De oudste perzische overleveringen over

de polaire en de verzonken continenten


   De legenden konden de feiten niet zodanig verminken dat hun vorm onherkenbaar werd. Tussen de overleveringen van enerzijds Egypte en Griekenland, en anderzijds Perzië – een land dat voortdurend met de eerstgenoemde in oorlog was – is er een zo grote overeenkomst van tekens en getallen, dat zo’n samenloop van omstandigheden niet aan simpel toeval kan worden toegeschreven. Bailly heeft dit afdoende bewezen. Laten wij een ogenblik stilstaan om deze overleveringen afkomstig uit iedere beschikbare bron te onderzoeken, teneinde die van de Magi beter te kunnen vergelijken met de zogenaamde Griekse ‘fabels’.
   Die legenden zijn nu overgegaan in de volksverhalen, de folklore van Perzië, zoals veel echte ficties hun weg naar onze algemene geschiedenis hebben gevonden. De verhalen over koning Arthur en zijn ridders van de tafelronde zijn ook naar alle schijn sprookjes; toch zijn ze gebaseerd op feiten, en behoren tot de geschiedenis van Engeland. Waarom zou dan de folklore van Iran geen deel uitmaken van de geschiedenis en de voorhistorische gebeurtenissen in Atlantis? Die folklore zegt het volgende:
   Vóór de schepping van Adam leefden er twee rassen op aarde en volgden elkaar op; de Devs die 7000 jaar regeerden, en de Peri’s (Izeds) die er maar 2000 regeerden, nog tijdens het bestaan van de eerstgenoemden. De Devs waren reuzen, sterk en slecht; de Peri’s waren kleiner van gestalte, maar wijzer en goedaardiger.
   Hierin herkennen wij de Atlantische reuzen en de Ariërs of de rakshasa’s van het Ramayana en de kinderen van Bharata Varsha, of India; de mensen van vóór en na de zondvloed van de bijbel.
   Gyan (of liever Gnan, de ware of occulte wijsheid en kennis), ook Gian-ben-Gian (of wijsheid, zoon van wijsheid) genoemd, was de koning van de Peri’s1. Hij had een schild dat even beroemd was als dat van Achilles, maar in plaats dat het dienst deed tegen de vijand in de oorlog, diende het als bescherming tegen zwarte magie, de tovenarij van de Devs. Gian-ben-Gian had 2000 jaar geregeerd, toen god aan Iblis, de duivel, toestond de Devs te verslaan en ze tot aan het andere eind van de wereld te verspreiden. Zelfs het magische schild dat – vervaardigd volgens de beginselen van de astrologie – tovermiddelen, betoveringen en beheksingen tenietdeed, was niet opgewassen tegen Iblis, die een werktuig van het lot (of karma) was2. Ze hadden in hun laatste grote stad, Khanoom genaamd, tien koningen en identificeerden de tiende, Kaimurath, met de Hebreeuwse Adam. Deze koningen stemmen overeen met de tien voordiluviaanse geslachten van koningen, zoals Berosus die geeft.
   Hoe verminkt die legenden nu ook blijken te zijn, men kan moeilijk nalaten ze te identificeren met de Chaldeeuwse, Egyptische, Griekse en zelfs de Hebreeuwse overleveringen. De laatstgenoemde, die het in haar exclusiviteit beneden zich acht te spreken van voor-adamitische volkeren, laat het bestaan daarvan toch duidelijk afleiden, door Kaïn – een van de enige twee op aarde levende mannen – naar het land Nod te zenden, waar hij huwt en een stad bouwt (Gen. iv), enz.
   Wanneer we nu de 9000 jaar die in de Perzische verhalen worden genoemd, vergelijken met de 9000 jaar die volgens Plato waren verlopen sinds het verzinken van het laatste deel van Atlantis, dan komt er een heel vreemd feit aan het licht. Bailly heeft het opgemerkt, maar het door zijn interpretaties verdraaid. De Geheime Leer kan de getallen tot hun ware betekenis terugbrengen. ‘In de eerste plaats’, lezen we in ‘Kritias’, ‘moet men bedenken dat er 9000 jaar zijn verstreken sinds de oorlog van de volkeren, die aan de andere kant van de zuilen van Hercules woonden, met hen die de landen aan deze kant bevolkten’.
   In ‘Timaeus’ zegt Plato hetzelfde. De Geheime Leer verklaart dat de meeste latere eiland-Atlantiërs omkwamen in de tijd tussen 850.000 en 700.000 jaar geleden, en dat er al 200.000 jaar Ariërs waren toen het eerste grote ‘eiland’ of continent verzonk. Het schijnt dus dat er nauwelijks enige verzoening tussen de getallen mogelijk is. Maar dat is in feite wel zo. Omdat Plato een ingewijde was, moest hij de versluierde taal van het heiligdom gebruiken en dat gold ook voor de magiërs van Chaldea en Perzië; door hun exoterische onthullingen waren de Perzische legenden bewaard gebleven en aan het nageslacht overgebracht. Zo spreken de Hebreeën over een week van ‘zeven dagen’ en over ‘een week van jaren’, waarbij elke dag ervan 360 zonnejaren voorstelt en de hele ‘week’ in feite 2520 jaar is. Zij hadden een sabbat-week, een sabbat-jaar, enz., en hun sabbat duurde soms 24 uur en soms 24.000 jaar – in hun geheime berekeningen van de sods. Wij van deze tijd noemen honderd jaar een eeuw. De tijdgenoten van Plato, in ieder geval de ingewijde schrijvers, bedoelden met een millennium niet duizend, maar 100.000 jaar; de hindoes, die onafhankelijker waren dan wie ook, hebben hun chronologie nooit verborgen. Zo zullen de ingewijden, als zij 9000 jaar zeggen, dit opvatten als 900.000 jaar, en gedurende die tijd – d.i. vanaf het eerste verschijnen van het Arische ras, toen de pliocene gedeelten van het eens grote Atlantis geleidelijk begonnen te verzinken3 en andere continenten aan de oppervlakte begonnen te verschijnen, tot het uiteindelijke verdwijnen van het kleine eiland van Plato – hadden de Arische rassen nooit opgehouden te strijden tegen de afstammelingen van de eerste reuzenrassen. Deze oorlog duurde tot bijna het einde van het tijdperk dat aan het kali-yuga voorafging, en was de Mahabharata-oorlog die in de Indiase geschiedenis zo beroemd is. Een dergelijke vermenging van gebeurtenissen en tijdvakken en het terugbrengen van honderdduizenden tot duizenden jaren, is niet in strijd met het aantal jaren dat, volgens de bewering van de Egyptische priesters tegenover Solon, was verstreken sinds de vernietiging van het laatste gedeelte van Atlantis. Die 9000 jaar was het juiste aantal. Deze laatste gebeurtenis is nooit geheimgehouden, en was alleen uit de herinnering van de Grieken verdwenen. De Egyptenaren hadden volledige verslagen, omdat ze geïsoleerd waren; want omdat ze door zee en woestijn waren omringd, waren ze tot ongeveer een paar duizend jaar vóór onze tijdrekening door andere volkeren ongemoeid gelaten.
   De geschiedenis vangt voor het eerst een glimp op van Egypte en zijn grote mysteriën door Herodotus, als we de bijbel en zijn vreemde chronologie er niet bij betrekken4. En hoe weinig Herodotus mocht zeggen, erkent hij zelf als hij spreekt over een geheimzinnige graftombe van een ingewijde in Saïs, in het heilige gebied van Minerva. Daar, zegt hij, ‘achter de kapel . . . is het graf van iemand, van wie het naar mijn mening oneerbiedig zou zijn de naam te onthullen . . . Binnen de omheining staan grote obelisken en in de nabijheid is een meer, omringd door een stenen muur in de vorm van een cirkel. In dit meer worden ’s nachts de avonturen van die persoon opgevoerd, die mysteriën worden genoemd: over deze zaken echter moet ik, hoewel ik nauwkeurig op de hoogte ben van de bijzonderheden ervan, een discreet stilzwijgen bewaren’ (ii, 170).
   Anderzijds is het goed te weten dat geen geheim bij de Ouden zo goed werd bewaard en zo heilig was als dat van hun cyclussen en berekeningen. Vanaf de Egyptenaren tot de Joden beschouwde men het als de grootste zonde om iets openbaar te maken dat behoorde tot het juiste meten van de tijd. Tantalus werd in de hellegebieden geworpen omdat hij de geheimen van de goden had geopenbaard; de bewaarders van de heilige Sibyllijnse boeken werden met de doodstraf bedreigd als ze er een woord van zouden onthullen. In iedere tempel waren Sigalions (beelden van Harpocrates) – vooral in die van Isis en Serapis – die een vinger tegen de lippen drukten; terwijl de Hebreeën leerden dat het onthullen van de geheimen van de Kabbala na inwijding in de rabbijnse mysteriën, gelijkstond met het eten van de vrucht van de boom van kennis; het was strafbaar met de dood.
   En toch hebben wij Europeanen de exoterische chronologie van de Joden overgenomen! Geen wonder dat deze al onze opvattingen over de wetenschap en de duur van de dingen vanaf dat moment heeft beïnvloed en gekleurd!
   De Perzische overleveringen staan vol verhalen over twee volkeren of rassen, die zoals sommigen denken nu volkomen zijn uitgestorven, terwijl ze alleen zijn omgevormd. Zij spreken steeds over en geven beschrijvingen van de bergen van Kaf (Kafaristan?), die een galerij bevatten die door de reus Argeak is gebouwd, waarin de beelden van de vroegere mensen in al hun vormen worden bewaard. Zij noemen ze Sulimans (Salomo’s) of de wijze koningen van het oosten en tellen tweeënzeventig koningen met die naam5. Drie van hen regeerden elk 1000 jaar. (Herbelot, blz. 829.)
   Siamek, de geliefde zoon van Kaimurath (Adam), hun eerste koning, werd door zijn reuzenbroer gedood. De vader liet een eeuwigdurend vuur onderhouden op het graf dat zijn as bevatte; vandaar de oorsprong van vuuraanbidding, zoals sommige oriëntalisten denken.
   Toen kwam Huschenk, de voorzichtige en wijze. Zijn dynastie ontdekte opnieuw de metalen en de edelstenen, die door de Devs of reuzen in de ingewanden van de aarde waren verborgen, en ook de bewerking van koper en het graven van kanalen, en zij verbeterde de landbouw. Zoals gewoonlijk wordt aan Huschenk verder toegeschreven dat hij het boek getiteld ‘Eeuwige Wijsheid’ heeft geschreven en zelfs dat hij de steden Luz, Babylon en Ispahan heeft gebouwd, hoewel ze pas eeuwen later werden gebouwd. Maar evenals het tegenwoordige Delhi is gebouwd op zes andere oudere steden, kunnen deze zojuist genoemde steden zijn gebouwd op fundamenten van andere steden van een reusachtige ouderdom. De tijd waarin hij leefde, kan alleen uit een andere legende worden afgeleid.
   In dezelfde overlevering wordt aan die wijze vorst toegeschreven dat hij oorlog heeft gevoerd tegen de reuzen op een paard met twaalf benen, dat zijn geboorte dankte aan de liefde tussen een krokodil en een vrouwtjesnijlpaard. Deze twaalfvoeter werd op het ‘droge eiland’ of nieuwe continent aangetroffen; er was veel kracht en list nodig geweest om dit wonderbaarlijke dier te vangen, maar zodra Huschenk het had bestegen, versloeg hij elke vijand. Geen reus kon tegen zijn geweldige kracht standhouden. Niettemin werd deze koning der koningen gedood door een enorm groot rotsblok dat door de reuzen vanaf de grote bergen van Damavend op hem werd geworpen6.
   Tahmurath is de derde koning van Perzië, de Joris van Iran, de ridder die de draak altijd overwint en doodt. Hij is de grote vijand van de Devs, die in zijn tijd in de bergen van Kaf woonden en nu en dan overvallen pleegden op de Peri’s. De oude Franse kronieken van de Perzische folklore noemen hem de Dev-bend, de overwinnaar van de reuzen. Aan hem wordt ook toegeschreven dat hij Babylon, Ninive, Diarbek, enz. heeft gesticht. Evenals zijn voorvader Huschenk had ook Tahmurath (Taimuraz) zijn strijdros, maar veel zeldzamer en sneller – een vogel die Simorgh-Anke werd genoemd. Inderdaad een wonderbaarlijke vogel, intelligent, een spreker van veel talen en zelfs heel religieus. (Zie Orient. Collect. ii, 119.) Wat zegt die Perzische feniks? Hij klaagt over zijn hoge leeftijd, want hij is cyclussen en nog eens cyclussen vóór de tijd van Adam (ook Kaimurath) geboren. Hij heeft lange tijdperken zien komen en gaan. Hij heeft de geboorte en het einde meegemaakt van twaalf cyclussen van elk 7000 jaar, die esoterisch vermenigvuldigd ons weer 840.000 jaar opleveren7. (Orient. Collect. ii, 119 e.v.) Simorgh is geboren bij de laatste zondvloed van de voor-Adamieten, zegt de ‘romance van Simorgh en de goede kalief’! (Verhalen van Derbent.)
   Wat zegt het ‘Boek van de Getallen? Esoterisch is Adam Rishoon de maangeest (Jehova in zekere zin, of de pitri’s), en zijn drie zonen – Ka-yin, Habel en Seth – stellen de drie rassen voor, zoals al werd uitgelegd. Noach-Xisuthrus stelt op zijn beurt (met de kosmo-geologische sleutel) het derde Ras gescheiden voor, en zijn drie zonen, de laatste drie rassen ervan; Cham symboliseert bovendien dat ras, dat de ‘naaktheid’ van het ouderras en van de ‘verstandlozen’ ontdekte, d.i. zondigde.
   Tahmurath bezoekt op zijn gevleugelde ros (Ahriman) de bergen van Koh-Kaf of Kaph. Hij vindt daar de Peri’s, die door de reuzen slecht worden behandeld en doodt Argen en de reus Demrusch. Dan bevrijdt hij de goede Peri Mergiana8, die door Demrusch gevangen was gehouden en brengt haar over naar het droge eiland, d.i. het nieuwe continent Europa9. Na hem kwam Giamschid, die Esikekar of Persepolis bouwt. Deze koning regeert 700 jaar, gelooft in zijn grote trots dat hij onsterfelijk is en verlangt goddelijk eerbetoon. Het lot straft hem, hij zwerft 100 jaar lang in de wereld rond onder de naam Dhulkarnayn, ‘de tweehoornige’. Maar deze bijnaam houdt geen verband met de ‘tweehoornige’ heer met de gespleten hoef. De ‘tweehoornige’ is de bijnaam die in Azië – dat nog te onbeschaafd is om iets te weten over de eigenschappen van de duivel – wordt gegeven aan die overwinnaars die de wereld van het oosten tot het westen hebben onderworpen.
   Dan komen de overweldiger Zohac, en Feridan, een van de Perzische helden die de eerstgenoemde overwint en hem opsluit in de bergen van Damavend. Deze worden gevolgd door veel anderen tot aan Kaikobad, die een nieuwe dynastie stichtte.
   Zo is de legendarische geschiedenis van Perzië, en we moeten die analyseren. Wat zijn om te beginnen de bergen van Kaf?
   Wat hun geografische ligging ook is, of zij nu de Kaukasus of de Midden-Aziatische bergen zijn, de legende plaatst de Devs en de Peri’s voorbij deze bergen, ver naar het noorden; de Peri’s zijn de verre voorouders van de Parsi’s of Farsi’s. De oosterse overlevering spreekt altijd over een onbekende sombere ijszee en over een duister gebied, waarin niettemin de Gelukkige Eilanden liggen, waarin vanaf het begin van het leven op aarde, de bron van het leven opborrelt (Herbelot, blz. 593; Armenian Tales, blz. 35). Maar de legende beweert bovendien dat een deel van het eerste droge eiland (continent), dat zich van het hoofdcontinent had losgemaakt, sinds die tijd is blijven bestaan, aan de andere kant van de bergen van Koh-Kaf, ‘de stenen gordel die de wereld omringt’. Een reis van zeven maanden zal degene die de ‘ring van Soliman’ bezit, bij die ‘bron’ brengen, als hij steeds in rechte lijn naar het noorden blijft gaan. Wanneer men nu vanuit Perzië recht naar het noorden reist, zal men, gaande langs de zestigste lengtegraad, vlak ten westen daarvan blijvend, op Nova Zembla uitkomen; en een reis vanuit de Kaukasus naar het eeuwige ijs voorbij de poolcirkel zou iemand tussen de 60ste en de 45ste lengtegraad brengen, of tussen Nova Zembla en Spitsbergen. Dit natuurlijk alleen indien men over het twaalfvoetige paard van Huschenk of de gevleugelde Simorgh van Tahmurath (of Taimuraz) beschikt, om daarop de ijszee over te steken10.
   Niettemin beweren de rondtrekkende zangers van Perzië en de Kaukasus tot op heden, dat er ver voorbij de met sneeuw bedekte toppen van Kap of Kaukasus een groot continent is dat nu voor allen is verborgen. Verder zeggen zij dat het kan worden bereikt door degenen die zich kunnen verzekeren van de diensten van de twaalfbenige nakomeling van de krokodil en het vrouwtjesnijlpaard, waarvan de benen naar wens twaalf vleugels11 worden; of door degenen die het geduld hebben om te wachten op de welwillendheid van Simorgh-anke die beloofde dat zij, vóór zij sterft, het verborgen continent aan allen zal openbaren, en het opnieuw zichtbaar en gemakkelijk bereikbaar zal maken door middel van een brug, die de oceaan-Devs zullen bouwen tussen dat deel van het ‘droge eiland’ en de ervan afgescheiden delen12. Dit slaat natuurlijk op het zevende Ras, want Simorgh is de manvantarische cyclus.
   Het is heel merkwaardig dat Cosmas Indicopleustes, die in de zesde eeuw n.Chr. leefde, altijd heeft volgehouden dat de mens werd geboren en eerst heeft geleefd in een land aan de andere kant van de oceaan, en aan hem was in India door een geleerde Chaldeeër een bewijs hiervoor geleverd (Cosmas Indicopleustes in Collect. novâ Patrum, t. ii, blz. 188; zie ook Journ. des Savants, Suppl. 1707, blz. 20). Hij zegt: ‘De landen waarin wij leven, worden omringd door de oceaan, maar aan de andere kant van die oceaan ligt een land dat de muren van de hemel aanraakt; en in dit land werd de mens geschapen en leefde hij in het paradijs. Tijdens de zondvloed werd Noach in zijn ark naar het land gevoerd waar zijn nageslacht nu woont.’ (Ibid.) Het twaalfbenige paard van Huschenk werd aangetroffen op dat continent, dat het droge eiland werd genoemd (zie boven, blz. 154).
   De ‘christelijke topografie’ van Cosmas Indicopleustes en de verdiensten ervan zijn goed bekend; maar hier herhaalt de goede pater een universele overlevering, die nu bovendien door feiten wordt bevestigd. Elke noordpoolreiziger vermoedt een continent of een ‘droog eiland’ voorbij de lijn van het eeuwige ijs. Misschien zal de betekenis van de volgende passage uit een van de Toelichtingen nu duidelijker worden.

   ‘Bij het eerste begin van het (menselijke) leven was het enige droge land aan het rechtereinde13 van de bol, waar deze (de bol) bewegingloos is14. De hele aarde was één uitgestrekte waterwoestijn, en de wateren waren lauw . . . Daar werd de mens geboren op de zeven zones van het onsterfelijke, het onverwoestbare van het manvantara15. Daar was een eeuwige lente in de duisternis. (Maar) wat duisternis is voor de mens van vandaag, was licht voor de mens in zijn begintijd. Daar verbleven de goden en daar regeert sindsdien fohat16 . . . Daarom zeggen de wijze vaderen dat de mens in het hoofd van zijn moeder (de aarde) is geboren en dat haar voeten aan het linkereinde de kwade winden voortbrachten (verwekten) die uit de bek van de lagere draak waaien . . . Tussen het eerste en het tweede (ras) werd het eeuwige centrale (land) verdeeld door het water van het leven17.’
   ‘Het stroomt rond en bezielt haar lichaam (van moeder aarde). Het ene einde ervan komt uit haar hoofd; het wordt vuil bij haar voeten (de zuidpool). Het wordt gezuiverd (bij zijn terugkeer) naar haar hart – dat klopt onder de voet van het heilige Shambala, dat toen (in het begin) nog niet was geboren. Want in de gordel van de woonplaats van de mens (de aarde) liggen het leven en de gezondheid van alles wat leeft en ademt, verborgen18. Tijdens het eerste en het tweede (ras) was de gordel bedekt door de grote wateren. (Maar) de grote moeder verkeerde in barensnood onder de golven en een nieuw land werd toegevoegd aan het eerste, dat onze wijzen het hoofddeksel (de kap) noemen. Haar barensnood was groter bij het derde (ras) en haar middel en navel verschenen boven het water. Het was de gordel, de heilige Himavat, die zich rond de wereld uitstrekt19. Zij viel uiteen in de richting van de ondergaande zon, vanuit haar hals20 naar beneden (naar het zuidwesten), in vele landen en eilanden, maar het eeuwige land (de kap) brak niet in stukken. Droge landen bedekten het oppervlak van de stille wateren naar de vier zijden van de wereld. Deze gingen alle (op hun beurt) ten onder. Toen verscheen de woonplaats van de verdorvenen (het Atlantis). Het eeuwige land was nu verborgen, want de wateren verhardden (bevroren) onder de adem van haar neusgaten en de kwade winden uit de bek van de draak’, enz.

   Hieruit blijkt dat Noord-Azië even oud is als het tweede Ras. Men kan zelfs zeggen dat Azië even oud is als de mens omdat, om zo te zeggen, het wortelcontinent ervan al heeft bestaan vanaf het eerste begin van het menselijke leven; dat deel van de wereld dat nu bekend staat als Azië is er in een later tijdperk van afgesneden en wordt nu door de ijszee ervan gescheiden.
   Als wij de leer dus goed begrijpen, strekte het eerste continent dat tot bestaan kwam, zich als één ongebroken korst uit over de hele noordpool en bleef daar tot in deze tijd, voorbij die binnenzee die aan de weinige poolreizigers die haar hebben waargenomen, een onbereikbare luchtspiegeling toescheen.
   Tijdens het tweede Ras verrees er meer land van onder de wateren als een voortzetting van het ‘hoofd’ uit de hals. Als men op beide halfronden begint op de lijn boven het noordelijkste deel van Spitsbergen21 op de Mercator-projectie, aan onze kant, omvatte het mogelijk aan de Amerikaanse kant de streken die nu worden ingenomen door de Baffinbaai en de naburige eilanden en voorgebergten. Daar reikte het in zuidelijke richting nauwelijks tot de 70ste breedtegraad; hier vormde het het hoefijzercontinent waarover de toelichting spreekt; van de twee einden daarvan omvatte het ene Groenland met een verlenging die de 50ste graad iets naar het zuidwesten kruiste, en het andere Kamtsjatka, terwijl de twee einden werden verbonden door wat nu de noordelijke rand is van de kusten van Oost- en West-Siberië. Dit land viel uiteen en verdween. Tijdens het eerste gedeelte van het derde Ras werd Lemurië gevormd (zie boven). Toen dit op zijn beurt werd vernietigd, verscheen Atlantis.

 

Noten:

  1. Sommigen leiden het woord af van paras, waaruit pars, Perzië, Pers ontstonden; maar het kan evengoed zijn afgeleid van pitar of pitri’s, de hindoevoorouders van het vijfde Ras – de vaders van wijsheid of de zonen van ‘wil en yoga’ – die pitar werden genoemd, evenals de goddelijke pitars van het eerste Ras.
  2. Zie voor deze overleveringen de ‘Verzameling van Perzische legenden’, in het Russisch, Georgisch, Armeens en Perzisch, de verhalende Légendes Persanes van Herbelot, ‘Bibliothèque Orientale’, blz. 298, 387, enz., en de Mémoires van Danville. Wat hierover in honderden boeken in Europese en Aziatische talen en in mondelinge overleveringen verspreid bestaat, geven wij in een verkort verhaal.
  3. Het grootste deel van het continent verging in het Mioceen, zoals al is gezegd.
  4. Teruggaande vanaf Bede zijn alle chronologen van de kerk het met elkaar oneens geweest en hebben zij elkaar tegengesproken. ‘De chronologie van de Hebreeuwse teksten is sterk veranderd, vooral in het interval direct na de zondvloed’, zegt Whiston (Old Test., blz. 20).
  5. Vandaar koning Salomo, van wie buiten de bijbel nergens sporen zijn te vinden. De beschrijvingen van zijn schitterende paleis en stad komen precies overeen met die van de Perzische verhalen, hoewel ze onbekend waren aan alle heidense reizigers en zelfs aan Herodotus.
  6. Orient. Trad., blz. 454. Zie ook Bailly, ‘Lettres sur l’Atlantide’.
  7. Men moet bedenken dat de rabbi’s leren dat er zeven opeenvolgende vernieuwingen van de bol zullen zijn, dat elke daarvan 7000 jaar zal duren, zodat de totale duur 49.000 jaar is. (Zie het ‘wiel’ van rabbi Parcha; ook Kenealy, ‘Book of God’, blz. 176.) Dit heeft betrekking op 7 Ronden, 7 Wortelrassen en onderrassen, de werkelijke occulte getallen, hoewel erg verward.
  8. Mergain of Morgana, de fee-zuster van koning Arthur, blijkt dus van oosterse afkomst te zijn.
  9. Waar we haar inderdaad vinden, in Groot-Brittannië, in het romantische verhaal van de ridders van de Tafelronde. Waarom zouden ze gelijke namen hebben en beiden feeën zijn, als beide heldinnen niet dezelfde historische gebeurtenis symboliseren, die is overgegaan in een legende?
  10. Nog steeds noemen de oorspronkelijke bewoners van de Kaukasus hun bergen de Kap-kaz, waarbij ze de medeklinker p gebruiken in plaats van de gebruikelijke v (Kavkaz of Kaukasus). Maar hun barden zeggen dat een snel paard zeven maanden nodig heeft om het ‘droge land’ voorbij Kaf te bereiken, als men in rechte lijn naar het noorden gaat zonder ooit van zijn weg af te wijken.
  11. Bailly dacht in dit paard een schip met twaalf riemen te moeten zien. De Geheime Leer zegt dat het vroege derde Ras boten en vloten van lichte schepen bouwde, voordat het huizen bouwde. Maar het ‘paard’ heeft, hoewel een dier van veel latere tijd, niettemin een meer occulte oorspronkelijke betekenis. De krokodil en het nijlpaard werden, zowel bij de oude Egyptenaren als bij de Mexicanen, als heilig beschouwd en waren bij hen goddelijke symbolen. Poseidon is bij Homerus de god van het paard en neemt zelf die vorm aan om Ceres te behagen. Arion, hun nakomeling, is een van de aspecten van dat ‘paard’, dat een cyclus is.
  12. De afgescheiden delen moeten Noorwegen en andere landen in de nabijheid van de poolcirkel zijn.
  13. De twee polen worden het rechter- en het linkereinde van onze bol genoemd – het rechter is de noordpool – of het hoofd en de voeten van de aarde. Elke weldadige (astrale en kosmische) werking komt van het noorden; elke dodelijke invloed van de zuidpool. Ze zijn sterk verbonden met en beïnvloeden de magie van de ‘rechter-’ en de ‘linker’hand.
  14. Hoe dichter men tot de polen nadert, hoe minder draaiing men voelt; aan de polen zelf wordt de dagelijkse rotatie helemaal geneutraliseerd. Vandaar de uitdrukking dat de bol ‘bewegingloos’ is.
  15. Het occultisme leert dat het land of eiland dat de noordpool als een kap bekroont, het enige is dat tijdens het hele manvantara van onze ‘Ronde’ blijft bestaan. Alle centrale continenten en landen zullen afwisselend en herhaaldelijk van de zeebodem oprijzen, maar dit land zal nooit veranderen.
  16. Bedenk dat de naam van fohat volgens de Veda’s en de Avesta, Apam-Napat is. In de Avesta staat hij tussen de vuur-yazata’s en de water-yazata’s. De letterlijke betekenis is ‘zoon van de wateren’, maar deze ‘wateren’ zijn niet de vloeistof die wij kennen, maar ether – de vurige wateren van de ruimte. Fohat is de ‘zoon van de ether’ in zijn hoogste aspect, akasa, de moeder-vader van de oorspronkelijke zeven, en van het geluid of de LOGOS. Fohat is het licht van laatstgenoemde. Zie Deel I.
  17. Dit ‘water’ is het bloed of het levensfluïdum dat de aarde bezielt, die hier met een levend lichaam wordt vergeleken.
  18. De occulte leer bevestigt de volksoverlevering die zegt dat er in de ingewanden van de aarde en in de noordpool een bron van leven bestaat. Het is het bloed van de aarde, de elektromagnetische stroom die rondgaat door alle aderen, en waarvan men zegt dat die is opgeslagen in de ‘navel van de aarde’.
  19. Het occultisme wijst de Himalajaketen aan als die ‘gordel’, en beweert dat deze, onder of boven water, de aardbol omsluit. De navel ligt volgens de beschrijving in de richting van de ondergaande zon of ten westen van de Himavat, waarin de wortels van Meru liggen, een berg die ten noorden van de Himalaja ligt. De Meru is niet ‘de fabelachtige berg in de navel of het middelpunt van de aarde’, maar de wortels en de grondslagen ervan zijn in die navel, hoewel de Meru zelf in het verre noorden ligt. Dit verbindt hem met het ‘centrale’ land ‘dat nooit vergaat’, het land waarin ‘de dag van de sterveling zes maanden duurt en zijn nacht eveneens zes maanden’. Zoals het Vishnu Purana zegt: ‘Voor het noorden van de Meru is het daarom altijd nacht tijdens de dag in andere gebieden; want de Meru ligt ten noorden van alle dvipa’s en varsha’s’ (eilanden en landen). (Deel II, hfst. viii.) De Meru ligt dus niet op de Atlas, zoals Wilford suggereert en ook niet, zoals Wilson probeerde aan te tonen, ‘absoluut in het middelpunt van de aardbol’, alleen al omdat ‘relatief gezien voor de bewoners van de verschillende delen van de aarde, het oosten de streek is waar de zon voor allen het eerst verschijnt’.
  20. Zelfs de Toelichtingen onthouden zich niet van oosterse beeldspraak. De bol wordt vergeleken met het lichaam van een vrouw, ‘moeder aarde’. Vanuit haar hals naar beneden, betekent vanaf de binnenzee die nu achter de ondoordringbare ijsbarrière ligt. De aarde, zoals Parasara zegt, ‘is de moeder en voedster, vermeerderd met alle schepselen en hun eigenschappen, die alle werelden omvat’.
  21. Want de stanza’s geven deze streek een naam die in de toelichting wordt vertaald door een plaats zonder breedtegraad (niraksha), de verblijfplaats van de goden. Zoals een scholiast in de Surya-Siddhanta zegt:
       ‘Boven deze (de siddha) gaat de zon als hij zich in de dag- en nachteveningspunten bevindt; zij hebben geen equinoctiale schaduw en ook geen poolshoogte (akshonnati, v. 42). In beide richtingen staan twee poolsterren (dhruvatara) in het midden van de hemel; voor hen die zich bevinden op plaatsen zonder breedtegraad (niraksha), hebben beide hun plaats aan de horizon. Daarom is er (in dat land) geen poolshoogte, omdat de twee poolsterren aan de horizon staan; maar hun graden van poolsafstand (lumbaka) zijn 90; bij de Meru bedragen de breedtegraden (aksha) hetzelfde aantal.’ (43 en 44.)

De Geheime Leer 2:444-53

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag