STANZA 8


EVOLUTIE VAN DE ZOOGDIEREN. DE EERSTE VAL

     § (28) Hoe de eerste zoogdieren werden voortgebracht. (29) Een quasi-darwinistische evolutie. (30) De dieren krijgen vaste lichamen. (31) Hun scheiding in geslachten. (32) De eerste zonde van de verstandeloze mensen.


      28. UIT DE ZWEETDRUPPELS (a); UIT DE RESTEN VAN DE SUBSTANTIE; DE STOF VAN DODE LICHAMEN VAN MENSEN EN DIEREN VAN HET VOORAFGAANDE WIEL (de vorige, derde Ronde); EN UIT HET AFGEWORPEN STOF, WERDEN DE EERSTE DIEREN (van deze Ronde) VOORTGEBRACHT.

     (a) De occulte leer zegt dat in deze Ronde de zoogdieren een later product van de evolutie waren dan de mensen. De evolutie verloopt in cyclussen. De grote manvantarische cyclus van zeven Ronden, die in de eerste Ronde begint met de delfstof, de plant en het dier, eindigt zijn evolutionaire werk op de neergaande boog in het midden van het vierde Ras, bij het einde van de eerste helft van de vierde Ronde. Dit middenpunt is dus bereikt op onze aarde (de vierde sfeer, en de laagste) en in de tegenwoordige Ronde. En omdat de monade na haar ‘eerste immetallisatie’ op bol A door de delfstoffen-, plantaardige en dierlijke werelden is gegaan in elke graad van de drie stoftoestanden, behalve de laatste graad van de derde of vaste toestand, die zij pas bereikte op het ‘middenpunt van de evolutie’, is het alleen maar logisch en natuurlijk dat bij het begin van de vierde Ronde op bol D de mens het eerst moet verschijnen; en ook dat zijn lichaam moet bestaan uit de ijlste stof die met objectiviteit verenigbaar is. Om het nog duidelijker te maken: als de monade haar cyclus van incarnaties door de drie objectieve natuurrijken op de neergaande boog begint, is het noodzakelijk dat zij ook de opgaande boog van de sfeer als mens betreedt. Op de neergaande boog wordt het geestelijke geleidelijk getransformeerd in het stoffelijke. Op het midden van de basis zijn geest en stof in de mens met elkaar in evenwicht. Op de opgaande boog doet de geest zich langzaam weer gelden ten koste van het fysische of de stof, zodat de monade bij het einde van het zevende Ras van de zevende Ronde even vrij zal zijn van de stof en al haar eigenschappen als zij in het begin was; terwijl zij bovendien de ervaring en de wijsheid heeft verkregen die de vrucht is van al haar persoonlijke levens, zonder het kwaad en de verleidingen ervan.
     Deze volgorde van evolutie kan men ook in Genesis (hfst. 1 en 2) vinden, indien men dit boek leest volgens zijn ware esoterische betekenis, want hoofdstuk i bevat de geschiedenis van de eerste drie Ronden, en ook die van de eerste drie Rassen van de vierde Ronde, tot aan het ogenblik waarop de mens door de Elohim van de wijsheid tot bewust leven wordt geroepen. In het eerste hoofdstuk worden dieren, walvissen en het gevogelte van de lucht vóór de androgyne Adam geschapen1. In het tweede hoofdstuk komt Adam (de geslachtloze) het eerst, en verschijnen de dieren pas na hem. Zelfs de toestand van verstandelijke verdoving en onbewustheid van de eerste twee rassen en van de eerste helft van het derde Ras wordt in het tweede hoofdstuk van Genesis gesymboliseerd door de diepe slaap van Adam. Het was de droomloze slaap van verstandelijke inactiviteit, de sluimer van de ziel en het denkvermogen, die met die ‘slaap’ werd bedoeld, en volstrekt niet het fysiologische proces van differentiatie van de seksen, zoals een geleerde Franse theoreticus (Naudin) veronderstelde.
     De Purana’s, de Chaldeeuwse en Egyptische fragmenten en ook de Chinese tradities stemmen alle overeen met de Geheime Leer, voor wat betreft het proces en de volgorde van de evolutie. Wij vinden er de bevestiging in van vrijwel onze hele leer. Bijvoorbeeld: de uitspraak over de manier van voortplanting bij het derde Ras door het leggen van eieren, en zelfs een aanduiding van een minder onschuldige manier van voortplanting bij de eerste zoogdiervormen, ‘reusachtig, doorzichtig, stompzinnig en monsterachtig waren zij’, zegt de Toelichting. Bestudeer de verhalen over de verschillende rishi’s en hun veelsoortige nageslacht; Pulastya bijvoorbeeld is de vader van alle slangen en naga’s – het eierleggende geslacht; Kasyapa was door zijn vrouw Tamra de stamvader van de vogels en van Garuda, koning van de gevederde stam; terwijl hij door zijn vrouw Surabhi de stamvader was van koeien en buffels, enz.
     In de Geheime Leer zijn de eerste naga’s – wezens, wijzer dan slangen – de ‘zonen van wil en yoga’, geboren vóór de volledige scheiding van de geslachten, ‘gerijpt in de mens-dragende eieren2 die waren voortgebracht door de kracht (kriyasakti) van de heilige wijzen’ van het vroege derde Ras3.
     ‘. . . . In hen werden de Heren van de drie (hogere) werelden geïncarneerd, de verschillende klassen van rudra’s die tushita’s waren geweest, die jaya’s waren geweest en die aditya’s zijn’; want, zoals Parasara uitlegt, ‘er zijn honderd benamingen voor de onmetelijk machtige rudra’s’.
     Enige afstammelingen van de oorspronkelijke naga’s, de slangen van wijsheid, bevolkten Amerika, toen dat continent in de bloeitijd van het grote Atlantis uit de wateren verrees (want Amerika is het Patala of de antipoden van Jambu-Dvipa, niet van Bharata-Varsha). Waar zouden anders de tradities en legenden vandaan komen – de laatstgenoemde bevatten altijd meer waarheid dan de geschiedenis, zoals Augustin Thierry zegt – en zelfs de gelijkheid van de namen van bepaalde ‘medicijnmannen’ en priesters, die nog steeds in Mexico bestaan? Wij zullen iets moeten zeggen over de nargals en de nagals en ook over het nagalisme, dat door de zendelingen ‘duivelsverering’ wordt genoemd.
     In bijna alle Purana’s wordt het verhaal van het ‘offer van Daksha’ gegeven, waarvan het oudste verslag in het Vayu Purana is te vinden. Allegorisch als het is, bevat het voor een natuurkenner meer betekenis en biologische openbaringen dan alle pseudo-wetenschappelijke fantasieën die als geleerde theorieën en hypothesen worden beschouwd.
     Daksha, die als de voornaamste voorvader wordt beschouwd, wordt bovendien in de ‘fabel’, waarin hij zijn hoofd verliest in de algemene strijd tussen de goden en de rauma’s, aangewezen als de schepper van de stoffelijke mens. Dit hoofd, dat in het vuur wordt verbrand, wordt vervangen door de kop van een ram (Kasi-Khanda). Nu zijn de kop en de horens van een ram altijd het symbool van de generatieve kracht en het voortplantingsvermogen, en ze zijn fallisch. Zoals wij hebben aangetoond, opent Daksha het tijdperk van mensen die door geslachtsgemeenschap zijn voortgebracht. Deze manier van voortplanting is niet plotseling ontstaan, zoals men misschien denkt, maar er zijn lange tijdperken voorbijgegaan vóór dit de enige ‘natuurlijke’ manier werd. Volgens het verhaal wordt hij bij zijn offer aan de goden gestoord door Siva, de godheid van de vernietiging, de verpersoonlijkte evolutie en VOORUITGANG, die tegelijkertijd de hernieuwer is; die de dingen in de ene vorm vernietigt om ze in een andere meer volmaakte vorm weer tot leven te wekken. Siva-Rudra schept de vreselijke Virabhadra (geboren uit zijn adem), het ‘duizendkoppige, duizendarmige’ (enz.) monster, en draagt hem op het door Daksha bereide offer te vernietigen. Toen schiep Virabhadra, ‘vertoevend in het gebied van de geesten (etherische mensen) . . . uit de poriën van zijn huid (romakupa’s), machtige rauma’s4 (of raumya’s)’. Hoe mythisch de allegorie echter ook mag zijn, het Mahabharata, dat evengoed geschiedenis is als de Ilias, zegt5 dat de raumya’s en andere rassen op dezelfde manier uit de romakupa’s, haar- of huidporiën, zijn voortgekomen. Deze allegorische beschrijving van het ‘offer’ is vol betekenis voor de onderzoekers van de Geheime Leer die bekend zijn met de ‘zweetgeborenen’.
     In het verhaal van het offer van Daksha volgens het Vayu Purana wordt bovendien gezegd dat het heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van wezens die waren geboren uit het ei, uit de damp, de vegetatie, de poriën van de huid, en pas daarna uit de baarmoeder.
     Daksha typeert het vroege derde Ras, heilig en zuiver, nog niet in het bezit van een individueel ego, maar alleen van de passieve vermogens. Daarom beveelt Brahma hem te scheppen (in de exoterische teksten); waarna hij, om dit bevel op te volgen, ‘lagere en hogere’ (avara en vara) nakomelingen (putra) schiep, tweevoetigen en viervoetigen; en door zijn wil het leven schonk aan vrouwen . . . aan de goden, de daitya’s (reuzen van het vierde Ras), de slangengoden, dieren, vee en de danava’s (titanen en demonische magiërs) en andere wezens.
     . . . ‘Vanaf die tijd werden levende schepselen voortgebracht door geslachtsgemeenschap. Vóór de tijd van Daksha plantten zij zich op verschillende manieren voort – door de wil, door de blik, door aanraking, en door de kracht van yoga6.’ En nu komt de zuiver zoölogische leer.


      29. DIEREN MET BEENDEREN, DRAKEN UIT DE AFGROND EN VLIEGENDE SARPA’S (slangen) WERDEN AAN DE KRUIPENDE WEZENS TOEGEVOEGD. DIE OP DE GROND KRUIPEN, KREGEN VLEUGELS. DIE MET DE LANGE HALZEN IN HET WATER WERDEN DE VOOROUDERS VAN DE VOGELS IN DE LUCHT (a).

     (a) Dit is een punt waarop de leringen en de tegenwoordige biologische opvattingen volkomen overeenstemmen. De ontbrekende schakels die het overgangsproces vormen tussen reptiel en vogel, zijn zelfs voor de grootste kwezel duidelijk, vooral bij de ornithoscelidae, hesperornis en de archaeopteryx van Vogt.30. Tijdens het derde (Ras) groeiden en veranderden de beenderlozen dieren: zij werden dieren met beenderen (a), (ook) hun chhaya’s werden vast.


      30. TIJDENS HET DERDE (Ras) GROEIDEN EN VERANDERDEN DE BEENDERLOZE DIEREN: ZIJ WERDEN DIEREN MET BEENDEREN (a), (ook) HUN CHHAYA’S WERDEN VAST.


      31. DE DIEREN SCHEIDDEN ZICH HET EERST (in mannelijke en vrouwelijke) (b) . . .

     (a) Gewervelde dieren, en daarna zoogdieren. Daarvóór waren de dieren ook etherische proto-organismen, evenals de mens.

     (b) Het feit dat er vroeger hermafrodiete zoogdieren waren en de geslachten daarna zijn gescheiden, is nu onbetwistbaar, zelfs van het standpunt van de biologie. Zoals prof. Oscar Schmidt, een erkende darwinist, zegt: ‘Gebruik en onbruik, gepaard met selectie, verklaren (?) de scheiding van de geslachten, en het totaal onbegrijpelijke bestaan van rudimentaire geslachtsorganen. Vooral bij de gewervelde dieren bezit ieder geslacht zulke duidelijke sporen van de voortplantingsorganen die karakteristiek zijn voor het andere, dat zelfs de oudheid het hermafroditisme aannam als een natuurlijke oervorm van de mensheid . . . . De hardnekkigheid waarmee de rudimenten van geslachtsorganen worden overgeërfd, is merkwaardig. In de klasse van de zoogdieren is werkelijk hermafroditisme onbekend, hoewel zij gedurende hun hele ontwikkelingsperiode deze overblijfselen van hun onbekende voorgeslacht meedragen, niemand weet hoe lang al7.’


      31. . . . ZIJ (de dieren) BEGONNEN ZICH VOORT TE PLANTEN. DE TWEEVOUDIGE MENS SCHEIDDE ZICH (toen) OOK. HIJ (de mens) ZEI: ‘LATEN WIJ DOEN ZOALS ZIJ; LATEN WIJ ONS VERENIGEN EN SCHEPSELEN MAKEN.’ DAT DEDEN ZIJ. . . .


      32. EN ZIJ DIE GEEN VONK HADDEN (deenghoofdigen8) NAMEN REUSACHTIGE VROUWELIJKE DIEREN TOT ZICH (a). ZIJ BRACHTEN DAARMEE STOMME RASSEN VOORT. STOM WAREN ZIJ (deenghoofdigen’) ZELF. MAAR HUN TONGEN MAAKTEN ZICH LOS (b). DE TONGEN VAN HUN NAGESLACHT BLEVEN STIL. MONSTERS BRACHTEN ZIJ VOORT. EEN RAS VAN KROMME ROODHARIGE MONSTERS, DIE LIEPEN OP VIER VOETEN9. EEN STOM RAS OM DE SCHANDE ONUITGESPROKEN TE LATEN10.

     (a) De dieren ‘scheidden zich het eerst’, zegt Stanza 31. Men moet bedenken dat de mensen in die tijd zelfs fysiologisch verschillend waren van wat ze nu zijn, omdat wij het middenpunt van het vijfde Ras voorbij zijn. Er wordt niet gezegd wat de ‘reusachtige vrouwelijke dieren’ waren; maar ze waren beslist even verschillend van alle nu bekende, als bij de mensen het geval was.
     Dit was de eerste ‘val in de stof’ van enkele van de toen bestaande en lagere rassen. Men moet Stanza 24 in gedachten houden. De ‘zonen van wijsheid’ hadden het vroege, d.w.z. het niet-ontwikkelde derde Ras versmaad, en er wordt gezegd dat zij incarneerden in het latere derde Ras en dit daardoor verstand schonken. Zo viel de zonde van de breinloze of ‘verstandeloze’ Rassen, die geen ‘vonk’ hadden en niet verantwoordelijk waren, terug op degenen die hadden verzuimd hun karmische plicht tegenover hen te vervullen.

     (b) Zie verderop over het begin van de menselijke spraak.



MOGELIJKE BEZWAREN TEGEN HET VOORAFGAANDE


     Het occultisme verwerpt dus het denkbeeld dat de Natuur de mens heeft ontwikkeld uit de aap, of zelfs uit een gemeenschappelijke voorvader, maar voert integendeel enkele van de meest antropoïde soorten terug tot de mens van het derde Ras uit het begin van de Atlantische periode. Omdat deze stelling elders zal worden toegelicht en verdedigd, zijn op dit ogenblik slechts enkele woorden voldoende. Voor alle duidelijkheid zullen wij echter in het kort herhalen wat al eerder in Deel I, Stanza VI is gezegd.
     Onze leringen houden in dat, hoewel het volkomen juist is te zeggen dat de natuur eens rondom de menselijke astrale vorm een aapachtige uiterlijke gedaante had gebouwd, het toch even juist is dat deze gedaante evenmin die van de ‘ontbrekende schakel’ was als de omhulsels van die astrale vorm in de loop van zijn natuurlijke evolutie door alle natuurrijken. En zoals op een andere plaats is aangetoond, vond een dergelijke evolutie niet plaats op deze planeet van de vierde Ronde, maar alleen tijdens de eerste, tweede en derde Ronden, toen de mens achtereenvolgens ‘een steen, een plant en een dier’ was, tot hij werd wat hij in het eerste Wortelras van de tegenwoordige mensheid is geweest. De werkelijke lijn van evolutie verschilt van die volgens Darwin, en de twee stelsels zijn onverenigbaar, behalve wanneer het laatstgenoemde wordt losgemaakt van het dogma van de ‘natuurlijke selectie’ en dergelijke. Inderdaad, tussen de moneren van Haeckel en de sarisripa van Manu ligt een onoverbrugbare kloof in de vorm van de jiva; want de ‘menselijke’ monade, hetzij geïmmetalliseerd in het steenatoom, of geïnvegetatieerd in de plant, of geïnanimaliseerd in het dier, is nog steeds een goddelijke en dus ook een MENSELIJKE monade. Zij houdt pas op menselijk te zijn, wanneer zij absoluut goddelijk wordt. De uitdrukkingen ‘delfstof-’, ‘plantaardige’ en ‘dierlijke’ monade zijn bedoeld om een oppervlakkig onderscheid te maken: er is geen andere monade (jiva) dan de goddelijke, die dus menselijk is geweest of moet worden. Deze laatste uitdrukking moet zonder betekenis blijven, tenzij het verschil goed wordt begrepen. De monade is een druppel uit de onbegrensde oceaan aan de andere kant, of om het beter te zeggen, binnen het gebied van de oorspronkelijke differentiatie. Zij is goddelijk in haar hogere en menselijk in haar lagere toestand – de bijvoeglijke naamwoorden ‘hogere’ en ‘lagere’ worden gebruikt bij gebrek aan betere woorden – en een monade blijft zij altijd, onder welke omstandigheden en in welke uiterlijke vorm ook, behalve in de nirvanische toestand. Evenals de logos het Heelal in het goddelijke denkvermogen weerspiegelt, en het gemanifesteerde Heelal zich weerspiegelt in elk van zijn monaden, zoals Leibnitz het in navolging van een oosterse leer uitdrukte, zo moet de MONADE tijdens de cyclus van haar incarnaties in zichzelf elke wortel-vorm van elk natuurrijk weerspiegelen. Daarom zeggen de kabbalisten terecht dat ‘de MENS een steen wordt, een plant, een dier, een mens, een geest, en tenslotte god. Zo voltooit hij zijn cyclus of rondgang en keert hij terug naar het punt vanwaar hij als hemelse MENS was uitgegaan.’ Maar met ‘mens’ wordt de goddelijke monade bedoeld, en niet de denkende entiteit, en nog veel minder haar stoffelijke lichaam. Hoewel ze de onsterfelijke ziel verwerpen, proberen de geleerden deze nu na te speuren via een reeks diervormen, van de laagste tot de hoogste; terwijl in werkelijkheid de hele tegenwoordige fauna afstamt van die oermonsters waarover de stanza’s spreken. De dieren – de kruipende dieren en de waterdieren die de mens in deze vierde Ronde voorafgingen, en de dieren die tijdgenoten van het derde Ras waren, en verder de zoogdieren die later kwamen dan het derde en het vierde Ras – zijn (stoffelijk) alle direct of indirect het gemeenschappelijke en uit wisselwerkingen ontstane product van de mens. Het is juist dat de mens van dit manvantara, d.w.z. in de voorafgegane drie Ronden, door alle natuurrijken is gegaan, dat hij ‘een steen, een plant en een dier’ was. Maar (a) deze stenen, planten en dieren waren de oervormen, de vage vooraanduidingen van die van de vierde Ronde; en (b) zelfs die aan het begin van de vierde Ronde waren de astrale schaduwen van de tegenwoordige, zoals de occultisten het uitdrukken. En tenslotte waren de vormen en de soorten van mens, dier, noch plant wat zij later werden. Zo waren de astrale prototypen van de lagere wezens van het dierenrijk van de vierde Ronde, die voorafgingen aan (de chhaya’s van) de mensen, de vaster geworden, maar nog heel etherische omhulsels van de nog etherischer vormen of modellen die werden voortgebracht aan het einde van de derde Ronde op bol D11. ‘Voortgebracht uit de resten van de substantie; stof van dode lichamen van mensen en (andere uitgestorven) dieren van het voorafgaande wiel’, of de vorige derde Ronde – zoals Sloka 28 ons zegt. Terwijl dus de moeilijk te beschrijven ‘dieren’ die aan de astrale mens bij het begin van deze levenscyclus op onze aarde voorafgingen, nog om zo te zeggen de nakomelingen waren van de mensen van de derde Ronde, danken de zoogdieren van deze Ronde hun bestaan eveneens grotendeels aan de mens. Bovendien is de ‘voorvader’ van het tegenwoordige antropoïde dier, de aap, het rechtstreekse voortbrengsel van de nog verstandeloze mens, die zijn menselijke waardigheid ontheiligde door zich stoffelijk op één lijn te stellen met het dier.
     Het bovenstaande verklaart enkele zogenaamde fysiologische bewijzen, die door de antropologen worden aangevoerd als toelichting op de afstamming van de mens van de dieren.
     Het punt waarop de evolutionisten de meeste nadruk leggen, is dat ‘de geschiedenis van het embryo een korte samenvatting van die van het ras geeft’, en dat ‘ieder organisme bij zijn ontwikkeling uit het ei een reeks vormen doorloopt, die zijn voorouders tijdens de lange geschiedenis van de aarde in dezelfde volgorde hebben doorlopen12. De geschiedenis van het embryo . . . is een beeld in het klein en een schets van die van het ras. Deze opvatting vormt de kern van onze biogenetische grondwet, die wij aan het hoofd moeten plaatsen van de studie van de grondwet van de organische ontwikkeling13.’
     Deze hedendaagse theorie was vanaf de vroegste tijden aan de wijzen en de occultisten als feit bekend en werd door hen veel filosofischer uitgedrukt. Wij citeren hier een passage uit ‘Isis Ontsluierd’ om een paar punten van vergelijking te verschaffen. In Deel I, blz. 388-9 (Engelse uitgave) werd gevraagd waarom de fysiologen met al hun grote geleerdheid niet de teratologische verschijnselen konden verklaren? Iedere anatoom die de ontwikkeling en de groei van het embryo tot ‘onderwerp van bijzondere studie’ heeft gemaakt, kan zonder veel hersenwerk mededelen wat de dagelijkse ondervinding en het getuigenis van zijn eigen ogen hem laten zien, namelijk dat tot een bepaalde periode het menselijke embryo een reproductie is van een jong kikvorsachtig dier in het stadium dat volgt op het ei – een kikkervisje. Maar geen enkele fysioloog of anatoom schijnt op het idee te zijn gekomen om op de ontwikkeling van de mens – vanaf zijn eerste stoffelijke verschijnen als kiem tot zijn uiteindelijke vorming en geboorte – de pythagorische esoterische leer van de metempsychose toe te passen, die door de critici zo verkeerd wordt uitgelegd. De betekenis van het axioma: ‘Een steen wordt een plant; een plant een dier; een dier een mens, enz.’ werd al elders gegeven in verband met de geestelijke en stoffelijke evolutie van mensen op deze aarde. Wij zullen er nu een paar woorden aan toevoegen om de zaak duidelijker te maken.
     Wat is de oorspronkelijke vorm van de toekomstige mens? Een zaadje, een stofdeeltje, zeggen sommige fysiologen; een molecule, een ei van het ei, zeggen anderen. Indien het kon worden geanalyseerd – met een microscoop of op een andere manier – waaruit moeten wij dan verwachten dat het is samengesteld? Analoog geredeneerd, zouden wij zeggen: uit een kern van anorganische stof, uit de circulatie op het kiempunt afgezet, en verbonden met een neerslag van organische stof. Met andere woorden, deze oneindig kleine kern van de toekomstige mens is samengesteld uit dezelfde elementen als een steen – uit dezelfde elementen als de aarde, die de mens bestemd is te bewonen. Mozes heeft volgens de kabbalisten gezegd dat er aarde en water nodig waren om een levend wezen te maken, en zo zou men kunnen zeggen dat de mens het eerst als een steen verscheen.
     Na verloop van drie of vier weken heeft het ei het uiterlijk van een plant aangenomen; het ene uiteinde is bolvormig geworden en het andere spits toelopend als een wortel. Bij het ontleden blijkt het evenals een ui te zijn samengesteld uit heel tere laagjes of vliezen, waarin zich een vloeistof bevindt. De laagjes naderen elkaar aan het benedeneinde en het embryo hangt aan de wortel van de navelstreng, vrijwel zoals een vrucht aan een tak. De steen is nu door ‘metempsychose’ veranderd in een plant. Dan begint het embryonale wezen zijn ledematen van binnen naar buiten uit te steken en zijn gelaatstrekken te ontwikkelen. De ogen zijn zichtbaar als twee zwarte stippen; de oren, de neus en de mond vormen indeukingen als de punten van een ananas, voordat zij naar buiten beginnen uit te steken. Het embryo ontwikkelt zich tot een op een dier lijkende foetus – in de vorm van een kikkervisje – en leeft en groeit in het water als een amfibisch reptiel. Zijn monade is nog niet menselijk of onsterfelijk geworden, want de kabbalisten delen ons mee dat dit pas gebeurt op het ‘vierde uur’. Eén voor één neemt de foetus de kenmerken van de mens aan; het eerste zuchtje van de onsterfelijke adem gaat door zijn wezen; hij beweegt; en de goddelijke essentie vestigt zich in het kinderlichaam, dat zij zal bewonen tot het ogenblik van de stoffelijke dood, wanneer de mens een geest wordt.
     Dit geheimzinnige vormingsproces van negen maanden wordt door de kabbalisten de voltooiing van de ‘individuele cyclus van evolutie’ genoemd. Zoals de foetus zich in het vruchtwater in de baarmoeder ontwikkelt, zo ontkiemen de aarden in de universele ether, of het astrale fluïdum, in de schoot van het Heelal. Deze kosmische kinderen zijn evenals hun dwergbewoners eerst kernen; dan eitjes; dan worden ze geleidelijk rijp; worden op hun beurt moeders en ontwikkelen minerale, plantaardige, dierlijke en menselijke vormen. Van het middelpunt tot de omtrek, van het onwaarneembare blaasje tot de verst denkbare grenzen van de Kosmos, volgen die verheven denkers, de occultisten, cyclus na cyclus die in elkaar opgaan en die een eindeloze reeks vormen en daarvan deel uitmaken. Het embryo dat evolueert in zijn vóórgeboortelijke sfeer, het individu in zijn gezin, het gezin in de staat, de staat in de mensheid, de aarde in ons stelsel, dat stelsel in zijn centrale heelal, het heelal in de Kosmos, en de Kosmos in de ENE OORZAAK . . . zo luidt hun filosofie van de evolutie die, zoals wij zien, verschilt van die van Haeckel:

‘Alle zijn slechts delen van één ontzagwekkend geheel,
Waarvan het lichaam de Natuur is, en (Parabrahm) de ziel . . .’

     Dit zijn de bewijzen van het occultisme, en zij worden door de wetenschap verworpen. Maar hoe moet in dit geval de kloof tussen het denkvermogen van de mens en van het dier worden overbrugd? Wanneer wij ten behoeve van de redenering even aannemen dat de mensaap en de homo primigenius een gemeenschappelijke voorvader hadden (zoals dit bij de hedendaagse bespiegelingen wordt uitgedrukt), hoe verklaart men dan dat de twee groepen zo sterk van elkaar afwijken wat hun verstandelijke vermogens betreft? Zeker, men zou de occultist kunnen zeggen dat het occultisme, en de wetenschap volgt het daarin, een gemeenschappelijke voorvader toekent aan aap en mens, want het laat de eerstgenoemde afstammen van de primitieve mens. Ja, maar die ‘primitieve mens’ was slechts mens in uiterlijke vorm. Hij was verstandeloos en zielloos toen hij met een vrouwelijk dierlijk monster de voorvader van een reeks apen verwekte. Deze bespiegeling – als het een bespiegeling is – is tenminste logisch en overbrugt de kloof tussen het denkvermogen van de mens en het dier. Zo verklaart zij het tot nu toe onverklaarbare. Het feit dat de wetenschap bijna zeker is dat in het tegenwoordige stadium van evolutie de vereniging van mens en dier geen nakomelingen zal opleveren, wordt elders beschouwd en verklaard.
     Wat is dan het fundamentele verschil tussen de aanvaarde (of vrijwel aanvaarde) conclusies, zoals geformuleerd in ‘The Pedigree of Man’, namelijk dat de mens en de aap een gemeenschappelijke voorvader hebben, en de leringen van het occultisme, die deze conclusie verwerpen en het feit aannemen, dat alle dingen en alle levende wezens uit één gemeenschappelijke bron zijn ontstaan? Volgens de materialistische wetenschap is de mens geleidelijk geëvolueerd tot wat hij nu is, en is hij, uitgaande van het eerste deeltje protoplasma, monere genaamd (dat zoals men ons zegt, evenals de rest, ‘in de loop van onmetelijke tijden is voortgekomen uit enige of uit één enkele, spontaan ontstaande oervorm, die aan één evolutiewet heeft gehoorzaamd’), gegaan door ‘onbekende en onkenbare’ soorten tot aan de aap, en vandaar tot de mens. Waar men de overgangsvormen kan vinden, vertelt men ons niet; om de eenvoudige reden dat er nog nooit ‘ontbrekende schakels’ tussen de mens en de apen zijn gevonden, hoewel dit feit mensen als Haeckel op geen enkele manier belet ze ad libitum te verzinnen.
     Ze zullen ook nooit worden gevonden; eenvoudig omdat men die schakel, die de mens met zijn ware voorgeslacht verbindt, zoekt op het objectieve gebied en in de stoffelijke wereld van de vormen, terwijl hij veilig voor de microscoop en het ontleedmes is verborgen in het dierlijke tabernakel van de mens zelf. Wij herhalen wat wij in Isis Ontsluierd hebben gezegd:

     ‘. . . . Alle dingen hadden hun oorsprong in de geest – de evolutie is oorspronkelijk van bovenaf begonnen en naar beneden voortgegaan, in plaats van omgekeerd, zoals volgens de theorie van Darwin. Met andere woorden, er was een geleidelijke verstoffelijking van vormen, tot een bepaald uiterste van verlaging was bereikt. Dit is het punt waar de leer van de moderne evolutie de arena van de speculatieve hypothese binnengaat. Bij dit tijdperk aangekomen, zal het ons gemakkelijker zijn de antropogenese van Haeckel te begrijpen, die de stamboom van de mens afleidt ‘van zijn protoplasma-wortel, bedolven door de modder van zeeën die bestonden vóór de oudste, fossielen bevattende gesteenten waren afgezet’, zoals professor Huxley uiteenzet. Wij kunnen nog gemakkelijker geloven dat de mens (van de derde Ronde) is geëvolueerd ‘door geleidelijke verandering van een (astraal) zoogdier met een aapachtige vorm’, wanneer wij bedenken dat volgens Berosus dezelfde theorie (hoewel in meer beknopte en minder elegante, maar toch even begrijpelijke bewoordingen) duizenden jaren vóór zijn tijd werd verkondigd door de mens-vis Oannes of Dagon, de half-demon van Babylonië14’ (hoewel in enigszins andere vorm).
     ‘Maar wat ligt er achter de darwinistische lijn van afstamming? Voorzover het hem betreft, alleen maar ‘onverifieerbare hypothesen’. Want, zoals hij het uitdrukt, hij beschouwt alle wezens ‘als afstammelingen in de rechte lijn van enkele wezens die leefden lang voor de eerste laag van het Siluur werd afgezet15’. Hij doet geen poging ons mee te delen wie deze ‘enkele wezens’ waren. Maar dit beantwoordt heel goed aan ons doel, want doordat hij toegeeft dat zij bestaan en een beroep doet op de Ouden om dit te bevestigen en uit te werken, ontvangt dit denkbeeld het zegel van wetenschappelijke goedkeuring . . .’

Inderdaad, zoals wij ook in ons eerste boek zeiden: ‘Indien wij de theorie van Darwin over de ontwikkeling van de soorten aanvaarden, zien wij dat zijn uitgangspunt zich voor een open deur bevindt. Het staat ons vrij met hem aan deze kant te blijven of de drempel te overschrijden, waarachter het grenzeloze en het onbegrijpelijke, of liever het onuitsprekelijke ligt. Al is onze sterfelijke taal ontoereikend om uit te drukken wat onze geest – terwijl die op deze aarde is – vaag onderscheidt in het grote ‘aan de andere kant’, toch moet deze geest dat op een bepaald punt in de tijdloze eeuwigheid begrijpen.’ Maar wat ligt er ‘aan de andere kant’ van de theorie van Haeckel? Wel, Bathybius Haeckelii, en meer niet!
Een verdergaand antwoord wordt gegeven in Afdeling III, Aanhangsels.

 

 

Noten:

  1. Een allegorische verwijzing naar de ‘heilige dieren’ van de Dierenriem en andere hemellichamen. Sommige kabbalisten zien er de oervormen van de dieren in.
  2. In ‘Hesiodus’ schept Zeus zijn derde mensenras uit essen. In de ‘Popol Vuh’ wordt het derde Ras geschapen uit de boom Tzita en het merg van het riet, dat sibac wordt genoemd. Maar sibac betekent ‘ei’ in de mysterietaal van de artufa’s (of inwijdingsgrotten). In een verslag dat Don Baptista Pino in 1812 aan de Cortes zond, wordt gezegd: ‘Alle pueblo’s hebben hun artufa’s – zo noemen de inheemsen de onderaardse vertrekken met slechts één deur, waar zij (in het geheim) bijeenkomen . . . Dit zijn ontoegankelijke tempels . . . en de deuren zijn voor de Spanjaarden altijd gesloten . . . Zij vereren de zon en de maan . . . het vuur en de grote SLANG (de scheppende kracht), waarvan de eieren sibac worden genoemd.’
  3. Er is esoterisch een aanzienlijk verschil tussen de woorden sarpa en naga, hoewel zij door elkaar worden gebruikt. Sarpa (slang) komt van de wortel srip, serpo, kruipen; en zij worden ‘ahi’ genoemd, van ha, verlaten. ‘De sarpa werd voortgebracht uit het haar van Brahma dat, tengevolge van zijn schrik bij het zien van de yaksha’s die hij had geschapen, vreselijk om aan te zien, van zijn hoofd viel, waarbij iedere haar een slang werd. Ze worden sarpa genoemd omdat ze kruipen en ahi, omdat ze het hoofd hadden verlaten’ (Wilson). Maar de naga’s kruipen niet, ondanks hun slangenstaart, maar volgens de allegorieën slagen ze erin te lopen, te rennen en te strijden.
  4. Wilson vertaalt het woord door ‘halfgoden’ (zie zijn Vishnu Purana, blz. 130); maar rauma’s of raumya’s zijn eenvoudig een ras, een stam.
  5. xii, 10, 308.
  6. Vishnu Purana’.
  7. Doctrine of Descent and Darwinism’, blz. 186-7. Het hier bedoelde ‘onbekende voorgeslacht’ zijn de oorspronkelijke astrale oervormen. Vgl. § II, blz. 260(a).
  8. Zie vers 24.
  9. Deze ‘dieren’ of monsters zijn niet de antropoïden of andere aapsoorten, maar inderdaad wat de antropologen de ‘ontbrekende schakel’ zouden kunnen noemen, de primitieve lagere mens; zie hieronder.
  10. De schande van hun dierlijke oorsprong, waarop onze hedendaagse geleerden de nadruk zouden leggen, indien zij dat konden.
  11. Zie ‘Esoteric Buddhism’.
  12. ‘Een heel sterk argument ten gunste van variabiliteit wordt verschaft door de wetenschap van de embryologie. Is de mens in de baarmoeder niet . . . een enkele cel, een plant met drie of vier blaadjes, een kikkervisje met kieuwen, een zoogdier met een staart en tenslotte een primaat (?) en een tweevoeter? Het is nauwelijks mogelijk in de evolutie van het embryo niet een vluchtige schets, een getrouwe samenvatting te zien van de hele organische reeks.’ (Lefèvre, Philosophy, blz. 484.)
         De bedoelde samenvatting betreft echter slechts de voorraad van typen die is opgeslagen in de mens, de microkosmos. Deze eenvoudige verklaring komt tegemoet aan alle bezwaren, zoals de aanwezigheid van de rudimentaire staart in de foetus – een feit waarmee Haeckel en Darwin triomfantelijk paraderen als een afdoend bewijs ten gunste van de theorie van de aap-voorvader. Er kan ook op worden gewezen dat de aanwezigheid van een plant met blaadjes in het embryonale stadium niet wordt verklaard uit de gewone beginselen van de evolutieleer. De darwinisten hebben de mens niet door het plantenrijk gevolgd, maar de occultisten wel. Waarom dan dit verschijnsel bij het embryo, en hoe verklaren de darwinisten dit?
  13. The Proofs of Evolution’, een lezing van Haeckel.
  14. Cory: ‘Ancient Fragments’.
  15. Origin of Species’, blz. 448, 489, eerste druk.

 


De Geheime Leer 2:202-14

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag