. Daarom hangt het helemaal af van de ontvangst van de Delen I en II door de theosofen en mystici, of deze laatste twee delen ooit zullen worden gepubliceerd, hoewel ze bijna zijn voltooid.

Satyāt nāsti paro dharmah

ER IS GEEN RELIGIE HOGER DAN DE WAARHEID

EINDE VAN DEEL II

 

Noten:

  1. Nadat we al verschillende voorbeelden van de grillen van de wetenschap hebben gegeven, is het een groot genoegen in dit bijzondere geval een dergelijke overeenstemming te vinden. Gelezen in verband met de (elders geciteerde) wetenschappelijke erkenning van de onwetendheid van de geologen, zelfs over een benadering van de duur van de tijdperken, is de volgende passage heel leerzaam: ‘Wij zijn nog niet in staat bij benadering een datum op te geven voor het laatste tijdvak waarin ons noordelijke halfrond met gletsjers was bedekt. Volgens Wallace ligt dit tijdvak mogelijk zeventigduizend jaar in het verleden, terwijl anderen er een ouderdom van tenminste tweehonderdduizend jaar aan toeschrijven, en nog anderen sterke argumenten naar voren brengen voor de stelling, dat een miljoen jaar nauwelijks genoeg is voor de veranderingen die sinds die gebeurtenis hebben plaatsgevonden’ (Fiske, Cosmic Philosophy, Deel II, blz. 304). Prof. Lefèvre daarentegen geeft als zijn schatting 100.000 jaar. Het is dus duidelijk dat, indien de hedendaagse wetenschap niet in staat is een zo betrekkelijk recent tijdvak als de ijstijd te dateren, zij moeilijk bezwaar kan maken tegen de esoterische chronologie van de rasperioden en geologische tijdperken.
  2. Dit is ongetwijfeld een feit en een bevestiging van de esoterische opvatting van een Lemurië dat oorspronkelijk niet alleen grote gebieden in de Indische en de Grote Oceaan omvatte, maar een uitloper had om Zuid-Afrika heen tot in de noordelijke Atlantische Oceaan. Het Atlantische deel ervan werd later de geologische basis voor het toekomstige thuis van de Atlantiërs van het vierde Ras.
  3. Vgl. de gepubliceerde verslagen van de ‘Challenger’ expeditie, en Donnelly, Atlantis, blz. 468 en blz. 46-56, hfst. ‘The Testimony of the Sea’.
  4. Zelfs de voorzichtige Lefèvre spreekt over het bestaan van Tertiaire mensen op ‘omhooggekomen landen, eilanden en continenten die toen hun bloeitijd beleefden, maar die daarna onder de wateren zijn verzonken’, en hij spreekt elders over een ‘mogelijk Atlantis’ om etnologische feiten te verklaren. Vgl. zijn Philosophy, Eng. ed., blz. 478 en 504. Donnelly merkt met zeldzame intuïtie op, dat ‘de hedendaagse beschaving Atlantisch is . . . het ‘inventievevermogen van de tegenwoordige tijd zet het opgedragen scheppingswerk voort, waar Atlantis dat duizenden jaren geleden achterliet’ (Atlantis, blz. 133). Hij voert ook de oorsprong van de cultuur terug tot het Mioceen. Deze is echter te vinden in de leringen die aan de mensen van het derde Ras door hun goddelijke heersers werden gegeven – in een veel vroeger tijdperk.
  5. Een even ‘merkwaardige’ overeenkomst kan men vaststellen tussen een deel van de West-Indische en de West-Afrikaanse fauna.
  6. Het nu in de Grote Oceaan liggende deel van het reusachtige Lemurische continent werd door dr. Carter Blake, de antropoloog, ‘Pacificus’ gedoopt.
  7. Toen Howard voor de Royal Society van Londen een lezing hield over de eerste serieuze onderzoekingen over de aërolieten, bracht de daar aanwezige natuuronderzoeker Pictet uit Genève bij zijn terugkeer in Parijs de meegedeelde feiten over aan de Franse Academie van Wetenschappen. Maar hij werd onmiddellijk in de rede gevallen door Laplace, de grote sterrenkundige, die riep: ‘Houd op! we hebben genoeg van zulke fabels gehoord en we weten er alles van’, waarop Pictet zich heel klein voelde. Bolvormige bliksem werd pas door de wetenschap erkend nadat Arago het bestaan ervan aantoonde. De Rochat zegt (Forces non-définies, blz. 4): ‘Iedereen herinnert zich de rampzalige uitspraak van dr. Bouilland aan de Academie van de Geneeskunde, toen hij verklaarde dat de fonograaf van Edison ‘een buiksprekerstruc’ was!’
  8. De cyclische wet van de ras-evolutie is de wetenschappers heel onwelkom. Het is voldoende het feit van de ‘oorspronkelijke beschaving’ te noemen om de woede van de darwinisten op te wekken; want het is duidelijk dat, hoe verder de beschaving en de wetenschap naar het verleden worden teruggeschoven, hoe hachelijker de basis voor de aap-vooroudertheorie wordt. Maar zoals Jacolliot zegt: ‘Wat er ook waar is van deze overleveringen (verzonken continenten, enz.) en wat ook de plaats is geweest waar een beschaving werd ontwikkeld die ouder was dan die van Rome, van Griekenland, van Egypte en van India, het staat vast dat deze beschaving inderdaad bestond, en het is heel belangrijk dat de wetenschap de sporen ervan terugvindt, hoe zwak en vluchtig die ook zijn.’ (Histoire des Vierges; les peuples et les continents disparus, blz. 15.) Donnelly heeft het feit bewezen uit heel duidelijke vooronderstellingen, maar de evolutionisten willen niet luisteren. Een Miocene beschaving werpt de ‘universele steentijd’theorie omver, en die van een ononderbroken opklimming van de mens uit het dierlijke! En toch is tenminste Egypte met de gangbare hypothesen in tegenspraak. Er is daar geen steentijd te vinden, maar hoe verder men teruggaat, des te roemrijker is de beschaving die men waarneemt. (Verb. Sap.)
  9. Myths and Myth-makers, blz. 21.
  10. In de annalen van de meeste – zo niet alle – volkeren zijn hevige maar relatief kleine rampen en reusachtige aardbevingen opgetekend. Het opheffen en dalen van continenten gaat steeds voort. De hele kust van Zuid-Amerika is 10 tot 15 voet opgeheven en in een uur weer gedaald. Huxley heeft aangetoond dat de Britse eilanden vier keer onder de oceaan zijn gezakt en vervolgens weer zijn omhooggekomen en opnieuw bevolkt. De Alpen, de Himalaja en de Cordilleras waren alle het gevolg van bezinksels die zich op de zeebodem hadden afgezet en die door titanische kracht tot hun huidige hoogte werden opgeheven. De Sahara was het bekken van een Miocene zee. Binnen de laatste vijf- of zesduizend jaar zijn de kusten van Zweden, Denemarken en Noorwegen tussen de 200 en 600 voet opgerezen; in Schotland zijn er opgeheven kusten met uitstekende rotsen en klippen, die hoger liggen dan de stranden die nu door hongerige golven worden geërodeerd. Het noorden van Europa stijgt nog steeds op uit de zee, en Zuid-Amerika laat het verschijnsel zien van opgeheven stranden van meer dan 1000 mijl lang, die nu 100 tot 1300 voet boven het zeeniveau liggen. Anderzijds is de kust van Groenland zo snel aan het dalen, dat de Groenlander niet aan de kust wil bouwen. Al deze verschijnselen staan vast. Waarom kan een geleidelijke verandering dan niet in lang verstreken tijdperken hebben plaatsgemaakt voor een hevige ramp? – want zulke rampen vinden zelfs nu op kleinere schaal plaats (bijv. het geval van het Sunda eiland met 80.000 Maleiers).
  11. Zie voor de opvattingen van Jacolliot, na zijn lange reizen langs de Polynesische eilanden en zijn bewijzen van een vroegere grote geologische ramp in de Grote Oceaan, zijn Histoire des Vierges: Peuples et Continents Disparus, blz. 308.
  12. Doctrine of Descent and Darwinism, blz. 236. (Vgl. ook zijn uitvoerige argumentatie over dit onderwerp, blz. 231-7.)
  13. Voor verdere feiten over de isolatie van de Basken in Europa en hun etnologische relaties, zie Joly, Man before Metals, blz. 316. B. Davis is op grond van een onderzoek van de schedels van de Guanches van de Canarische Eilanden en de hedendaagse Basken geneigd te erkennen dat beide tot één ras behoren, dat thuishoort op die oude eilanden, waarvan de Canarische Eilanden de overblijfselen zijn!! Dit is inderdaad een stap vooruit. Ook De Quatrefages en Hamy beschouwen beiden de Cro-Magnon mensen van Zuid-Frankrijk en de Guanches als één type – een stelling die tot een bepaalde conclusie leidt, die deze schrijvers misschien niet graag voor hun rekening nemen.
  14. Donelly, Atlantis; the Ante-Diluvian World, blz. 480.
  15. Noot vert. Elders in dit boek wordt deze titel gegeven als ‘Maçonnerie Occulte’.
  16. Zie Sir W. Thomson en Huxley.

 


De Geheime Leer 2:884-907

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag