STANZA 11


HET BEGIN VAN BEWUST LEVEN

§ (1) De lha of geest van de aarde. (2) Het aanroepen van de zon door de aarde. (3) Wat de zon antwoordt. (4) De transformatie van de aarde.


      1. DE LHA (a) DIE DE VIERDE BOL (bol, of onze aarde) LAAT DRAAIEN, IS ONDERGESCHIKT AAN DE LHA ('S) VAN DE ZEVEN (de planeetgeesten) (b), ZIJ DIE RONDDRAAIEN EN HUN WAGENS LATEN RIJDEN OM HUN HEER, HET ENE OOG (Loka-Chakshub) VAN ONZE WERELD. ZIJN ADEM GAF LEVEN AAN DE ZEVEN (gaf licht aan de planeten). HIJ GAF LEVEN AAN DE EERSTE (c). 'HET ZIJN ALLE DRAKEN VAN WIJSHEID', voegt de Toelichting eraan toe (d).

     (a) Lha is in de gebieden aan de andere kant van de Himalaja het oude woord voor ‘geest’, voor elk hemels of bovenmenselijk wezen, en het omvat de hele reeks van hemelse hiërarchieën, van een Aartsengel of Dhyani tot een engel van duisternis of aardgeest.

     (b) Deze uitdrukking laat in duidelijke taal zien dat de beschermgeest van onze bol, die de vierde is in de keten, ondergeschikt is aan de opperste geest (of god) van de zeven planeetgenii of -geesten. Zoals al is uiteengezet, hadden de Ouden in hun lange lijst van goden zeven opperste mysteriegoden, van wie de hoofdgod exoterisch de zichtbare zon of de achtste was, en esoterisch de tweede logos, de Demiurg. De zeven (die nu in de christelijke religie de ‘zeven ogen van de Heer’ zijn geworden) waren de bestuurders van de zeven hoofdplaneten; maar deze waren niet geteld op de manier die later was bedacht door mensen die de werkelijke mysteriën waren vergeten of deze onvoldoende hadden begrepen, en ze omvatten noch de zon, noch de maan of de aarde. De zon was exoterisch het hoofd van de twaalf grote goden of de sterrenbeelden van de Dierenriem; en esoterisch de messias, de Christos (die is gezalfd door de GROTE ADEM of de ENE), omringd door zijn twaalf ondergeschikte machten, die op hun beurt ondergeschikt zijn aan elk van de zeven ‘mysterie-goden’ van de planeten.
     ‘De zeven hogeren laten de zeven Lha’s de wereld scheppen’, zegt een toelichting; dit betekent dat onze aarde – als we de rest buiten beschouwing laten – werd geschapen of gevormd door aardgeesten, terwijl de ‘bestuurders’ eenvoudig toezicht uitoefenden. Dit is de eerste kiem, het zaad dat later uitgroeide tot de Boom van de astrologie en de astrolatrie. De hogeren waren de kosmokratores, de bouwers van ons zonnestelsel. Dit wordt bevestigd door alle oude kosmogonieën: die van Hermes, van de Chaldeeën, van de Ariërs, van de Egyptenaren en zelfs van de Joden. De gordel van de hemel, de tekens van de Dierenriem (de heilige dieren), zijn evengoed de Bne’ Alhim (zonen van de goden of van de Elohim) als de aardgeesten, maar zij gaan aan deze vooraf. Soma en Sin, Isis en Diana, zijn allen maangoden of -godinnen, en worden de vaders en moeders van onze aarde genoemd, die aan hen ondergeschikt is. Maar deze zijn op hun beurt ondergeschikt aan hun ‘vaders’ en ‘moeders’ – de laatste wisselen en variëren met elk volk – de goden en hun planeten, zoals Jupiter, Saturnus, Bel, Brihaspati, enz.

     (c) ‘Zijn adem gaf leven aan de zeven’ heeft evengoed betrekking op de zon, die leven geeft aan de planeten, als op de ‘hoge’, de geestelijke zon, die leven geeft aan de hele Kosmos. De astronomische en astrologische sleutels die de poort kunnen openen die toegang geeft tot de mysteriën van de theogonie, kunnen slechts worden gevonden in de latere commentaren die bij de stanza’s zijn gevoegd.
     In de apocalyptische sloka’s van de archaïsche verslagen is de taal even symbolisch als in de Purana’s, hoewel minder mythisch. Zonder de hulp van de latere toelichtingen, verzameld door generaties van adepten, zou het onmogelijk zijn de betekenis goed te begrijpen. In de oude kosmogonieën zijn de zichtbare en de onzichtbare werelden de dubbele schakels van één en dezelfde keten. Zoals de onzichtbare logos, met zijn zeven hiërarchieën (elk door haar voornaamste engel of heerser vertegenwoordigd of verpersoonlijkt) één MACHT vormen, de innerlijke en de onzichtbare, zo zijn de zon en de zeven hoofdplaneten in de wereld van de vormen de zichtbare en actieve kracht; de laatste ‘hiërarchie’ is om zo te zeggen de zichtbare en objectieve logos van de onzichtbare en (behalve in de laagste graden) altijd subjectieve engelen.
     Dus – om met dit voorbeeld enigszins op de toelichting vooruit te lopen – is ieder Ras, zoals men zegt, tijdens zijn evolutie geboren onder de rechtstreekse invloed van een van de planeten. Het eerste Ras ontving zijn levensadem van de zon, zoals we later zullen zien; terwijl de derde mensheid – degenen die zich gingen voortplanten, of van androgynen afzonderlijke wezens werden, het ene mannelijk en het andere vrouwelijk – zoals men zegt onder de rechtstreekse invloed staat van Venus, ‘de kleine zon waarin de zonnebol zijn licht opslaat’.
     De opsomming van de stanza’s in Deel I liet zien dat de genesis2 van goden en mensen voortkwam uit een en hetzelfde punt, dat de ene universele, onveranderlijke, eeuwige en absolute EENHEID is. In zijn eerste gemanifesteerde aspect hebben wij het zien worden: (1) in de sfeer van objectiviteit en fysica, de oorspronkelijke substantie en kracht (middelpuntzoekend en middelpuntvliedend, positief en negatief, mannelijk en vrouwelijk, enz.); (2) in de wereld van de metafysica, de GEEST VAN HET HEELAL of kosmische verbeeldingskracht, door sommigen de LOGOS genoemd.
     Deze LOGOS is de top van de driehoek van Pythagoras. Wanneer de driehoek volledig is, wordt hij de Tetraktis, of de driehoek in het vierkant, en wordt het tweevoudige symbool van het vierletterige tetragrammaton in de gemanifesteerde Kosmos, en van zijn fundamentele drievoudige STRAAL in het niet-gemanifesteerde, of zijn noumenon.
     Meer metafysisch uitgedrukt, wordt de hier genoemde classificatie van kosmische grondbeginselen meer voor het gemak gegeven dan wegens haar absolute filosofische nauwkeurigheid. Bij het begin van een groot manvantara manifesteert Parabrahm zich als Mulaprakriti en vervolgens als de logos. Deze logos is gelijkwaardig aan het ‘onbewuste universele denkvermogen’, enz. van de westerse pantheïsten. Hij vormt de basis van de SUBJECT-kant van het gemanifesteerde Zijn, en is de bron van alle manifestaties van individueel bewustzijn. Mulaprakriti of oorspronkelijke kosmische substantie is de grondslag van de OBJECT-kant van de dingen – de basis van alle objectieve evolutie en van het ontstaan van de Kosmos. Kracht komt dus niet met de oorspronkelijke substantie uit de verborgenheid van Parabrahm te voorschijn. Zij is de omzetting in energie van de boven-bewuste gedachte van de logos, om zo te zeggen uit de potentiële verborgenheid in de ene Werkelijkheid gegoten in de objectivering van de logos. Hieraan ontspringen de wonderbaarlijke wetten van de stof: van hier komt ook de ‘eerste indruk’ die door bisschop Temple met zo weinig resultaat is besproken. Kracht komt dus niet gelijktijdig met de eerste objectivering van Mulaprakriti. Maar omdat dit laatste zonder kracht noodzakelijk volkomen inert is – een zuivere abstractie – is het niet nodig een al te fijn spinneweb van subtiliteiten te weven betreffende de volgorde van de kosmische grondbeginselen. Kracht volgt op Mulaprakriti; maar zonder kracht is Mulaprakriti in elk opzicht niet-bestaand3.
      De ‘hemelse mens’ (tetragrammaton) die de protogonos is, tikkoun, de eerstgeborene uit de passieve godheid en de eerste manifestatie van de schaduw van die godheid, is de universele vorm en idee, die de gemanifesteerde logos, Adam Kadmon, voortbrengt, of in de Kabbala het vierletterige symbool van het Heelal zelf, ook de tweede logos genoemd. De tweede komt voort uit de eerste en ontwikkelt de derde driehoek (zie de sephirothboom); en uit de laatste (de lagere menigte van engelen) worden MENSEN voortgebracht. Dit derde aspect zullen wij nu behandelen.
     De lezer moet voor ogen houden dat er een groot verschil bestaat tussen de LOGOS en de Demiurgos, want de ene is geest en de andere is ziel; of zoals dr. Wilder het formuleert: ‘Dianoia en logos zijn synoniem, nous staat hoger en is nauw verwant met Τὸ ἀγαθόν, want de ene is het hogere bevatten, de andere is het begrijpen – de ene betreft het abstracte kennen, de andere is verstandelijk.’
     Bovendien werd de mens in verschillende stelsels als de derde logos beschouwd. De esoterische betekenis van het woord logos (spraak of woord, verbum) is het weergeven van de verborgen gedachte in een objectieve uitdrukking, zoals in een foto. De logos is de spiegel die het GODDELIJKE DENKVERMOGEN weerkaatst, en het Heelal is de spiegel van de logos, hoewel de laatste het zijn van dat Heelal is. Zoals de logos alles in het Heelal van Pleroma weerkaatst, zo weerkaatst de mens in zichzelf alles wat hij ziet en vindt in zijn Heelal, de aarde. Het zijn de drie hoofden van de Kabbala: ‘Unum intra alterum, et alterum supra alterum’ (Zohar, Idra Suta, sec. VII). ‘Elk Heelal (wereld of planeet) heeft zijn eigen logos’, zegt de leer. De zon werd door de Egyptenaren altijd ‘het oog van Osiris’ genoemd, en was zelf de logos, de eerstgeborene, of het aan de wereld gemanifesteerde licht, ‘dat het denkvermogen en het goddelijke intellect van het verborgene is’. Alleen door de zevenvoudige straal van dit licht kunnen wij ons bewust worden van de logos door middel van de demiurg, door deze laatste te beschouwen als de schepper van onze planeet en van alles wat daartoe behoort, en de eerstgenoemde als de leidende kracht van die ‘schepper’ – tegelijk goed en kwaad, de oorsprong van het goede en de oorsprong van het kwade. Deze ‘schepper’ is op zichzelf goed noch kwaad, maar zijn gedifferentieerde aspecten in de natuur maken dat hij het ene of het andere karakter aanneemt. Met de door de ruimte verspreide onzichtbare en onbekende Heelallen had geen van de zonnegoden iets te maken. Het denkbeeld wordt heel duidelijk tot uitdrukking gebracht in de ‘Boeken van Hermes’ en in alle oude volksverhalen. Het wordt meestal gesymboliseerd door de draak en de slang – de draak van het goede en de slang van het kwade, op aarde vertegenwoordigd door de magie van de rechter- en die van de linkerhand. In het epische gedicht van Finland, de Kalevala4, wordt de oorsprong van de slang van het kwade gegeven: zij is geboren uit het ‘speeksel van Suoyatar . . . en haar werd een levende ziel gegeven door het beginsel van het kwaad’, Hisi. Er wordt een beschrijving gegeven van de strijd tussen de twee, het ‘ding van het kwaad’ (de slang of tovenaar), en Ahti, de draak; ‘de magiër Lemminkainen’. De laatstgenoemde is een van de zeven zonen van Ilmatar, de maagdelijke ‘dochter van de lucht’, zij die vóór de schepping ‘uit de hemel in de zee viel’, d.w.z. de geest, getransformeerd tot de stof van het zintuiglijke leven. Er ligt een wereld van betekenis en occulte gedachten in de volgende paar regels, die bewonderenswaardig zijn weergegeven door dr. J.M. Crawford uit Cincinnati. De held Lemminkainen, de goede magiër,

‘Houwt met magische kracht de muur omver,
Breekt de palissade in stukken,
Slaat zeven palen tot atomen,
Hakt de slangenmuur tot puin.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Als het monster onbekommerd,
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
Zich stort met zijn giftige bek
Op het hoofd van Lemminkainen.
Maar de held, zich snel herinnerend,
Spreekt de kernspreuken van de kennis,
Woorden die kwamen uit verre tijden,
Woorden die zijn voorouders hem leerden . . .’

     (d) In China worden de mensen van Fohi (of de ‘hemelse mens’) de twaalf Tien-Hoang genoemd, de twaalf hiërarchieën van Dhyani’s of engelen, met mensengezichten en drakenlichamen – waarbij de draak de goddelijke wijsheid of geest voorstelt5– en zij scheppen mensen door zich te incarneren in zeven figuren van klei – aarde en water – gemaakt in de vorm van die Tien-hoang, een derde allegorie (vergelijk de ‘Symbols of the Bonzes’). De twaalf ASEN van de Scandinavische Edda’s doen hetzelfde. In de geheime catechismus van de Druzen van Syrië – een legende die woord voor woord wordt herhaald door de oudste stammen rondom de Eufraat – werden de mensen geschapen door de ‘zonen van god’ die op aarde neerdaalden, waar ze, na zeven mandragora’s te hebben verzameld, deze wortels bezielden, die onmiddellijk mensen werden6.
     Al deze allegorieën wijzen op één en dezelfde oorsprong – op de tweevoudige en drievoudige natuur van de mens; tweevoudig als mannelijk en vrouwelijk; drievoudig als bestaande uit een geestelijke en een psychische essentie van binnen, en uit een stoffelijk weefsel van buiten.

 

      2. DE AARDE SPRAK: ‘HEER VAN HET STRALENDE GEZICHT (de zon); MIJN HUIS IS LEEG . . . ZEND UW ZONEN OM DIT WIEL (de aarde) TE BEVOLKEN. GIJ HEBT UW ZEVEN ZONEN NAAR DE HEER VAN WIJSHEID GEZONDEN (a). HIJ ZIET U ZEVEN KEER ZO DICHTBIJ, ZEVEN KEER ZO STERK VOELT HIJ U. GIJ HEBT UW DIENAREN, DE KLEINE RINGEN, VERBODEN UW LICHT EN WARMTE OP TE VANGEN, UW GROTE GAVE OP HAAR DOORTOCHT TE ONDERSCHEPPEN (b). ZEND DIE NU NAAR UW DIENARES!’ (c)

     (a) De ‘Heer van Wijsheid’ is Mercurius, of Budha.

     (b) De moderne Toelichting verklaart deze woorden als een verwijzing naar het welbekende astronomische feit ‘dat Mercurius zeven keer zoveel licht en warmte van de Zon ontvangt als de Aarde, of zelfs de schone Venus, die slechts twee keer zoveel ontvangt als onze onbetekenende bol’. Of dat feit in de oudheid bekend was, kan worden afgeleid uit het gebed van de ‘aardgeest’ tot de zon, zoals dat in de tekst is gegeven7. De zon weigert echter de aardbol te bevolken, omdat deze nog niet gereed is om leven te ontvangen.
     Mercurius is als astrologische planeet nog occulter en geheimzinniger dan Venus. Hij is identiek met de mazdaïsche Mithra, de genius, of god ‘geplaatst tussen de zon en de maan, de eeuwige metgezel van de ‘zon’ van wijsheid’. Volgens Pausanias heeft hij een gemeenschappelijk altaar met Jupiter (Deel V). Hij had vleugels om uit te drukken dat hij de zon in zijn loop volgde; en hij werd de nuntis of zonnewolf genoemd, ‘solaris luminis particeps’. Hij was de leider en de oproeper van de zielen, de ‘grote magiër’ en de hiërofant. Virgilius beeldt hem af terwijl hij ‘zijn staf opneemt om de in de Orcus gestorte zielen op te roepen’ – tum virgam capit, hac animas ille evocat Orco. (Zie ook de 21ste fargard8 van de Vendidad over de hemelse militie.) Hij is de goudkleurige Mercurius, de χρυσοϕαὴϛ Ἑρμῆϛ; en de hiërofanten verboden zijn naam uit te spreken. Hij wordt in de Griekse mythologie gesymboliseerd door een van de honden (waakzaamheid), die waken over de hemelse kudde (occulte wijsheid), of Hermes Anubis, of ook Agathodaemon. Hij is de Argus die waakt over de aarde en die door de aarde ten onrechte voor de zon zelf wordt aangezien. Door de tussenkomst van Mercurius bad keizer Julianus elke avond tot de occulte Zon; want, zoals Vossius zegt: ‘Alle theologen zijn het erover eens dat Mercurius en de Zon één zijn . . . Hij was de welsprekendste en wijste van alle goden, wat niet verwonderlijk is, omdat Mercurius zo dicht bij de wijsheid en het woord van god (de zon) staat dat hij met beide werd verward.’ (Idolatry, Deel II, blz. 373.) Vossius spreekt hier een grotere occulte waarheid uit dan hij vermoedde. De Hermes-Sarameyas van de Grieken is nauw verwant met de saram en sarameya van de hindoes, de goddelijke wachter, ‘die waakt over de gouden kudde van sterren en zonnestralen’.
     Met de duidelijker woorden van de Toelichting:
     ‘De bol, voortgedreven door de geest van de aarde en zijn zes helpers, krijgt van de geest van de zon, door middel van de zeven planetaire Dhyani’s, al zijn levenskrachten, zijn leven en vermogens. Ze zijn zijn boodschappers van licht en leven.’
     ‘Evenals elk van de zeven gebieden van de aarde, ontvangt elk van de zeven9 eerstgeborenen (de oorspronkelijke mensengroepen) geestelijk zijn licht en leven van zijn eigen bijzondere Dhyani – en stoffelijk van het paleis (huis, de planeet) van die Dhyani; hetzelfde geldt voor de zeven grote Rassen die erop zullen worden geboren. Het eerste wordt geboren onder de Zon; het tweede onder Brihaspati (Jupiter); het derde onder Lohitanga (met het ‘vurige lichaam’, Venus of Sukra); het vierde onder Soma (de Maan, ook onze bol, omdat de vierde sfeer onder en uit de Maan wordt geboren) en Sani, Saturnus10, de Krura-lochana (met het boze oog) en de Asita (de duistere); het vijfde onder Budha (Mercurius).’
     ‘Zo ook met de mens en iedere ‘mens’ in de mens (elk beginsel). Elke krijgt zijn bijzondere eigenschappen van zijn beginsel (de planeetgeest), daarom is iedere mens een zevenvoud (of een combinatie van beginselen, waarvan elk zijn oorsprong heeft in een eigenschap van die speciale Dhyani). Elke actieve kracht of macht van de aarde komt tot haar van een van de zeven Heren. Het licht komt door Sukra (Venus), die een drievoudige hoeveelheid ontvangt, en een derde ervan aan de Aarde geeft. Daarom worden ze ‘tweelingzusters’ genoemd, maar de geest van de Aarde is ondergeschikt aan de ‘Heer’ van Sukra. Onze wijze mensen stellen de twee bollen als volgt voor: de een boven en de ander onder het dubbele teken (de oorspronkelijke swastika, ontdaan van zijn vier armen, of het kruis )11.’
     Het ‘dubbele teken’ is, zoals iedere beoefenaar van het occultisme weet, het symbool van de mannelijke en de vrouwelijke beginselen in de Natuur, van het positieve en het negatieve, want de swastika of is dat alles en nog veel meer. De hele oudheid heeft sinds de geboorte van de astronomie – die aan het vierde Ras werd medegedeeld door een van zijn goddelijke koningen van de goddelijke dynastie – en ook van de astrologie, Venus in haar astronomische tabellen voorgesteld als een bol boven een kruis, en de Aarde als een bol onder een kruis. De esoterische betekenis daarvan is: ‘De Aarde vervallen tot voortplanting, of tot voortbrenging van haar soorten door geslachtelijke vereniging.’ Maar de latere westerse volkeren lieten niet na er een heel andere interpretatie aan te geven. Hun mystici – geleid door het licht van de Latijnse kerk – verklaarden dat dit symbool betekent dat onze Aarde en alles wat zich daarop bevond, was verlost door het kruis, terwijl Venus (anders gezegd Lucifer of Satan) het vertrapte. Venus is de meest occulte, machtige en mysterieuze van alle planeten; haar invloed op en relatie met de Aarde treedt het meest op de voorgrond. In het exoterische brahmanisme is Venus of Sukra – een mannelijke godheid12 – de zoon van Bhrigu, een van de prajapati en een vedische wijze; hij is Daitya-goeroe, of de priester-leraar van de oorspronkelijke reuzen. De hele geschiedenis van ‘Sukra’ in de Purana’s heeft betrekking op het derde en het vierde Ras.
     ‘Door Sukra stamden de dubbelen (de hermafrodieten) van het derde (Wortelras), af van de eerste zweetgeborenen’, zegt de Toelichting. Dit wordt daarom voorgesteld door het symbool (de cirkel en middellijn) tijdens het derde (Ras) en door tijdens het vierde.
     Dit moet worden toegelicht. De middellijn, wanneer deze afzonderlijk wordt aangetroffen in een cirkel, stelt de vrouwelijke natuur voor, de eerste ideële wereld, zelf-voortgebracht en zelf-bevrucht door de universeel verspreide levensgeest – en verwijst dus ook naar het oorspronkelijke Wortelras. Zij wordt androgyn naarmate de Rassen en alles op aarde zich in hun stoffelijke vormen ontwikkelen, en het symbool wordt veranderd in een cirkel met een middellijn waarvan een vertikale lijn uitgaat, die uitdrukking geeft aan het mannelijke en het vrouwelijke, maar nog niet gescheiden – de eerste en oudste Egyptische Tau , waarna het wordt, of het mannelijke en het vrouwelijke gescheiden13 (zie de eerste bladzijden van Deel I) en tot voortplanting vervallen. Venus (de planeet) wordt gesymboliseerd door het teken van een bol boven een kruis, wat aantoont dat de planeet de leiding heeft van de natuurlijke voortplanting van de mens. De Egyptenaren symboliseerden Ank, ‘het leven’, door het ansata-kruis of , dat slechts een andere vorm is van Venus (Isis) , en esoterisch betekende, dat de mensheid en al het dierlijke leven uit de goddelijke geestelijke cirkel was getreden en was vervallen tot stoffelijke mannelijke en vrouwelijke voortplanting. Dit teken heeft vanaf het einde van het derde Ras dezelfde fallische betekenis als de ‘levensboom’ in Eden. Anouki, een vorm van Isis, is de godin van het leven; en Ank werd door de Hebreeën van de Egyptenaren overgenomen en tegelijk met veel andere mystieke woorden ingevoerd door Mozes, die bekend was met de wijsheid van de Egyptische priesters. Het woord Ank in het Hebreeuws met het persoonlijke achtervoegsel betekent ‘mijn leven’, mijn bestaan, en dat ‘is het persoonlijke voornaamwoord Anochi’, van de naam van de Egyptische godin Anouki14.
     In een van de oudste catechismussen van Zuid-India, uit het district Madras, draagt de hermafrodiete godin Adanari (zie ook ‘Indian Pantheon’) het ansatakruis, de swastika, het ‘mannelijke en vrouwelijke teken’, precies in het midden, om de vóór-seksuele toestand van het derde Ras aan te duiden. Vishnu, die nu wordt afgebeeld met een lotus die uit zijn navel groeit – of het Heelal van Brahma dat zich evolueert uit het middelpunt nara – is op een van de oudste beeldhouwwerken als tweeslachtig weergegeven (Vishnu en Lakshmi), staande op een lotusblad dat op het water drijft; dit water stijgt in een halve cirkel en stroomt door de swastika, ‘de bron van de voortplanting’ of van de afstamming van de mens.
     Pythagoras noemt Sukra-Venus de Sol alter, ‘de andere zon’. Van de zeven paleizen van de zon’ is dat van Lucifer Venus het derde volgens de christelijke en joodse Kabbala, terwijl de Zohar er de verblijfplaats van Samaël van maakt. Volgens de occulte leer is deze planeet de oervorm van onze Aarde, en haar geestelijke prototype. Daarom zegt men dat de wagen van Sukra (van Venus-Lucifer) wordt getrokken door een achttal ‘op aarde geboren paarden’, terwijl de strijdrossen van de wagens van de andere planeten van deze verschillen.
     ‘Elke zonde die op Aarde wordt begaan, wordt gevoeld door Usanas-Sukra. De goeroe van de daitya’s is de beschermgeest van de Aarde en de mensen. Elke verandering op Sukra wordt gevoeld op en weerspiegeld door de Aarde.
     Sukra of Venus wordt dus voorgesteld als de leraar van de daitya’s, de reuzen van het vierde Ras, die volgens de hindoe-allegorie eens de heerschappij over de hele Aarde verkregen en de lagere goden versloegen. De titanen van de westerse allegorie staan eveneens in nauw verband met Venus-Lucifer, die door latere christenen met Satan werd vereenzelvigd. Venus werd evenals Isis afgebeeld met koeiehorens op haar hoofd, het symbool van de mystieke Natuur, dat verwisselbaar is met en een aanduiding is voor de Maan, omdat zij beide maangodinnen waren. Daarom wordt deze planeet nu door de theologen afgebeeld tussen de horens van de mystieke Lucifer15. De archaïsche overlevering zegt dat Venus (geologisch) gelijktijdig verandert met de Aarde; dat alles wat op de ene planeet plaatsvindt, ook op de andere gebeurt; en dat zij veel en grote gemeenschappelijke veranderingen doormaakten. Augustinus herhaalt dit alles en geeft er een fantastische interpretatie aan, waarbij hij de verschillende veranderingen van de configuratie, van de kleur en zelfs van de baan, in verband brengt met dat theologisch uitgewerkte karakter van Venus-Lucifer. In zijn vrome fantasie gaat hij zelfs zover dat hij een relatie legt tussen de laatste veranderingen van de planeet en de mythische zondvloed van Noach, waarvan wordt beweerd dat deze heeft plaatsgevonden in 1796 v.Chr. (Zie ‘De stad van god’, lxxi, hfst. viii.)
     Omdat Venus geen satellieten heeft, zegt de allegorie dat ‘Asphujit’ (deze ‘planeet’) de Aarde adopteerde, de nakomeling van de Maan, ‘die haar moeder ontgroeide en veel moeilijkheden gaf’, een verwijzing naar het occulte verband tussen de twee. De bestuurder (van de planeet) Sukra16 hield zoveel van zijn geadopteerde kind, dat hij incarneerde als Usanas en het volmaakte wetten gaf, die in latere tijden werden genegeerd en verworpen. Een andere allegorie, in de Harivansa, zegt dat Sukra naar Siva ging om hem te vragen zijn leerlingen, de Daitya’s en Asura’s, te beschermen tegen de strijdende goden; en dat hij om zijn doel te bereiken een yoga ritus verrichtte ‘door 1000 jaar lang met zijn hoofd naar beneden de rook van kaf in te ademen’. Dit slaat op de grote inclinatie van de as van Venus (die 50 graden bedraagt) en op het feit dat deze in eeuwige wolken is gehuld. Maar de allegorie heeft alleen betrekking op de stoffelijke samenstelling van de planeet. De occulte mystiek heeft echter te maken met haar bestuurder, haar bezielende Dhyan-Chohan. De allegorie die zegt dat Vishnu voor het doden van de moeder van Sukra door hem werd vervloekt en zeven keer op Aarde moest worden herboren, is vol occulte filosofische betekenis. Zij heeft geen betrekking op de Avatars van Vishnu, want dit zijn er negen, en de tiende moet nog komen, maar op de rassen op Aarde. Venus of Lucifer (ook Sukra en Usanas) de planeet, is de lichtbrengster van onze Aarde, zowel in stoffelijke als in mystieke zin. De christenen van de eerste tijden wisten dit, want een van de eerste pausen van Rome staat bekend onder zijn pauselijke naam van Lucifer.
     ‘Elke wereld heeft haar moederster en zusterplaneet. Zo is de Aarde het geadopteerde kind en de jongere broer van Venus, maar haar bewoners hebben hun eigen aard . . . Alle bewuste voltooide wezens (volledig zevenvoudige mensen of hogere wezens) worden bij hun aanvang voorzien van vormen en organismen, geheel in harmonie met de aard en toestand van de sfeer die zij bewonen17.’
     ‘De sferen van het Zijn of levenscentra, die afgezonderde kernen zijn die hun mensen en hun dieren voortbrengen, zijn talloos; niet één heeft ook maar enige gelijkenis met haar gezellin of met enige andere van haar eigen speciale nageslacht18.’
     ‘Alle hebben een dubbele stoffelijke en geestelijke natuur.
     ‘De levenskernen zijn eeuwig en altijddurend; de kernen periodiek en eindig. De levenskernen maken deel uit van het absolute. Het zijn de schietgaten van die zwarte onneembare vesting, die voor altijd is verborgen voor de blik van de mens of zelfs de Dhyani. De kernen zijn het licht van de eeuwigheid, dat daaruit ontsnapt.
     ‘Het is dat LICHT dat zich verdicht tot de vormen van de ‘Heren van het Zijn’ waarvan de eersten en de hoogsten gezamenlijk JIVATMA of pratyagatma zijn (figuurlijk gesproken, voortkomend uit paramatma). Het is de logos van de Griekse filosofen, die verschijnt aan het begin van ieder nieuw manvantara. Hieruit afdalend – gevormd uit de zich steeds verder verdichtende golven van dat licht, dat op het objectieve gebied grove materie wordt – komen de talloze hiërarchieën van de scheppende krachten voort, sommige vormloos, andere met hun eigen onderscheiden vorm en weer andere, de laagste (elementalen), die geen eigen vorm hebben maar die, al naar gelang van de hen omringende omstandigheden, een passende vorm aannemen.’
     ‘Er is dus in geestelijke zin maar één absolute upadhi (basis) waaruit, waarop en waarin voor manvantarische doeleinden de talloze kernen worden gebouwd, van waaruit de universele, cyclische en individuele evoluties tijdens de actieve periode voortkomen.
     ‘De bezielende intelligenties, die deze verschillende kernen van het Zijn tot leven opwekken, worden zonder onderscheid door de mensen aan de andere kant van de grote bergketen19 de Manu’s, de rishi’s, de pitri’s20, de prajapati’s, enz. genoemd. Aan deze kant van die keten noemt men ze Dhyani-Boeddha’s, de Chohans, melha’s (vuurgoden), bodhisattva’s21 en nog anders. De werkelijk onwetenden noemen hen goden, de geleerde niet-ingewijden de éne God; de wijzen, de ingewijden, eren in hen slechts de manvantarische manifestaties van DAT, wat noch onze scheppers (de Dhyan-Chohans) noch hun schepselen ooit kunnen bespreken en waarover ze niets weten. Het ABSOLUTE kan niet worden omschreven en geen sterfelijk of onsterfelijk wezen heeft het tijdens de perioden van Bestaan ooit gezien of begrepen. Het veranderlijke kan het onveranderlijke niet kennen en evenmin kan het levende het Absolute Leven waarnemen.
     De mens kan dus geen wezens kennen hoger dan zijn eigen ‘voorvaderen’. ‘Evenmin moet hij ze aanbidden’, maar hij zou moeten leren hoe hij in de wereld kwam.

     (c) Het getal zeven, het grondgetal van alle andere getallen in elk nationaal religieus stelsel, vanaf de kosmogonie tot de mens toe, moet zijn bestaansreden hebben. Men vindt het bij de oude Amerikanen, waar het een even voorname plaats inneemt als bij de archaïsche Ariërs en Egyptenaren. Dit onderwerp zal in de tweede afdeling van dit Deel volledig worden behandeld; intussen kunnen wij hier een paar feiten geven. De schrijver van de ‘Sacred Mysteries among the Mayas and Quiches, 11,500 years ago22 zegt:
     ‘Zeven schijnt bij alle beschaafde volkeren van de oudheid het bij uitstek heilige getal te zijn geweest. Waarom? Elk afzonderlijk volk heeft er een andere verklaring voor gegeven, overeenkomstig de bijzondere leerstellingen van zijn (exoterische) religie. Er is geen twijfel dat dit het getal van de getallen was voor de in de heilige mysteriën ingewijden. Pythagoras . . . noemt het het ‘voertuig van het leven’ dat lichaam en ziel bevat, omdat het is gevormd uit een viertal, dat wijsheid en intellect is, en uit een drie-eenheid of handeling en stof. Keizer Julianus drukt zich in ‘In matrem, enz.’ als volgt uit: ‘Als ik zou spreken over de inwijding in onze heilige mysteriën – waarvan door de Chaldeeën Bacchusdiensten werden gemaakt – betreffende de god met zeven stralen, die door middel daarvan de ziel verlicht, dan zou ik dingen zeggen die aan het gewone volk onbekend zijn, volstrekt onbekend, maar die goed bekend zijn aan de gezegende beoefenaars van de theürgie’ (blz. 141).’
     En wie – die bekend is met de Purana’s, het Dodenboek, de Zendavesta, de Assyrische kleitabletten en tenslotte de Bijbel, en die het telkens terugkeren van het getal zeven heeft opgemerkt in deze geschriften van volkeren die vanaf de vroegste tijden zonder onderlinge verbinding en ver van elkaar woonden – kan het volgende feit, dat wordt meegedeeld door dezelfde onderzoeker van de oude mysteriën, als een samenloop van omstandigheden beschouwen? Sprekend over het vaak voorkomen van de zeven als mystiek getal bij de bewoners van het ‘westelijke continent’ (van Amerika), voegt hij eraan toe dat dit niet minder opmerkelijk is. Want:
     ‘Het komt herhaaldelijk voor in de Popul-vuh . . . wij vinden het bovendien in de zeven families die volgens Sahagun en Clavigero de mystieke persoon Votan hebben vergezeld, die doorgaat voor de stichter van de grote stad Nachan, door sommigen vereenzelvigd met Palenque. Eveneens in de zeven grotten23 waaruit men zegt dat de voorvaderen van de Nahuatl tevoorschijn zijn gekomen. We vinden dit getal ook in de zeven steden van Cibola, die worden beschreven door Coronado en Niza . . . , in de zeven Antillen, in de zeven helden die, zoals men zegt, aan de zondvloed ontsnapten . . .’
     Dit zijn bovendien ‘helden’ van wie het aantal in elk ‘zondvloed’verhaal hetzelfde blijkt te zijn – vanaf de zeven rishi’s die met Vaivasvata Manu werden gered, tot de ark van Noach toe, waarin viervoetige dieren, vogels en levende wezens, telkens zeven tegelijk, werden opgenomen. Zo zien wij dat de cijfers 1, 3, 5 en 7 volmaakte, want door en door mystieke, getallen zijn, die in elke kosmogonie en evolutie van levende wezens een belangrijke rol spelen. In China worden 1, 3, 5 en 7 in het canonieke ‘Boek van de veranderingen’ (Yi King, of transformatie, zoals in ‘evolutie’) ‘hemelse getallen’ genoemd.
     De verklaring ervan wordt duidelijk wanneer men de oude symbolen beziet: deze zijn alle gebaseerd op en gaan uit van de figuren uit het archaïsche handschrift, die werden gegeven in de proloog van Deel I. Het symbool van de evolutie en van de val in de voortbrenging of de stof, treft men aan in de oude Mexicaanse beeldhouwwerken en schilderingen, evenals in de kabbalistische sephiroth en de Egyptische tau. Onderzoek het Mexicaanse handschrift (Add. MSS. Brit. Mus. 9789)24; u zult daarin een boom vinden waarvan de stam is bedekt door tien vruchten, klaar om te worden geplukt door een man aan de ene en een vrouw aan de andere kant ervan, terwijl uit de kroon van de stam twee takken horizontaal naar rechts en naar links uitsteken en zo een volmaakte (tau) vormen. De uiteinden van de twee takken dragen bovendien elk een drievoudige tros, terwijl een vogel – de vogel van de onsterfelijkheid, atman of de goddelijke geest – daartussenin zit en zo de zevende vormt. Dit geeft hetzelfde denkbeeld weer als de sephiroth-boom, tien in totaal, maar waarvan er, na afscheiding van de bovenste triade, zeven overblijven. Dit zijn de hemelse vruchten, de tien of 10, geboren uit de twee onzichtbare mannelijke en vrouwelijke zaden, waardoor de 12 of de dodecaëder van het Heelal ontstaat. Het mystieke stelsel bevat de , het middelpunt; de 3 of ; de vijf, , en de zeven of , of ook ; de driehoek in het vierkant en het samenvattende punt in de dooreengevlochten dubbele driehoeken. Dit wat betreft de wereld van de archetypen. De wereld van de verschijnselen bereikt haar hoogtepunt en de weerspiegeling van alles in de MENS. Daarom is hij het mystieke vierkant – in zijn metafysische aspect – de Tetraktis, en wordt op het scheppende gebied de kubus. Zijn symbool is de uitgevouwen kubus25 en de 6 die 7 wordt, of de , drie dwars (het vrouwelijke) en vier verticaal; en dit is de mens, het hoogste wat de godheid op aarde bereikt; zijn lichaam is het kruis van vlees, waarop, waardoor, en waarin hij eeuwig de goddelijke logos of zijn HOGERE ZELF kruisigt en ter dood brengt.
     ‘Het heelal’, zegt elke filosofie en kosmogonie, ‘heeft een daarboven gestelde bestuurder (collectief bestuurders), die het WOORD (logos) wordt genoemd; de scheppende geest is zijn koningin; en deze twee zijn de eerste macht na het ENE’.
     Dit zijn de geest en de Natuur; deze twee vormen ons bedrieglijke heelal. De twee blijven onafscheidelijk in het Heelal van de ideeën, zolang dat bestaat, en worden dan weer opgenomen in Parabrahm, het Ene altijd onveranderlijke. ‘De geest, waarvan de essentie eeuwig is, één en zelfbestaand’, straalt een zuiver etherisch LICHT uit – een tweevoudig licht, dat met de elementaire zintuigen niet waarneembaar is. Men vindt dit in de Purana’s, in de Bijbel, in de Sepher Jezirah, de Griekse en Latijnse hymnen, in het boek van Hermes, in het Chaldeeuwse Boek van de Getallen, in de esoterie van Lao-tse, overal. In de Kabbala, die de geheime betekenis van Genesis verklaart, is dit licht de TWEEVOUDIGE MENS, of de androgyne (beter gezegd de geslachtloze) engelen, die de algemene naam ADAM KADMON hebben. Zij voltooien de mens, van wie de etherische vorm wordt geëmaneerd door andere goddelijke, maar veel lagere wezens, die het lichaam verstevigen met klei of het ‘stof van de aarde’ – inderdaad een allegorie, maar even wetenschappelijk als welke darwinistische evolutie ook, en meer waar.
     De schrijver van de ‘Source of Measures’ zegt dat de grondslag van de Kabbala en alle mystieke boeken daarvan, wordt gevormd door de tien sephiroth, en dat is een fundamentele waarheid26. Hij geeft deze tien sephiroth of de tien getallen weer in het volgende diagram:

waarin de cirkel de nul is; de verticale middellijn is de eerste of oorspronkelijke EEN (het woord of de logos), waaruit de reeks ontstaat van de andere getallen tot de 9, de laatste van de enkelvoudige getallen. De 10 is de eerste goddelijke manifestatie27, die ‘elk mogelijk vermogen tot het nauwkeurig weergeven van verhoudingen’ bezit. Uit deze kabbalistische beschouwing leren wij dat de sephiroth ‘de getallen of emanaties waren van het hemelse licht (de verhouding 20.612 : 6561), het waren de 10 ‘woorden’, DBRIM, 41.224; het licht, waarvan zij de stroom waren, was de hemelse mens, de Adam KDM (de 144-144); en het licht schiep God, volgens het Nieuwe Testament of Verbond (of 41.224); zoals volgens het Oude Testament God (Alhim, 31.415) het licht (20.612 : 6561) schept’.
     Er zijn drie soorten licht, zowel in het occultisme als in de Kabbala: (1) het abstracte en absolute licht, dat duisternis is; (2) het licht van de gemanifesteerde-ongemanifesteerde, door sommigen de logos genoemd, en (3) het laatstgenoemde licht, weerspiegeld in de Dhyan-Chohans, de lagere logoi (collectief de Elohim), die het op hun beurt uitstorten over het objectieve Heelal. Maar in de Kabbala – door de kabbalisten van de XIIIde eeuw opnieuw uitgegeven en zorgvuldig aangepast aan de christelijke leerstellingen – worden de drie lichten beschreven als: (1) het heldere en doordringende, dat van Jehova; (2) weerspiegeld licht; en (3) licht in het abstracte. ‘Dit abstract opgevatte licht (in metafysische of symbolische zin) is Alhim (Elohim God), terwijl het heldere doordringende licht Jehova is. Het licht van Alhim behoort aan de wereld in het algemeen, in haar geheel en haar algemene volheid, maar het licht van Jehova behoort tot het voornaamste voortbrengsel, de mens, in wie dit licht doordrong en die door dit licht werd gemaakt.’ De schrijver van de ‘Source of Measures’ verwijst de lezer met klem naar Inman, ‘Ancient Faiths embodied in Ancient Names’, Deel ii, blz. 648. Daarin komt een afbeelding voor van ‘de vesica piscis, Maria en het vrouwelijke embleem, gekopieerd van een rozenkrans van de gezegende Maagd . . . gedrukt in Venetië in 1542’, en daarom, zoals Inman opmerkt, ‘met vergunning van de Inquisitie en dus orthodox’. Deze afbeelding zal de lezer duidelijk maken wat de latijnse kerk verstond onder deze ‘doordringende kracht van licht en zijn gevolgen’. De edelste, de grootste en de meest verheven denkbeelden van de oosterse filosofie over de godheid zijn door de christelijke interpretaties toch wel droevig verminkt, doordat ze werden toegepast op de grofste antropomorfistische begrippen!
     De occultisten in het oosten noemen dit licht daiviprakriti en in het westen het licht van Christos. Het is het licht van de LOGOS, de rechtstreekse weerspiegeling van het altijd onkenbare op het gebied van de universele manifestatie. Maar hier is de interpretatie die de moderne christenen ervan geven met behulp van de Kabbala. Zoals de zojuist geciteerde schrijver verklaart:
     ‘De term Elohim-Jehova is van toepassing op de volheid van de wereld in het algemeen met haar voornaamste inhoud, de mens. In uittreksels uit de Zohar zegt de eerw. dr. Cassell (een kabbalist), om te bewijzen dat de Cabbalah de leer van de drie-eenheid uiteenzet, onder andere het volgende: ‘Jehova is Elohim (Alhim) . . . door drie stappen worden god (Alhim) en Jehova hetzelfde, en hoewel ze gescheiden zijn en toch samen, behoren ze tot hetzelfde ene’.’ Op dezelfde manier wordt Vishnu de Zon, het zichtbare symbool van de onpersoonlijke godheid. Vishnu wordt beschreven als ‘schrijdend door de zeven gebieden van het Heelal in drie stappen’. Maar bij de hindoes is dit een exoterisch verhaal, een oppervlakkige lering en een allegorie, terwijl het volgens de kabbalisten de esoterische en uiteindelijke betekenis is. Maar om verder te gaan:
     ‘Nu is licht’, verklaart de schrijver, ‘zoals wij zagen, 20.612 : 6561, als de juiste uitdrukking van de integrale en numerieke verhouding van de middellijn tot de omtrek van een cirkel. God (Alhim, d.w.z. 3,1415 : 1, een gewijzigde vorm van het bovenstaande) is de vereenvoudiging hiervan, om een standaardeenheid één te verkrijgen, als algemene basis van alle berekeningen en alle metingen. Maar voor het voortbrengen van dierlijk leven en voor de bijzondere tijdmaat of het maanjaar, die invloed die de conceptie en de embryonale ontwikkeling veroorzaakt, moeten de getallen van de Jehova-maat (‘mens gelijk Jehova’ maat), namelijk 113 : 355, worden gespecialiseerd28. Maar deze laatste verhouding is slechts een gewijzigde vorm van licht of 20.612 : 6561, als een π-waarde, omdat zij hiervan alleen maar een variatie is (d.w.z. 20.612 : 6561 = 3,1415 : 1, of Alhim of God) – en zo kan men de ene laten overvloeien in en afleiden uit de andere, en dit zijn de drie stappen waardoor de eenheid en gelijkheid van de goddelijke namen kan worden bewezen. Met andere woorden, deze twee zijn slechts variaties van dezelfde verhouding, namelijk van π. Het doel van deze opmerking is te laten zien dat de Cabbalah, de drie Verbonden van de bijbel en, zoals al werd gezegd, de symbolen van de vrijmetselarij, hetzelfde stelsel van maten gebruikten.’
     ‘Eerst worden dan de sephiroth beschreven als licht, dat wil zeggen, ze zijn zelf een functie van en eigenlijk hetzelfde als de manifestatie van Ain-Soph; en ze zijn dit op grond van het feit dat licht de verhouding 20.612 : 6561 voorstelt, als deel van de ‘Woorden’, DBRIM, 41.224, of met betrekking tot het Woord, Debar, 206 (= 10 ellen). Licht is in zo sterke mate het hoofdthema van de Kabbala bij het verklaren van de sephiroth, dat het beroemdste boek over de Kabbala Zohar of Licht heet. In dit boek vinden wij uitdrukkingen van deze soort: ‘Het Oneindige was volkomen onbekend en verspreidde geen licht vóór het stralende punt met geweld doorbrak en zichtbaar werd . . . .’ ‘Toen hij het eerst de vorm (van de kroon, of de eerste sephira) aannam, liet hij daaruit 9 schitterende lichten stralen, die erdoorheen schenen en in alle richtingen een helder licht verspreidden.’ Dat wil zeggen, deze 9 met zijn één (die de oorsprong van de negen was, zoals hierboven), vormden samen de 10, dat is of , of de heilige tien (getallen of sephiroth), of jod, en deze getallen waren ‘het licht’. Evenals in het evangelie van Johannes was God (Alhim, 3,1415 : 1) dat licht (20.612 : 6561) waardoor alle dingen werden gemaakt.’
     In de Sepher Jezirah of ‘getallen van de schepping’ wordt het hele evolutieproces in getallen weergegeven. In de daarin voorkomende ‘32 paden van wijsheid’ wordt het getal 3 vier keer herhaald, en het getal 4 vijf keer. De wijsheid van God ligt dus besloten in getallen (sephrim of sephiroth), want sepher (of zonder klinkers s-ph-ra) betekent ‘in cijferschrift overbrengen’. En daarom zegt ook Plato dat de godheid meetkundig te werk gaat bij het bouwen van het Heelal.
     Het kabbalistische boek, de Sepher Jezirah, begint met een verklaring over de verborgen wijsheid van Alhim in sephrim, d.i. de Elohim in de sephiroth.
     ‘In tweeëndertig paden vestigde de verborgen wijsheid Jah, JHVH, Tzabaoth, Elohi van Israël, Alhim van het leven, El van genade en barmhartigheid – verheven bewoner van de hemel en koning van het eeuwige, heilig zij zijn naam – en wel in drie sephrim, nl.: B-S’ph-r, V-S’ph-r, V-Siph-o-r.’
     ‘Deze toelichting zet ‘de Verborgen Wijsheid’ van de oorspronkelijke tekst uiteen door middel van verborgen wijsheid, dat wil zeggen door het gebruik van woorden die een speciaal stel getallen en een speciale manier van uitdrukken meebrengen, die dat verklarende stelsel tot uiting laten komen, dat ook zo nauwkeurig op de Hebreeuwse bijbel blijkt te passen . . . Bij het uiteenzetten van zijn stelsel, en om dit door te voeren en zijn uitvoerige verklaring af te ronden tot een algemeen postulaat, nl. het ene woord sephrim (sephiroth) van het Getal Jezirah, verklaart de schrijver de splitsing van dit woord in de drie ondergeschikte vormen, een woordspeling op een gemeenschappelijk woord, s-ph-r, of getal.’
     De vorst Al-Chazari zegt tegen de rabbi29: ‘Ik zou nu wensen dat gij mij bekend zoudt willen maken met enkele van de voornaamste of leidende beginselen van de natuurfilosofie, die zoals gij zegt in vroegere tijden door hen (de oude wijzen) werden uitgewerkt.’ De rabbi antwoordt daarop: ‘Tot zulke beginselen behoort het getal van de schepping van onze stamvader Abraham’ (dat is Abram en Abraham, of de getallen 41.224 en 41.252). Hij zegt dan dat dit Boek van de Getallen handelt over het onderwijzen van de Alhim-heid en Een-heid door middel van ‘DBRIM’, d.i. door de getallen van het woord ‘Woorden’. Dat wil zeggen, het leert het gebruik van de verhouding 3,1415 : 1, door middel van 41.224; dit laatste getal werd volgens de beschrijving van de Ark van het Verbond in tweeën verdeeld door twee stenen tafels, waarop deze DBRIM, of 41.224 (of 20.612 maal 2) waren geschreven of gegrift. Hij licht dan deze drie ondergeschikt gebruikte woorden toe, en speciaal bij één daarvan merkt hij op: ‘En Alhim (3,1415 : 1) zei: Laat er licht zijn (20.612 : 6561).’
     De drie woorden die in de tekst voorkomen, zijn: ספר ספר סיפור. En de rabbi zegt bij het toelichten ervan: ‘Het leert de Alhim-heid (3,1415) en Een-heid (de verhouding van de middellijn tot Alhim) door woorden (DBRIM, 41.224), waardoor er aan de ene kant oneindige uitdrukking in heterogene scheppingen is, en aan de andere kant een uiteindelijke harmonische neiging naar Een-heid’ (wat, zoals iedereen weet, de wiskundige functie van de ‘π’ van de scholen is, die de sterren van de hemel meet, weegt en telt, en ze toch door woorden herleidt tot de uiteindelijke Eenheid van het Heelal). ‘Hun uiteindelijke harmonie vervolmaakt zich in die Eenheid waardoor ze worden vastgelegd en die bestaat uit ספר ספר ספור (Boek van Al-Chazari); de rabbi laat dus in zijn eerste commentaar de jod of i uit een van de woorden weg, terwijl hij die later weer invoegt. De waarden van die ondergeschikte woorden blijken 340, 340, 346 te zijn; samen 1026, en de verdeling van het algemene woord in deze drie is geschied om deze getallen te verkrijgen, die door Temurah op verschillende wijzen voor diverse doeleinden kunnen worden veranderd.’ (Kabbala.)
     Wij vragen de lezer Stanza IV van Deel I en de vierde toelichting daarop te raadplegen; hij zal dan zien dat de 3,4-(7), en de driemaal zeven of 1065, het getal van Jehova, het getal is van de 21 prajapati’s, genoemd in het Mahabharata, of de drie sephrim (woorden in cijfers of getallen). En door deze vergelijking tussen de scheppende krachten van de archaïsche filosofie en de antropomorfe schepper van de exoterische joodse leer (want hun esoterie blijkt overeen te stemmen met de Geheime Leer) zal de onderzoeker zien en ontdekken dat Jehova inderdaad slechts een maan- en een ‘voortplantings’-god is. (Zie Deel I, Afd. 2, ‘Deus Lunus’.) Elke nauwgezette onderzoeker van de Kabbala weet heel goed dat hoe verder hij zich erin verdiept, des te meer hij ervan overtuigd raakt dat, tenzij de Kabbala – of wat ervan over is – wordt gelezen in het licht van de oosterse esoterische filosofie, de studie ervan slechts leidt tot de ontdekking dat het door de exoterische joodse en christelijke leer uitgewerkte monotheïsme niet verhevener is dan de oude astrolatrie, die nu door de moderne astronomie wordt gerehabiliteerd. De kabbalisten herhalen steeds weer dat de oorspronkelijke intelligentie nooit kan worden begrepen. Men kan er zich geen begrip van vormen en evenmin kan men de plaats ervan bepalen, en dus moet zij naamloos en negatief blijven. Daarom stelde men zich voor dat het Ain-Soph – het ‘ONKENBARE’ en het ‘ONNOEMBARE’ – omdat het zich niet kon manifesteren, zelf manifesterende krachten uitstraalde. Het menselijke intellect moet en kan zich dus alleen met de emanaties ervan bezighouden. De christelijke theologie, die de leer van de emanaties heeft verworpen en vervangen door rechtstreekse bewuste scheppingen van engelen en de rest uit niets, is nu hopeloos gestrand tussen het supernaturalisme of het wonder en het materialisme. Een buiten-kosmische god is fataal voor de filosofie, een binnen-kosmische godheid – d.i. geest en stof die onscheidbaar van elkaar zijn – is een filosofische noodzakelijkheid. Scheidt men deze, dan blijft er een grof bijgeloof onder een masker van emotionaliteit over. Maar waarom zou men ‘meetkundig te werk gaan’, zoals Plato zegt, waarom zou men deze emanaties voorstellen in de vorm van een reusachtige rekenkundige tabel? Deze vraag wordt door de zojuist geciteerde schrijver goed beantwoord. Zijn opmerkingen worden aangehaald in Afdeling II van Deel I, ‘De theogonie van de scheppende goden’.
     ‘Verstandelijke waarneming’, zegt hij, ‘heeft het kosmische beginsel van het licht nodig om fysische waarneming te worden: en zo moet onze mentale cirkel zichtbaar worden door licht; of de cirkel moet voor zijn volledige manifestatie de cirkel zijn van fysische zichtbaarheid, of het licht zelf. Zulke zo geformuleerde begrippen werden de grondslag van de filosofie van het goddelijke, dat zich in het Heelal manifesteert.’
     Dit is filosofie. Het is iets anders wanneer de rabbi in Al-Chazari zegt: ‘Onder s’ph-r moet worden verstaan het berekenen en wegen van geschapen lichamen. Want de berekening, door middel waarvan een lichaam in harmonie of symmetrie moet worden geconstrueerd, en met behulp waarvan de constructie op de juiste manier moet worden uitgevoerd en in overeenstemming gebracht met het ontwerp, bestaat tenslotte uit getal, uitgebreidheid, massa, gewicht; het gecoördineerde verband van bewegingen, en ook de harmonie van de muziek, moeten bestaan uit getallen, dat wil zeggen (S’ph-r) . . . Onder sippor (s’phor) moet worden verstaan de woorden van Alhim, waarbij het ontwerp van de bouw of de vorm van de constructie zich aanpast; zo werd er bijvoorbeeld gezegd: ‘Laat er licht zijn.’ Het werk ontstond naarmate de WOORDEN werden uitgesproken, d.w.z. naarmate de getallen van het werk te voorschijn kwamen.
     Dit is een zonder scrupules verstoffelijken van het geestelijke. Maar de Kabbala werd niet altijd zo goed aangepast aan antropo-monotheïstische opvattingen. Vergelijk dit met een van de zes scholen van India, onverschillig welke. Neem bijvoorbeeld de ‘sankhya’filosofie van Kapila: tenzij purusha allegorisch gesproken op de schouders van prakriti klimt, blijft de laatste irrationeel, terwijl purusha zonder prakriti onwerkzaam blijft. Daarom moet de Natuur (in de mens) een samenstelling worden van geest en stof, vóór hij wordt wat hij is; en de in de stof latente geest moet geleidelijk tot leven en bewustzijn worden gewekt. De monade moet door haar delfstoffen-, plantaardige en dierlijke vormen heengaan, voordat het licht van de logos in de dierlijke mens wordt ontstoken. Daarom kan men de laatstgenoemde tot dan toe geen ‘MENS’ noemen, maar moet hij worden beschouwd als een monade die is gevangen in steeds veranderende vormen. In de filosofische stelsels van het oosten, zelfs in hun exoterische geschriften, erkent men evolutie, geen schepping, door middel van WOORDEN. Ex oriente lux. Zelfs de naam van de eerste mens in de mozaïsche bijbel had zijn oorsprong in India, ondanks de ontkenning daarvan door professor Max Müller. De joden hadden hun Adam uit Chaldea; en Adam-Adami is een samengesteld woord en daarom een veelvoudig symbool, en bewijst de occulte dogma’s.
     Dit is niet de plaats voor filologische verhandelingen. Maar we herinneren de lezer eraan dat de woorden ad en adi in het Sanskriet ‘de eerste’ betekenen; in het Aramees ‘één’ (ad-ad, ‘de enige’); in het Assyrisch ‘vader’, waarvan ak-ad of ‘vader-schepper30’ is afgeleid. En als eenmaal is vastgesteld dat de bewering juist is, wordt het enigszins moeilijk Adam te beperken tot alleen de mozaïsche bijbel, en om daarin slechts een joodse naam te zien. Zie Afdeling II van dit Deel, ‘Adam-Adami’.
     Er heerst vaak verwarring over de eigenschappen en de stambomen van de goden in hun theogonieën, zoals die aan de wereld zijn gegeven door de half-ingewijde schrijvers, brahmaanse en bijbelse, de alfa en de omega van de geschriften van die symbolische wetenschap. Toch kon zo’n verwarring niet zijn teweeggebracht door de vroegste volkeren, de afstammelingen en leerlingen van de goddelijke leermeesters, want zowel de eigenschappen als de stambomen waren onafscheidelijk verbonden met kosmogonische symbolen, omdat de ‘goden’ het leven en het leven opwekkende ‘ziel-beginsel’ van de verschillende gebieden van het Heelal waren. Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde goden. De grenzeloze en oneindige EENHEID bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus.
     ‘De ideële natuur’, de abstracte Ruimte waarin alles in het Heelal op geheimzinnige en onzichtbare manier wordt voortgebracht, vormt zowel in de vedische als in iedere andere kosmogonie dezelfde vrouwelijke kant van de scheppende kracht in de Natuur. Aditi is Sephira en de Sophia-Achamoth van de gnostici en Isis, de maagdelijke moeder van Horus. In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het ONKENBARE en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties . . .
     Zo wordt het gemakkelijk te verklaren waarom ‘Adam-Adami’ wordt aangetroffen in de Chaldeeuwse geschriften, die stellig eerder tot stand kwamen dan de mozaïsche boeken. In het Assyrisch is ad de vader, en in het Aramees is ad ‘één’, en ad-ad de ‘enige’, terwijl ak in het Assyrisch ‘schepper’ is. Zo werd Ad-am-ak-ad-mon in de Kabbala (Zohar) Adam Kadmon, en betekende de ‘ene (zoon) van de goddelijke vader, of de schepper’, want de woorden ‘am’ en ‘om’ betekenden eens in bijna elke taal het goddelijke of de godheid. Zo gingen Adam Kadmon en Adam-Adami betekenen: ‘De eerste emanatie van de vader-moeder of de goddelijke natuur’, en letterlijk ‘de eerste goddelijke’. En het is gemakkelijk te zien dat Ad-Argat (of Aster’t, de Syrische godin, de echtgenote van Ad-on, de heer god van Syrië of de joodse Adonai), en Venus, Isis, Ister, Mylitta, Eva, enz., identiek zijn met de Aditi en Vach van de hindoes. Ze zijn allen de ‘moeders van al het levende’ en ‘van de goden’. Aan de andere kant – kosmisch en astronomisch beschouwd – werden alle mannelijke goden eerst ‘zonnegoden’ en dan theologisch de ‘zonnen van rechtschapenheid’ en de logoi, alle gesymboliseerd door de zon31. Ze zijn allen protogonoi (de eerstgeborenen) en mikroprosopoi. Bij de Joden was Adam Kadmon dezelfde als Athamaz, Tamaz, of de Adonis van de Grieken – ‘de Ene met en van zijn vader’ – de ‘vader’ die tijdens de latere Rassen Helios, de zon werd; als Apollo Karneios32 bijvoorbeeld, die de ‘zongeborene’ was; Osiris, Ormazd, enzovoorts, werden allen gevolgd door en later veranderd in nog meer aardse typen, zoals Prometheus, de gekruisigde van de berg Kazbek, Hercules, en zo vele anderen, zonnegoden en helden, totdat zij allen geen hogere betekenis meer hadden dan fallische symbolen.
     In de Zohar wordt gezegd: ‘De mens werd geschapen door de sephiroth (ook Elohim-Javeh) en zij verwekten met vereende krachten de aardse Adam.’ Daarom zeggen de Elohim in Genesis: ‘Zie, de mens is geworden als een van ons.’ Maar in de kosmogonie of ‘schepping’ van de hindoes schept Brahma-Prajapati Viraj en de rishi’s geestelijk; daarom worden de laatstgenoemden uitdrukkelijk ‘de uit het denkvermogen geboren zonen van Brahma’ genoemd; en deze speciale manier van voortbrengen sloot elke gedachte aan fallisme uit, in ieder geval bij de oudere volkeren. Dit voorbeeld geeft een goede illustratie van de verschillende mate van spiritualiteit van de beide volkeren.

 

      3. DE ‘HEER VAN HET STRALENDE GEZICHT’ ZEI: ‘IK ZAL U EEN VUUR ZENDEN WANNEER UW WERK IS BEGONNEN. VERHEF UW STEM TOT ANDERE LOKA’S; WEND U TOT UW VADER, DE HEER VAN DE LOTUS (Kumuda-Pati) (a), OM ZIJN ZONEN . . . . UW VOLK ZAL ONDER HET BESTUUR VAN DE VADEREN (Pitri-pati) STAAN. UW MENSEN ZULLEN STERVELINGEN ZIJN. DE MENSEN VAN DE HEER VAN WIJSHEID (Budha, Mercurius), NIET DE ZONEN VAN SOMA (de Maan), ZIJN ONSTERFELIJK. STAAK UW KLACHTEN (b). UW ZEVEN HUIDEN ZIJN NOG OP U . . . . GIJ ZIJT NIET GEREED. UW MENSEN ZIJN NIET GEREED (c).’

     (a) Kumuda-pati is de maan, de ouder van de aarde, in haar gebied van soma-loka. Hoewel de pitri’s (pitar of ‘vaders’) zonen van de goden zijn, en elders zonen van Brahma en zelfs rishi’s worden genoemd, staan ze algemeen bekend als de ‘maan’voorvaderen.

     (b) Pitri-pati is de heer of koning van de pitri’s, Yama, de god van de dood en de rechter over de stervelingen. De mensen van Budha (Mercurius) zijn overdrachtelijk gesproken onsterfelijk door hun wijsheid. Dit wordt geloofd door allen die aannemen dat elke ster of planeet wordt bewoond. (En er zijn geleerden – onder anderen, Flammarion – die hierin vurig geloven, zowel op logische als op sterrenkundige gronden.) Omdat de maan lager in rang is dan zelfs de aarde, om nog maar niets te zeggen over andere planeten, kunnen de aardse mensen die door haar zonen – de maanmensen of ‘voorvaderen’ – uit haar omhulsel of lichaam werden voortgebracht, niet onsterfelijk zijn. Zij kunnen niet hopen werkelijke, zelfbewuste en intelligente mensen te worden, tenzij ze door andere scheppers, om zo te zeggen, worden voltooid. In de puranische legende is de zoon van de maan (Soma) daarom Budha (Mercurius), ‘de intelligente’ en de wijze, omdat hij de afstammeling is van Soma, de ‘heerser’ van de zichtbare maan, niet van Indu, de stoffelijke maan. Mercurius is dus in overdrachtelijke zin de oudere broer van de Aarde – als het ware haar stiefbroer, de afstammeling van de geest – terwijl zij (de Aarde) het nageslacht van het lichaam is. Deze allegorieën hebben een sterrenkundig en geologisch diepere en meer wetenschappelijke betekenis dan onze hedendaagse natuurkundigen willen toegeven. De hele cyclus van de ‘eerste oorlog in de hemel’, de taraka-maya, is even vol filosofische als kosmogonische en sterrenkundige waarheden. Men kan daarin de biografieën van alle planeten nagaan aan de hand van de geschiedenis van hun goden en heersers. Usanas (Sukra of Venus), de boezemvriend van Soma en de vijand van Brihaspati (Jupiter), de leraar van de goden, van wie de vrouw Tara (of Taraka) was weggevoerd door de Maan, Soma, – ‘bij wie hij Budha verwekte’ – nam ook actief deel aan deze oorlog tegen ‘de goden’ en werd onmiddellijk verlaagd tot een demonische (Asura) godheid, wat hij tot heden is gebleven33.
     Het woord ‘mensen’ heeft hier betrekking op de hemelse mensen, of op hen die in India de PITAR of pitri’s worden genoemd, de vaders of voorouders van de mensen. De schijnbare moeilijkheid – met het oog op de moderne hypothesen – die een gevolg is van de leer, dat deze voortbrengers of voorvaderen de eerste menselijke Adams uit hun zijden hebben geschapen als astrale schaduwen, wordt hierdoor niet weggenomen. En hoewel het een verbetering is vergeleken met de rib van Adam, zullen toch nog geologische en klimatologische moeilijkheden naar voren worden gebracht. Dit is evenwel de leer van het occultisme.

     (c) Het organisme van de mens was bij elk ras aan zijn omgeving aangepast. Het eerste Wortelras was even etherisch als het onze stoffelijk is. Het nageslacht van de zeven scheppers, die de zeven oorspronkelijke Adams ontwikkelden34, had beslist geen gezuiverde gassen nodig om te ademen en te leven (zie Afd. III van dit deel). Daarom, met hoeveel klem de volgelingen van de moderne wetenschap de onmogelijkheid van deze leer ook betogen, de occultist houdt vol dat de situatie was zoals wij hebben uiteengezet, en wel reeds eonen van jaren vóór de evolutie van de Lemuriër, de eerste stoffelijke mens, die 18.000.000 jaar geleden plaatshad35.
     De voorafgaande evolutie wordt in een van de BOEKEN VAN DZYAN en de Toelichtingen daarop als volgt beschreven:
     De archaïsche geschriften leren dat bij het begin van elke plaatselijke kalpa of Ronde, de aarde wordt herboren; ‘evenals de menselijke jiva (monade), wanneer deze overgaat in een nieuwe schoot, opnieuw wordt bekleed met een nieuw lichaam, zo gebeurt dit ook met de jiva van de aarde; hij krijgt bij elke Ronde, nadat hij weer uit de schoot van de ruimte tot objectiviteit is gekomen, een volmaakter en steviger bedekking’ (Toelichting). Dit proces gaat natuurlijk gepaard met de weeën van de nieuwe geboorte, of met geologische schokken.
De enige verwijzing hiernaar bevindt zich in één vers van het deel van het vóór ons liggende Boek van Dzyan; dit zegt:

 

      4. NA HEVIGE PIJNEN WIERP ZIJ (de Aarde) HAAR DRIE OUDE HUIDEN AF EN TROK HAAR ZEVEN NIEUWE AAN, EN STOND IN HAAR EERSTE (a).

     (a) Dit heeft betrekking op de groei van de aarde, terwijl in de stanza die over de eerste Ronde gaat, wordt gezegd (in de Toelichting):
     ‘Nadat de onveranderde (avikara) onveranderlijke natuur (essentie, sadaikarupa) was ontwaakt en veranderd (gedifferentieerd) in (een toestand van) causaliteit (avayakta), en van oorzaak (karana), haar eigen gevolg (vyakta) was geworden, werd zij van onzichtbaar, zichtbaar. Het kleinste van het kleine (het meest atomaire van de atomen, of aniyamsam aniyasam) werd één en het vele (ekanekárupa); en terwijl het het Heelal voortbracht, bracht het ook de vierde loka (onze aarde) voort in de bloemenkrans van de zeven lotussen. De achyuta werd toen de chyuta36.’
     Van de aarde wordt gezegd dat zij haar drie oude huiden afwerpt; dit heeft betrekking op de drie voorafgaande Ronden die zij al heeft doorlopen. De tegenwoordige Ronde is de vierde van de zeven. Bij het begin van elke nieuwe RONDE, na een periode van ‘verduistering’, werpt de aarde (evenals de andere zes ‘aarden’) haar oude huiden af – of wordt verondersteld dit te doen – evenals de slang: daarom noemt men haar in de Aitareya-Brahmana de sarpa rajni, ‘de koningin van de slangen’ en ‘de moeder van alles wat beweegt’. De ‘zeven huiden’, in de eerste waarvan zij nu staat, hebben betrekking op de zeven geologische veranderingen die de evolutie van de zeven Wortelrassen van de mensheid vergezellen en daarmee overeenkomen.
     Stanza II, die over deze Ronde spreekt, begint met een paar gegevens over de ouderdom van onze aarde. De chronologie ervan zal op een geschikte plaats worden behandeld. In de Toelichtingen die aan de stanza’s zijn toegevoegd, worden twee personen genoemd: Narada en Asura Maya, vooral deze laatste. Alle berekeningen worden aan deze archaïsche beroemdheid toegeschreven; en in wat volgt zal de lezer oppervlakkig met enkele van deze getallen worden bekendgemaakt.

 

Noten:

  1. Alle woorden en zinnen tussen haakjes in de stanza’s en de toelichtingen zijn van de schrijfster. Op sommige plaatsen zijn ze vanuit hindoestandpunt misschien onvolledig en zelfs ontoereikend; maar in de betekenis die de esoterie van de Trans-Himalaja eraan hecht, zijn ze juist. In ieder geval neemt de schrijfster alle schuld op zich. Omdat zij nooit aanspraak heeft gemaakt op persoonlijke onfeilbaarheid, kan wat zij op haar eigen gezag geeft, veel te wensen overlaten in de heel duistere gevallen waarbij het om een te diepe metafysica gaat. De leer wordt gegeven zoals wij haar begrijpen; en omdat er op elk symbool en elke allegorie zeven sleutels van interpretatie passen, zal dat wat misschien geen passende betekenis heeft, zeg vanuit psychologisch of sterrenkundig gezichtspunt, volkomen juist blijken te zijn vanuit fysisch of metafysisch gezichtspunt.
  2. Volgens de geleerde definitie van dr. A. Wilder is genesis, γένεσιϛ, niet voortplanting, maar ‘een komen uit het eeuwige naar de Kosmos en de Tijd’: ‘een komen van esse tot existere’, of ‘van HET ZIJN tot het zijnde’ – zoals een theosoof zou zeggen.
  3. Voor een duidelijker uitleg van de grondbeginselen, die voorkomen in de esoterie van de Bhagavad Gita, zie de aantekeningen daarover in de ‘Theosophist’ van februari, maart en juni 1887, Madras.
  4. J.W. Alden, New York.
  5. Er is herhaaldelijk gezegd dat de slang het symbool van wijsheid en van occulte kennis is. ‘Vanaf de vroegste tijden waarover we historische kennis bezitten, is de slang in verband gebracht met de god van wijsheid’, schrijft Staniland Wake. ‘Dit dier was het bijzondere symbool van Thot of Taut . . . en van al die goden, zoals Hermes (?) en Seth, die met hem in verband kunnen worden gebracht. Dit is ook de oorspronkelijke Chaldeeuwse triade Hea of Hoa.’ Volgens Sir Henry Rawlinson hebben de belangrijkste benamingen van deze godheid betrekking op ‘zijn functies als de bron van alle kennis en wetenschap’. Niet alleen is hij ‘de intelligente vis’, maar zijn naam kan worden gelezen in de betekenis van zowel ‘leven’ als slang (een ingewijde adept), en hij kan worden beschouwd als ‘afgebeeld door de grote slang, die een zo in het oog lopende plaats inneemt onder de symbolen van de goden op de zwarte stenen waarop de Babylonische weldaden zijn vastgelegd’. Aesculapius, Serapis, Pluto, Knoum en Kneph zijn allen godheden met de attributen van de slang. Dupuis zegt: ‘Ze zijn allen genezers, schenkers van geestelijke en lichamelijke gezondheid en van verlichting.’ De uit een adder gevormde kroon, de thermuthis, behoort aan Isis, de godin van leven en genezing. De Upanishads bevatten een verhandeling over de wetenschap van de slangen, met andere woorden, de wetenschap van de occulte kennis; en de naga’s van de exoterische boeddhist zijn niet ‘de fabelachtige schepselen met de natuur van slangen . . . wezens verheven boven de mens en de beschermers van de wet van Boeddha’, zoals Schlagintweit gelooft, maar echte levende mensen, sommigen hoger staand dan de mens krachtens hun occulte kennis; ze zijn de beschermers van de wet van Boeddha, omdat ze zijn metafysische leerstellingen juist interpreteren, terwijl anderen moreel lager staan, omdat ze zwarte magiërs zijn. Daarom is terecht verklaard dat Gautama Boeddha ‘zoals wordt gezegd, hun een meer filosofisch religieus stelsel heeft onderwezen dan aan de mensen, die in de tijd van zijn verschijnen niet voldoende waren gevorderd om het te begrijpen’. (Schlagintweit, ‘Tibetan Buddhism’.)
  6. De mandragora is de alruin van de bijbel, van Rachel en Lea. Het zijn de wortels van een plant, vlezig, harig, en van onderen gevorkt, die ruwweg de ledematen van een mens, het lichaam en zelfs een hoofd voorstellen. De magische en geheimzinnige eigenschappen ervan zijn sinds de oudste tijden in fabel en spel verkondigd. Vanaf Rachel en Lea, die zich ermee overgaven aan hekserij, tot Shakespeare toe, die spreekt over het gekrijs

         . . . ‘Als van alruinen, ontrukt aan de aarde
         Dat levende stervelingen, die het horen, waanzinnig maakt’

    was de alruin de magische plant bij uitstek.
         Deze wortels, zonder stengel en met grote bladeren die groeien uit de top van de wortel, als een reusachtige haardos, vertonen weinig overeenkomst met de mens, tenminste als ze in Spanje, Italië, Klein-Azië of Syrië worden gevonden. Maar op het eiland Kreta en in Karamania bij de stad Adan hebben ze een wonderlijk menselijke vorm en staan ze hoog aangeschreven als amuletten. Ze worden ook door vrouwen gedragen als tovermiddel tegen onvruchtbaarheid en voor andere doeleinden. Ze zijn vooral effectief bij de zwarte magie.
  7. Copernicus beschreef zijn theorieën over de ‘omwenteling van de hemellichamen’ in de XVIde eeuw, en de Zohar, zelfs al is deze samengesteld door Mozes de Leon in de XIIIde eeuw, zegt: ‘Uit het boek van Hammannunah de Oude vernemen wij . . . dat de aarde om zichzelf draait in de vorm van een cirkel; dat sommigen zich bovenop, en anderen zich aan de onderkant bevinden . . . dat er sommige landen zijn die verlicht worden, terwijl andere in duisternis zijn; voor deze is het dag, als het voor de eerstgenoemde nacht is; en er zijn landen waar het voortdurend dag is, of tenminste waar de nacht slechts enige ogenblikken duurt.’ (Zohar iii, fol. 10a ‘Qabbalah’, blz. 139.)
  8. Noot vert. Fargard betekent ‘hoofdstuk met verzen in de Vendidad van de Parsi’s’.
  9. De wetenschap leert dat Venus van de zon twee keer zoveel licht en warmte ontvangt als de aarde. Daarom zegt men dat de planeet, de voorbode van de dageraad en van de schemering, de helderste van alle planeten, aan de aarde een derde geeft van wat zij ontvangt, en twee delen voor zichzelf heeft. Dit heeft zowel een occulte als een sterrenkundige betekenis.
  10. ‘Zoals boven, zo ook beneden’ is het grondaxioma van de occulte filosofie. Omdat de logos zevenvoudig is, d.w.z. door heel de Kosmos verschijnt als zeven logoi in zeven verschillende vormen of, zoals geleerde brahmanen verkondigen, ‘elk van deze de centrale figuur is van een van de zeven hoofdafdelingen van de oude wijsheidsreligie’; en omdat de zeven beginselen die corresponderen met de zeven verschillende toestanden van prajna of bewustzijn, in verband staan met de zeven toestanden van de stof en de zeven vormen van kracht, moet de verdeling dezelfde zijn in alles wat de aarde betreft.
  11. Venus is dus , de Aarde .
  12. In de esoterische filosofie is zij mannelijk en vrouwelijk, of hermafrodiet; vandaar de Venus met de baard in de mythologie.
  13. Daarom is, afgezien van het religieus-metafysische aspect, het kruis van de christenen als symbool veel meer fallisch dan de heidense swastika.
  14. Het ansatakruis is het astronomische planeetteken van Venus, ‘dat het bestaan van een voortbrengingsvermogen in seksuele zin aanduidt, en dit was een van de attributen van Isis, de moeder, van Eva, Hauvah, of moeder-aarde, en werd door alle oude volkeren op een of andere manier erkend en tot uitdrukking gebracht’. (Uit een modern kabbalistisch handschrift.)
  15. Athenaeus toont aan dat de eerste letter van de naam Satan vroeger werd voorgesteld door een boog en halve maan; en sommige rooms-katholieken, goede en vriendelijke mensen, willen het publiek laten geloven dat de mohammedanen de halve maan als wapen van hun volk hebben gekozen ter ere van de halvemaanvormige horens van Lucifer. Sinds het instellen van de rooms-katholieke dogmatiek werd Venus altijd geïdentificeerd met Satan en Lucifer of de grote draak, tegen alle rede en logica in. Zoals de kenners van de symboliek en de astronomen hebben aangetoond, had het verband tussen de slang en het denkbeeld van duisternis een sterrenkundige basis. De stand die het sterrenbeeld de Draak in een bepaalde tijd innam, gaf aan dat de grote slang over de nacht heerste. Dit sterrenbeeld stond vroeger precies in het midden van de hemel, en is zo omvangrijk, dat het de Grote Draak werd genoemd. Zijn lichaam strekt zich uit over zeven tekens van de Dierenriem; en Dupuis – ’die’, zoals Staniland Wake zegt, ‘in de draak van de Openbaring een verwijzing ziet naar de hemelse slang’ – merkt op dat ‘het niet verwonderlijk is dat een zo omvangrijk sterrenbeeld door de schrijver van dat boek werd voorgesteld als een grote draak met zeven koppen, die het derde deel van de sterren van de hemel trok en ze op aarde wierp’ (Dupuis, deel III, blz. 255). Maar Dupuis heeft nooit geweten waarom Draco, eens de poolster – het symbool van ‘gids’, goeroe en leider – door het nageslacht zo werd verlaagd. ‘De goden van onze vaderen zijn onze duivels’, zegt een Aziatisch spreekwoord. Toen Draco ophield de leid-ster, de leidende siderische godheid te zijn, deelde hij het lot van alle gevallen goden. Seth en Typhon was eens, zoals Bunsen ons mededeelt, ‘een grote god die in heel Egypte algemeen werd aanbeden en die aan de vorsten van de 18de en de 19de dynastie de symbolen van leven en macht verleende. Maar later, tijdens de 20ste dynastie, werd hij plotseling behandeld als een kwade demon, zó zelfs, dat zijn beeltenis en zijn naam werden verwijderd van alle monumenten en opschriften die men kon bereiken.’ De echte occulte reden zal in deze bladzijden worden gegeven.
  16. Sukra is de zoon van Bhrigu, de grote rishi, en een van de zeven prajapati, de stichter van het ras van de Bhargava’s, waarin Parasu Rama is geboren.
  17. Dit is in lijnrechte tegenspraak met Swedenborg, die op ‘de eerste Aarde van de astrale wereld’ bewoners zag, gekleed als boeren in Europa; en op de vierde Aarde vrouwen, gekleed als herderinnen op een bal masqué. Zelfs de beroemde sterrenkundige Huygens verkeerde in de onjuiste mening dat er op andere werelden en planeten precies dezelfde wezens zijn als op onze Aarde, met dezelfde gestalten, zintuigen, verstandelijke vermogens, kunsten, wetenschappen, woningen en zelfs met hetzelfde weefsel voor hun kleding! (Théorie du Monde). Voor een duidelijker begrip van de bewering dat de Aarde ‘de nakomeling van de Maan is’, zie Deel I, Stanza VI.
  18. Dit is een moderne opvatting. Deze wordt bij de oude Toelichtingen gevoegd voor het betere begrip van die leerlingen die de esoterische kosmogonie bestuderen na een westerse studie te hebben volbracht. De eerdere opmerkingen zijn te rijk aan adjectieven en zegswijzen om gemakkelijk te kunnen worden opgenomen.
  19. ‘Aan de andere kant van’ de grote bergketen betekent in ons geval India, omdat dit voor het Cis-Himalaja gebied [d.i. o.a. Tibet. Vert.], het Trans-Himalaja gebied vormt.
  20. De term pitri’s wordt door ons in deze sloka’s gebruikt om het begrijpen ervan te vergemakkelijken, maar in de oorspronkelijke stanza’s wordt het woord niet op deze manier gebruikt; de ‘pitri’s’ hebben daar hun eigen benamingen, en ook die van ‘vaders’ en ‘voorouders’.
  21. Het is onjuist om de verering van de menselijke bodhisattva’s of Manjusri letterlijk op te vatten. Het is waar dat de Mahayanaschool exoterisch leert ze zonder onderscheid te aanbidden, en dat Huien-Tsang spreekt over sommige leerlingen van Boeddha die worden vereerd. Maar esoterisch is het niet de leerling of de geleerde Manjusri persoonlijk, die eerbewijzen ontving, maar de goddelijke bodhisattva’s en Dhyani-Boeddha’s die de menselijke vormen bezielden (Amilakha, zoals de Mongolen zeggen).
  22. De schrijver van dit boek is Augustus Le Plongeon. Hij en zijn vrouw zijn in de Verenigde Staten goed bekend wegens hun onvermoeibaarheid bij hun werk in Midden-Amerika. Zij ontdekten het graf van de koninklijke Kan Coh in Cichen-Itza. De schrijver schijnt te geloven en probeert te bewijzen, dat de esoterische kennis van de Ariërs en de Egyptenaren aan de Maya’s was ontleend. Maar hoewel de Maya’s ongetwijfeld tijdgenoten waren van Plato’s Atlantis, behoorden zij tot het vijfde continent, dat werd voorafgegaan door Atlantis en Lemurië.
  23. Deze zeven grotten, zeven steden, enz., stellen telkens de zeven centra of gebieden voor waarop de zeven oorspronkelijke groepen van het eerste Wortelras werden geboren.
  24. De afbeelding wordt weergegeven op blz. 134 van de ‘Sacred Mysteries of the Mayas and Quiches’.
  25. Zie ‘Source of Measures’, blz. 50 tot 53 en ook Deel II, Afdeling 2.
  26. Zie ‘Masonic Review’, Cincinnati, juni 1886, Art. Kabala No. 6.
  27. Zie ‘Isis Ontsluierd’, Deel II, blz. 300 e.v. (Engelse uitgave) voor een bewijs van de ouderdom van het tientallige stelsel.
  28. Zie ‘Source of Measures’, blz. 276 e.v., Aanh. VII.
  29. In het ‘Book Al-Chazari’ door Jehuda-ha-Levi, vertaald door dr. D. Cassell.
  30. De benaming Ak-ad (of Akkadiërs) is van dezelfde klasse als Ad-m, Ha-va (Eva), Aed-en (Eden); Ak-Ad betekent ‘zoon van Ad’ (zoals de zonen van Ad in het oude Arabië). Ad-ad, de ‘Enige’ en de eerste, was de Ad-on of ‘Heer’ van Syrië en de echtgenoot van Ad-ar-gat of Aster’t, de Syrische godin. En Gan-Aeden (Eden) of Gandunia was Babylonië en Mesopotamië. In het Assyrisch betekende Ak schepper; de letter K werd gutturaal uitgesproken als Kh (Ah). Volgens de mystiek van Swedenborg was Adam geen mens, maar een kerk (?) van oorspronkelijk licht. In de Veda’s is Ad-iti het oorspronkelijke licht, het akasa van de wereld van verschijnselen.
  31. Adam-Jehova, Brahma en Mars zijn in zekere zin identiek; ze zijn allen symbolen voor de oorspronkelijke of eerste voortbrengende krachten, met als doel de menselijke voortplanting. Adam is rood, evenals Brahma-Viraj en Mars – de god en de planeet. Water is het bloed van de Aarde; daarom zijn al deze namen verbonden met aarde en water. ‘Er is aarde en water nodig om een menselijke ziel te scheppen’, zegt Mozes. Mars is identiek met Kartikeya, de god van de oorlog (in één betekenis) – deze god is geboren uit het zweet van Siva, Siva Gharmaja en de Aarde. Volgens het Mahabharata is hij geboren zonder tussenkomst van een vrouw. En hij wordt ook ‘Lohita’, de rode, genoemd, evenals Adam en de andere ‘eerste mensen’. De schrijver van ‘The Source of Measures’ heeft dus volkomen gelijk als hij denkt dat Mars (en alle andere goden met soortgelijke attributen), ‘als de god van de oorlog en van het bloedvergieten, slechts een secundair denkbeeld was, dat voortkwam uit het oorspronkelijke denkbeeld van het vergieten van bloed bij de eerste conceptie’. Daarom werd Jehova later een strijdende god, ‘Heer der Heerscharen’, die oorlog gebiedt. Hij is de agressieve Zodh – of door permutatie Kaïn, die zijn (vrouwelijke) ‘broederdoodsloeg, van wie het ‘bloed vanaf de aardbodem roept’, want de aarde had haar mond geopend om het bloed te ontvangen. (Genesis iii.)
  32. Apollo Karneios is beslist een Griekse transformatie van de Krishna Karna van de hindoes. ‘Karna’ betekent stralend, van ‘carne’, ‘een straal’, en Karneios, dat zowel bij de Kelten als bij de Grieken een titel van Apollo was, betekende ‘zongeborene’.
  33. Usanas-Sukra of Venus is natuurlijk onze ‘Lucifer’, de morgenster. De vindingrijkheid van deze allegorie met haar vele betekenissen is inderdaad groot. Zo is Brihaspati (de planeet Jupiter) of Brahmanaspati in de Rig Veda een godheid die het symbool en het prototype is van de exoterische of rituele eredienst. Hij is de offerpriester, de smekeling en de middelaar door wie de gebeden van de stervelingen de goden bereiken. Hij is de purohita (familiepriester of hofprediker) van de hindoe-Olympus en de geestelijke goeroe van de goden. Soma is de mysteriegod en heerst over de mystieke en occulte natuur in de mens en het Heelal. Tara, de vrouw van de priester, die de aanbidder symboliseert, geeft de voorkeur aan de esoterische waarheden boven hun omhulsel, de exoterie; daarom stelt men haar voor als weggevoerd door Soma. Soma is het heilige sap van die naam, dat mystieke visioenen en openbaringen in trance schenkt; het gevolg van die vereniging is Budha (wijsheid), Mercurius, Hermes, enz.; kortom die wetenschap die tot vandaag toe door de Brihaspati’s van de theologie voor duivels en satanisch wordt uitgemaakt. Geen wonder dat, als de kring van deze allegorie wordt verruimd, we zien dat de christelijke theologie de twist van de hindoe-goden tot de hare maakt, en dat zij Usanas (Lucifer), die Soma hielp tegen die oude personificatie van de rituele eredienst (Brahmanaspati, de heer van de brahmanen, die nu ‘Jupiter-Jehova’ is geworden), beschouwt als SATAN, de ‘vijand van God’!
  34. Zoals elders is aangetoond, is alleen de ‘hemelse mens’, Adam Kadmon van het eerste hoofdstuk van Genesis, gemaakt ‘naar het beeld en de gelijkenis van God’. Van de Adam van hoofdstuk ii wordt niet gezegd dat hij werd gemaakt naar dat beeld en ook niet naar de goddelijke gelijkenis, vóór hij at van de verboden vrucht. De eerste Adam is de menigte van de sephiroth; de tweede Adam is het verstandeloze eerste menselijke Wortelras; de derde Adam is het ras dat zich scheidde en van wie de ogen werden geopend.
  35. Voor een bespreking van de wetenschappelijke bezwaren tegen de hier genoemde opvattingen en getallen wordt de lezer verwezen naar de Aanhangsels, die Afdeling III van dit deel vormen.
  36. Achyuta is een bijna onvertaalbare term. Het betekent dat wat niet onderhevig is aan val of verandering ten kwade, het niet-vallende, en het is het tegenovergestelde van chyuta, ‘het gevallene’. De Dhyani’s die incarneren in de menselijke vormen van het derde Wortelras en hun het verstand (manas) schenken, worden de chyuta genoemd, want zij vallen in de voortplanting.

De Geheime Leer 2:23-51

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag