STANZA 4


SCHEPPING VAN DE EERSTE RASSEN

     § (14) Schepping van mensen. (15) Ze zijn lege schaduwen. (16) De scheppers weten niet hoe zij een denkende mens moeten scheppen. (17) Wat nodig is voor het vormen van een volmaakte mens.

      14. DE ZEVEN MENIGTEN, DE ‘UIT DE WIL (of het verstand) GEBOREN HEREN’, GEDREVEN DOOR DE GEEST VAN HET LEVEN-SCHENKEN (fohat), SCHEIDEN MENSEN VAN ZICH AF, IEDER OP ZIJN EIGEN GEBIED (a).

     (a) Zij wierpen hun ‘schaduwen’ of astrale lichamen af – indien men mag veronderstellen dat een zo etherisch wezen als een ‘maangeest’ zich niet alleen in een nauwelijks tastbaar lichaam verheugt, maar ook in een astraal lichaam. In een andere Toelichting wordt gezegd dat de ‘voorouders’ de eerste mens uitademden, zoals Brahma volgens de uitleg de Sura’s (goden) heeft uitgeademd, toen zij ‘Asura’s’ werden (van asu, adem). In een derde toelichting wordt gezegd dat zij, de nieuw geschapen mensen, ‘schaduwen van de schaduwen’ waren.
     Over deze zin – ‘zij waren de schaduwen van de schaduwen’ – kan misschien nog iets worden gezegd en kan een vollediger verklaring worden gegeven. Dit eerste proces van de evolutie van de mensheid is veel gemakkelijker aan te nemen dan het proces dat erop volgt, hoewel ze alle zullen worden verworpen en betwijfeld, zelfs door sommige kabbalisten, vooral de westerse, die de tegenwoordige gevolgen bestuderen, maar hebben verzuimd aandacht te schenken aan de oorspronkelijke oorzaken ervan. Ook voelt de schrijfster zich niet bevoegd een manier van voortplanting uit te leggen die, behalve voor een oosterse occultist, zo moeilijk is te begrijpen. Daarom is het hier nutteloos over dit proces in details te treden, hoewel het in de Geheime Boeken nauwkeurig wordt beschreven, want dit zou slechts leiden tot het bespreken van feiten die tot nu toe aan de wereld van niet-ingewijden onbekend waren, en die daarom verkeerd zouden worden begrepen. Aan een ‘Adam’, gevormd uit het stof van de aarde, zal altijd door een bepaalde klasse van onderzoekers de voorkeur worden gegeven boven één die is geprojecteerd uit het etherische lichaam van zijn schepper, hoewel men over het eerstgenoemde proces nooit iets heeft gehoord, terwijl het laatstgenoemde, zoals iedereen weet, bekend is aan veel spiritisten in Europa en Amerika, die de eersten behoorden te zijn om het te begrijpen. Want wie zal niet althans de mogelijkheid van zo’n geboorte erkennen, als hij getuige is geweest van het verschijnsel van een zich materialiserende vorm die uit de poriën van een medium of in andere gevallen uit zijn linkerzijde tevoorschijn kwam? Indien er in het Heelal wezens zijn zoals engelen of geesten, van wie de onlichamelijke essentie een verstandelijke entiteit kan vormen, ondanks de afwezigheid van een (voor ons) vast organisme, en indien er mensen zijn, die geloven dat een god de eerste mens uit stof maakte en hem een levende ziel inblies – en er zijn miljoenen en miljoenen die beide geloven – wat voor onmogelijks is er dan in onze leer? Al snel zal de dag aanbreken waarop de wereld zal moeten kiezen of zij de wonderbaarlijke schepping van de mens (en ook van de Kosmos) uit niets, volgens de dode letter van Genesis, wil aanvaarden, of een eerste mens, geboren uit een fantastische schakel – die tot dusver volkomen ‘ontbreekt’ – de gemeenschappelijke voorvader van de mens en van de ‘echte aap’1. Tussen deze twee dwalingen2 staat de occulte filosofie. Zij leert dat het eerste mensengeslacht door hogere en halfgoddelijke wezens uit hun eigen essenties werd geprojecteerd. Al beschouwt men dit proces ook als abnormaal of zelfs ondenkbaar – omdat het in dit stadium van de evolutie in de Natuur niet meer voorkomt – toch is bewezen dat het mogelijk is, op basis van bepaalde ‘spiritistische’ FEITEN. Daarom vragen wij: welke van de drie hypothesen of theorieën is de redelijkste en de minst absurde? Niemand – tenzij hij een verstokte materialist is – kan toch ooit bezwaar maken tegen de occulte leer.
     We zagen dat uit de laatstgenoemde is af te leiden dat de mens niet is ‘geschapen’ als het volledige wezen dat hij nu is, hoe onvolmaakt bij ook nu nog is. Er was een geestelijke, een psychische, een verstandelijke en een dierlijke evolutie, van het hoogste tot het laagste, zowel als een stoffelijke ontwikkeling – van het eenvoudige en homogene tot het meer ingewikkelde en heterogene, hoewel niet helemaal langs de lijnen die de hedendaagse evolutionisten aangeven. Deze dubbele evolutie in twee tegengestelde richtingen vereiste verschillende tijdperken van uiteenlopende aard en graad van geestelijk en verstandelijk vermogen, om het wezen te vormen dat nu als de mens bekendstaat. Bovendien is er één absolute, altijd werkzame en nooit dwalende wet, die van de ene eeuwigheid (of manvantara) tot de andere steeds dezelfde lijnen volgt – die aan het gemanifesteerde, of dat wat wij de grote illusie (maha-maya) noemen, altijd een mogelijkheid biedt om hoger op te klimmen, maar die enerzijds de geest dieper en dieper in stoffelijkheid dompelt, en hem dan door het vlees verlost en bevrijdt. Deze wet gebruikt voor die doeleinden de wezens van andere en hogere gebieden, mensen of denkvermogens (Manu’s), in overeenstemming met wat ze karmisch nodig hebben.
     Hier verwijzen we de lezer opnieuw naar de filosofie en de religie van India. De esoterie van beide komt overeen met onze Geheime Leer, hoeveel de vorm ook kan verschillen

 

DE OVEREENSTEMMING VAN EN DE VERSCHILLEN
TUSSEN DE INCARNERENDE KRACHTEN

     De voorouders van de mens, in India de ‘vaderen’, pitara of pitri’s genoemd, zijn de scheppers van onze lichamen en lagere beginselen. Zij zijn onszelf, als de eerste persoonlijkheden, en wij zijn zij. De oorspronkelijke mens zou ‘het been van hun been en het vlees van hun vlees’ zijn, indien zij lichaam en vlees hadden. Zoals gezegd, waren zij ‘maanwezens’.
     Degenen die de mens zijn bewuste onsterfelijke EGO hebben geschonken, zijn de ‘zonne-engelen’ – of men dit nu overdrachtelijk of letterlijk opvat. De mysteriën van het bewuste EGO of de menselijke ziel zijn groot. De esoterische naam van deze ‘zonne-engelen’ is letterlijk de ‘Heren’ (Nath) van ‘volhardende onophoudelijke toewijding’ (pranidhana). Daarom schijnen degenen van het vijfde beginsel (manas) in verband te staan met, of de ontwerpers te zijn van, het stelsel van de yogi’s, die van pranidhana hun vijfde voorschrift maken (zie Yoga Shastra, II, 32). Wij hebben al verklaard waarom de occultisten aan de andere kant van de Himalaja deze ‘Heren’ als duidelijk identiek beschouwen met degenen die in India kumara’s, agnishvatta’s en de barhishads worden genoemd.
     Hoe nauwkeurig en waar is Plato’s uitspraak, hoe diepzinnig en filosofisch is zijn opmerking over de (menselijke) Ziel of het EGO, toen hij deze omschreef als ‘een samenstel van hetzelfde en het andere’. En toch, hoe slecht is deze wenk begrepen, want de wereld dacht dat werd bedoeld dat de ziel de adem van God of Jehova was. Het is ‘hetzelfde en het andere’, zoals de grote ingewijde en filosoof zei; want het ego (het ‘hogere zelf’, wanneer dat is versmolten met en opgegaan in de goddelijke monade) is de mens, en toch hetzelfde als het ‘ANDERE’, de in hem geïncarneerde engel, die hetzelfde is als het universele MAHAT. De grote klassieke schrijvers en filosofen voelden deze waarheid, toen ze zeiden dat ‘er iets in ons moet zijn dat onze gedachten voortbrengt. Iets heel ijls; het is een adem; het is vuur; het is ether; het is het meest verfijnde; het is een zwakke gelijkenis; het is een begrijpen; het is een getal; het is harmonie . . .’ (Voltaire).
     Deze allen zijn de manasam en rajasas: de kumara’s, asura’s en andere heersers en pitri’s, die incarneerden in het derde Ras, en op deze en verschillende andere manieren de mensheid denkvermogen schonken.
     Er zijn zeven klassen van pitri’s, zoals hieronder is te zien, drie onlichamelijke en vier lichamelijke; en twee soorten, de agnishvatta’s en de barhishads. Wij kunnen eraan toevoegen dat, evenals er twee soorten pitri’s zijn, er ook een dubbel en een drievoudig stel barhishads en agnishvatta’s is. Eerstgenoemden worden, na hun astrale dubbelgangers te hebben voortgebracht, wedergeboren als zonen van Atri, en zijn de ‘pitri’s van de demonen’ of lichamelijke wezens, op gezag van Manu (III, 196); terwijl de agnishvatta’s worden wedergeboren als zonen van Marichi (een zoon van Brahma), en de pitri’s van de goden zijn (wederom Manu, Matsya en Padma Purana’s en Kulluka in de Wetten van de Manava’s, III, 195)3. Bovendien verklaart het Vayu Purana dat alle zeven orden oorspronkelijk de eerste goden, de vairaja’s zijn geweest, die Brahma ‘met het oog van yoga aanschouwde in de eeuwige sferen, en die de goden van de goden zijn’; en het Matsya voegt eraan toe dat de goden hen vereerden; terwijl de Harivansa (S. 1, 935) de viraja’s slechts als één klasse van de pitri’s opvat. Deze laatste bewering wordt bevestigd door de geheime leringen, die echter de viraja’s vereenzelvigen met de oudere agnishvatta’s4 en de rajasas, of abhutarajasas, die onlichamelijk zijn en zelfs geen astrale schim hebben. Van Vishnu wordt in de meeste handschriften gezegd dat hij zich in en door hen heeft geïncarneerd. ‘In het Raivata manvantara werd Hari, de beste van de goden, geboren uit Sambhuti, als de goddelijke manasas – voortkomend uit de godheden, rajasas genoemd.’ Sambhuti was een dochter van Daksha en de vrouw van Marichi, de vader van de agnishvatta’s, die samen met de rajasas, altijd in verband worden gebracht met manasas. Zoals wordt opgemerkt door een veel bekwamere sanskritist dan Wilson, namelijk Fitzedward Hall, is ‘Manasa geen ongeschikte naam voor een godheid die is verbonden met de rajasas. Deze schijnt ook voor te komen in Manasam – hetzelfde als manas – met een verandering in de uitgang die nodig is om een mannelijke personificatie uit te drukken’ (Vishnu Purana, Deel III, hfst. I, blz. 17, voetnoot). Alle zonen van Viraja zijn manasa, zegt Nilakantha. En Viraja is Brahma, en daarom worden de onlichamelijke pitri’s vairaja’s genoemd, want ze zijn de zonen van Viraja, zegt het Vayu Purana.
     Wij zouden onze bewijzen tot in het oneindige kunnen vermeerderen, maar dat is nutteloos. De verstandigen zullen onze bedoeling begrijpen; van de onverstandigen wordt dit niet verlangd. Er zijn drieëndertig crores of 330 miljoen goden in India. Maar, zoals door de geleerde spreker over de Bhagavad Gita wordt opgemerkt, ‘ze zijn misschien allen deva’s, maar in geen geval allemaal ‘goden’ in de hoge geestelijke zin die men aan dit woord toekent’. ‘Dit is een ongelukkige blunder’, merkt hij op, ‘die gewoonlijk door Europeanen wordt begaan. Deva is een soort geestelijk wezen, maar uit het feit dat hetzelfde woord in het gewone spraakgebruik wordt toegepast in de betekenis van god, volgt volstrekt niet dat wij drieëndertig crores van goden moeten vereren.’ En hij voegt er veelbetekenend aan toe: ‘Deze wezens hebben, zoals gemakkelijk is af te leiden, een zekere verwantschap met een van de drie samenstellende upadhi’s (grondbeginselen) waarin wij de mens hebben verdeeld.’ (Zie Theosophist, febr. 1887 e.v.)
     De namen van de godheden van een bepaalde mystieke klasse veranderen met elk manvantara. De twaalf grote goden bijvoorbeeld, de jaya’s, geschapen door Brahma om hem in het begin van de kalpa te helpen bij het scheppingswerk, en die, verzonken in samadhi, verzuimden te scheppen – waarop ze werden veroordeeld om in elk manvantara herhaaldelijk te worden geboren, tot in de zevende – worden respectievelijk genoemd ajita’s, tushita’s, satya’s, hari’s, vaikuntha’s, sadhya’s en aditya’s: ze zijn tushita’s (in de tweede kalpa) en aditya’s in deze Vaivasvata-periode (zie Vayu Purana), bovendien hebben ze in ieder tijdvak nog andere namen. Maar ze zijn identiek met de manasa of rajasas, en deze met onze incarnerende Dhyan-Chohans. Ze zijn allen klassen van de jnana-deva’s.
     Ja, behalve die wezens die, zoals de yaksha’s, gandharva’s, kinara’s, enz., opgevat als individualiteiten, het astrale gebied bewonen, zijn er werkelijke devajnanams, en tot deze klassen van deva’s behoren de aditya’s, de vairaja’s, de kumara’s, de asura’s en al die hoge hemelse wezens die de occulte leer vóór alles de manasvin noemt, de wijzen, en die alle mensen tot de zelfbewuste, geestelijk verstandelijke wezens zouden hebben gemaakt die zij eens zullen zijn, als zij niet wegens hun plichtsverzuim waren ‘veroordeeld’ om tot voortplanting te vervallen en zelf als stervelingen te worden wedergeboren.


STANZA 4. Vervolg

      15. ZEVEN KEER ZEVEN SCHADUWEN (chhaya’s) VAN TOEKOMSTIGE MENSEN (of amanasas) (a) WERDEN (zo) GEBOREN, IEDER VAN ZIJN EIGEN KLEUR (huidkleur) EN SOORT (b). IEDER (ook) ONDERGESCHIKT AAN ZIJN VADER (schepper). DE VADEREN, DE BEENDERLOZEN, KONDEN GEEN LEVEN SCHENKEN AAN WEZENS MET BEENDEREN. HUN NAKOMELINGEN WAREN BHUTA (schimmen) ZONDER VORM OF DENKVERMOGEN. DAAROM WERDEN ZIJ HET CHHAYA- (beeld- of schaduw-) RAS GENOEMD (c).

     (a) Manu komt, zoals al werd opgemerkt, van de wortel ‘man’, denken, en betekent dus ‘een denker’. Van dit Sanskrietwoord is heel waarschijnlijk het Latijnse ‘mens’, verstand, afgeleid, en het Egyptische ‘Menes’, de ‘meester-geest’, het pythagorische monas, of de bewuste ‘denkende eenheid’, en zelfs ons ‘manas’ of denkvermogen, het vijfde beginsel in de mens. Daarom worden deze schaduwen amanasa, ‘verstandloos’, genoemd.
     Bij de brahmanen zijn de pitri’s heel heilig, omdat zij de voortbrengers5 of voorouders van de mensen zijn – de eerste manushya op deze aarde – en de brahmaan brengt aan hen offers wanneer hem een zoon wordt geboren. Zij worden meer vereerd en hun ritueel is belangrijker dan de verering van de goden. (Zie de ‘Wetten van Manu’, Deel III, blz. 203.)
      Mogen wij nu niet zoeken naar een filosofische betekenis van deze tweevoudige groep van voorvaderen?
     Omdat de pitri’s in zeven klassen worden verdeeld, hebben wij hier weer dit mystieke getal. Bijna alle Purana’s zijn het erover eens dat drie hiervan arupa, vormloos, zijn, en vier belichaamd; de eerstgenoemde zijn verstandelijk en geestelijk, de laatste stoffelijk en zonder verstand. Esoterisch vormen de Asura’s de eerste drie klassen van pitri’s – ‘geboren in het lichaam van de nacht’ – terwijl de andere vier uit het schemerlichaam werden voortgebracht. Hun vaderen, de goden, waren volgens het Vayu Purana gedoemd als dwazen op aarde te worden geboren. De legenden zijn opzettelijk dooreengemengd en heel vaag gehouden: de pitri’s zijn in de ene legende de zonen van de goden, en in een andere die van Brahma, terwijl ze volgens een derde de leraren van hun eigen vaders zijn. Het zijn de menigten van de vier stoffelijke klassen, die de mensen gelijktijdig in de zeven zones scheppen.
     Over de zeven klassen van pitri’s, waarvan elke weer is verdeeld in zevenen, volgt nu nog een enkel woord tot de onderzoekers, en een vraag aan de niet-ingewijden. Die klasse van de ‘vuur-Dhyani’s’ die wij op onbetwistbare gronden identificeren met de agnishvatta’s, wordt in onze school het ‘hart’ van het lichaam van de Dhyan-Chohan genoemd, en heeft zich, zoals men zegt, geïncarneerd in het derde ras van de mensen en hen vervolmaakt. De esoterische mystagogie spreekt over de geheimzinnige relatie tussen de zevenvoudige essentie of substantie van dit engelenhart en dat van de mens, van wie elk stoffelijk orgaan en elke psychische en geestelijke functie om zo te zeggen een weerspiegeling is, een kopie op het aardse gebied, van het model of prototype daarboven. Waarom, kan men vragen, zou er zo’n vreemde herhaling zijn van het getal zeven in de anatomische structuur van de mens? Waarom zou het hart vier lagere ‘holten en drie hogere afdelingen’ hebben, wat zo merkwaardig overeenkomt met de zevenvoudige indeling van de menselijke beginselen, gescheiden in twee groepen, de hogere en de lagere; en waarom zou dezelfde verdeling zijn te vinden in de verschillende klassen van pitri’s, en vooral onze vuur-Dhyani’s? Want zoals al werd medegedeeld, kunnen deze wezens worden onderscheiden in vier lichamelijke (of grovere) en drie onlichamelijke (of fijnere) ‘beginselen’, of hoe men die ook wil noemen. Waarom zenden de zeven zenuwvlechten van het lichaam zeven stralen uit? Waarom zijn er zeven van deze vlechten, en ook zeven verschillende lagen in de menselijke huid?
     ‘Nadat de voorvaderen hun schaduwen hebben uitgeworpen en mensen hebben gemaakt uit één element (ether), stijgen zij weer omhoog naar mahaloka, vanwaar zij periodiek neerdalen wanneer de wereld wordt vernieuwd, om nieuwe mensen voort te brengen.’
     ‘De ijle lichamen blijven zonder verstand (manas) tot de komst van de Sura’s (goden), nu Asura’s (niet-goden) genoemd’, zegt de Toelichting.
     ‘Niet-goden’ voor de brahmanen misschien, maar de hoogste adem voor de occultist; want die vormloze en verstandelijke voorvaderen (pitar) weigeren wel de mens te bouwen, maar schenken hem denkvermogen, terwijl de vier lichamelijke klassen slechts zijn lichaam scheppen.
     Dit wordt heel duidelijk gezegd in verschillende teksten van de Rig Veda – de hoogste autoriteit voor een hindoe van welke sekte ook. Daarin betekent Asura ‘geestelijk goddelijk’, en het woord wordt gebruikt als synoniem voor Opperste Geest, terwijl de term ‘Asura’ in de betekenis van een ‘god’ wordt toegepast op Varuna en Indra en vooral op Agni; deze drie waren in de oude tijd de drie hoogste goden, voordat de brahmaanse theo-mythologie de ware betekenis van bijna alles in de archaïsche geschriften had verwrongen. Maar omdat de sleutel nu verloren is gegaan, worden de Asura’s nauwelijks meer genoemd.
     In de Zendavesta vindt men hetzelfde. In de mazdeïsche of magische religie is ‘Asura’ de heer Asura Visvavedas, de ‘alwetende Heer’; en Asura-Mazdha, die later Ahura-Mazdha is geworden, is, zoals Benfey aantoont, ‘de Heer die verstand schenkt’ – Asura-Medha en Ahura-Mazdao. Elders in dit boek wordt op even goed gezag aangetoond, dat de Indo-Iraanse Asura altijd als zevenvoudig werd beschouwd. Dit feit, gecombineerd met de naam Mazdha, zoals hierboven, die van de zevenvoudige Asura de ‘Heer’ of collectief de ‘Heren’ maakt, ‘die intelligentie schenken’, brengt de Amshaspends in verband met de Asura’s en met onze zich incarnerende Dhyan-Chohans, en ook met de Elohim, en de zeven leven schenkende goden van Egypte, Chaldea en elk ander land.
     Deze ‘goden’ weigerden mensen te scheppen, niet, zoals wordt gezegd in exoterische verhalen, omdat hun trots te groot was om de hemelse kracht van hun essentie te delen met de kinderen van de aarde, maar op grond van andere, eerder genoemde overwegingen. De allegorie heeft zich echter overgegeven aan eindeloze fantasieën en de theologie heeft daarvan in elk land gebruikgemaakt door haar standpunt te formuleren tegenover deze eerstgeborenen of logoi, en door dit als de waarheid op te dringen aan de onwetenden en de lichtgelovigen. (Vergelijk ook wat is gezegd over Makara en de kumara’s in verband met de Dierenriem.)
     Het christelijke stelsel is niet het enige dat hen tot demonen heeft verlaagd. Het zoroastrianisme en zelfs het brahmanisme hebben dit eveneens gedaan, om greep te krijgen op de geest van de mensen. Zelfs in de Chaldeeuwse exoterie worden wezens die weigeren te scheppen, nl. die, zoals men zegt, daardoor tegen de Demiurgos in opstand komen, uitgemaakt voor geesten van de duisternis. De Sura’s die hun intellectuele onafhankelijkheid verkrijgen, bestrijden de Sura’s die deze missen en van wie wordt gezegd dat zij hun leven doorbrengen met nutteloze ceremoniële eredienst, gebaseerd op blind geloof – een zinspeling die nu door de orthodoxe brahmanen wordt genegeerd – en onmiddellijk worden de eerstgenoemden A-Sura’s. De eerste en uit het verstand geboren zonen van de godheid weigeren nakomelingen te scheppen, en worden door Brahma veroordeeld om als mensen te worden geboren. Zij worden omlaaggeslingerd naar de aarde, die later volgens het theologische dogma wordt veranderd in de hellegebieden. Ahriman vernietigt de door Ormazd geschapen stier – het embleem van het aardse bedrieglijke leven, de ‘kiem van de smart’ – en, terwijl men vergeet dat het vergankelijke eindige zaad moet sterven, opdat de plant van de onsterfelijkheid, de plant van het geestelijke eeuwige leven, zal ontspruiten en leven, wordt Ahriman uitgemaakt voor de vijand, de tegenstand biedende macht, de duivel. Typhon snijdt Osiris in veertien stukken om te voorkomen dat hij de wereld zal bevolken en zo ellende zal veroorzaken; en Typhon wordt in de exoterische theologische leer de macht van de duisternis. Maar dit alles is het exoterische omhulsel. De vereerders van dit laatste schrijven het streven en de zelfopoffering van degenen die de mensen willen helpen hun oorspronkelijke toestand van goddelijkheid door zelfbewuste pogingen te herwinnen, toe aan ongehoorzaamheid en opstandigheid; en deze vereerders van de vorm hebben van de engelen van het licht demonen gemaakt.
     De esoterische filosofie leert echter dat een derde6 van de Dhyani’s – d.w.z. de drie klassen van de arupa-pitri’s, die intelligentie bezitten, ‘die een vormloze adem is, samengesteld uit verstandelijke en niet uit elementaire substanties’ (zie Harivamsa, 932) – eenvoudig door de wet van karma en evolutie werd gedoemd op aarde te worden wedergeboren (of geïncarneerd)7. Enkele hiervan waren nirmanakaya’s van andere manvantara’s. Daarom zien wij hen in alle Purana’s in het derde manvantara (lees het derde Wortelras) weer op deze bol verschijnen, als koningen, rishi’s en helden. Dit leerstuk, dat te filosofisch en metafysisch was om door de grote massa te worden begrepen, werd, zoals al is meegedeeld, door de priesters verminkt met het doel greep op deze massa te houden door middel van een bijgelovige vrees.
     De veronderstelde ‘opstandelingen’ waren dus eenvoudig degenen die, door de karmische wet gedwongen de galbeker tot de laatste bittere druppel te ledigen, opnieuw moesten incarneren, om zo verantwoordelijke denkende entiteiten te maken van de astrale beelden die waren geprojecteerd door hun lagere broeders. Van sommigen wordt gezegd dat zij hebben geweigerd omdat zij de vereiste bouwstoffen niet in zich hadden – d.w.z. een astraal lichaam – want zij waren arupa. De weigering van anderen had betrekking op het feit dat zij langgeleden, in voorafgaande manvantara’s, adepten en yogi’s waren geweest; nog een mysterie. Maar later offerden zij zich als nirmanakaya’s op voor het heil en de verlossing van de monaden die wachtten op hun beurt, en die anders talloze eeuwen hadden moeten wachten in niet-verantwoordelijke, dierachtige, hoewel uiterlijk menselijke, vormen. Dit is misschien een parabel en een allegorie binnen een allegorie. De oplossing ervan wordt aan de intuïtie van de lezer overgelaten, als hij wat er volgt maar leest met zijn geestelijke oog.
     Wat hun vormgevers of ‘voorvaderen’ betreft – die engelen die volgens de exoterische legenden aan de wet gehoorzaamden – deze moeten identiek zijn met de barhishad-pitri’s, of de pitar-devata’s, d.w.z. zij die in het bezit waren van het stoffelijke scheppende vuur. Zij konden voor de menselijke monaden slechts hun eigen astrale zelf scheppen, of beter gezegd deze daarmee bekleden, maar zij konden de mens niet maken naar hun beeld en gelijkenis. ‘De mens moet niet zijn zoals een van ons’, zeggen de scheppende goden die zijn belast met het vormen van het lagere dier, maar hoger (zie Gen. en Plato’s Timaeus). Dat zij de gelijkenis van de mens uit hun eigen goddelijke essentie schiepen, betekent esoterisch dat zij het waren die het eerste Ras werden, en dus in zijn lot en verdere evolutie deelden. Zij wilden en konden de mens niet die heilige vonk geven, die brandt en zich ontplooit tot de bloem van de menselijke rede en van het zelfbewustzijn, want zij hadden die niet om te geven. Dit werd overgelaten aan die klasse van deva’s die in Griekenland symbolisch werden voorgesteld onder de naam Prometheus, aan degenen die niets hadden te maken met het stoffelijke lichaam, maar alles met de zuiver geestelijke mens. (Zie Afdeling II van dit deel, ‘De gevallen engelen’; ook ‘De goden van het licht komen voort uit de goden van de duisternis’.)
     Elke klasse van scheppers verleent de mens wat zij heeft te geven: de ene bouwt zijn uiterlijke vorm; de andere geeft hem haar essentie, die later het menselijke hogere Zelf wordt, tengevolge van de persoonlijke inspanning van het individu; maar zij konden de mensen niet maken zoals zijzelf waren: volmaakt, want zondeloos; zondeloos, omdat zij slechts de eerste flauwe schaduwachtige omtrekken van eigenschappen bezaten, en deze waren – vanuit menselijk standpunt – allemaal volmaakt, wit, zuiver en koud als de maagdelijke sneeuw. Waar geen strijd is, is geen verdienste. De mensheid, ‘door en door aardsgezind’, was niet bestemd te worden geschapen door de engelen van de eerste goddelijke adem: daarom zegt men dat zij hebben geweigerd dit te doen, en de mens moest worden gevormd door veel materiëlere scheppers8, die op hun beurt alleen konden geven wat zij in hun eigen natuur hadden, en meer niet. Onderworpen aan de eeuwige wet, konden de zuivere goden uit zichzelf slechts schaduwachtige mensen projecteren, wat minder etherisch en geestelijk, minder goddelijk en volmaakt dan zijzelf – maar toch schaduwen. De eerste mensheid was dus een bleke kopie van haar voorouders; te stoffelijk, zelfs in haar etherische toestand, om een hiërarchie van goden te zijn; te geestelijk en zuiver om MENSEN te zijn, omdat zij immers in het bezit is van elke negatieve volmaaktheid (nirguna). Volmaaktheid moet, om volkomen te zijn, worden geboren uit onvolmaaktheid, het onvergankelijke moet groeien uit het vergankelijke en dit laatste hebben tot voertuig, grondslag en tegenstelling. Absoluut licht is absolute duisternis, en omgekeerd. Inderdaad is er in het rijk van de waarheid noch licht, noch duisternis. Goed en kwaad zijn tweelingen, de nakomelingen van Ruimte en Tijd, onder de heerschappij van maya. Scheid hen door de ene van de andere af te snijden, en zij zullen beide sterven. Geen van beide bestaat op zichzelf, want elk moet uit de ander worden voortgebracht en geschapen om tot bestaan te komen; beide moeten worden gekend en gewaardeerd voordat zij voorwerp van waarneming worden; daarom moet de sterveling hen als gescheiden denken.
     Maar omdat dit bedrieglijke onderscheid bestaat, is er een lagere orde van scheppende engelen nodig om bewoonde bollen te ‘scheppen’ – vooral de onze – of om zich op dit aardse gebied met de stof bezig te houden. De filosofische gnostici waren in het historische tijdperk de eersten die zo dachten, en die op basis van deze theorie verschillende stelsels ontwierpen. Daarom ziet men in hun scheppingsstelsels hun scheppers altijd een plaats innemen aan de voet van de ladder van geestelijk Zijn. Bij hen waren degenen die onze aarde en haar stervelingen schiepen, geplaatst aan de uiterste grens van de mayavische stof, en zij leerden hun volgelingen – tot groot misnoegen van de kerkvaders – te denken dat voor de schepping van die in geestelijke en morele zin armzalige rassen die onze aardbol sieren, geen hoge godheid verantwoordelijk kon worden gesteld, maar slechts engelen van een lage hiërarchie9, in welke klasse zij de joodse god, Jehova, onderbrengen.
     Mensheden die van de tegenwoordige verschillen, worden in alle oude kosmogonieën genoemd. Plato spreekt in de Phaedrus over een gevleugeld mensenras. Aristophanes (in Plato’s Gastmaal) spreekt over een tweeslachtig ras met ronde lichamen. In Pymander is zelfs het hele dierenrijk tweeslachtig. Zo wordt in §18 gezegd: ‘Nadat de kringloop was volbracht, werd de knoop losgemaakt . . . en alle dieren, die eveneens tweeslachtig waren, werden losgemaakt (gescheiden) tegelijk met de mens . . .’ want . . . ‘de oorzaken moesten op aarde gevolgen teweegbrengen10’. Ook in het oude Quiché-handschrift, de Popol Vuh – uitgegeven door wijlen Abbé Brasseur de Bourbourg – worden de eerste mensen beschreven als een ras ‘waarvan het gezicht onbeperkt was en die alles onmiddellijk wisten’: ze bleken dus de goddelijke kennis van goden, niet van stervelingen, te bezitten. De Geheime Leer, die de onvermijdelijke overdrijvingen van de volksverbeelding verbetert, geeft de feiten zoals ze zijn vastgelegd in de archaïsche symbolen.

     (b) Deze ‘schaduwen’ werden geboren ‘elke van haar eigen kleur en soort’ en elke ook ‘de mindere van haar schepper’, omdat deze laatste een volledig wezen van zijn soort was. Volgens de Toelichtingen heeft de eerste zin betrekking op de kleur of gelaatskleur van elk zo geëvolueerd mensenras. In Pymander hebben de zeven oorspronkelijke mensen, geschapen door de Natuur uit de ‘hemelse mens’, allen deel aan de eigenschappen van de ‘zeven bestuurders’ of heersers, die de mens – hun eigen weerspiegeling en synthese – liefhadden.
     In de Noorse legenden herkent men in Asgard, de woonplaats van de goden, evenals in de Asen zelf, dezelfde in de volks‘mythen’ geweven mystieke plaatsen en personificaties als in onze Geheime Leer; en wij vinden ze ook in de Veda’s, de Purana’s, de mazdeïsche heilige geschriften en de Kabbala. De Asen van Scandinavië, de heersers van de wereld die aan de onze voorafging, van wie de naam letterlijk betekent de ‘zuilen van de wereld’, haar ‘stutten’, zijn dus identiek met de Griekse kosmocratores, de ‘zeven werklieden of bestuurders’ van Pymander, de zeven rishi’s en pitri’s van India, de zeven Chaldeeuwse goden en zeven boze geesten, de zeven kabbalistische sephiroth, samengevat in de bovenste triade, en zelfs de zeven planeetgeesten van de christelijke mystici. De Asen scheppen de aarde, de zeeën, het uitspansel en de wolken, de hele zichtbare wereld, uit de overblijfselen van de verslagen reus Ymir; maar zij scheppen niet de MENS, maar alleen zijn vorm uit de ask of esseboom. Odin schenkt hem het leven en een ziel, nadat Lodur hem bloed en beenderen had gegeven, en tenslotte verschaft Hönir hem zijn verstand (manas) en zijn bewuste zintuigen. De Noorse ask, de es van Hesiodus, waaruit de mensen van het bronzen tijdperk, het derde Wortelras, voortkwamen en de tzite-boom van de Popol Vuh, waaruit het Mexicaanse derde mensenras werd geschapen, zijn alle dezelfde11. Dit is voor iedere lezer duidelijk te zien. Maar wie van de westerse geleerden kan de occulte reden meedelen, waarom de Noorse Yggdrasil, de Asvattha van de Hindoes, de Gogard, de Helleense levensboom en de Tibetaanse Zampun één zijn met de kabbalistische sephirothboom, en zelfs met de door Ahura Mazda gemaakte heilige boom, en de boom van Eden12? Niettemin zijn de vruchten van al die ‘bomen’, hetzij Pippala of Haoma, of wel de meer prozaïsche appel, in waarheid en werkelijkheid de ‘levensplanten’. De oervormen van onze rassen lagen alle besloten in de microkosmische boom, die groeide en zich ontwikkelde binnen en onder de grote macrokosmische wereldboom13; en het mysterie wordt half onthuld in de Dirghotamas, waar wordt gezegd: ‘Pippala, de zoete vrucht van die boom waarop geesten komen die de wetenschap liefhebben en waar de goden alle wonderen verrichten.’ Evenals in de Gogard, woont tussen de weelderige takken van al die wereldbomen de ‘slang’. Maar terwijl de macrokosmische boom de slang van de eeuwigheid en van de absolute wijsheid zelf is, zijn zij die in de microkosmische boom wonen, de slangen van de gemanifesteerde wijsheid. De ene is het Een en het Al, de andere zijn de weerspiegelde delen ervan. De ‘boom’ is natuurlijk de mens zelf, en de slangen die erin wonen, het bewuste manas, de verbindende schakel tussen geest en stof, hemel en aarde.
     Het is overal hetzelfde. De scheppende krachten brengen de mens voort, maar falen in hun einddoel. Al deze logoi trachten de mens een bewuste onsterfelijke geest te schenken, weerspiegeld in het denkvermogen (manas) alleen; zij falen en, zoals wordt gezegd, worden zij alle gestraft voor de mislukking, zo al niet voor de poging. Wat is de aard van de straf? Een vonnis van gevangenschap in de lagere of onderwereld, die onze aarde is; de laagste in haar keten; een ‘eeuwigheid’ – in de betekenis van de duur van de levenscyclus – in de duisternis van de stof of binnen de dierlijke mens. De deels onwetende en deels intrigerende kerkvaders hebben verkozen dit aanschouwelijke symbool te verminken. Zij maakten gebruik van de beeldspraak en allegorie die in elke oude religie zijn te vinden, om deze toe te passen in de nieuwe. Zo vervormden zij de mens tot de duisternis van een stoffelijke hel; zijn goddelijke bewustzijn, verkregen van zijn inwonende beginsel (manasa), of de geïncarneerde deva, werd de laaiende vlammen van het hellegebied, en onze bol die hel zelf. Pippala, Haoma, de vruchten van de boom van kennis, werden uitgemaakt voor de verboden vrucht, en de ‘slang van wijsheid’, de stem van de rede en het bewustzijn, bleef eeuwenlang vereenzelvigd met de gevallen engel, die de oude draak, de duivel is! (Zie Afd. II, ‘De boze geest, wie of wat?’)
     Hetzelfde geldt voor de andere hoge symbolen. De swastika, het heiligste en meest mystieke symbool in India, het ‘jainakruis’, zoals het nu door de vrijmetselaars wordt genoemd, ondanks zijn rechtstreekse verband en zelfs zijn identiteit met het christelijke kruis, is op dezelfde manier onteerd. Het is het ‘teken van de duivel’, zeggen de zendelingen in India. ‘Schittert het niet op de kop van de grote slang van Vishnu, op de duizendkoppige Sesha-Ananta, in de diepten van Patala, de hindoe-naraka of hel’? Ongetwijfeld, maar wat is Ananta? Evenals Sesha is het de nagenoeg eindeloze manvantarische tijdcyclus, en wordt de oneindige tijd zelf, wanneer het Ananta wordt genoemd, de grote zevenkoppige slang waarop Vishnu, de eeuwige godheid, rust tijdens de niet-activiteit van pralaya. Wat heeft satan te maken met dit hoogst metafysische symbool? De swastika is het meest filosofisch wetenschappelijke van alle symbolen, en ook het meest begrijpelijke. Het is de samenvatting in een paar lijnen van het hele werk van de schepping, of de evolutie, zoals men beter kan zeggen, van de kosmotheogonie tot de antropogenie, van het ondeelbare onbekende Parabrahm tot de nederige monere van de materialistische wetenschap, waarvan het ontstaan aan die wetenschap even onbekend is als dat van de Algodheid zelf. De swastika staat bovenaan de lijst van de religieuze symbolen van alle oude volkeren. Het is de ‘hamer van de werker’ in het Chaldeeuwse Boek van de Getallen, de zojuist genoemde ‘hamer’ in het ‘Boek van het verborgen mysterie’ (Hfst. I, § 1, 2, 3, 4, enz.), ‘die vonken slaat uit de vuursteen’ (Ruimte), vonken die werelden worden. Het is ‘de hamer van Thor’, het magische wapen, door de dwergen gesmeed tegen de reuzen, of de voor-kosmische titanische natuurkrachten, die in opstand zijn en – terwijl ze leven op het gebied van de stof – zich niet laten onderwerpen door de goden, de bemiddelaars van de universele harmonie, maar eerst moeten worden vernietigd. Daarom is de wereld gevormd uit de overblijfselen van de vermoorde Ymir. De swastika is de Miölnir, de ‘stormhamer’; en daarom wordt gezegd dat, wanneer de Asen, de heilige goden, na door vuur (het vuur van de hartstochten en van het lijden in hun levens-incarnaties) te zijn gezuiverd, geschikt worden om in eeuwige vrede in Ida te wonen, Miölnir overbodig zal worden. Dit zal zijn wanneer de kluisters van Hel (de godin en koningin van het dodenrijk) hen niet langer zullen binden, want het rijk van het kwade zal voorbij zijn. ‘De Asen waren door Surturs vlammen niet vernietigd, en evenmin door de woedende wateren’ van de verschillende zondvloeden . . . ‘Toen kwamen de zonen van Thor. Zij brachten Miölnir mee, niet langer als oorlogswapen, maar als de hamer om daarmee de nieuwe hemel en de nieuwe aarde in te wijden . . .14
     Inderdaad heeft de hamer veel betekenissen! In het macrokosmische werk heeft de ‘HAMER VAN DE SCHEPPING’ met zijn vier rechthoekig omgebogen armen betrekking op de voortdurende beweging en omwenteling van de onzichtbare Kosmos van krachten. In het werk van de gemanifesteerde Kosmos en onze aarde wijst hij op de draaiing van de wereldassen en de equatoriale gordels daarvan in de cyclussen van de tijd; de twee lijnen die de swastika vormen betekenen geest en stof, terwijl de vier haken de rondgaande beweging van de cyclussen aanduiden. Toegepast op de microkosmos, de mens, laat hij deze zien als een schakel tussen hemel en aarde: de rechterhand aan het eind van een horizontale arm is opgeheven, de linkerhand wijst naar de aarde. In de Smaragden Tafel van Hermes staat op de opgeheven rechterhand het woord ‘Solve’ gebeiteld en op de linker het woord ‘Coagula’. Het is tegelijkertijd een alchimistisch, kosmogonisch, antropologisch en magisch teken, met zeven sleutels tot de innerlijke betekenis ervan. Het is niet te veel gezegd dat de ingewikkelde symboliek van dit universele en meest suggestieve van alle tekens de sleutel bevat tot de zeven grote mysteriën van de Kosmos. Geboren in de mystieke opvattingen van de oude Ariërs en door hen geplaatst op de drempel van de eeuwigheid, op de kop van de slang Ananta, vond het zijn geestelijke dood in de scholastieke interpretaties van de middeleeuwse antropomorfisten. Het is de alfa en de omega van de universele scheppingskracht, die zich ontwikkelt uit zuivere geest en die eindigt in grove stof. Het is ook de sleutel tot de cyclus van de wetenschap, goddelijk en menselijk; en wie zijn volle betekenis begrijpt, is voor altijd bevrijd van de strikken van mahamaya, de grote illusie en misleider. Het licht dat van onder de goddelijke hamer schijnt, die nu is verlaagd tot de voorzittershamer van de grootmeesters van de vrijmetselaarsloges, is voldoende om de duisternis van alle menselijke gedachteconstructies te verdrijven.
     Hoe profetisch zijn de gezangen van de drie Noorse godinnen, aan wie de raven van Odin het verleden en de toekomst toefluisteren, terwijl zij rondfladderen in hun kristallen woning onder de stromende rivier. De gezangen zijn alle neergeschreven in de ‘boekrollen van wijsheid’, waarvan er veel zijn verloren gegaan, maar enkele nog bestaan: en zij herhalen in dichterlijke allegorie de leringen van de archaïsche eeuwen. Wij geven een samenvatting uit ‘Asgard and the Gods’ van dr. Wagner, over de ‘hernieuwing van de wereld’, een profetie over het zevende Ras van onze Ronde, verteld in de verleden tijd.
     De Miölnir had in deze Ronde zijn plicht gedaan en:
     ‘. . . op het veld van Ida, het veld van de wederopstanding (voor de vijfde Ronde) kwamen de zonen van de hoogste goden samen, en in hen verrezen opnieuw hun vaderen (de ego’s van al hun vroegere incarnaties). Zij spraken over het verleden en het heden en herinnerden zich de wijsheid en de profetieën van hun voorvader, die alle in vervulling waren gegaan. Bij hen, maar niet door hen gezien, was de sterke, de machtige, die alle dingen bestuurt . . . en de eeuwige wetten uitvaardigt die de wereld regeren. Zij wisten allen dat hij daar was, zij voelden zijn tegenwoordigheid en zijn macht, maar zij kenden zijn naam niet. Op zijn bevel verrees de nieuwe aarde uit de wateren van de Ruimte. Naar het zuiden, boven het veld van Ida, maakte hij een andere hemel, genaamd Audlang, en nog verder een derde, Widblain. Boven de grot van Gimil werd een wonderpaleis gebouwd, bedekt met goud en helder stralend in de zon.’ Dit zijn de drie trapsgewijs opklimmende planeten van onze ‘keten’. Daar werden de goden op de troon geplaatst, zoals vroeger. . . . Van de hoogten van Gimil (de zevende planeet of bol, de hoogste en de zuiverste), zagen zij neer op de gelukkige nakomelingen van LIF en LIFTHRASIR (de toekomstige Adam en Eva van de gezuiverde mensheid), en wenkten hen hoger te KLIMMEN, te groeien in kennis en wijsheid, stap voor stap, van de ene ‘hemel tot de andere’, tot zij tenslotte geschikt waren om met de goden te worden verenigd in het huis van Al-vader (blz. 305).
     Wie de leringen van het esoterische budhisme (of wijsheid) kent, hoewel die tot dusver nog onvolkomen zijn geschetst, zal duidelijk de allegorie zien die in het bovenstaande ligt besloten.
     De meer filosofische betekenis ervan zal beter worden begrepen als de lezer zorgvuldig nadenkt over de mythe van Prometheus. Wij zullen deze later onderzoeken in het licht van de pramantha van de hindoes. Wanneer deze door sommige oriëntalisten wordt verlaagd tot een zuiver fysiologisch symbool en alleen met het aardse vuur in verband wordt gebracht, is hun interpretatie een belediging van elke religie, het christendom inbegrepen, waarvan het grootste mysterie zo tot de stof wordt neergehaald. De ‘wrijving’ van de goddelijke pramantha en arani kon in deze beeldvorm alleen optreden in de grove denkwereld van de Duitse materialisten – die de ergste van allen zijn. Het is waar dat het goddelijke kind, Agni bij het Sanskriet sprekende Ras, dat bij de Romeinen Ignis werd, is geboren uit de vereniging van pramantha en arani (swastika) tijdens de offerceremonie. Maar wat zegt dat? Tvashtri (Visvakarman) is de ‘goddelijke kunstenaar en timmerman15’ en in de Veda’s ook de vader van de goden en van het scheppende vuur. Zo oud is dit symbool en zo heilig, dat er op de plaatsen waar eens oude steden lagen bijna geen opgraving wordt gedaan zonder dat het wordt gevonden. Een aantal van zulke schijven van terracotta, die fusaiolos worden genoemd, werd door dr. Schliemann onder de ruïnes van het oude Troje gevonden. Beide vormen en werden in grote aantallen opgegraven; hun aanwezigheid is een bewijs te meer dat de oude Trojanen en hun voorvaderen zuivere Ariërs waren.

     (c) Chhaya is, zoals al werd verklaard, het astrale beeld. Het heeft deze betekenis in Sanskrietboeken. Zo trekt Sanjna (geestelijk bewustzijn), de vrouw van Surya, de zon, zich terug in de wildernis om een ascetisch leven te leiden, terwijl zij haar chhaya, schaduw of beeld, voor haar echtgenoot achterlaat.


      16. HOE WORDEN DE (echte) MANUSHYA’S GEBOREN? DE MANU’S MET DENKVERMOGEN, HOE WORDEN ZIJ GEMAAKT? (a) DE VADEREN (barhishad (?)) RIEPEN HUN EIGEN VUUR (de kavyavahana, elektrisch vuur) TE HULP, DAT HET VUUR IS DAT IN DE AARDE BRANDT. DE GEEST VAN DE AARDE RIEP HET ZONNEVUUR (Suchi, de geest in de zon) TE HULP. DEZE DRIE (de pitri’s en de twee vuren) BRACHTEN DOOR HUN GEZAMENLIJKE INSPANNING EEN GOED RUPA VOORT. HET (de vorm) KON STAAN, LOPEN, RENNEN, LIGGEN EN VLIEGEN. TOCH WAS HET NOG SLECHTS EEN CHHAYA, EEN SCHADUW ZONDER VERSTAND (b) . . . .

     (a) Hier is weer een verklaring nodig in het licht van zowel de exoterische als de esoterische geschriften en met behulp daarvan. De ‘manushya’s’ (mensen) en de Manu’s zijn hier gelijk aan de Chaldeeuwse ‘Adam’ – deze term betekent volstrekt niet de eerste mens, zoals bij de joden, of een enkel individu, maar de gezamenlijke mensheid, zoals bij de Chaldeeën en de Assyriërs. Vier van de zeven orden of klassen van Dhyan-Chohans, zegt de Toelichting, ‘waren de voorvaderen van de verborgen mens’, d.i. de ijle innerlijke mens. De ‘Lha’s’ van de maan, de maangeesten, waren, zoals al is gezegd, slechts de voorvaderen van zijn vorm, d.w.z. van het model waarnaar de Natuur uiterlijk aan hem begon te werken. Zo was de oorspronkelijke mens, toen hij verscheen, slechts een verstandeloze bhuta16 of een ‘fantoom’. Deze ‘schepping’ was een mislukking; in de Toelichting op Sloka 20 zal worden verklaard waarom.

     (b) Deze poging werd opnieuw een mislukking. Zij geeft in een allegorie de vruchteloosheid weer van de pogingen van de stoffelijke natuur om zonder hulp zelfs maar een volmaakt dier te maken – laat staan de mens. Want de ‘vaderen’, de lagere engelen, zijn allen natuurgeesten, en de hogere elementalen bezitten ook een eigen intelligentie; maar dit is niet genoeg om een DENKENDE mens te vormen. Er was ‘levend vuur’ nodig, dat vuur dat aan het menselijke denkvermogen zijn zelfwaarneming en zelfbewustzijn of manas schenkt; en de nakomelingen van Pavaka en Suchi zijn de dierlijk-elektrische en zonnevuren, die dieren scheppen, en dus dat eerste astrale model van de mens slechts van een stoffelijke levende constitutie konden voorzien. De eerste scheppers waren dus de Pygmalions van de oorspronkelijke mens: zij slaagden er niet in het beeld verstandelijk te bezielen.
     Deze stanza is, zoals wij zullen zien, heel suggestief. Zij verklaart het mysterie van en overbrugt de kloof tussen het bezielende beginsel in de mens – het HOGERE ZELF of de menselijke monade – en de dierlijke monade, die beide een en hetzelfde zijn, hoewel de eerste goddelijke intelligentie bezit en de laatste alleen instinctief vermogen. Hoe moet het verschil en de tegenwoordigheid van dat HOGERE ZELF in de mens worden verklaard?
     ‘De zonen van MAHAT bezielen de menselijke plant. Zij zijn de wateren die vallen op de dorre bodem van het sluimerende leven, en de vonk die het menselijke dier levend maakt. Zij zijn de Heren van het eeuwige geestelijke leven.’ . . . ‘In het begin (in het tweede Ras) ademden enigen (van de Heren) alleen maar iets van hun essentie in de manushya’s (mensen); en sommigen namen in de mens hun intrek.’
     Hieruit blijkt dat niet alle mensen incarnaties van de ‘goddelijke opstandelingen’ werden, maar slechts enkelen van hen. Van de overigen werd het vijfde beginsel eenvoudig bezield door de daarin geworpen vonk, wat het grote verschil verklaart tussen de verstandelijke vermogens van mensen en rassen. Als de ‘zonen van mahat’, allegorisch gesproken, bij hun streven naar verstandelijke vrijheid de tussenliggende werelden niet hadden overgeslagen, dan zou de dierlijke mens nooit in staat zijn geweest vanaf deze aarde omhoog te streven en door eigen inspanning zijn einddoel te bereiken. Hij had de cyclische pelgrimstocht door alle gebieden van bestaan half, zo niet geheel, onbewust moeten afleggen, zoals in het geval van de dieren. Het is te danken aan deze opstand van het verstandsleven tegen de sombere inactiviteit van de zuivere geest, dat we zijn wat we zijn – zelfbewuste denkende mensen, met de vermogens en eigenschappen van goden in ons, zowel ten goede als ten kwade. Daarom zijn de OPSTANDELINGEN onze verlossers. Als de filosoof hierover goed nadenkt, zal hem meer dan één mysterie duidelijk worden. Alleen door de aantrekkingskracht van de contrasten kunnen de twee tegengestelden – geest en stof – op aarde worden samengevoegd en kunnen ze, gelouterd in het vuur van zelf-bewuste ervaring en lijden, voor eeuwig met elkaar zijn verenigd. Dit zal de betekenis duidelijk maken van veel tot nu toe onbegrijpelijke allegorieën, die dom genoeg ‘fabels’ worden genoemd. (Zie hieronder, ‘Het geheim van satan’.)
     Het verklaart om te beginnen de uitspraak, gedaan in Pymander, dat de ‘hemelse MENS’, de ‘zoon van de vader’, die deelhad aan de natuur en de essentie van de zeven bestuurders of scheppers en heersers van de stoffelijke wereld, ‘door de harmonie heenzag, door de zeven kringen van vuur brak en de naar beneden gerichte natuur openbaarde17’. Het verklaart elk vers in dat Hermetische verhaal en ook de Griekse allegorie van Prometheus. En wat het belangrijkste van alles is, het verklaart de vele allegorische verhalen over de ‘oorlogen in de hemel’, met inbegrip van dat van de Openbaring in verband met het christelijke dogma van de gevallen engelen. Het verklaart de ‘opstand’ van de oudste en hoogste engelen en de reden waarom zij uit de hemel in de diepten van de hel, d.i. de STOF, werden geworpen. Het geeft zelfs een oplossing voor de recente verbijstering van de assyriologen, en wijlen George Smith drukt hun verbazing als volgt uit.
     ‘Mijn eerste gedachte over dit gedeelte’ (van de opstand), zegt hij, ‘was dat de oorlogen met de machten van het kwaad aan de schepping voorafgingen; ik denk nu dat het volgde op het verhaal van de val’ (Chaldean Account of Genesis, blz. 92). In dit boek geeft George Smith een afbeelding, ontleend aan een oude Babylonische cilinder, van de heilige boom, de slang, de man en de vrouw. De boom heeft zeven takken: drie aan de kant van de man, vier aan die van de vrouw. Deze takken stellen de zeven Wortelrassen voor, in het derde waarvan, juist aan het einde, de scheiding van de geslachten en de zogenaamde VAL in de voortplanting plaatshad. De eerste drie Rassen waren geslachtloos, daarna hermafrodiet; de andere vier mannelijk en vrouwelijk, duidelijk van elkaar te onderscheiden. ‘De draak’, zegt G. Smith, ‘die in het Chaldeeuwse scheppingsverhaal de mens tot zonde brengt, is de schepping van Tiamat, het levende beginsel van de zee, of de Chaos . . . die bij de schepping van de wereld tegen de godheden opstond.’ Dit is een dwaling. De draak is het mannelijke beginsel of fallus, verpersoonlijkt of beter verdierlijkt; en Tiamat, ‘de belichaming van de geest van de Chaos’, van de diepte of afgrond, is het vrouwelijke beginsel, de baarmoeder. De ‘geest van chaos en wanorde’ heeft betrekking op de geestelijke verwarring waartoe hij leidde. Het is het zinnelijke, aantrekkende, magnetische beginsel, dat betovert en verleidt, het altijd levende actieve element dat de hele wereld in wanorde, chaos en zonde stort. De slang verleidt de vrouw, maar de laatstgenoemde verleidt de man, en beiden vallen onder de karmische vloek, echter alleen als een natuurlijk gevolg van een voortgebrachte oorzaak. George Smith zegt: ‘Het is duidelijk dat de draak mede is begrepen in de vloek wegens de val, en dat de goden (de Elohim, jaloers als zij zien dat de mens van stof op zijn beurt een schepper wordt, evenals alle dieren) over het hoofd van het mensenras alle kwaad afroepen dat de mensheid teistert. Wijsheid en kennis zullen hem schaden, hij zal familieruzies hebben, hij zal de goden vertoornd maken, hij zal zich moeten onderwerpen aan tirannie . . . hij zal worden teleurgesteld in zijn verlangens, hij zal nutteloze gebeden opzenden, hij zal toekomstige zonden begaan. . . . Ongetwijfeld gaan de volgende regels over dit onderwerp door, maar opnieuw wordt ons verhaal onderbroken, en het wordt pas hervat, waar de goden zich voorbereiden op de oorlog met de machten van het kwaad, die worden aangevoerd door Tiamat (de vrouw) . . .’ (Babylonian Legend of Creation, blz. 92.)
     Dit verhaal is voor monotheïstische doeleinden uit Genesis weggelaten. Maar het is een verkeerde werkwijze – ongetwijfeld geboren uit vrees en consideratie voor de dogmatische religie en de bijgelovigheden daarvan – om te proberen de Chaldeeuwse fragmenten te reconstrueren met behulp van Genesis, terwijl juist deze laatste, die veel jonger is dan die fragmenten, uit deze fragmenten behoort te worden verklaard.


      17. DE ADEM (menselijke monade) HAD EEN VORM NODIG; DE VADEREN GAVEN DIE. DE ADEM HAD EEN GROF LICHAAM NODIG; DE AARDE VORMDE HET. DE ADEM HAD DE LEVENSGEEST NODIG; DE ZONNE-LHA’S BLIEZEN DIE IN ZIJN VORM. DE ADEM HAD EEN SPIEGEL VAN ZIJN LICHAAM (astrale schaduw) NODIG; ‘WIJ GAVEN HEM DE ONZE’, ZEIDEN DE DHYANI’S. DE ADEM HAD EEN VOERTUIG VAN BEGEERTEN (kamarupa) NODIG; ‘HIJ HEEFT HET’, ZEI DE DROOGLEGGER VAN DE WATEREN (Suchi, het vuur van hartstocht en dierlijk instinct). DE ADEM HEEFT EEN DENKVERMOGEN NODIG OM HET HEELAL TE OMVATTEN; ‘WIJ KUNNEN DAT NIET GEVEN’, ZEIDEN DE VADEREN. ‘DAT HEB IK NOOIT GEHAD’, ZEI DE GEEST VAN DE AARDE. ‘DE VORM ZOU WORDEN VERTEERD, ALS IK HEM HET MIJNE GAF’, ZEI HET GROTE (zonne-)VUUR . . . . DE (wordende) MENS BLEEF EEN LEGE VERSTANDELOZE BHUTA . . . . ZO HEBBEN DE BEENDERLOZEN LEVEN GESCHONKEN AAN HEN, DIE (later) IN HET DERDE (ras) MENSEN MET BEENDEREN WERDEN (a).

     Omdat een volledige uitleg hiervan is te vinden in Stanza V (zie paragraaf (a)), zullen een paar opmerkingen nu voldoende zijn. De ‘vader’ van de oorspronkelijke stoffelijke mens of van zijn lichaam is het elektrische levensbeginsel dat zetelt in de zon. De maan is zijn moeder, want de geheimzinnige kracht in de maan heeft op de zwangerschap en voortplanting van de mens, die zij regelt, een even duidelijke invloed als op de groei van planten en dieren. De ‘wind’ of ether, die in dit geval staat voor het medium van overdracht waardoor de invloeden van die twee lichtgevers naar de aarde worden gebracht en daar verspreid, wordt aangeduid als de ‘voedster’; terwijl alleen het ‘geestelijke vuur’ van de mens een goddelijk en volmaakt wezen maakt.
     Maar wat is dat ‘geestelijke vuur’? In de alchemie is het in het algemeen WATERSTOF; terwijl het in de esoterische werkelijkheid de emanatie of de straal is die voortkomt uit zijn noumenon, de ‘Dhyan van het eerste element’. Waterstof is alleen op ons aardse gebied een gas. Maar zelfs in de scheikunde zou waterstof ‘de enige bestaande vorm van stof zijn, in onze betekenis van het woord’18, en zij is nauw verwant aan protyle, die ons layam is. Zij is om zo te zeggen de vader en voortbrenger, of beter de upadhi (basis) van zowel LUCHT als WATER, en is inderdaad ‘vuur, lucht en water’: één onder drie aspecten; vandaar de chemische en alchimistische drie-eenheid. In de wereld van manifestatie of stof is deze het objectieve symbool en de stoffelijke emanatie van het subjectieve en zuiver geestelijke Wezen op het gebied van de noumena. Terecht heeft Godfrey Higgins waterstof vergeleken en zelfs vereenzelvigd met TO ON, het ‘ene’ van de Grieken. Want, zoals hij opmerkt, waterstof is geen water, hoewel zij dit voortbrengt; waterstof is ook geen vuur, hoewel zij dit manifesteert of schept; en evenmin is zij lucht, hoewel lucht mag worden beschouwd als een product van het verenigen van water en vuur – want waterstof komt voor in het waterige element van de atmosfeer. Zij is drie in een.
     Als men de vergelijkende theogonie bestudeert, is het gemakkelijk te zien dat het geheim van deze ‘vuren’ werd onderwezen in de mysteriën van alle volkeren van de oudheid, in het bijzonder in Samothrake. Er is niet de minste twijfel dat de kabiren, de geheimzinnigste van alle oude godheden, goden en mensen, grote godheden en titanen, identiek zijn met de kumara’s en rudra’s, aangevoerd door Kartikeya – ook een kumara. Dit is zelfs exoterisch heel duidelijk; en deze hindoegodheden waren, evenals de kabiren, de verpersoonlijkte heilige vuren van de meest occulte natuurkrachten. De verschillende takken van het Arische Ras, de Aziatische en de Europese, de Hindoe- en de Griekse, deden hun best om hun ware aard, zo niet hun belangrijkheid, te verbergen. Evenals in het geval van de kumara’s, is het aantal kabiren onzeker. Sommigen zeggen dat er slechts drie of vier waren; anderen zeggen zeven. Aschieros, Achiosersa, Achiochersus en Camillus kunnen heel goed worden beschouwd als de alter ego’s van de vier kumara’s – Sanat-Kumara, Sananda, Sanaka en Sanatana. De eerstgenoemde godheden, van wie Vulcanus de veronderstelde vader was, werden vaak verward met de dioscuri, corybantes, anaces, enz.; evenals de kumara’s, van wie de veronderstelde vader Brahma is (of liever de ‘vlam van zijn toorn’, die hem ertoe aanzette de negende of kumara-schepping te verrichten, met als gevolg Rudra of Nilalohita (Siva) en de kumara’s), werden verward met de asura’s, de rudra’s en de pitri’s, om de eenvoudige reden dat zij allen één zijn – nl. in wisselwerking staande krachten en vuren. Er is hier geen ruimte om deze ‘vuren’ en hun werkelijke betekenis te beschrijven, hoewel wij dit misschien zullen proberen, indien het derde en het vierde deel van dit boek ooit worden uitgegeven. Intussen kunnen er nog een paar verklaringen aan worden toegevoegd.
     Al het voorafgaande betreft mysteries waarvan het beter is de oplossing over te laten aan de persoonlijke intuïtie van de onderzoeker, dan dat ze worden beschreven. Als hij iets zou willen vernemen over het geheim van de VUREN, laat hij zich dan wenden tot bepaalde boeken van alchemisten, die evenals de occultisten het vuur terecht in verband brengen met alle elementen. De lezer moet bedenken dat de Ouden de religie, de natuurwetenschappen en de filosofie als nauw en onafscheidelijk verbonden beschouwden. Aesculapius was de zoon van Apollo – de zon of het vuur van het leven; tegelijk Helius, Pythius, en de god van de orakelwijsheid. In de exoterische religies, evengoed als in de esoterische filosofie, maakt men de elementen – vooral vuur, water en lucht – tot de voorvaderen van onze vijf stoffelijke zintuigen, en brengt men ze dus rechtstreeks (op occulte manier) daarmee in verband. Deze stoffelijke zintuigen staan zelfs lager dan de schepping die in de Purana’s Pratisarga of de secundaire schepping wordt genoemd. ‘Vloeibaar vuur ontstaat uit ongescheiden vuur’, zegt een occult axioma.
     ‘De cirkel is de GEDACHTE; de middellijn (of de lijn) is het WOORD; en hun vereniging is het LEVEN.’ In de Kabbala is Bath-Kol de dochter van de goddelijke stem, of het oorspronkelijke licht, Shekinah. In de Purana’s en de hindoe-exoterie is Vach (de stem) de vrouwelijke logos van Brahma – een omzetting van Aditi, oorspronkelijk licht. En indien Bath-Kol in de joodse mystiek een duidelijk sprekende bovennatuurlijke stem uit de hemel is, die aan het ‘uitverkoren volk’ de heilige tradities en wetten onthult, dan is dat alleen omdat Vach vóór het judaïsme de ‘moeder van de Veda’s’ werd genoemd, die de rishi’s binnenging en deze door haar openbaringen inspireerde; evenals Bath-Kol, zoals wordt gezegd, de profeten van Israël en de joodse hogepriesters heeft geïnspireerd. En beide bestaan nog steeds in hun respectievelijke heilige symbolieken, omdat de Ouden geluid of spraak in verband brachten met de ether van de Ruimte, waarvan geluid het kenmerk is. Daarom vormen vuur, water en lucht de oorspronkelijke kosmische drie-eenheid. ‘Ik ben uw Gedachte, uw God, ouder dan het vochtige beginsel, het licht dat straalt in de duisternis (Chaos), en het schitterende Woord van God (geluid) is de zoon van de godheid19.’ (‘Pymander’, §6.)
     Wij moeten dus de ‘primaire schepping’ goed bestuderen, vóór wij de secundaire kunnen begrijpen. Het eerste Ras had drie rudimentaire elementen in zich, maar nog geen vuur, omdat volgens de Ouden de evolutie van de mens en de groei en ontwikkeling van zijn geestelijke en stoffelijke zintuigen ondergeschikt waren aan de evolutie van de elementen op het kosmische gebied van deze aarde. Alles komt voort uit prabhavapyaya, de evolutie van de scheppende en waarnemende beginselen in de goden, en zelfs van de zogenaamde scheppende godheid zelf. Dit blijkt uit de namen en titels die in exoterische geschriften aan Vishnu worden gegeven. Als de protologos (de orfische) wordt hij purvaja genoemd, ‘vóór-genetisch’, en de andere namen verbinden hem dan in hun afdalende volgorde meer en meer met de stof.
     De onderstaande parallel lopende volgorde kan men vinden in de evolutie van de elementen en van de zintuigen; of in de kosmische aardse ‘mens’ of ‘geest’ en de sterfelijke stoffelijke mens:

  1. ether gehoor geluid
  2. lucht tastzin geluid en tastzin
  3. vuur of licht gezicht geluid, tastzin en kleur
  4. water smaak geluid, tastzin, kleur en smaak
  5. aarde reuk geluid, tastzin, kleur, smaak en reuk

     Zoals men ziet, voegt ieder element zijn eigen kenmerk aan die van zijn voorganger toe; evenals elk Wortelras zijn kenmerkende zintuig toevoegt aan die van het voorafgaande Ras. Hetzelfde geldt voor de zevenvoudige schepping van de mens, die zich geleidelijk in zeven stadia en volgens dezelfde beginselen ontwikkelt, zoals hierna wordt aangetoond.
     Terwijl dus goden of Dhyan-Chohans (deva’s) voortkomen uit de eerste Oorzaak – die niet Parabrahm is, want dit is de AL-OORZAAK, en kan niet worden aangeduid als de ‘eerste Oorzaak’ – die (de eerste Oorzaak) in de brahmaanse boeken Jagad-Yoni, ‘de schoot van de wereld’ wordt genoemd, emaneert de mensheid uit deze werkzame krachten in de Kosmos. Maar de mensen waren tijdens het eerste en het tweede ras geen stoffelijke wezens, maar slechts rudimenten van de toekomstige mensen: bhuta’s, voortgekomen uit bhutadi, ‘oorsprong’, of de ‘oorspronkelijke plaats waar de elementen ontstonden’. Zij kwamen dus met al het overige voort uit prabhavapyaya, ‘de plaats van de oorsprong en van het weer oplossen van alle dingen’, zoals de commentator verklaart. Van daar kwamen ook onze stoffelijke zintuigen en zelfs de hoogste ‘geschapen’ godheid zelf, in onze filosofie. Eén met het Heelal, of wij hem nu Brahma, Isvara of Purusha noemen, is hij een gemanifesteerde godheid – en dus geschapen, of beperkt en voorwaardelijk. Dit is gemakkelijk te bewijzen, zelfs uit de exoterische leringen.
     Nadat hij het onkenbare, eeuwige Brahma (onzijdig of abstract), de Punda-Rikaksha, ‘opperste en onvergankelijke glorie’ werd genoemd, en zodra hij in plaats van als Sadaika-Rupa – ‘onveranderlijke’ of ‘onbeweeglijke’ Natuur – wordt aangesproken als Ekanaka-Rupa – ‘zowel eenvoudig als veelvuldig’ – smelt hij, de oorzaak, samen met zijn eigen gevolgen; en zijn namen, geplaatst in esoterische volgorde, leveren de volgende afdalende reeks op:

  1. Mahapurusha of Paramatman Opperste geest
  2. Atman of Purvaja (protologos) De levende geest van de Natuur
  3. Indriyatman of Hrishikesa Geestelijke of verstandelijke ziel (één met de zintuigen)
  5. Bhutatman De levende of levensziel
  6. Kshetrajna Belichaamde ziel of het Heelal van geest en stof
  7. Bhrantidarsanatah Bedrieglijke waarneming – stoffelijk Heelal

     De laatste naam betekent iets dat tengevolge van een onjuiste opvatting wordt waargenomen of begrepen als een stoffelijke vorm, maar dat in werkelijkheid slechts maya, illusie is, zoals alles in ons stoffelijke heelal.
     De evolutie van de Dhyan-Chohanische essenties vindt plaats in strikte analogie met ZIJN kenmerken, zowel in de geestelijke als in de stoffelijke werelden; de eigenschappen van deze essenties worden op hun beurt weerspiegeld in de mens, collectief en in elk van zijn beginselen; elk daarvan bevat in dezelfde volgorde een deel van hun verschillende ‘vuren’ en elementen in zich.

 

Noten:

  1. ‘. . . Huxley kon, steunende op de meest overtuigende ontdekkingen in de vergelijkende anatomie, de gewichtige uitspraak doen dat de anatomische verschillen tussen de mens en de hoogste apen kleiner zijn dan die tussen de laatstgenoemde en de laagste apen. In verband met onze menselijke stamboom volgt hieruit noodzakelijk dat het menselijke ras zich geleidelijk uit de echte apen heeft ontwikkeld.’ (‘The Pedigree of Man’, door Ernest Haeckel, vertaald door Ed. B. Aveling, blz. 49.)
         Wat kunnen de wetenschappelijke en logische bezwaren zijn tegen de tegenovergestelde conclusie – zouden wij willen vragen? De anatomische overeenkomsten tussen de mens en de mensapen – sterk overdreven door de darwinisten, zoals De Quatrefages aantoont – worden eenvoudig genoeg ‘verklaard’, wanneer men de oorsprong van de mensapen in aanmerking neemt.
         ‘Nergens in de oudere lagen is een aap te vinden die de mens dichter benadert, of een mens die dichter bij de aap staat. . . .’
  2. ‘. . . Dezelfde kloof die nu bestaat tussen de mens en de aap, gaat met onverminderde breedte en diepte terug tot het Tertiair. Dit feit is al voldoende om de onhoudbaarheid ervan duidelijk te maken’ (dr. F. Pfaff, professor in de natuurwetenschap aan de universiteit van Erlangen).
  3. Wij zijn ons volkomen bewust dat de Vayu en Matsya Purana’s (overeenkomstig de westerse interpretatie) de agnishvatta’s vereenzelvigen met de jaargetijden, en de barhishad-pitri’s met de maanden, en er een vierde klasse aan toevoegen – de kavya’s – cyclische jaren. Maar vereenzelvigen de christelijke rooms-katholieken hun engelen niet met de planeten, en zijn de zeven rishi’s niet de saptarshi geworden – een sterrenbeeld’? Het zijn godheden die heersen over alle cyclische verdelingen.
  4. Volgens het Vayu Purana wordt het gebied dat Viraja-loka wordt genoemd, bewoond door de agnishvatta’s.
  5. Hierop werd gezinspeeld in Isis Ontsluierd, Deel I, blz. xxxviii (Eng. uitgave), hoewel de volledige verklaring toen niet kon worden gegeven: ‘De pitri’s zijn niet de voorouders van de nu levende mensen, maar van de eerste mensensoort of het adamitische ras. Het zijn de geesten van menselijke rassen die, op de grote ladder van de afdalende evolutie, aan onze mensenrassen voorafgingen, en die zowel stoffelijk als geestelijk ver boven onze hedendaagse pygmeeën stonden. In het Manava-Dharma-Sastra worden zij de maan-voorouders genoemd.’
  6. Vandaar de latere uitspraken naar aanleiding van het visioen van Johannes, gedaan in zijn Openbaring, over ‘de grote rode draak met zeven koppen en tien horens, en zeven kronen op zijn koppen’; zijn ‘staart trok het derde deel van de sterren van de hemel en wierp die op de aarde’ (hfst. xii).
  7. Het vers ‘wierp die op de aarde’ toont duidelijk zijn oorsprong in de meest verheven en oudste allegorie van de Arische mystici, die na de vernietiging van de Atlantische reuzen en tovenaars, de waarheid – sterrenkundig, fysisch en goddelijk, want het is een bladzijde uit de vóór-kosmische theogonie – onder verschillende allegorieën verborgen. De esoterische, ware verklaring ervan is een echte theodicee van de zogenaamde ‘gevallen engelen’. De gewilligen en de onwilligen, de scheppers en zij die weigerden te scheppen, worden nu op verbijsterende manier met elkaar verward door de christelijke katholieken, die vergeten dat hun hoogste Aartsengel, Michaël – van wie wordt gezegd dat hij de DRAAK VAN WIJSHEID en van de goddelijke zelfopoffering (nu ten onrechte satan genoemd en belasterd) heeft overwonnen (overmeesterd en in zich opgenomen) – DE EERSTE WAS DIE WEIGERDE TE SCHEPPEN! Dit leidde tot eindeloze verwarring. Zo weinig begrijpt de christelijke theologie de paradoxale taal van het oosten en haar symboliek, dat zij zelfs de Chinees-boeddhistische en de Hindoe-exoterische ritus van het maken van lawaai tijdens bepaalde eclipsen volgens de dode letter verklaart als bedoeld om de ‘grote rode draak’ te verjagen, die een plan had gesmeed om het licht te stelen! Maar hier betekent ‘licht’ esoterische wijsheid, en wij hebben al een voldoende verklaring gegeven van de geheime betekenis van de termen draak, slang, enz., die alle betrekking hebben op adepten en ingewijden.
  8. Ondanks alle pogingen tot het tegendeel, kan de christelijke theologie – die de last van het Hebreeuwse esoterische verhaal van de schepping van de mens op zich heeft genomen, dat letterlijk wordt opgevat – geen enkele redelijke verontschuldiging vinden voor haar ‘God, de schepper’, die een mens voortbrengt zonder denkvermogen en verstand; evenmin kan zij de straf rechtvaardigen die volgt op een daad, waarvoor Adam en Eva zich op ontoerekeningsvatbaarheid zouden kunnen beroepen. Want als men toegeeft dat het mensenpaar vóór het eten van de verboden vrucht onbekend was met goed en kwaad, hoe kan men dan verwachten dat zij wisten dat ongehoorzaamheid kwaad was? Als het de bedoeling was dat de oorspronkelijke mens een half-verstandelijk, of eerder een verstandeloos wezen zou blijven, dan was zijn schepping doelloos en zelfs wreed, als deze was voortgebracht door een almachtige en volmaakte god. Maar zelfs uit Genesis blijkt dat Adam en Eva zijn geschapen door een klasse van lagere goddelijke wezens, de Elohim, die zo angstvallig bezorgd zijn voor hun persoonlijke voorrechten als redelijke en intelligente schepselen, dat zij de mens niet willen toestaan ‘als een van ons’ te worden. Dit is duidelijk, zelfs uit de letterlijke tekst van de bijbel. De gnostici hadden dus gelijk, toen zij de joodse god beschouwden als behorend tot een klasse van lagere, stoffelijke en niet erg heilige bewoners van de onzichtbare wereld.
  9. In Isis Ontsluierd worden verschillende van deze gnostische stelsels gegeven. Een daarvan is ontleend aan de Codex Nazaraeus, de heilige geschriften van de Nazareners die, hoewel zij al lang vóór de tijd van Christus bestonden, en zelfs vóór de wetten van Mozes, gnostici waren, en velen van hen ingewijden. Zij hielden hun ‘levensmysteriën’ in Nazara (het oude en het tegenwoordige Nazareth), en hun leringen zijn een getrouwe echo van die van de Geheime Leer – waarvan wij er nu enige proberen te verklaren.
  10. Zie de vertaling uit het Grieks door François, Heer van Foix, bisschop van Ayre: het boek, opgedragen aan Margareta van Frankrijk, koningin van Navarra. Uitgave van 1579, Bordeaux.
  11. Zie Max Müllers bespreking van de Popol Vuh.
  12. James Darmesteter, de vertaler van de Vendidad, zegt daarover: ‘De boom, wat deze ook mag zijn . . .’ (blz. 209).
  13. Plato’s ‘Timaeus’.
  14. Zie ‘Asgard and the Gods’: ‘The renewal of the World’.
  15. De ‘Vader van het heilige vuur’, schrijft prof. Jolly, ‘is Tvashtri . . . zijn moeder was Maya. Hijzelf werd Akta (gezalfde, χριστόϛ) genoemd, nadat de priester de geestrijke (?) soma over zijn hoofd had uitgegoten, en over zijn lichaam boter, gezuiverd door offering’ (‘Man before Metals’, blz. 190). De bron van zijn gegevens wordt door de Franse darwinist niet gegeven. Maar wij halen deze regels aan om te laten zien dat zelfs voor de materialisten het licht begint te dagen. Adalbert Kühn identificeert in zijn ‘Die Herabkunft des Feuers’ de twee tekens en met arani en duidt ze met deze naam aan. Hij voegt eraan toe: ‘Deze manier van vuur maken bracht de mens als vanzelf tot het denkbeeld van geslachtelijke voortplanting’, enz. Waarom kon niet een waardiger en meer occult denkbeeld de mens hebben gebracht tot het uitvinden van dat symbool, voor zover het in een van zijn aspecten verband houdt met de menselijke voortplanting? Maar de voornaamste symboliek ervan heeft betrekking op de kosmogonie.
         ‘Agni, in de toestand van akta of gezalfde, doet denken aan Christus’, merkt prof. Jolly op. ‘Maya aan Maria, zijn moeder; Tvashtri aan Jozef, de timmerman van de bijbel.’ In de Rig Veda is Visvakarman de hoogste en oudste van de goden en hun ‘vader’. Hij is de ‘timmerman of bouwer’, omdat god zelfs door de monotheïsten ‘de architect van het Heelal’ wordt genoemd. Toch is het oorspronkelijke denkbeeld zuiver metafysisch en stond het niet in verband met het latere fallisme.
  16. Het is niet duidelijk waarom de oriëntalisten in de Purana’s het woord ‘bhuta’s’ vertalen met ‘boze geesten’. In het Vishnu Purana, Deel I, hfst. 5, zegt de sloka eenvoudig: ‘bhuta’s – duivels, schrikaanjagend omdat ze aapkleurig en vleesetend zijn’; in India betekent het woord nu spoken, etherische of astrale fantomen, terwijl het in de esoterische leer elementaire substanties betekent, iets dat is gemaakt uit verdunde, niet-samengestelde essentie, en meer specifiek de astrale dubbelganger van een mens of dier. In dit geval zijn deze oorspronkelijke mensen de dubbelgangers van de eerste etherische dhyani’s of pitri’s.
  17. Zie ‘Pymander’, Deel II, vers 17 tot 29.
  18. Zie ‘Genesis of the Elements’ door prof. W. Crookes, blz. 21.
  19. De tegenstanders van het hindoeïsme mogen dit pantheïsme of polytheïsme noemen, of wat zij maar willen. Indien de wetenschap niet geheel door vooroordeel is verblind, zal zij in dit verhaal een diepgaande kennis zien, zowel van de natuurwetenschappen en de natuurkunde, als van de metafysica en de psychologie. Maar om dit te ontdekken, moet men de personificaties bestuderen en die dan omzetten in chemische atomen. Men zal dan zien dat ze voldoen aan de fysische en zelfs de zuiver materialistische wetenschap, en ook dat ze aanvaardbaar zijn voor degenen die in de evolutie het werk zien van de ‘grote onbekende oorzaak’ in haar fenomenale en bedrieglijke aspecten.

 


De Geheime Leer 2:94-120

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag