Noach was een kabir, dus moet hij een demon zijn geweest


   Het doet er weinig toe of Isis of Ceres – de ‘kabiria’ – of de kabiren de mensen de landbouw hebben geleerd; maar het is van veel belang te voorkomen dat fanatici alle feiten in de geschiedenis en de legende monopoliseren, en hun verdraaiingen van de waarheid, de geschiedenis en de legende aan één mens toeschrijven. Òf Noach is evenals de anderen een mythe, òf hij is iemand van wie de legende was gebaseerd op de kabirische of titanische overlevering, zoals die in Samothrake werd onderwezen; noch de jood, noch de christen heeft daarom het recht hem te monopoliseren. Als, zoals Faber ten koste van veel studie en onderzoek probeerde aan te tonen, Noach een Atlantiër en een titan is, en zijn gezin de kabiren of vrome titanen, enz. zijn – dan valt de bijbelse chronologie door haar eigen gewicht in elkaar, en daarmee ook alle aartsvaders – de voordiluviaanse en vóór-Atlantische titanen. Zoals nu is ontdekt en bewezen, is Kaïn Mars, de god van kracht en voortplanting, en van het eerste (seksuele) bloedvergieten1. Tubal-Kaïn is een kabir, ‘een leermeester van elke bewerker van koper en ijzer’; of – als men hieraan de voorkeur geeft – hij is één met Hephaistos of Vulcanus; Jabal is ontleend aan de kabiren – leermeesters in de landbouw, ‘diegenen die vee hebben’, en Jubal is ‘de vader van allen die de harp bespelen’, hij of zij die de harp voor Kronos maakten, en de drietand voor Poseidon2.
   De geschiedenis of de ‘fabels’ over de geheimzinnige Telchinen – fabels die alle een echo zijn van de archaïsche gebeurtenissen van onze esoterische leringen – verschaffen ons een sleutel tot de oorsprong van de stamboom van Kaïn (Genesis, hfst. iii); zij geven de reden waarom de rooms-katholieke kerk ‘het vervloekte bloed’ van Kaïn en Cham vereenzelvigt met tovenarij en het verantwoordelijk stelt voor de zondvloed. Waren niet de Telchinen – zo redeneert men – de geheimzinnige ijzerbewerkers van Rhodos; degenen die de eersten waren om beelden voor de goden op te richten, ze van wapens te voorzien en de mensen magische kunsten te leren? En werden zij niet op bevel van Zeus door een zondvloed vernietigd, zoals de Kaïnieten op last van Jehova?
   De Telchinen zijn eenvoudig de kabiren en de titanen in een andere vorm. Ze zijn ook de Atlantiërs. ‘Evenals Lemnos en Samothrake’, zegt Decharme, ‘is Rhodos, de geboorteplaats van de Telchinen, een eiland van vulkanische oorsprong’. (Genii of Fire, blz. 271.) De overleveringen zeggen dat het eiland Rhodos plotseling uit de zeeën tevoorschijn kwam, nadat het eerder door de oceaan was verzwolgen. Evenals Samothrake (van de kabiren) is het in de herinnering van de mensen verbonden met de legenden over de zondvloed. Omdat echter over dit onderwerp genoeg is gezegd, kunnen wij het nu laten rusten.
   Maar we kunnen hieraan een paar woorden toevoegen over Noach, de joodse vertegenwoordiger van bijna elke heidense god in een of andere gedaante. De zangen van Homerus bevatten in dichterlijke vorm al de latere fabels over de aartsvaders, die allen siderische, kosmische en numerieke symbolen en tekens zijn. De poging om de twee stambomen – die van Seth en van Kaïn3 – van elkaar te scheiden, en ook de even vruchteloze poging hen voor te stellen als werkelijke historische mensen, heeft alleen maar geleid tot nog serieuzer onderzoek naar de geschiedenis van het verleden, en tot ontdekkingen die de veronderstelde openbaring voor altijd hebben geschaad. Toen bijvoorbeeld de identiteit van Noach en Melchizedek was vastgesteld, was eveneens de identiteit van Melchizedek, of vader Sadik, met Kronos-Saturnus bewezen.
   Dat dit zo is, kan gemakkelijk worden aangetoond. Het wordt door geen enkele christelijke schrijver ontkend. Bryant (zie ‘Analysis of Ancient Mythology’, Deel II, blz. 760) is het eens met al diegenen die van mening zijn dat Sydic of Sadic de aartsvader Noach (en ook Melchizedek) was; en dat de naam waarmee hij wordt aangeduid, Sadic, overeenkomt met het karakter dat hem in Genesis, hfst. vi, 9, wordt gegeven. ‘Hij was צדיק, Sadic, een RECHTVAARDIG man en volmaakt in zijn geslacht. Alle wetenschappen en nuttige kunsten werden aan hem toegeschreven en door zijn zonen overgedragen aan het nageslacht.’ (Zie Abraham Rees, F.R.S., New Encyclopaedia.)
   Nu heeft Sanchoniathon de wereld meegedeeld dat de kabiren de zonen van Sydic of Zedek (Melchizedek) waren. Wel zou deze informatie, omdat zij via Eusebius (Praeparatio Evangelica) tot ons is gekomen, met enige achterdocht kunnen worden bezien, omdat het meer dan waarschijnlijk is dat hij de boeken van Sanchoniathon op dezelfde manier heeft behandeld als de synchronistische tabellen van Manetho. Maar laten we ervan uitgaan dat de identificatie van Sydic, Kronos of Saturnus met Noach en Melchizedek, op een van de vrome hypothesen van Eusebius is gebaseerd. Laten we haar als zodanig aanvaarden, samen met de omschrijving van Noach als een rechtvaardig man, en zijn veronderstelde dubbelganger, de geheimzinnige Melchizedek, koning van Salem en priester van de allerhoogste god, naar ‘zijn eigen ordening’ (zie Hebreeën, hfst. v, 6 en vii, 1 e.v.); en laten wij tenslotte, na te hebben gezien wat zij uit een geestelijk, sterrenkundig, psychisch en kosmisch oogpunt waren, nu nagaan wat zij volgens de rabbi’s en de KABBALA werden.
   Als hij over Adam, Kaïn, Mars, enz. als personificaties spreekt, verkondigt de schrijver van ‘The Source of Measures’ in zijn kabbalistische onderzoekingen onze eigen esoterische leringen. Zo zegt hij:

   ‘Nu was Mars de heer van geboorte en van dood, van voortbrenging en van vernietiging, van ploegen, van bouwen, van beeldhouwen of steenhouwen, van bouwkunst . . . kortom van alle . . . KUNSTEN. Hij was het oorspronkelijke beginsel dat zich splitste in twee tegengestelden voor de voortbrenging. Ook4 in de sterrenkunde nam hij de geboorteplaats van de dag en het jaar in, de plaats van het toenemen van zijn kracht, Aries, en eveneens de plaats van zijn dood, Scorpio. Hij was heer van het huis van Venus en van dat van de Schorpioen. Als geboorte was hij het goede; als de dood het kwade. Als het goede was hij het licht, als het kwade was hij de nacht. Als het goede was hij de man; als het kwade, de vrouw. Hij stond op de kardinale punten, en als Kaïn of Vulcanus5, of pater Sadic of Melchizedek was hij de heer van de ecliptica of van het evenwicht of de lijn van de vereffening, en daarom was hij de RECHTVAARDIGE. De Ouden namen aan dat er zeven planeten of grote goden waren die voortkwamen uit acht, en pater Sadic, de rechtvaardige of rechtschapene, was heer van de achtste, die Mater Terra was.’ (‘Source of Measures’, blz. 186.)

   Dit maakt hun functies na hun degradatie duidelijk genoeg en stelt hun identiteit vast.
   Nu is aangetoond dat de zondvloed van Noach, zoals deze naar de dode letter en binnen het tijdperk van de bijbelse chronologie wordt omschreven, nooit heeft bestaan, moet de vrome maar heel willekeurige veronderstelling van bisschop Cumberland die zondvloed maar naar het land van de verbeelding volgen. Het lijkt voor een onpartijdige waarnemer inderdaad nogal fantastisch om te vernemen dat er ‘twee verschillende rassen van kabiren’ waren, waarvan het eerste bestaat uit Cham en Mizraïm, van wie hij denkt dat zij Jupiter en Dionysus van Mnaseas zijn, en waarvan het tweede, ‘uit de kinderen van Shem, de kabiren van Sochoniston zijn, terwijl hun vader Sydyk dus de Shem uit de Schrift is’. (Append. de Cabiris, ap. Orig. gent. blz. 364, 376, en de laatstgenoemde uitspraak op blz. 357.)
   De kabirim, ‘de machtigen’, zijn gelijk aan onze oorspronkelijke Dhyan-Chohans, aan de lichamelijke en onlichamelijke pitri’s en aan alle heersers en leermeesters van de oorspronkelijke rassen, die worden aangeduid als de goden en koningen van de goddelijke dynastieën.

 

Noten:

  1. Zoals hij ook Vulcanus of Vul-kaïn is, de grootste god bij de latere Egyptenaren, en de grootste kabir. De god van de tijd was Chium in Egypte, of Saturnus of Seth, en Chium is dezelfde als Kaïn.
  2. Zie Strabo, die ze met de cyclopen vergelijkt – XIV, blz. 653 e.v. (Callim in Del., 31; Stat. Silo. IV, 6, 47; enz.)
  3. Niets kon onhandiger en kinderachtiger zijn, zeggen wij, dan deze vruchteloze poging de stambomen van Kaïn en van Seth van elkaar los te koppelen, of de identiteit van de namen onder een verschillende spelling te verbergen. Zo heeft Kaïn een zoon HENOCH en ook Seth heeft een zoon HENOCH (Enos, Ch’anoch, Hanoch – men kan doen wat men wil met Hebreeuwse namen zonder klinkers). In de lijn van Kaïn verwekt Henoch IRAD, Irad MEHUJAEL, de laatste METHUSAEL, en Methusael Lamech. In de lijn van Seth verwekt Henoch Kenan, en deze MAHALEEL (een variatie op Mehujael), die JARAD (of Irad) verwekt; Jarad verwekt HENOCH (nummer 3), die Methuselah voortbrengt (van Methusael), en Lamech besluit de lijst. Ze zijn allen (kabbalistische) symbolen van zonne- en maanjaren, van sterrenkundige perioden en van fysiologische (fallische) functies, evenals in ieder ander heidens symbolisch geloof. Dit is door een aantal schrijvers bewezen.
  4. De aeolische naam van Mars was Ἄρευϛ, en het Griekse Ares, Ἄρηϛ, is een naam, met de etymologische betekenis waarvan filologen en indologen, Grieks- en Sanskrietkenners zich tot op heden vergeefs hebben beziggehouden. Max Müller verbindt beide namen Mars en Ares vreemd genoeg met de Sanskrietwortel mar, waarvan hij ze afleidt en waarvan volgens hem de naam maruts (de stormgoden) komt. Welcker geeft echter een betere etymologie (zie Griech. Götterlehre, I, 415). Hoe het ook zij, etymologieën van wortels en woorden alleen zullen nooit de volledige esoterische betekenis opleveren, hoewel zij tot nuttige gissingen kunnen leiden.
  5. Dezelfde schrijver zegt: ‘De naam Vulcain zelf komt in de tekst voor; want in de eerste woorden (Genesis, iv, 5) vindt men V’elcain of V’ulcain, overeenkomstig de verdiepte u-klank van de letter vau. Buiten zijn onmiddellijke context kan men deze lezen als ‘en de god Kaïn’, of Vulcain. Als er echter een verdere bevestiging nodig is van het Kaïn-Vulcain denkbeeld, dan zegt Fuerst: ‘קין, Kaïn, de ijzeren punt van een lans, een smid (grofsmid), uitvinder van scherpe ijzeren werktuigen en smeedwerk’ (blz. 278).

De Geheime Leer 2:440-3

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag