Westerse speculaties, gebaseerd op overleveringen

van de grieken en uit de purana’s


   Zo wordt het begrijpelijk dat Rudbeck, een Zweedse geleerde, zelfs op grond van de magere gegevens die de niet-ingewijde historicus ter beschikking staan, ongeveer twee eeuwen geleden probeerde te bewijzen dat Zweden het Atlantis van Plato was. Hij dacht zelfs dat hij in de vorm van het oude Uppsala de ligging en de afmetingen van de hoofdstad van ‘Atlantis’ had gevonden, zoals die door de Griekse wijze worden gegeven. Zoals Bailly bewees, vergiste Rudbeck zich; maar dat gold in nog sterkere mate voor Bailly. Want Zweden en Noorwegen hadden deel uitgemaakt van het oude Lemurië, en ook van Atlantis aan de Europese kant, zoals Oost- en West-Siberië en Kamtsjatka ertoe hadden behoord aan de Aziatische kant. Maar nogmaals, wanneer was dat? We kunnen dit alleen bij benadering achterhalen door de Purana’s te bestuderen, althans als we niets met de geheime leringen te maken willen hebben.
   Driekwart eeuw zijn al verstreken sinds kapitein (nu kolonel) Wilford zijn fantastische theorie naar voren bracht dat de Britse eilanden het ‘Witte eiland’ zouden zijn, het Atala uit de Purana’s. Dit was klinkklare onzin, want Atala is een van de zeven dvipa’s of eilanden die behoren tot de lagere loka’s, een van de zeven gebieden van Patala (de tegenvoeters). Bovendien plaatsen de Purana’s het, zoals Wilford1 aantoont, ‘in de zevende zone of het zevende klimaat’ – of eerder op de zevende warmtegraad, wat betekent tussen 24 en 28 graden noorderbreedte. Het moet dus op dezelfde breedte worden gezocht als de Kreeftskeerkring, terwijl Engeland tussen de 50ste en de 60ste breedtegraad ligt. Wilford noemt het Atala, Atlantis, het witte eiland. En in deel viii van het Journal of Asiatic Researches, blz. 280, wordt de vijand ervan de ‘witte duivel’, de demon van de verschrikking genoemd. Want hij zegt: ‘In hun romantische verhalen (van de hindoes en de mohammedanen) gaat Kai-caus naar de berg ‘As-burj, aan de voet waarvan de zon ondergaat’, om de Dev-sefid of witte duivel, de taradaitya van de Purana’s, te bestrijden, die een verblijfplaats had op de zevende trap van de wereld, overeenkomend met de zevende zone van de boeddhisten, of het Witte eiland.’
   Hier stonden de oriëntalisten voor het raadsel van de sfinx en dat geldt nog steeds; en de onjuiste oplossing daarvan zal hun gezag, zo niet hun persoon, voor altijd vernietigen in de ogen van elke hindoegeleerde, zelfs van diegenen die geen ingewijden zijn. Want er is geen enkele uitspraak in de Purana’s – op de tegenstrijdige details waarvan Wilford zijn speculaties baseerde – die niet verschillende betekenissen heeft en die niet van toepassing is op zowel de fysische als de metafysische werelden. Als de oude hindoes het oppervlak van de bol geografisch in zeven zones, klimaten, dvipa’s verdeelden, en allegorisch in zeven hellen en zeven hemelen, dan was die maat van zeven niet in beide gevallen van toepassing op dezelfde streken. De noordpool, het land van de ‘Meru’, is de zevende afdeling, omdat zij overeenkomt met het zevende beginsel (of metafysisch het vierde) van de occulte berekening, want zij vertegenwoordigt het gebied van atma, van zuivere ziel en geestelijkheid. Daarom noemt men Pushkara de zevende zone of dvipa, die in het Vishnu (en andere) Purana’s (Deel II, hfst. iv) de Kshira oceaan of melkoceaan (het altijd bevroren witte gebied) omvat. En Pushkara met zijn twee varsha’s ligt juist aan de voet van de Meru. Er wordt nl. gezegd dat ‘de twee landen ten noorden en ten zuiden van de Meru zijn gevormd als een boog’, . . . en dat ‘de ene helft van de oppervlakte van de aarde ten zuiden van de Meru ligt en de andere helft ten noorden van de Meru – daar voorbij ligt de helft van Pushkara’ (Vishnu Purana, Asiatic Researches, enz.). Geografisch is Pushkara dus Noord- en Zuid-Amerika; en allegorisch is het de verlenging van Jambu-dvipa2, in het midden waarvan de Meru staat, want het is het land dat wordt bewoond door wezens die tienduizend jaar leven, die vrij zijn van ziekte of zwakte; waar geen deugd of ondeugd, kasten of wetten zijn, want deze mensen zijn ‘van dezelfde natuur als de goden’ (Vishnu Purana, Deel II, hfst. iv). Wilford is geneigd de Meru te zien in de berg Atlas en plaatst daar ook de loka-loka’s. Men zegt ons echter dat Meru, die de svar-loka, de verblijfplaats van Brahma, van Vishnu, en de Olympus van de Indiase exoterische religies is, geografisch wordt beschreven als ‘gaande door het midden van de aardbol en aan weerszijden naar buiten uitstekend’ (Surya Siddhanta, v. 5, vertal. van Whitney). Aan het boveneinde ervan zijn de goden, aan het benedeneinde (of de zuidpool) is het verblijf van de demonen (hellen). Hoe kan de Meru dan de berg Atlas zijn? Afgezien daarvan kan Taradaitya, een demon, niet op de zevende zone worden geplaatst als de laatstgenoemde wordt vereenzelvigd met het ‘witte’ eiland, dat Svetadvipa is, om redenen die in de voetnoot worden gegeven (Zie onder).
   Wilford beschuldigt de hedendaagse brahmanen ervan ‘ze (de eilanden en landen) alle door elkaar te hebben gegooid’ (A.R. III, 300); maar hij gooide ze nog veel meer door elkaar. Hij gelooft dat, evenals het Brahmanda en het Vayu Purana het oude continent in zeven dvipa’s verdelen, die zoals men zegt zijn omringd door een uitgestrekte oceaan, waarachter de gebieden en bergen van Atala (ibid) liggen, ook ‘de Grieken hoogstwaarschijnlijk het volk van Atlantis verdeelden dat, na eenmaal te zijn ontdekt, niet kon worden teruggevonden, en daarom naar hun mening door een natuurramp was vernietigd’.
   Omdat wij het moeilijk vinden te geloven dat de Egyptische priesters, Plato en zelfs Homerus allen hun denkbeelden over Atlantis hadden gebaseerd op Atala – een lager gebied, gelegen aan de zuidpool – geven we er de voorkeur aan, vast te houden aan de uiteenzettingen die in de geheime boeken worden gegeven. Wij geloven in de zeven ‘continenten’, waarvan er vier hun tijd al hebben gehad, het vijfde nog bestaat en twee in de toekomst zullen verschijnen. Wij geloven dat elk hiervan niet precies een continent in de moderne betekenis van het woord is, maar dat elke naam, van Jambu tot Pushkara3, betrekking heeft op de geografische namen, gegeven aan: (i.) de droge landen die het oppervlak van de hele aarde tijdens de periode van een Wortelras in het algemeen bedekken; (ii.) wat hiervan overbleef na een geologisch (ras)-pralaya, zoals ‘Jambu’ bijvoorbeeld; (iii.) die streken, die na de toekomstige rampen in de formatie van de nieuwe universele ‘continenten’, schiereilanden of dvipa’s4 zullen opgaan – want elk continent is in zekere zin een groter of kleiner gebied van droog land, omringd door water. Zodat, hoe verwarrend de naamgeving daarvan voor de niet-ingewijde ook is, er in feite geen onduidelijkheid is voor degene die de sleutel bezit.
   Wij menen dus te weten dat, hoewel twee van de puranische ‘eilanden’ – het zesde en zevende ‘continent’ – nog moeten komen, er toch landen waren of zijn, die zullen opgaan in de samenstelling van de toekomstige droge landen, van nieuwe gebieden waarvan het geografische uiterlijk volkomen zal zijn veranderd, evenals het geval was met die uit het verleden. Daarom vinden we in de Purana’s dat Saka-dvipa een continent is (of zal zijn), en dat Sankha-dvipa, zoals het Vayu Purana zegt, slechts ‘een klein eiland’ is, een van de negen afdelingen (Vayu voegt er nog zes toe) van Bharata Varsha. Omdat Sankha-dvipa werd bevolkt door ‘Mlechchha’s (onreine vreemdelingen), die hindoegodheden vereerden’, werden zij met India in verband gebracht5. Dit geeft een verklaring voor het feit dat Sankhasura, koning van een deel van Sankha-dvipa, door Krishna werd gedood; de koning die in het paleis woonde ‘dat een oceaanschelp was, en van wie de onderdanen ook in schelpen woonden’, zegt Wilford.
   ‘Aan de oevers van de Nijl6 (?) werd geregeld gestreden tussen de devata’s (goddelijke wezens, halfgoden) en de daitya’s (reuzen); maar omdat de laatstgenoemde stam had overwonnen, deed hun koning Sankhasura, die in de oceaan woonde, vaak invallen in de nacht’ (As. Res., Deel III, 225).
   Deze veldslagen vonden plaats, niet aan de oevers van de Nijl, maar aan de kust van West-Afrika, ten zuiden van het huidige Marokko. Er was een tijd toen de hele Saharawoestijn een zee was; vervolgens was deze een vasteland, even vruchtbaar als de Delta, en toen, maar pas na nog een tijdelijke overstroming, werd zij een woestijn die leek op die andere wildernis, de woestijn van Shamo of Gobi. Dit blijkt uit de puranische overlevering, want op dezelfde bladzijde die hierboven werd geciteerd, staat: ‘Het volk stond tussen twee vuren; want terwijl Sankhasura de ene kant van het vasteland verwoestte, teisterde Krauncha (of Cracacha), koning van Kraunch, de andere; beide legers . . . veranderden zo de vruchtbaarste gebieden in een onherbergzame woestijn.’
   Het staat vast dat niet alleen het laatste eiland van Atlantis, waarover door Plato werd gesproken, aan Europa is voorafgegaan, maar ook een groot continent, dat eerst in tweeën en later in zeven schiereilanden en eilanden (dvipa’s genoemd) uiteenviel. Het besloeg alle Noord- en Zuid-Atlantische gebieden, delen van de noordelijke en de zuidelijke Grote Oceaan, en omvatte zelfs eilanden in de Indische Oceaan (overblijfselen van Lemurië). Deze bewering wordt bevestigd in de Indiase Purana’s, door Griekse schrijvers en in Aziatische, Perzische en Mohammedaanse overleveringen. Wilford, die de legenden van de hindoes en de muzelmannen hopeloos verwart, toont dit niettemin duidelijk aan. (Zie Deel VIII, X en XI van Asiatic Researches.) En zijn feiten en citaten uit de Purana’s geven het rechtstreekse en doorslaggevende bewijs dat de Arische Hindoes en andere oude volkeren eerder de zee bevoeren dan de Feniciërs, van wie nu wordt aangenomen dat zij de eerste zeelieden zijn geweest die in nadiluviaanse tijden verschenen. In het Journal van de Asiatic Society, III, blz. 325, e.v. wordt gezegd:
   ‘In hun nood hieven de weinige overlevende volkeren (in de oorlog tussen devata’s en daitya’s) hun handen op tot Bhagavan: ‘Laat hij die ons kan bevrijden . . . onze koning zijn’; zij gebruikten daarbij het woord I’T (een magisch woord dat Wilford kennelijk niet begreep), dat door het hele land weerklonk.’
   Dan komt er een hevige storm, de wateren van de Kali komen op vreemde manier in beroering, ‘toen er uit de golven . . . een man verscheen, die later I’T werd genoemd, aan het hoofd van een talrijk leger, die zei: abhayan, heb geen vrees’ . . . en de vijand uit elkaar sloeg. ‘De koning I’T’, verklaart Wilford, ‘is een ondergeschikte incarnatie van M’rira’ (Mrida, waarschijnlijk een vorm van Rudra?), die ‘vrede en welvaart herstelde in heel Sankha-dvipa, in Barbaradesa, Hissast’han en Awasthan of Arabië . . .’, enz.
   Als de Purana’s van de hindoes een beschrijving geven van oorlogen op continenten en eilanden die voorbij West-Afrika in de Atlantische Oceaan liggen; als hun schrijvers spreken over Barbara’s en andere volkeren zoals de Arabieren – schrijvers die zover wij weten, in de tijd van de Fenicische zeevaart nooit de zee hebben bevaren of de kala pani (de zwarte wateren van de oceaan) zijn overgestoken – dan moeten hun Purana’s ouder zijn dan die Feniciërs (die men tussen 3000 en 2000 v.Chr. plaatst). In elk geval moeten die overleveringen ouder zijn geweest7, want, zoals een adept schrijft:
   ‘In de hierboven genoemde verhalen spreken de hindoes over dit eiland als een eiland dat bestaat en grote macht uitoefent; het moet dus meer dan elfduizend jaar geleden zijn.’
   Maar er kunnen nog een andere berekening en een ander bewijs worden gegeven van de grote ouderdom van deze hindoe-Ariërs, die wisten van en beschrijvingen gaven van het laatst overgebleven eiland van Atlantis (omdat zij er eens hadden gewoond), of liever van dat overblijfsel van het oostelijke deel van genoemd continent dat al snel na het oprijzen van de twee Amerika’s8 – de twee Varsha’s van Pushkara – was ondergegaan. Dit kan bovendien worden aangetoond op grond van een sterrenkundige berekening van een adept door wie Wilford wordt bekritiseerd. Want terwijl hij in herinnering brengt wat de oriëntalist had meegedeeld over de berg Ashburj ‘aan de voet waarvan de zon ondergaat’, waar de oorlog tussen de devata’s en de daitya’s plaatsvond9, zegt hij:
   ‘Wij zullen nu de geografische breedte en lengte van het verloren eiland en van de overgebleven berg Ashburj beschouwen. Het lag op de zevende trap van de wereld, d.i. in het zevende klimaat (dat is tussen 24 en 28 graden noorderbreedte) . . . Dit eiland, de dochter van de oceaan, ligt volgens veel geschriften in het westen; en men stelt het zo voor dat de zon ondergaat aan de voet van de berg (Ashburj, Atlas, Tenerife of Nila, de naam doet er niet toe) en de witte duivel van het ‘Witte eiland’ bestrijdt.’
   Als we deze bewering uit sterrenkundig oogpunt beschouwen en als we weten dat Krishna de geïncarneerde zon (Vishnu), een zonnegod is, en dat men zegt dat hij Dev-Sefid, de witte reus heeft gedood – een mogelijke personificatie van de oude bewoners aan de voet van de Atlas – kan dan Krishna misschien slechts een voorstelling zijn van de verticale zonnestralen? Die inwoners (de Atlantiden) worden er, zoals we hebben gezien, door Diodorus van beschuldigd dagelijks de zon te vervloeken en steeds zijn invloed te bestrijden. Dit is natuurlijk een sterrenkundige interpretatie. Maar nu zullen we bewijzen dat Sankhasura en Sancha dvipa en hun hele geschiedenis ook geografisch en etnologisch het ‘Atlantis’ van Plato in een hindoegewaad is.
   Hierboven werd opgemerkt dat, omdat het eiland in de verhalen van de Purana’s nog steeds bestaat, die verhalen ouder moeten zijn dan de 11.000 jaar die zijn verstreken sinds Sancha dvipa, of het Poseidonis van Atlantis, verdween. Is het niet mogelijk dat de hindoes het eiland nog eerder hebben gekend? Laten we ons weer wenden tot sterrenkundige uiteenzettingen, die dit volkomen duidelijk maken, als men met de genoemde adept aanneemt, dat ‘in de tijd dat de zomerkeerkring door de Pleiaden ging, toen het hart van de Leeuw op de evenaar stond, en toen de Leeuw bij zonsondergang loodrecht boven Ceylon stond, dat toen de Stier op het middaguur loodrecht boven het eiland Atlantis zou staan’.
   Dit verklaart misschien waarom de Singalezen, de erfgenamen van de rakshasa’s en reuzen van Lanka en de directe afstammelingen van Singha, of de Leeuw, in verband werden gebracht met Sancha dvipa of Poseidonis (het Atlantis van Plato). Alleen moet dit, zoals in de ‘Sphinxiad’ van Mackey wordt aangetoond, sterrenkundig gezien ongeveer 23.000 jaar geleden zijn gebeurd; een tijd waarin de helling van de ecliptica meer dan 27 graden moet zijn geweest, en als gevolg daarvan moet de Stier over ‘Atlantis’ of ‘Sancha dvipa’ zijn gegaan. En dat dit zo was, wordt duidelijk aangetoond.
   ‘De heilige stier Nandi werd van Bharata naar Sancha gebracht om de Rishabha (Stier) elke kalpa te ontmoeten. Maar toen degenen van het Witte Eiland (die oorspronkelijk van Sveta dvipa kwamen)10, die zich hadden vermengd met de daitya’s (reuzen) van het land van ongerechtigheid, zwart van zonde waren geworden, bleef Nandi voor altijd op het ‘Witte Eiland’ (of Sveta dvipa).’ ‘Die van de vierde wereld (ras) verloren AUM’ – zeggen de Toelichtingen.
   Asburj (of Azburj), of het nu de piek van Tenerife is of niet, was een vulkaan, toen het ‘westelijke Atala’ (of hel) begon te verzinken, en degenen die werden gered, vertelden het verhaal ervan aan hun kinderen. Het Atlantis van Plato verging tussen het water er beneden en het vuur erboven; de grote berg braakte de hele tijd vlammen uit. ‘Het ‘vuurspuwende monster’ overleefde als enige de puinhopen van het ongelukkige eiland.’
   Worden de Grieken, die al worden beschuldigd een verzinsel van de hindoes (Atala) te hebben geleend en op basis daarvan er nog een (namelijk Atlantis) te hebben bedacht, er ook van beschuldigd hun geografische denkbeelden en het getal zeven aan hen te hebben ontleend? (Zie in Afdeling II de verschillende hoofdstukken over het ZEVENVOUD in de natuur.)
   ‘Het beroemde Atlantis bestaat niet meer, maar we kunnen er moeilijk aan twijfelen dat het eens bestond’, zegt Proclus, ‘want Marcellus, die een geschiedenis over Ethiopische zaken schreef, zegt dat er eens een eiland van die grootte bestond, en dit wordt bevestigd door diegenen die geschiedenissen schreven over de buitenzee. Want zij delen mee dat er in deze tijd in de Atlantische Zee zeven eilanden waren, gewijd aan Proserpina; en daarnaast nog drie van enorme grootte, gewijd aan Pluto . . . Jupiter . . . en Neptunus. En bovendien bewaarden de bewoners van het laatste eiland (Poseidonis) de herinnering aan de kolossale grootte van het Atlantische eiland, zoals door hun voorouders werd verteld, en aan het feit dat dit eiland eeuwenlang alle eilanden in de Atlantische zee had beheerst. Van dit eiland kon men op andere grote, verder weg gelegen eilanden komen, die niet ver van het vasteland liggen, waar de werkelijke zee vlakbij ligt.’
   ‘Deze zeven dvipa’s (minder juist eilanden genoemd) vormen volgens Marcellus het lichaam van het beroemde Atlantis’, schrijft Wilford zelf . . . ‘Dit toont duidelijk aan dat Atlantis het oude continent is . . . Atlantis werd na een hevige storm (?) vernietigd, zoals de kenners van de Purana’s weten, van wie sommigen beweren dat als gevolg van deze verschrikkelijke beroering van de natuur zes van de dvipa’s verdwenen’ . . . (xi, 27).
   Wij hebben nu voldoende bewijzen gegeven om de grootste scepticus tevreden te stellen. Niettemin voegen wij er ook directe bewijzen aan toe die zijn gebaseerd op de exacte wetenschap. Men kan echter boekdelen vol schrijven die geen enkel doel dienen bij diegenen die willen zien noch horen, behalve door de ogen en oren van hun respectievelijke autoriteiten.
   Vandaar de leer van de rooms-katholieke scholiasten, namelijk dat Hermon, de berg in het land Mizpeth – dat ‘banvloek’, ‘vernietiging’, betekent – dezelfde is als de berg Armon. Als bewijs hiervoor wordt vaak Josephus geciteerd, die beweerde dat daar in zijn tijd nog dagelijks enorme beenderen van reuzen werden ontdekt. Maar het was het land van Bileam, de profeet, die ‘de Heer zeer liefhad’; en feiten en personen zijn in het brein van de genoemde scholiasten zo verward dat, wanneer de Zohar verklaart dat de ‘vogels’ die Bileam inspireerden ‘slangen’ betekenen, dus de wijzen en adepten in de school van wie hij de mysteriën van de profetie had geleerd, weer van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt om aan te tonen dat de berg Hermon wordt bewoond door de ‘gevleugelde draken van het kwaad, van wie het hoofd Samaël (de joodse satan) is’.
   ‘Naar die onreine geesten die waren geketend aan de berg Hermon in de woestijn, werd de zondebok van Israël, die de naam van een van hen (Azaz(y)el) aannam, gezonden’ (Spencer).
   Wij ontkennen dit. De Zohar geeft de volgende verklaring over de toepassing van magie, die in het Hebreeuws nehhaschim, of de ‘werken van de slangen’ wordt genoemd. Er staat (Deel III, kol. 302): ‘Ze worden nehhaschim genoemd, omdat de tovenaars (praktische kabbalisten) werken, omgeven door het licht van de oorspronkelijke slang, die zij aan de hemel waarnemen als een lichtgevende gordel, die bestaat uit tienduizenden kleine sterren’ . . . wat eenvoudig het astrale licht betekent, zo genoemd door de martinisten, door Eliphas Lévi en nu door alle hedendaagse occultisten. (Zie de hoofdstukken daarover.)

 

Noten:

  1. Wilford maakt veel fouten. Hij vereenzelvigt bijvoorbeeld Sveta-dvipa (het witte eiland), het ‘eiland in het noordelijke deel van Toyambhudi’, met Engeland, en probeert het vervolgens met Atala (een lager gebied) en Atlantis te identificeren. Het eerstgenoemde is exoterisch de verblijfplaats van Vishnu, en Atala is een hel. Hij plaatst het ook in de Euxinus of de Icshu (Zwarte) Zee en schijnt het dan op een andere plaats te verbinden met Afrika en de Atlas.
  2. Elke naam in de Purana’s moet tenminste onder twee aspecten worden onderzocht; geografisch en metafysisch, in zijn allegorische toepassing; bijv. Nila, de (blauwe) berg die een van de begrenzingen ten noorden van de Meru is, moet men geografisch ook in een bergketen in Orissa zoeken en eveneens in een berg die heel anders is dan de andere (in West-Afrika). Jambu-dvipa is het rijk van Vishnu – de wereld die in de Purana’s wordt beperkt tot onze aardbol, het gebied dat alleen de Meru omvat, maar volgens een andere verdeling omvat het Bharata-varsha (India), het beste en mooiste deel ervan, zegt Parasara. Hetzelfde geldt voor Pushkara en alle andere.
  3. Jambu, Plaksha, Salmali, Kusa, Krauncha, Saka en Pushkara.
  4. Zoals bijvoorbeeld Saka en Pushkara, die nog niet bestaan, maar waarin sommige delen van Amerika, Afrika en Midden-Azië met het Gobi-gebied zullen worden opgenomen. Laten we in gedachten houden dat upadvipa’s ‘wortel’eilanden betekent, of het droge land in het algemeen.
  5. Zij werden demonen, asura’s, reuzen en monsters genoemd, vanwege hun slechtheid; en daarom werd hun land vergeleken met Atala – een hel.
  6. Beslist niet aan de rivier de Nijl, maar bij de Nila-bergen van de Atlasketen.
  7. Wilford zegt over de verdeling van Atlantis en Bharata of India, waarbij hij de twee verhalen verwart en ook Priyavrata met Medhatithi: ‘De verdeling werd gemaakt door Priyavrata . . . Hij had tien zonen, en het was zijn bedoeling de hele wereld te verdelen. Op dezelfde manier verdeelde Neptunus Atlantis onder zijn tien zonen . . . Een van hen had . . . het uiteinde van Atlantis’ – dat ‘waarschijnlijk het oude continent is . . . Dit Atlantis werd verzwolgen door een vloed . . . en het schijnt dat wij onder Atlantis de voordiluviaanse aarde moeten verstaan, waar volgens de mythologie van het westen (en ook van het oosten) tien vorsten waren geboren om erover te regeren, maar slechts zeven van hen zaten op de troon.’ (Deel III, blz. 286.) . . . Sommigen zijn ook van mening dat er van de zeven dvipa’s zes werden vernietigd door een vloed (Deel VIII, blz. 367). Wilford neemt aan dat hiermee ‘Gades met inbegrip van Spanje’ werd bedoeld, maar het was veeleer het eiland van Plato.
  8. Amerika, de ‘nieuwe wereld’, is dus, hoewel niet veel, toch ouder dan Europa, de ‘oude wereld’.
  9. Als Div of de woonplaats van Dev-Sefid (van de taradaitya) op de zevende trap was, dan was dat omdat hij kwam uit Pushkara, het Patala (tegenvoeters) van India, dus uit Amerika. Dit continent raakte om zo te zeggen aan de muren van Atlantis, voordat dit laatste uiteindelijk verzonk. Het woord Patala, dat zowel de landen van de tegenvoeters als de hellegebieden betekent, gaf dus voor beide dezelfde ideeën en eigenschappen aan.
  10. Noch Atlantis, noch ook Sancha dvipa werd ooit het ‘Witte Eiland’ genoemd. Als de overlevering zegt dat ‘het Witte Eiland zwart werd door de zonden van het volk’, bedoelt zij alleen de bewoners van het ‘Witte Eiland’, of Siddhapura, of Sveta dvipa, die afdaalden naar het Atlantis van het derde en het vierde Ras, om ‘de laatstgenoemden te onderrichten; en die, nadat ze waren geïncarneerd, zwart van zonde werden’ – een beeldspraak. Alle Avatars van Vishnu komen zoals men zegt oorspronkelijk van het Witte Eiland. Volgens de Tibetaanse overlevering is het Witte Eiland de enige streek die ontkomt aan het algemene lot van andere dvipa’s en door vuur noch water kan worden vernietigd, want – het is het ‘eeuwige land’.

De Geheime Leer 2:454-62

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag