Aanvullende fragmenten uit een toelichting

op de verzen van stanza 12


   Het handschrift waaraan deze aanvullende verklaringen zijn ontleend, behoort tot de groep ‘Tongshaktchi Sangye Songa’ of de verslagen van de ‘vijfendertig Boeddha’s van Belijdenis’, zoals zij exoterisch worden genoemd. Deze personen kunnen echter, hoewel zij in de noordelijke boeddhistische religie ‘Boeddha’s’ worden genoemd, evengoed als Rishi’s of Avatars, enz., worden aangeduid, omdat zij alleen voor de noordelijke volgelingen van de door Gautama gepredikte ethiek ‘Boeddha’s zijn die aan Sakyamuni voorafgingen’. Deze grote Mahatma’s of Boeddha’s zijn universeel en gemeenschappelijk eigendom; het zijn historische wijzen – althans voor alle occultisten die in zo’n hiërarchie van wijzen geloven; en het bestaan daarvan is hun bewezen door de geleerden van de Broederschap. Zij worden gekozen uit ongeveer zevenennegentig Boeddha’s in één groep en drieënvijftig in een andere1, meestal denkbeeldige personen, die in werkelijkheid de personificaties zijn van de krachten van eerstgenoemden2. Deze ‘manden’ met de oudste geschriften op ‘palmbladeren’ worden heel geheim gehouden. Aan elk handschrift is een kort overzicht toegevoegd van de geschiedenis van het onderras waartoe die bepaalde ‘Boeddha-Lha’ behoorde. Het ene bijzondere handschrift waaraan de hierna volgende fragmenten zijn ontleend en vervolgens in een meer begrijpelijke taal zijn omgezet, is naar men zegt overgenomen van stenen tafels die behoorden aan een Boeddha uit de begintijd van het vijfde Ras, die getuige was geweest van de zondvloed en het verzinken van de belangrijkste continenten van het Atlantische ras. De dag waarop men zal ontdekken dat veel, zo niet alles, van wat hier uit de archaïsche geschriften wordt gegeven, juist is, is niet ver meer. Dan zullen de kenners van de symboliek de zekerheid krijgen dat zelfs Odin of de god Wodan, de hoogste god in de Germaanse en Scandinavische mythologie, een van deze vijfendertig Boeddha’s is; en wel een van de eersten, want het continent waartoe hij en zijn ras behoorden, is ook een van de eerste. Het is inderdaad zo oud dat men in de tijd toen er een tropisch klimaat heerste waar nu eeuwige sneeuw ligt, vrijwel over droog land van Noorwegen via IJsland en Groenland kon oversteken naar de landen die nu de Hudson Baai omringen3. Evenals in de bloeitijd van de Atlantische reuzen, de zonen van de ‘reuzen uit het oosten’, kon een pelgrim een reis maken van wat in onze tijd de Saharawoestijn wordt genoemd, naar de landen die nu in droomloze slaap op de bodem van de Golf van Mexico en de Caribische Zee liggen. Gebeurtenissen die nooit anders dan in het menselijke geheugen zijn opgetekend, maar die nauwgezet van de ene generatie aan de andere en van ras tot ras werden overgedragen, zijn misschien ontelbare eeuwen lang door voortdurende overbrenging ‘binnen het boekdeel van het brein’ met meer waarheid en nauwkeurigheid bewaard gebleven dan in enig geschreven document of overlevering mogelijk was. ‘Wat deel uitmaakt van onze ziel, is eeuwig’, zegt Thackeray; en wat kan onze ziel nader zijn dan wat gebeurt bij de dageraad van ons leven? Die levens zijn talrijk, maar de ziel of geest die ons tijdens die duizenden bestaansvormen bezielt, is dezelfde; en hoewel ‘het boekdeel’ van het stoffelijke brein gebeurtenissen binnen het kader van één aards leven kan vergeten, kan het grootste deel van de collectieve herinneringen de goddelijke ziel in ons nooit verlaten. Haar gefluister kan te zacht zijn, de klank van haar woorden te ver verwijderd van het gebied dat door onze stoffelijke zintuigen wordt waargenomen; maar de schaduw van gebeurtenissen uit het verleden, evengoed als de schaduw van de gebeurtenissen die nog moeten komen, valt binnen haar waarnemingsvermogen en is altijd voor haar geestesoog aanwezig.
   Het is misschien deze zielenstem die aan hen, die meer in de overlevering geloven dan in de geschreven geschiedenis, zegt dat wat hieronder wordt meegedeeld, allemaal waar is en slaat op voorhistorische feiten.
   In één passage staat het volgende:
   ‘DE KONINGEN VAN HET LICHT ZIJN TOORNIG HEENGEGAAN. DE ZONDEN VAN DE MENSEN ZIJN ZO ZWART GEWORDEN DAT DE AARDE IN DOODSANGST SIDDERT . . . DE AZUURBLAUWE ZETELS BLIJVEN LEEG. WIE VAN DE BRUINE, WIE VAN DE RODE DAN WEL VAN DE ZWARTE (rassen) KAN ZITTEN OP DE ZETELS VAN DE GEZEGENDEN, DE ZETELS VAN KENNIS EN GENADE! WIE KAN DE BLOEM VAN DE MACHT AANVAARDEN, DE PLANT MET DE GOUDEN STENGEL EN DE AZUURBLAUWE BLOESEM?’
   De ‘koningen van het licht’ is de naam die men in alle oude geschriften geeft aan de vorsten van goddelijke dynastieën. De ‘azuurblauwe zetels’ worden in bepaalde documenten vertaald met ‘hemelse tronen’. De ‘bloem van de macht’ is nu de lotus; wat zij in die periode kan zijn geweest, wie zal het zeggen?
   Vervolgens beweent de schrijver, evenals de latere Jeremia, het lot van zijn volk. Zij waren beroofd van hun ‘azuurblauwe’ (hemelse) koningen; en ‘zij met de deva kleur’, de maanachtige gelaatskleur, en ‘zij met het stralende (gouden) gezicht’ zijn gegaan ‘naar het land van de gelukzaligheid, het land van metaal en vuur’; of – in overeenstemming met de regels van de symboliek – naar de landen die in het noorden en oosten liggen, vanwaar ‘de grote wateren zijn weggevaagd, ingezogen door de aarde en verspreid in de lucht’. De wijze rassen hadden ‘de zwarte stormdraken, omlaag geroepen door de draken van wijsheid’, waargenomen – en ‘waren gevlucht, geleid door de stralende beschermers van het meest voortreffelijke land’ – vermoedelijk de grote adepten uit de oudheid, die door de hindoes Manu’s en Rishi’s worden genoemd. Een van hen was Vaivasvata Manu.
   Zij ‘met de gele kleur’ zijn de voorvaderen van degenen die de etnologie nu rekent tot de Turaniërs, de Mongolen, Chinezen en andere oude volkeren; en het land waarheen zij vluchtten, was geen ander dan Midden-Azië. Daar werden heel nieuwe rassen geboren; daar leefden en stierven zij tot de scheiding van de volkeren. Maar deze ‘scheiding’ vond niet plaats in de streken die de moderne wetenschap ervoor aangeeft, en ook niet op de manier waarop volgens Max Müller en andere indologen de Ariërs zich hebben verdeeld. Bijna twee derde van een miljoen jaar zijn sinds die periode verstreken. De reuzen met de gele gezichten van de na-Atlantische tijd hadden, gedurende deze gedwongen afzondering in één deel van de wereld, met het bloed van een en hetzelfde ras, zonder enige verse toevoeging van of vermenging met ander bloed, tijd genoeg om zich in bijna 700.000 jaar te vertakken tot de meest heterogene en uiteenlopende typen. Hetzelfde ziet men in Afrika; nergens bestaat een uitzonderlijker verscheidenheid van typen, van zwart tot bijna blank, van reusachtige mensen tot dwergachtige rassen; en dit alleen tengevolge van hun gedwongen afzondering. De Afrikanen hebben hun continent honderdduizenden jaren lang nooit verlaten. Indien morgen het continent Europa zou verdwijnen en andere landen in plaats daarvan zouden verrijzen, en indien de Afrikaanse stammen zich van elkaar zouden scheiden en zich over het oppervlak van de aarde zouden verspreiden, dan zouden zij over ongeveer honderdduizend jaar het overgrote deel van de beschaafde volkeren vormen. En de afstammelingen van onze hoogbeschaafde volkeren, die misschien op een of ander eiland zijn blijven voortleven zonder enig middel om de nieuwe zeeën over te steken, zouden terugvallen tot een toestand van betrekkelijke barbaarsheid. Het motief dat wordt gegeven om de mensheid in superieure en inferieure rassen te verdelen, blijkt dus niet houdbaar en wordt een drogreden.
   Zo luiden de verklaringen en de feiten die in de archaïsche verslagen worden gegeven. Als men ze vergelijkt met enkele hedendaagse evolutietheorieën, zonder de natuurlijke selectie (zie ‘Physiological Selection’, door G.J. Romanes, F.R.S.), lijken deze beweringen heel redelijk en logisch4. Terwijl dus de Ariërs de afstammelingen zijn van de gele Adams, het reusachtige en hoogbeschaafde Atlanto-Arische ras, zijn de Semieten – en dus ook de Joden – de afstammelingen van de rode Adam; en zo hebben zowel De Quatrefages als de schrijvers van de mozaïsche Genesis gelijk. Want als men hoofdstuk V van het eerste boek van Mozes zou kunnen vergelijken met de stambomen die men in onze archaïsche bijbel vindt, zou men bemerken dat daarin de periode van Adam tot Noach is opgenomen, natuurlijk onder verschillende namen, waarbij de respectievelijke jaren van de aartsvaders zijn omgezet in tijdperken, en het geheel symbolisch en allegorisch wordt opgevat. In het beschouwde handschrift wordt herhaaldelijk verwezen naar de grote kennis en beschaving van de Atlantische volkeren, en wordt het staatsbestel van verschillende ervan en de aard van hun kunsten en wetenschappen beschreven. Als men over het derde Wortelras, de Lemuro-Atlantiërs, al zegt dat zij ‘met hun hoge beschaving en goden’ zijn verzonken (‘Esoteric Buddhism’, blz. 65), met hoeveel meer recht kan men dan hetzelfde over de Atlantiërs zeggen!
   De eerste Ariërs hebben hun kennis van ‘de verzameling wonderbaarlijke dingen’, de sabha en mayasabha, vermeld in het Mahabharata als geschenk van Mayasur aan de Pandava’s, aan het vierde Ras ontleend. Van hen leerden zij de aviatiek, viwan vidya (de ‘kennis van het vliegen in luchtvaartuigen’) en dus ook hun grote kennis van de meteorografie en de meteorologie. Van hen ook erfden de Ariërs hun heel waardevolle wetenschap van de verborgen krachten van edel- en andere stenen, van de scheikunde of beter de alchemie, van mineralogie, geologie, natuur- en sterrenkunde.
   De schrijfster heeft zich verschillende keren de vraag gesteld: ‘Is het verhaal van Exodus – althans in zijn details – zoals het in het Oude Testament wordt verteld, origineel? Of is het, evenals het verhaal van Mozes zelf en veel andere, eenvoudig een andere versie van de legenden die over de Atlantiërs worden verteld?’ Want wie zal, als hij het verhaal over de laatstgenoemden hoort, de grote overeenkomst in de grondtrekken niet opmerken? De toorn van ‘God’ over de halsstarrigheid van de farao, zijn bevel aan de ‘uitverkorenen’ om vóór hun vertrek de Egyptenaren te beroven van hun ‘sieraden van zilver en sieraden van goud’ (Exod. xi); en tenslotte het verdrinken van de Egyptenaren en hun farao in de Rode Zee (xiv). Want hier is een fragment van het oudere verhaal uit de Toelichting:
   . . . . ‘En de ‘grote koning met het verblindende gezicht’, het hoofd van alle geelgezichten, was bedroefd toen hij de zonden van de zwartgezichten zag.
   ‘Hij zond zijn luchtvaartuigen (viwan) naar al zijn broeder-hoofden (hoofden van andere volkeren en stammen) met vrome mannen erin, en zei: ‘Bereidt u voor. Staat op, gij mannen van de goede wet en steekt het land over terwijl het (nog) droog is’.’
   ‘De Heren van de storm naderen. Hun strijdwagens zijn dicht bij het land. Eén nacht en twee dagen slechts zullen de Heren met het donkere gezicht (de tovenaars) nog leven in dit lijdzame land. Het is gedoemd en zij moeten met dit land ondergaan. De lagere Heren van de vuren (de aardgeesten en vuurelementalen) maken hun magische agneyastra (vuurwapens die werken door magie) gereed. Maar de Heren van het donkere oog (‘boze oog’) zijn sterker dan zij (de elementalen) en ze zijn de slaven van de machtigen. Ze zijn ervaren in ashtar (vidya, de hoogste magische kennis)5. Komt en gebruikt de uwe (d.i. uw magische vermogens, om die van de tovenaars tegen te werken). Laat elke heer met het verblindende gezicht (een adept van de witte magie) ervoor zorgen dat hij de viwan van elke heer met het donkere gezicht in handen (of bezit) krijgt, zodat geen (van de tovenaars) met behulp daarvan aan de wateren kan ontkomen, de roede van de vier (karmische godheden) kan ontlopen en zijn boze (volgelingen) kan redden.’
   ‘Laat elk geelgezicht slaap van zich doen uitgaan (mesmeriseren?) naar elk zwartgezicht. Laten zelfs zij (de tovenaars) pijn en lijden vermijden. Laat iedere mens die trouw is aan de zonnegoden elk mens onder invloed van de maangoden binden (verlammen), opdat hij niet lijdt of aan zijn lot ontkomt.’
   ‘En laat elk geelgezicht zijn levenswater (bloed) geven aan het sprekende dier van een zwartgezicht, opdat hij zijn meester niet wakker maakt6.’
   ‘Het uur heeft geslagen, de zwarte nacht is gereed, enz.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
   ‘Laat hun lot worden vervuld. Wij zijn de dienaren van de grote vier7. Mogen de koningen van het licht terugkeren.’
   ‘De grote koning viel op zijn verblindende gezicht en weende . . .’
   ‘Toen de koningen zich verzamelden, waren de wateren al in beweging gekomen . . .’
   ‘(Maar) de volkeren hadden nu de droge landen overgestoken. Zij waren voorbij de waterlijn. Hun koningen bereikten hen in hun viwans, en leidden hen verder naar de landen van vuur en metaal (het oosten en het noorden).’
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
   In een andere passage wordt gezegd:
   ‘. . . Sterren (meteoren) regenden op de landen van de zwartgezichten; maar zij sliepen.’
   ‘De sprekende dieren (de magische wakers) hielden zich stil.’
   ‘De lagere heren wachtten op bevelen, maar die kwamen niet, want hun meesters sliepen.’
   ‘De wateren stegen en bedekten de dalen van het ene einde van de aarde tot het andere. Hooglanden bleven over, de bodem van de aarde (de landen van de tegenvoeters) bleef droog. Daar woonden degenen die ontkwamen; de mensen met de gele gezichten en met de open blik (de oprechte en eerlijke mensen).’
   ‘Toen de heren met de donkere gezichten ontwaakten en zich hun viwans herinnerden om daarmee te ontkomen aan de stijgende wateren, ontdekten zij dat deze waren verdwenen.’
   In een volgende passage wordt gezegd dat enkelen van de machtigste tovenaars van het ‘donkere gezicht’ – die eerder ontwaakten dan de anderen – diegenen achtervolgden die hen hadden ‘beroofd’ en die in de achterhoede waren, want ‘de volkeren die werden weggevoerd, waren zo talrijk als de sterren van de melkweg’, zegt een modernere Toelichting, die alleen in het Sanskriet is geschreven.
   ‘Zoals een draak-slang zich langzaam ontrolt, zo openden de zonen van de mensen, geleid door de zonen van wijsheid, hun gelederen, verspreidden zich en zetten zich uit als een vlietende stroom zoete wateren . . . veel wankelmoedigen onder hen kwamen onderweg om. Maar de meesten werden gered.’
   Toch jaagden de achtervolgers, ‘van wie het hoofd en de borst hoog boven het water uitstaken’, hen ‘drie maantijden lang’ na, totdat zij tenslotte door de stijgende golven werden bereikt en tot de laatste man omkwamen, terwijl de bodem onder hun voeten wegzonk en de aarde diegenen die haar hadden ontwijd, opslokte.
   Dit komt sterk overeen met het oorspronkelijke materiaal waarop honderdduizenden jaren later een soortgelijk verhaal in Exodus werd gebaseerd. De levensbeschrijving van Mozes, de geschiedenis van zijn geboorte, kinderjaren en redding uit de Nijl door de dochter van de farao, blijkt nu een bewerking te zijn van het Chaldeeuwse verhaal over Sargon. En als dat zo is – en het Assyrische kleitablet in het Brits Museum is er een goed bewijs van – waarom geldt dat dan ook niet voor het verhaal van de Joden die de Egyptenaren van hun kostbaarheden beroofden, voor de dood van de farao en zijn leger, en zo verder? De reusachtige magiërs van Ruta en Daitya, de ‘heren met het donkere gezicht’, zijn misschien in het latere verhaal de Egyptische magiërs geworden, en de geelgezichten van het vijfde Ras de deugdzame zonen van Jakob, het ‘uitverkoren volk’ . . . We moeten nòg een mededeling doen: er zijn verschillende goddelijke dynastieën geweest – een reeks voor elk Wortelras, te beginnen met het derde, waarbij elke reeks overeenkomt met en is aangepast aan haar mensheid. De laatste zeven dynastieën waarnaar in de Egyptische en Chaldeeuwse geschriften wordt verwezen, behoren tot het vijfde Ras, dat niet geheel Arisch was – hoewel het in het algemeen zo wordt genoemd – omdat het voortdurend sterk vermengd is geweest met rassen waaraan de etnologie andere namen geeft. Gezien de beperkte beschikbare ruimte is het onmogelijk verder in te gaan op de beschrijving van de Atlantiërs, in wie het hele oosten evengoed gelooft als wij in de oude Egyptenaren, maar van wie de meerderheid van de westerse geleerden het bestaan ontkent, zoals zij vroeger ook al zoveel waarheden hebben ontkend, van het bestaan van Homerus tot dat van de postduif toe. De beschaving van de Atlantiërs was zelfs hoger dan die van de Egyptenaren. Hun ontaarde afstammelingen, het volk van het Atlantis van Plato, bouwden de eerste piramiden in het land, en ongetwijfeld vóór de komst van de ‘oostelijke Aethiopiërs’, zoals Herodotus de Egyptenaren noemt. Dit volgt uit de verklaring door Ammianus Marcellinus, die over de piramiden zegt dat ‘er ook onderaardse gangen en bochtige schuilplaatsen in zijn die, naar men zegt, door mensen die bedreven waren in de oude mysteriën – door middel waarvan zij de komst van een vloed voorspelden – op verschillende plaatsen zijn gebouwd, opdat de herinnering aan al hun heilige ceremoniën niet verloren zou gaan’.
   Deze mensen, die ‘de komst van vloeden voorspelden’, waren geen Egyptenaren, die nooit vloeden hadden, behalve de periodieke overstromingen van de Nijl. Wie waren zij dan? De laatste overgebleven Atlantiërs, beweren wij. Die rassen waarvan de wetenschap vaag het bestaan vermoedt en waaraan Ch. Gould, de bekende geoloog, denkt als hij zegt: ‘Mogen wij veronderstellen dat we het grote museum van de natuur volledig hebben uitgeput? Zijn we eigenlijk al tot haar voorvertrekken doorgedrongen? Omvat de geschreven geschiedenis van de mens, die zich over een paar duizend jaar uitstrekt, de hele duur van zijn verstandelijke bestaan? Of bezitten we in de lange mythische tijdperken, die honderdduizenden jaren beslaan en die zijn opgetekend in de chronologieën van Chaldea en van China, vage herinneringen aan de voorhistorische mens, die door de overlevering zijn doorgegeven en misschien door een paar overlevenden naar bestaande landen zijn overgebracht uit andere die, zoals het legendarische (?) Atlantis van Plato, misschien zijn verzonken of het toneel waren van de een of andere grote ramp, die deze landen met hun hele beschaving vernietigde?’ (‘Mythical Monsters’, blz. 19).
   Hierna kan men zich met meer vertrouwen wenden tot de woorden van een Meester die, een aantal jaren vóór deze woorden door Gould werden neergepend, schreef: ‘Het vierde Ras had zijn perioden van de hoogste beschaving. De Griekse en Romeinse en zelfs de Egyptische beschaving zijn niets vergeleken met de beschavingen die begonnen met het derde Wortelras’ – na de scheiding daarvan.
   Maar ook al ontkent men dat het derde en het vierde Ras deze beschaving hadden en dat zij de kunsten en wetenschappen beheersten, niemand zal ontkennen dat er zich na de grote beschavingen van de oudheid, zoals van Egypte en India, vanaf het begin van het christelijke tijdperk tot onze hedendaagse beschaving toe, donkere eeuwen van grove onwetendheid en barbaarsheid uitstrekten. Tijdens deze periode ging iedere herinnering aan deze overleveringen verloren. Zoals in Isis Ontsluierd wordt gezegd: ‘Waarom zouden we vergeten dat eeuwen voordat de boeg van de avontuurlijke Genuees de westerse wateren doorkliefde, de Fenicische schepen de aardbol waren rondgevaren en beschaving hadden gebracht in gebieden die nu stil en verlaten zijn? Welke archeoloog zal durven beweren dat de ontwerper van de piramiden van Egypte, van Karnak en de duizenden ruïnes die nu op de zandige oevers van de Nijl tot vergetelheid verbrokkelen, niet dezelfde is die het monumentale Nagkon-Wat van Cambodja heeft opgericht, of de hiërogliefen heeft aangebracht op de obelisken en deuren van het verlaten indiaanse dorp, dat kort geleden door Lord Dufferin in Brits-Columbia is ontdekt, of die op de ruïnes van Palenque en Uxmal in Midden-Amerika? Spreken de overblijfselen die wij in onze musea bewaren – laatste herinneringen aan al lang ‘verloren kunsten’ – niet luid ten gunste van de oude beschaving? En bewijzen zij niet telkens, dat volkeren en continenten die zijn heengegaan, kunsten en wetenschappen met zich in het graf hebben meegenomen, die noch door de eerste smeltkroes die ooit in een middeleeuws klooster werd verhit, noch door de laatste die door een hedendaagse scheikundige werd gebroken, weer tot leven zijn gebracht, en ook niet zullen herleven – althans niet in deze eeuw.’
   En men kan nu dezelfde vraag stellen die toen werd gesteld; men kan nogmaals vragen: ‘Hoe komt het dat het verst gevorderde standpunt dat in onze tijd is bereikt, ons alleen maar in staat stelt in de wazige verte op het Alpenpad van de kennis de monumentale bewijzen te zien die vroegere onderzoekers hebben achtergelaten om de hoogvlakten aan te duiden, die zij hadden bereikt en bezet?’
   ‘Als de moderne meesters de oude zo ver vooruit zijn, waarom geven zij ons dan niet de verloren kunsten van onze nadiluviaanse voorvaderen terug? Waarom geven zij ons niet de niet-vervagende kleuren van Luxor – het Tyrische purper; het heldere vermiljoen en het verblindende blauw, die de muren van deze plaats versieren, en die even helder zijn als op de dag waarop zij werden aangebracht? Het onverwoestbare cement van de piramiden en van oude aquaducten; de kling van het zwaard van Damascus, die in haar schede als een kurkentrekker kan worden omgedraaid zonder te breken; de schitterende, ongeëvenaarde tinten van het gekleurde glas dat in het stof van oude ruïnes wordt gevonden en glinstert in de vensters van oude kathedralen; en het geheim van het echte buigzame glas? En als de scheikunde zelfs niet in staat is in sommige kunsten de vroege Middeleeuwen te evenaren, waarom pocht zij dan op prestaties die naar alle waarschijnlijkheid duizenden jaren geleden volkomen bekend waren? Hoe verder de archeologie en de filologie vorderen, des te vernederender voor onze trots zijn de ontdekkingen die dagelijks worden gedaan, en des te roemrijker getuigenis leggen zij af ten gunste van diegenen die, misschien op grond van de lange tijd die zij van ons afstaan, tot nu toe als onwetende stuntelaars in de diepste poel van bijgeloof werden beschouwd.’
   Tot de kunsten en wetenschappen van de Ouden behoorden bovendien – ja, zelfs als erfenis van de Atlantiërs – de sterrenkunde en de symboliek, die mede de kennis van de Dierenriem inhield.
   Zoals al is uitgelegd, geloofde de hele oudheid op goede gronden dat de mensheid en haar rassen alle nauw zijn verbonden met de planeten, en deze met de tekens van de Dierenriem. De hele wereldgeschiedenis is in de laatstgenoemde neergelegd. In de oude tempels van Egypte werd dit bewezen door de Dierenriem van Dendera; maar behalve in een Arabisch boek, het eigendom van een soefi, is de schrijfster nooit een juiste kopie tegengekomen van deze wonderbaarlijke verslagen over de vroegere, en ook over de toekomstige geschiedenis van onze aardbol. Toch bestaat het oorspronkelijke geschrift ontegenzeglijk.
   Omdat Europeanen onbekend zijn met de werkelijke Dierenriemen van India, en ook de hun toevallig bekende niet begrijpen (zoals Bentley getuigt), adviseren wij de lezer om, als hij deze bewering wil verifiëren, zich te wenden tot het boek van Denon (Travels in Egypt, Deel II) waarin men, als men het goed begrijpt, de twee beroemde Egyptische Dierenriemen kan vinden en onderzoeken. Omdat zij ze persoonlijk heeft gezien, hoeft de schrijfster niet langer te vertrouwen op wat andere onderzoekers – die deze twee heel zorgvuldig hebben bestudeerd en onderzocht – erover hebben te zeggen. De verzekering door de Egyptische priesters tegenover Herodotus, dat de pool van de aarde en de pool van de ecliptica vroeger samenvielen, is door Mackey8 bevestigd. Want hij zegt dat de polen op de Dierenriemen in beide posities worden weergegeven. ‘En in de Dierenriem die de polen (poolassen) onder rechte hoeken laat zien, zijn er aanwijzingen die bewijzen dat ‘het niet de laatste keer was dat zij zich in die positie bevonden, maar de eerste’ – nadat de Dierenriemen waren vastgelegd.’ ‘De Steenbok’, voegt hij eraan toe, ‘wordt afgebeeld aan de noordpool en de Kreeft wordt bij zijn midden verdeeld door de zuidpool; dit bevestigt dat zij oorspronkelijk hun winter hadden als de zon in de Kreeft stond; maar de belangrijkste kenmerken die erop wijzen dat het een monument was ter herinnering aan de eerste keer dat de pool in die positie stond, zijn de Leeuw en de Maagd.’ (Zie Afdeling II, § ‘Een mysterie van de Dierenriem’.)
   De egyptologen geloven dat de grote piramide ruw gerekend in 3350 v.Chr. werd gebouwd (zie Proctor, Knowledge, Deel I, blz. 242, 400), en dat Menes en zijn dynastie bestonden 750 jaar vóór de vierde dynastie (die naar men veronderstelt de piramiden hebben gebouwd) was verschenen (‘The Great Pyramid’, Staniland Wake). Dan zou Menes in 4100 v.Chr. hebben geleefd. De verklaring van Sir J. Gardner Wilkinson, dat ‘alle feiten tot de conclusie leiden dat de Egyptenaren al heel grote vorderingen hadden gemaakt in de kunsten van de beschaving vóór de tijd van Menes, en misschien voordat zij het dal van de Nijl waren binnengekomen’ (Rawlinson, ‘Herodotus’, Deel ii, blz. 345), geeft veel te denken, omdat zij deze hypothese omverwerpt. Zij wijst op een grote beschaving in voorhistorische tijden, en een nog grotere ouderdom. De Schesoo-Hor (‘de dienaren van Horus’) waren de mensen die zich in Egypte hadden gevestigd; en zoals M.G. Maspero verklaart, behoort aan dit voorhistorische ras ‘de eer . . . de belangrijkste steden van Egypte te hebben gesticht en de belangrijkste heiligdommen te hebben opgericht’. Dit was vóór de tijd van de Grote Piramide, toen Egypte nauwelijks boven de wateren was verrezen. Toch ‘bezaten zij het hiërogliefenschrift dat karakteristiek is voor de Egyptenaren, en zij moeten al een aanzienlijk gevorderde beschaving hebben gehad’. Het was, zegt Lenormant, ‘het land van de grote voorhistorische heiligdommen, zetels van priesterheerschappij, die de belangrijkste rol speelde in de oorsprong van de beschaving’. Welke ouderdom wordt aan dit volk toegekend? Wij horen over 4000, hoogstens 5000 jaar v.Chr. (Maspero). Men beweert dat met behulp van de cyclus van 25.868 jaar (het siderische jaar) bij benadering het jaar van de oprichting van de Grote Piramide kan worden vastgesteld. ‘Aannemende dat de lange nauwe naar beneden lopende gang was gericht op de poolster van de piramidebouwers, hebben sterrenkundigen aangetoond dat . . . Alfa Draconis, de toenmalige poolster, zowel in ongeveer 3350 v.Chr. als in 2170 v.Chr. de vereiste stand innam’ (Proctor, geciteerd door Staniland Wake). Maar men zegt ons ook dat ‘deze relatieve stand van Alfa Draconis en Alcyone buitengewoon was . . . en dat deze dus een heel siderisch jaar lang niet kon terugkeren’ (ibid). Dit bewijst dat – de Dierenriem van Dendera geeft immers het verstrijken van drie siderische jaren aan – de Grote Piramide 78.000 jaar geleden moet zijn gebouwd, of in elk geval dat deze mogelijkheid even aanvaardbaar is als de latere datum van 3350 v.Chr.
   Nu worden op de Dierenriem van een bepaalde tempel ver in het noorden van India dezelfde eigenaardige tekens gevonden als op de Dierenriem van Dendera. Zij die de Hindoesymbolen en -sterrenbeelden goed kennen, zullen in staat zijn aan de hand van de beschrijving van de Egyptische, vast te stellen of de aanduidingen van de chronologische tijd juist zijn of niet. Op de Dierenriem van Dendera, die door de hedendaagse Egyptisch-Koptische en Griekse adepten wordt bewaard, en die door Mackey enigszins anders wordt verklaard, staat de Leeuw op de Hydra en zijn staart is bijna recht en wijst onder een hoek van veertig of vijftig graden naar beneden; deze positie komt overeen met de oorspronkelijke stand van deze sterrenbeelden. ‘Maar op veel plaatsen’, voegt Mackey eraan toe, ‘zien we de Leeuw (Simha) met zijn staart over zijn rug omhoog gekeerd en eindigend met een slangenkop; daarmee wordt aangeduid dat de Leeuw was ‘omgekeerd’, wat inderdaad het geval moet zijn geweest met de hele Dierenriem en met alle andere sterrenbeelden, toen de pool was omgekeerd.’
   Bij het bespreken van de cirkelvormige Dierenriem, die door Denon ook wordt gegeven, zegt hij: daar ‘staat de Leeuw op de slang, en zijn staart vormt een kromme lijn naar beneden, waaruit men kan opmaken dat, hoewel er zes- of zevenhonderdduizend jaar tussen deze twee standen moeten zijn verstreken, zij toch maar weinig verschil hebben gemaakt in de sterrenbeelden de Leeuw en Hydra; terwijl de Maagd in die twee heel verschillend wordt weergegeven. Op de cirkelvormige Dierenriem voedt de Maagd haar kind; maar het schijnt dat men dat denkbeeld nog niet had toen de pool voor het eerst in het vlak van de ecliptica lag; want in deze Dierenriem, zoals Denon die geeft, zien we drie Maagden tussen de Leeuw en de Weegschaal, van wie de laatste in haar hand een tarweaar houdt. Het is erg te betreuren dat er in deze Dierenriem een breuk in de afbeelding is in het laatste deel van de Leeuw en het begin van de Maagd, waardoor uit elk van deze tekens een decanaat is weggevallen.’
   Niettemin is de bedoeling duidelijk, omdat de drie Dierenriemen tot drie verschillende tijdperken behoren: namelijk tot de laatste drie familierassen van het vierde onderras van het vijfde Wortelras, waarvan elk bij benadering 25 tot 30.000 jaar moet hebben geleefd. Het eerste hiervan (de ‘Arische Aziaten’) was getuige van de ondergang van de laatste volkeren die behoorden tot de ‘Atlantische reuzen’9 en die ongeveer 850.000 jaar geleden omkwamen (de eiland-continenten Ruta en Daitya), tegen het einde van het Mioceen10. Het vierde onderras was getuige van de vernietiging van het laatste overblijfsel van de Atlantiërs – de Arisch-Atlantiërs op het laatste eiland van Atlantis, namelijk omstreeks 11.000 jaar geleden. Om dit te verduidelijken, vragen wij de lezer een blik te slaan op het diagram van de stamboom van het vijfde Wortelras, dat in het algemeen – hoewel dit nauwelijks juist is – het Arische ras wordt genoemd, en op de bijgevoegde toelichting.
   Laat de lezer goed in gedachten houden wat in dit boek is gezegd over de indelingen van Wortelrassen en de evolutie van de mensheid, en wat daarover duidelijk en beknopt in ‘Esoteric Buddhism’ van Sinnett wordt uiteengezet.
   1. Er zijn zeven RONDEN in elk manvantara; de tegenwoordige is de vierde, en we zijn nu in het vijfde Wortelras.
   2. Elk Wortelras heeft zeven onderrassen.
   3. Elk onderras heeft op zijn beurt zeven vertakkingen, die tak- of ‘familie’-rassen kunnen worden genoemd.
   4. De kleine stammen, vertakkingen en uitlopers van de laatstgenoemde zijn talloos en afhankelijk van karmische werkingen. Bekijk de hierbij gevoegde ‘stamboom’ en u zult het begrijpen. De illustratie is zuiver schematisch en alleen bedoeld om de lezer te helpen enig begrip van het onderwerp te krijgen, te midden van de bestaande verwarring tussen de termen die op verschillende tijden zijn gebruikt voor de verdelingen van de mensheid. We proberen hier ook – binnen benaderende grenzen, om te kunnen vergelijken – in getallen de tijdsduur uit te drukken, waardoor het mogelijk wordt de ene verdeling scherp te onderscheiden van de andere. Het zou slechts tot hopeloze verwarring leiden als men zou proberen voor enkele de nauwkeurige data te geven; want de Rassen, onderrassen, enz., tot hun kleinste vertakkingen toe, vallen gedeeltelijk samen en lopen door elkaar heen, zodat het bijna onmogelijk is ze te scheiden.
   Het menselijke ras is vergeleken met een boom, en dit dient uitstekend als illustratie.
   De stam van een boom kan men vergelijken met het WORTELRAS (a).
   Zijn grotere takken zijn de verschillende ONDERRASSEN, zeven in getal (B1, B2).
   Aan elk van deze grotere takken bevinden zich zeven TAKKEN of FAMILIERASSEN (C).
   Hierna vormt de cactusplant een betere illustratie, want haar vlezige ‘bladeren’ zijn bedekt met scherpe naalden, waarvan elke kan worden vergeleken met een volk of stam van mensen.
   Nu heeft ons vijfde Wortelras – als ras sui generis en geheel vrij van zijn ouderstam – ongeveer 1.000.000 jaar bestaan; daaruit kan men afleiden dat elk van de vier voorafgaande onderrassen ongeveer 210.000 jaar heeft geleefd; zo bestaat dus elk familieras gemiddeld ongeveer 30.000 jaar. Het Europese ‘familieras’ heeft dus nog vele duizenden jaren vóór zich, hoewel de volkeren of de ontelbare naalden op het blad met elk volgend ‘seizoen’ van drie- of vierduizend jaar variëren. Het is enigszins merkwaardig dat de levensduur van een ‘familieras’ en de duur van een ‘siderisch jaar’ elkaar tamelijk dicht naderen.
   De kennis van het voorafgaande en de nauwkeurige en juiste verdeling maakten deel uit van de mysteriën, waarin deze wetenschappen aan de leerlingen werden onderwezen en door de ene hiërofant aan de andere werden overgedragen. Iedereen weet dat de Europese sterrenkundigen de datum van de uitvinding van de Egyptische Dierenriem (willekeurig genoeg) stellen op 2000 of 2400 v.Chr. (Proctor) en beweren dat de datum van deze uitvinding samenvalt met die van het oprichten van de Grote Piramide. Dit moet een occultist of sterrenkundige uit het oosten heel dwaas voorkomen. Het jaar van het kali-yuga is, zoals men zegt, begonnen tussen 17 en 18 februari van het jaar 3102 v.Chr. De hindoes zeggen dat in het jaar 20.400 vóór kaliyugam de oorsprong van hun Dierenriem samenviel met de lente-equinox – er was toen een conjunctie van de zon en de maan – en Bailly bewees met behulp van een lange en zorgvuldige berekening van die datum dat, zelfs als deze fictief is, toch de epoche11 waarvan zij waren uitgegaan om het begin van hun kali-yuga vast te stellen, heel reëel was. Die ‘epoche is het jaar 3102 vóór onze jaartelling’, schrijft hij. (Zie Deel I, Afd. III, Hfst. XVII over de astronomie van de hindoes, verdedigd door een geleerde.) Omdat de maansverduistering precies veertien dagen na het begin van de zwarte eeuw viel, vond deze plaats op een punt dat lag tussen de Tarweaar van de Maagd en de ster Θ (θ) van hetzelfde sterrenbeeld. Een van hun meest esoterische cyclussen is gebaseerd op bepaalde conjuncties en de standen van respectievelijk de Maagd en de Pleiaden – (Krittika). Daarom was, omdat de Egyptenaren hun Dierenriem meebrachten uit Zuid-India en Lanka12, de esoterische betekenis blijkbaar dezelfde. De drie ‘maagden’, of Virgo in drie verschillende standen, betekenden bij beide volkeren de weergave van de eerste drie ‘goddelijke of sterrenkundige dynastieën’, die het derde Wortelras onderwezen en die, nadat zij de Atlantiërs aan hun noodlot hadden overgelaten, tijdens het derde onderras van het vijfde terugkeerden (of liever weer neerdaalden), om aan de geredde mensheid de mysteriën van haar geboorteplaats – de sterrenhemelen – te openbaren. Dezelfde symbolische weergave van de mensenrassen en de drie dynastieën (goden, manes – half-goddelijke astrale wezens van het derde en vierde, en de ‘helden’ van het vijfde Ras), die aan de zuiver menselijke koningen voorafgingen, was te vinden in de verdeling van de lagen en gangen van het Egyptische Labyrint. Omdat de drie omkeringen van de polen natuurlijk het aanzien van de Dierenriem veranderden, moest er iedere keer een nieuwe worden opgebouwd. De beschouwingen van de moedige schrijver Mackey in zijn ‘Sphinxiad’ moeten het orthodoxe deel van de bevolking van Norwich met afschuw hebben vervuld, omdat hij daarin met veel fantasie zegt:
   ‘Maar tenslotte bedraagt de grootste tijdsduur, waarvan die monumenten (het Labyrint, de Piramiden en de Dierenriemen) getuigen, niet meer dan vijf miljoen jaar (wat niet zo is)13; dat is minder dan in de geschriften van zowel de (esoterische) Chinezen als de Hindoes wordt gegeven; dit laatste volk heeft zijn kennis van de tijd zeven of acht miljoen jaar14 lang vastgelegd; wat ik op een talisman van porselein heb gezien . . .’
   De Egyptische priesters hadden de Dierenriemen van de Atlantiër Asura-maya, en de hedendaagse Hindoes hebben deze nog. Zoals in ‘Esoteric Buddhism’ wordt gezegd, waren zowel de Egyptenaren als de Grieken en ‘Romeinen’ enkele duizenden jaren geleden, ‘overblijfselen van de Atlanto-Ariërs’, d.w.z. de eerstgenoemden van de oudere of Ruta-Atlantiërs; de laatstgenoemden waren de afstammelingen van het laatste ras van dat eiland, waarvan het plotselinge verdwijnen door de Egyptische ingewijden aan Solon werd verteld. De menselijke dynastie van de oudere Egyptenaren, te beginnen bij Menes, had alle kennis van de Atlantiërs, hoewel er geen Atlantisch bloed meer in hun aderen was. Niettemin hadden zij al hun archaïsche geschriften bewaard. Dit alles is langgeleden bewezen15. En juist omdat de Egyptische Dierenriem tussen de 75 en 80.000 jaar oud is, is de Dierenriem van de Grieken van veel latere datum. Volney heeft er terecht in zijn ‘Ruins of Empires’ (blz. 360) op gewezen dat deze slechts 16.984 jaar oud is, of tot op de huidige datum 17.08216.

 

Noten:

  1. Gautama Boeddha, Shakya Thüb-pa genoemd, is de zevenentwintigste van de laatste groep, omdat de meeste van deze Boeddha’s behoren tot de goddelijke dynastieën die de mensheid onderwezen.
  2. Van deze ‘Boeddha’s’ of ‘verlichten’ – de verre voorgangers van Gautama de Boeddha en die, zoals ons wordt geleerd, mensen voorstellen die eens leefden, grote adepten en heiligen, in wie de ‘zonen van wijsheid’ waren geïncarneerd, en die dus om zo te zeggen, minder belangrijke Avatars van de hemelse wezens waren – behoren er slechts elf tot het Atlantische ras en 24 tot het vijfde Ras sinds het begin ervan. Ze zijn identiek met de Tirtankara’s van de jains.
  3. Dit verklaart misschien de overeenkomst tussen de kunstmatige heuvels in de Verenigde Staten van Amerika en de grafheuvels in Noorwegen. Deze gelijkheid bracht sommige Amerikaanse archeologen ertoe te veronderstellen dat Noorse zeevaarders Amerika ongeveer duizend jaar geleden hadden ontdekt (Zie Holmboe, Traces de Bouddhisme en Norvège, blz. 23). Ongetwijfeld is Amerika dat ‘verafgelegen land waarheen vrome mensen en zware stormen de heilige leer hadden overgebracht’, zoals een Chinese schrijver door zijn beschrijving aan Neumann suggereerde. Maar noch professor Holmboe in Stockholm, noch de Amerikaanse archeologen hebben de juiste ouderdom van de heuvels of grafheuvels geraden. Het feit dat de Noren misschien het land hebben herontdekt waarvan hun lang vergeten voorouders geloofden dat het in de algehele overstroming was ondergegaan, is niet in strijd met dat andere feit, dat de Geheime Leer van het land dat de bakermat was van de stoffelijke mens en van het vijfde Ras, eeuwen en eeuwen vóór de ‘heilige leer’ van het boeddhisme haar weg naar de zogenaamde nieuwe wereld had gevonden.
  4. Zie de eerste bladzijden van Afdeling III, EEN CONFRONTATIE VAN DE WETENSCHAP MET DE GEHEIME LEER.
  5. Wijlen Brahmachari Bawa, een heel beroemde en heilige yogi, schreef: ‘Uitvoerige boeken over ashtar vidya en dergelijke wetenschappen zijn in verschillende tijden in de toen bestaande talen samengesteld. Maar de originelen in het Sanskriet zijn tijdens de gedeeltelijke overstroming van ons land verloren gegaan’ . . . (Zie Theosophist van juni 1880, ‘Some Things the Aryans Knew’.) Voor agneyastra zie Wilson, ‘Specimens of the Hindu Theatre’, I, blz. 297.
  6. Een wonderbaarlijk, kunstmatig vervaardigd dier, dat in een bepaald opzicht leek op de schepping van Frankenstein, dat sprak en zijn meester voor elk naderend gevaar waarschuwde. De meester was een ‘zwarte tovenaar’, het mechanische dier werd volgens de verhalen bezield door een djin, een elementaal. Alleen het bloed van een zuiver mens kon het vernietigen. Zie Afdeling II, xxvii, ‘De zeven in de sterrenkunde, de wetenschap en de magie’.
  7. De vier karmische goden, die in de stanza’s de vier maharadja’s worden genoemd.
  8. ‘The Mythological Astronomy of the Ancients Demonstrated’, door een wonderlijk intuïtieve kenner van de symboliek en van de sterrenkunde, een man uit Norwich die zichzelf tot adept heeft gemaakt en die leefde in het eerste kwart van deze eeuw.
  9. De term ‘Atlantiër’ moet de lezer niet tot het verkeerde denkbeeld brengen dat het om slechts één ras of één volk gaat. Het is ermee als met de term ‘Aziaten’. Veel, veelsoortig en verschillend waren de Atlantiërs, en zij vertegenwoordigden verschillende mensheden en een bijna ontelbaar aantal rassen en volkeren, zelfs meer gevarieerd dan de ‘Europeanen’ zouden zijn, als men deze naam zonder onderscheid zou gebruiken voor de bewoners van de vijf bestaande werelddelen. Dit zal, gezien de snelheid waarmee de kolonisatie voortgaat, misschien in minder dan twee- of driehonderd jaar het geval zijn. Er waren bruine, rode, gele, witte en zwarte Atlantiërs; reuzen en dwergen (zoals sommige Afrikaanse stammen dat relatief gezien zelfs nu nog zijn).
  10. Een leraar zegt in ‘Esoteric Buddhism’ op blz. 64: ‘In het Eoceen, zelfs in het eerste deel ervan, had de grote cyclus van de mensen van het vierde Ras, de (Lemurisch)-Atlantiërs, al zijn hoogste punt (van beschaving) bereikt, en vertoonde het grote continent, de vader van bijna alle huidige continenten, de eerste symptomen van ondergang . . .’ En op blz. 70 wordt gezegd dat Atlantis als geheel tijdens het Mioceen verging. Om te laten zien hoe de continenten, rassen, volkeren en cyclussen gedeeltelijk met elkaar samenvallen, hoeft men slechts te denken aan Lemurië, waarvan het laatste land ongeveer 700.000 jaar vóór het begin van het Tertiair verging (zie blz. 65 van hetzelfde boek), terwijl het laatste land van ‘Atlantis’ pas 11.000 jaar geleden verdween; zo vielen ze beide gedeeltelijk samen, het ene met de Atlantische periode en het andere met de Arische.
  11. Noot vert. Voor de betekenis van ‘epoche’ zie onze voetnoot in Deel 1, blz. 731.
  12. Ceylon.
  13. De voorvaderen van de Arische brahmanen hadden hun zodiakale berekeningen en Dierenriem van diegenen die waren geboren door de kracht van kriyasakti, de ‘zonen van yoga’; de Egyptenaren van de Atlantiërs van Ruta.
  14. De eerstgenoemden kunnen daarom zeven of acht miljoen jaar lang waarnemingen van de tijd hebben verricht, maar de Egyptenaren konden dat niet.
  15. Deze bewering werd uitvoerig bestreden en even uitvoerig besproken en beantwoord. Zie Five Years of Theosophy. (Art. ‘Mr. Sinnett’s Esoteric Buddhism’, blz. 325-46.)
  16. Volney zegt dat, omdat Aries in 1447 v.Chr. in zijn 15de graad was, daaruit volgt dat de eerste graad van ‘Libra’ niet later dan 15.194 v.Chr. kon zijn samengevallen met de lente-equinox; als men hierbij de 1790 jaar na Christus, toen Volney dit schreef, optelt, blijkt dat er 16.984 jaar zijn verstreken sinds de (Griekse of beter Helleense) oorsprong van de Dierenriem.

De Geheime Leer 2:478-93

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag