De 'zonen van god' en het 'heilige eiland'

 

    De in Isis opgenomen legende over een gedeelte van de aardbol dat de wetenschap nu erkent als de bakermat van de mensheid – hoewel het in feite maar een van de zeven bakermatten is – luidde in het kort, en nu toegelicht, als volgt:

    ‘De overlevering zegt, en de verslagen in het Grote Boek (het Boek van Dzyan) verklaren, dat er lang vóór de tijd van Ad-am en zijn nieuwsgierige vrouw, He-va, op de plaats waar nu slechts zoutmeren en verlaten, dorre woestijnen zijn te vinden, een grote binnenzee was, die zich over Midden-Azië uitstrekte, ten noorden van de trotse Himalajaketen en haar westelijke uitlopers. Een eiland, dat om zijn onvergelijkelijke schoonheid in de wereld zijn weerga niet had, werd bewoond door het laatste overblijfsel van het ras dat aan het onze voorafging.’

    ‘Het laatste overblijfsel’ betekende de ‘zonen van wil en yoga’, die met een paar stammen de grote ramp overleefden. Want het was het derde Ras dat het grote Lemurische continent bewoonde, dat voorafging aan de echte en voltooide menselijke rassen – het vierde en het vijfde. Daarom werd in Isis gezegd:

    ‘Dit ras kon even gemakkelijk in water, lucht of vuur leven, want het had een onbegrensde macht over de elementen. Dit waren de ‘zonen van god’; niet zij die de dochters van de mensen aanzagen, maar de echte Elohim, hoewel zij in de oosterse Kabbala een andere naam hebben. Zij hebben de mensen de vreemdste geheimen van de Natuur medegedeeld en hun het onuitsprekelijke en nu verloren woord’ geopenbaard.’

    Dit ‘eiland’ bestaat, zoals men gelooft, nog steeds; nu als een oase, omringd door de angstaanjagende wildernis van de grote woestijn, de Gobi – waarvan de zandvlakten ‘sinds mensenheugenis niet zijn doorkruist’.

    ‘Dit woord, dat geen woord is, is eens de wereld rondgegaan en blijft nog steeds als een verre, wegstervende echo in de harten van enkele bevoorrechte mensen hangen. De hiërofanten van alle priestercolleges waren van het bestaan van dit eiland op de hoogte; maar het ‘woord’ was alleen bekend aan de java aleim (Maha-Chohan in een andere taal), of de hoogste bestuurder van elk college, en werd pas op het moment van zijn dood aan zijn opvolger doorgegeven. Er bestonden veel van dergelijke colleges en de oude klassieke schrijvers spreken erover.’
    ‘Er was geen overzeese verbinding met het mooie eiland, maar onderaardse gangen, die alleen aan de hoofden bekend waren, gaven er in alle richtingen toegang toe1.’

    De overlevering beweert, en de archeologie erkent de waarheid van de legende, dat er meer dan één nu bloeiende stad in India is, die op verschillende andere steden is gebouwd, waardoor er een onderaardse stad van zes of zeven verdiepingen is ontstaan. Delhi is er een van, Allahabad een andere – zelfs in Europa bestaan hiervan voorbeelden, bijv. Florence, gebouwd op verschillende niet meer bestaande Etruskische en andere steden. Waarom kunnen Ellora, Elephanta, Karli en Ajunta dan niet op onderaardse doolhoven en gangen zijn gebouwd, zoals men beweert? Natuurlijk hebben we het hier niet over de grotten die aan elke Europeaan bekend zijn, hetzij uit aanschouwing of van horen zeggen, ondanks hun enorme ouderdom, hoewel die door de hedendaagse archeologie wordt betwist. Maar het is een feit, dat aan de ingewijde brahmanen van India en vooral aan de yogi’s bekend is, dat er in het land geen rotstempel is, of deze heeft zijn onderaardse gangen die in alle richtingen lopen, en dat deze onderaardse grotten en eindeloze gangen op hun beurt hun grotten en gangen hebben.

    ‘Wie kan zeggen dat het verloren Atlantis – dat ook in het Geheime Boek wordt genoemd, maar weer onder een andere naam, uitgesproken in de heilige taal – in die tijd niet nog bestond?’

vroegen wij verder. Het bestond ongetwijfeld, want het naderde snel zijn toppunt van roem en beschaving toen het laatste gedeelte van het Lemurische continent verzonk.

    ‘Het grote verloren continent lag misschien ten zuiden van Azië en strekte zich uit van India tot Tasmanië2. Als deze hypothese (waaraan nu zo wordt getwijfeld, en die door sommige geleerde schrijvers, die haar als een grap van Plato beschouwen, beslist wordt ontkend) ooit juist blijkt te zijn, dan zullen de geleerden misschien geloven dat de beschrijving van het door goden bewoonde continent niet helemaal een fabel was3. En zij zullen dan misschien ontdekken dat de bedekte aanwijzingen van Plato en het feit dat hij het verhaal aan Solon en de Egyptische priesters toeschrijft, alleen maar een voorzichtige manier was om de waarheid aan de wereld mede te delen en om, door handig waarheid en verbeelding te combineren, zich buiten een verhaal te houden dat hij tengevolge van de verplichtingen die hem bij zijn inwijding waren opgelegd, niet mocht onthullen.’
    ‘Om verder te gaan met de overlevering, moeten we eraan toevoegen dat de klasse van de hiërofanten in twee afzonderlijke categorieën was verdeeld4: zij die werden onderwezen door de ‘zonen van god’ van het eiland en die waren ingewijd in de goddelijke leer van de zuivere openbaring; en anderen, die het verloren Atlantis bewoonden – als dat de naam moet zijn – en die, omdat ze van een ander ras waren (geslachtelijk voortgebracht, maar uit goddelijke ouders), waren geboren met een waarnemingsvermogen dat alle levende dingen omvatte en onafhankelijk was van zowel afstand als stoffelijke obstakels. Kortom, zij waren de in de Popol-Vuh genoemde mensen van het vierde Ras, van wie het waarnemingsvermogen onbeperkt was en die alle dingen direct wisten.’

    Met andere woorden, zij waren de Lemuro-Atlantiërs, de eersten die een dynastie van geest-koningen hadden, niet van manes of ‘spoken’, zoals sommigen geloven (zie ‘Pneumatologie’), maar van werkelijke levende deva’s (of halfgoden of engelen), die lichamen hadden aangenomen om over hen te heersen en die hen op hun beurt in kunsten en wetenschappen onderwezen. Maar omdat zij rupa of stoffelijke geesten waren, waren deze Dhyani’s niet altijd goed. Hun koning Thevetata was een van laatstgenoemden, en onder de kwade invloed van deze koning-demon werd . . . het Atlantische ras een volk van boze tovenaars.

    ‘Als gevolg hiervan werd de oorlog verklaard, waarvan de geschiedenis te lang zou zijn om te vertellen; de hoofdzaken ervan kan men vinden in de verminkte allegorieën van het ras van Kaïn, de reuzen, en van Noach en zijn rechtschapen gezin. De strijd eindigde met de overstroming van Atlantis, die men terugvindt in de verhalen van de Babylonische en de Mozaïsche vloed. De reuzen en tovenaars ‘. . . en alle vlees stierf . . . en elk mens’. Allen behalve Xisuthrus en Noach, die in feite gelijk zijn aan de grote Vader van de Thlinkithiërs in de Popol-Vuh, of het heilige boek van de Guatemalteken, dat ook spreekt over zijn ontsnapping in een grote boot, evenals Vaivasvata, de Noach van de Hindoes.’
    ‘Indien we enigszins in deze overlevering geloven, moeten we ook het verdere verhaal aannemen dat uit onderlinge huwelijken van de nakomelingen van de hiërofanten van het eiland met de afstammelingen van de Atlantische Noach, een gemengd ras ontstond van rechtschapen en slechte mensen. Enerzijds had de wereld haar Henochs, Mozessen, verschillende Boeddha’s, haar talloze ‘Verlossers’ en grote hiërofanten; anderzijds haar ‘natuurlijke tovenaars’ die, door het ontbreken van een beperkende kracht van goede geestelijke verlichting, . . . hun gaven voor slechte doeleinden misbruikten . . .’

    Wij kunnen dit aanvullen met het getuigenis van enige geschriften en overleveringen. In de ‘Histoire des Vierges: Les Peuples et les Continents Disparus’ zegt de schrijver:

    ‘Een van de oudste legenden van India, die door mondelinge en schriftelijke overlevering in de tempels werd bewaard, vertelt dat er honderdduizenden jaren geleden in de Stille Oceaan een enorm continent bestond dat werd vernietigd door een geologische catastrofe en waarvan men de overblijfselen moet zoeken op Madagascar, Ceylon, Sumatra, Java, Borneo en de voornaamste eilanden van Polynesië.’
    ‘De hoogvlakten van Hindostan en Azië zouden volgens deze hypothese in die ververwijderde tijd slechts zijn vertegenwoordigd door grote eilanden in de nabijheid van het centrale continent . . . Volgens de brahmanen had dit land een hoge beschaving bereikt, en heeft het schiereiland van Hindostan, dat werd vergroot door de verplaatsing van de wateren tijdens die grote ramp, de keten van de oorspronkelijke overleveringen die op deze plaats waren ontstaan, slechts voortgezet. Deze overleveringen geven de naam Ruta’s aan de volkeren die dit enorme continent rond de evenaar bewoonden, en uit hun taal werd het Sanskriet afgeleid . . . En de Indo-Helleense overlevering, bewaard door de intelligente bevolking die uit de vlakten van India wegtrok, spreekt eveneens over het bestaan van een continent en een volk, waaraan zij de namen Atlantis en Atlantiden geeft en dat zij plaatst in de Atlantische Oceaan in het noordelijke deel van de tropen.’
    ‘Afgezien van dit feit, is de veronderstelling dat er op die breedten een oud continent heeft gelegen, waarvan de sporen zijn te vinden op de vulkanische eilanden en de bergachtige oppervlakte van de Azoren, de Kanarische en de Kaap-Verdische eilanden, geografisch niet geheel onwaarschijnlijk. De Grieken, die bovendien uit vrees voor de geheimzinnige oceaan nooit voorbij de zuilen van Hercules durfden gaan, verschenen zo laat in de oudheid, dat de door Plato bewaarde verhalen niets anders kunnen zijn dan een echo van deze legende uit India. Als wij verder een blik op de wereldkaart werpen en kijken naar de eilanden en eilandjes die verspreid liggen van de Maleise Archipel tot Polynesië, van Straat Soenda tot het Paaseiland, en we gaan uit van de hypothese dat er aan onze continenten andere zijn voorafgegaan, dan is het onmogelijk het voornaamste vroegere continent niet bij die eilanden te plaatsen.’
    ‘Volgens een religieuze overtuiging, die men zowel aantreft in Malakka als in Polynesië, dat is te zeggen, in de twee uiteinden van Oceanië, ‘vormden al deze eilanden eens twee enorme landen, bewoond door gele en zwarte mensen die altijd met elkaar in oorlog waren; en droegen de goden, die deze twisten moe waren, de oceaan op de vrede te herstellen. Deze verzwolg de beide continenten en sindsdien was het onmogelijk om hem ertoe te brengen zijn gevangenen vrij te laten. Alleen de bergtoppen en hoogvlakten zijn door de macht van de goden, die hun fout te laat bemerkten, aan de overstroming ontsnapt’.’
    ‘Wat er ook van deze overlevering waar is en waar ook de plek was waar zich een beschaving had ontwikkeld die ouder was dan die van Rome, van Griekenland, van Egypte en van India, het staat vast dat deze beschaving heeft bestaan en het is heel belangrijk voor de wetenschap om de sporen ervan terug te vinden, hoe zwak en vluchtig deze ook zijn’ (blz. 13-15).

    Deze laatste overlevering bevestigt die uit de ‘verslagen van de Geheime Leer’. De genoemde oorlog tussen de gele en de zwarte mensen heeft betrekking op een strijd tussen de ‘zonen van god’ en de ‘zonen van de reuzen’, of de bewoners en tovenaars van Atlantis.
    De eindconclusie van de schrijver, die persoonlijk alle eilanden van Polynesië bezocht en jaren heeft gewijd aan de studie van de religie, de taal en de overleveringen van bijna alle volkeren, is als volgt:

    ‘Wat het Polynesische continent betreft dat tijdens de laatste geologische rampen is verdwenen: het bestaan ervan berust op bewijzen waaraan we logisch gezien niet langer kunnen twijfelen.’
    ‘De hoogste drie toppen van dit continent, de Sandwich-eilanden, Nieuw-Zeeland en het Paaseiland, liggen vijftien- tot achttienhonderd mijl van elkaar, en de tussenliggende eilandengroepen, Viti, Samoa, Tonga, Foutouna, Ouvea, de Marquises, Tahiti, Poumoutou en de Gambiereilanden liggen zelf zeven- of achthonderd tot duizend mijl van deze uiterste punten.’
    ‘Alle zeevarenden zijn het erover eens dat de buitenste en de middengroepen, met het oog op hun huidige geografische ligging en de onvoldoende middelen die zij tot hun beschikking hadden, nooit met elkaar in verbinding konden hebben gestaan. Het is fysiek onmogelijk om zulke afstanden af te leggen in een kano . . . zonder een kompas, en maanden te reizen zonder proviand.’
    ‘Anderzijds hadden de oorspronkelijke bewoners van de Sandwich-eilanden, Viti, Nieuw-Zeeland, van de centrale groepen, van Samoa, Tahiti, enz. vóór de komst van de Europeanen elkaar nooit gekend en nooit van elkaar gehoord. En toch beweerde ieder van deze volkeren dat hun eiland eens deel had uitgemaakt van een enorm uitgestrekt land, dat zich naar het westen naar de kant van Azië had uitgestrekt. En toen zij bij elkaar werden gebracht, bleken ze allen dezelfde taal te spreken en dezelfde gebruiken, dezelfde gewoonten, dezelfde religieuze opvatting te hebben. En op de vraag: ‘Waar stond de wieg van uw ras?’ wezen allen als enig antwoord naar de ondergaande zon.’ (ibid., blz. 308.)

    In geografisch opzicht is deze beschrijving enigszins in strijd met de feiten in de Geheime Verslagen; maar zij bewijst het bestaan van dergelijke overleveringen, en daar gaat het om. Want evenals er geen rook is zonder vuur, moet ook een overlevering zijn gebaseerd op een benadering van waarheid.
    Op een geschikte plaats zullen we aantonen dat de hedendaagse wetenschap het bovenstaande en de overleveringen van de Geheime Leer betreffende de twee verloren continenten volledig bevestigt. De overblijfselen op Paaseiland bijvoorbeeld zijn de verbazingwekkendste en welsprekendste gedenktekens van de oorspronkelijke reuzen. Ze zijn even indrukwekkend als geheimzinnig; en men hoeft slechts de hoofden van de reusachtige standbeelden, die op dat eiland onaangetast zijn gebleven, te onderzoeken om daarin bij de eerste blik de trekken te herkennen van het type en het karakter dat aan de reuzen van het vierde Ras wordt toegeschreven. Zij schijnen van één model te zijn, hoewel hun trekken verschillen – ze zijn van een duidelijk zinnelijk type, zoals de Atlantiërs (de Daitya’s en ‘Atalantiërs’) in de esoterische boeken van de hindoes worden voorgesteld. Vergelijk deze met de gezichten van sommige andere reusachtige standbeelden in Midden-Azië – bijvoorbeeld die bij Bamian – de portret-standbeelden, zegt de overlevering, van Boeddha’s die behoren tot voorgaande manvantara’s; van die Boeddha’s en helden die in de boeddhistische en hindoeboeken worden genoemd als mensen van fabelachtige grootte5, in het algemeen de goede en heilige broeders van hun slechte tweelingbroeders, zoals Ravana, de reuzenkoning van Lanka, de broeder was van Kumbhakarna; allen afstammelingen van de goden door de rishi’s en daarom, evenals ‘Titan en zijn enorme nageslacht’, allen ‘eerstgeborenen van de hemel’. Deze ‘Boeddha’s’, hoewel vaak bedorven door de symbolische voorstelling van de grote afhangende oren, vertonen bij de eerste aanblik een veelbetekenend verschil in gelaatsuitdrukking met die van de standbeelden op Paaseiland. Ze zijn misschien van hetzelfde ras – maar de eerstgenoemden zijn ‘zonen van god’; de laatstgenoemden de nakomelingen van machtige tovenaars. Het zijn echter allen reïncarnaties en, afgezien van de onvermijdelijke overdrijving in de verbeelding en de overlevering van het volk, zijn het historische figuren6. Wanneer leefden zij? Hoelang geleden leefden de twee rassen, het derde en het vierde, en hoeveel later begonnen de verschillende stammen van het vijfde hun strijd, de oorlogen tussen goed en kwaad? Oriëntalisten verzekeren ons dat de chronologie in de Purana’s en andere hindoegeschriften hopeloos verward en absurd overdreven is. We zijn volkomen bereid het met deze beschuldiging eens te zijn. Maar zelfs indien de Arische schrijvers hun chronologische slinger nu en dan te ver naar één kant hebben laten doorslaan, verder dan de feiten toelieten, dan zal toch, wanneer de afstand van de afwijking wordt vergeleken met die van de oriëntalisten in de tegenovergestelde richting, blijken dat vooral de brahmanen zich hebben gematigd. Men zal op de lange duur ontdekken dat de pandit dichter bij de waarheid en de feiten staat dan de sanskritist. De door laatstgenoemde toegepaste bekortingen – zelfs wanneer is bewezen dat hij hiertoe zijn toevlucht heeft genomen om deze te laten passen bij een persoonlijk stokpaardje – worden door de publieke opinie in het westen opgevat als ‘een voorzichtige aanvaarding van feiten’, terwijl de pandit in geschriften grofweg voor een leugenaar wordt uitgemaakt. Maar daarom hoeft toch niet iedereen dit in hetzelfde licht te zien. Een onpartijdige waarnemer zal dit misschien anders beoordelen. Hij kan òf beiden gewetenloze geschiedschrijvers noemen, òf beiden, elk op zijn eigen terrein, rechtvaardigen en zeggen: de hindoe-Ariërs schreven voor hun ingewijden, die de waarheid tussen de regels lezen, en niet voor de grote massa. Indien zij opzettelijk gebeurtenissen verwisselden en eeuwen verwarden, dan was dat niet met de bedoeling iemand te misleiden, maar om hun kennis tegen het glurende oog van de vreemdeling te beschermen. Overigens zijn, voor wie de geslachten kan tellen uit de Manu’s en uit de reeksen incarnaties zoals deze in het geval van sommige helden7 zijn opgegeven, de betekenis en de chronologische volgorde in de Purana’s heel duidelijk. Wat de westerse oriëntalist betreft, men moet hem verontschuldigen op grond van zijn ontegenzeglijke onwetendheid over de werkwijzen van de archaïsche esoterie.
    Maar zulke bestaande vooroordelen zullen heel snel moeten verdwijnen en plaatsmaken voor het licht van nieuwe ontdekkingen. De geliefkoosde theorieën van dr. Weber en Max Müller – namelijk dat de schrijfkunst in India onbekend was, zelfs in de tijd van Panini (!); dat de hindoes al hun kunsten en wetenschappen, zelfs de Dierenriem en hun bouwkunst (Ferguson), aan de Macedonische Grieken hadden ontleend – deze en andere onmogelijke hypothesen worden al met ondergang bedreigd. De geest van het oude Chaldea komt de waarheid te hulp. In zijn derde Hibbert-lezing (1887) verwees professor Sayce uit Oxford, toen hij sprak over pas ontdekte Assyrische en Babylonische cylinders, uitvoerig naar Ea, de god van de wijsheid, die nu wordt vereenzelvigd met de Oannes van Berosus, de half-mens, half-vis, die aan de Babyloniërs beschaving en de schrijfkunst onderwees. Over deze Oannes die men, alleen dankzij de bijbelse zondvloed, tot dusver niet eerder dan in 1500 v.Chr. plaatste, wordt nu als volgt gesproken:

    ‘Zijn stad was Eridu, die 6000 jaar geleden aan de kust van de Perzische Golf lag. De naam betekent ‘de goede stad’, een bijzonder heilige plaats, want het was het middelpunt van waaruit de eerste Chaldeeuwse beschaving haar weg naar het noorden vond. Omdat de god van deze beschaving werd voorgesteld als afkomstig uit de zee, was het mogelijk dat de beschaving waarvan Eridu de zetel was, van vreemde herkomst was. Wij weten nu dat Chaldea in heel vroege tijd zowel met het schiereiland Sinaï als met India in verbinding stond. De standbeelden die door de Fransen bij Tel-loh zijn ontdekt (en die van tenminste 4000 v.Chr. dateren), waren gemaakt van de uitzonderlijk harde steensoort die bekendstaat als dioriet, en volgens de inscripties daarop was het dioriet uit Magan aangevoerd – d.w.z. het schiereiland Sinaï, dat toen door de farao’s werd bestuurd. Het is bekend dat de algemene stijl van de standbeelden lijkt op die van het diorieten standbeeld van Kephren, de bouwer van de tweede piramide, terwijl volgens Petrie de eenheid van maat, die is aangegeven op het plan van de stad, dat een van de figuren van Tel-loh op zijn schoot houdt, dezelfde is als de piramidebouwers gebruikten. In Mugheir, of het Ur van de Chaldeeën, heeft men teakhout gevonden, hoewel dat hout een speciaal Indiaas product is; voeg hieraan toe, dat een oude Babylonische lijst van kledingstukken sindhu of ‘mousseline’ noemt, dat wordt beschreven als ‘plantaardig doek’.’

    Mousseline, nu het best bekend als mousseline van Dacca, in Chaldea bekend als afkomstig van de Hindoes (sindhu), en teakhout, dat 4000 jaar v.Chr. werd gebruikt; en toch waren de Hindoes, aan wie Chaldea zijn beschaving heeft te danken (zoals kolonel Vans Kennedy heeft bewezen), onbekend met de schrijfkunst voordat de Grieken hun hun alfabet leerden – als we de oriëntalisten moeten geloven!

 

Noten:

  1. Er zijn archeologen die evenals James Fergusson de hoge ouderdom van ook maar één enkel monument in India ontkennen. In zijn boek ‘Illustrations of the Rock-Cut Temples of India’ is de schrijver zo vrij de uitzonderlijke mening te verkondigen dat ‘Egypte had opgehouden een natie te zijn voordat de eerste rotstempel van India werd uitgehouwen’. Kortom, hij ontkent het bestaan van ook maar één rotstempel vóór de regering van Asoka en schijnt verlangend te bewijzen dat de meeste van deze in de rotsen uitgehouwen tempels tot stand werden gebracht tussen de tijd van die vrome boeddhistische koning en de vernietiging van de Andhra-dynastie van Maghada in het begin van de vijfde eeuw. We vinden zo’n bewering volkomen willekeurig. Verdere ontdekkingen zullen aantonen dat deze onjuist en ongerechtvaardigd is.
  2. Toen Amerika werd ontdekt, noemden enkele inheemse stammen het Atlanta.
  3. Sindsdien is Atlantis van Donnelly verschenen, en spoedig zal het werkelijke bestaan ervan een wetenschappelijk feit zijn geworden.
  4. Deze is nog altijd zo verdeeld, en de theosofen en occultisten die tot hun eigen nadeel iets hebben geleerd over de occulte maar niet te ontkennen kracht van het dugpaschap, weten dit maar al te goed.
  5. Iets dat de standbeelden in Bamian nabijkomt – ook een 200 voet hoge Boeddha – kan men vinden bij een nederzetting van de jains in Zuid-India, en schijnt nu de enig overgeblevene te zijn.
  6. Zelfs Wilson erkent dat Rama en Ravana persoonlijkheden waren die op historische feiten zijn gebaseerd: ‘De overleveringen van Zuid-India schrijven de beschaving ervan en de vestiging van beschaafde Hindoes (het vijfde Ras) eenparig toe aan de verovering van Lanka door Rama’ (Vishnu Purana, iii, blz. 318) – de overwinning van de ‘zonen van god’ op de Atlantische tovenaars, zegt de ware overlevering.
  7. Zo laat men ons bijvoorbeeld een held zien, die eerst werd geboren als de ‘onrechtvaardige maar dappere vorst’ (purusha) van de daitya’s, Hiranyakasipu, die werd gedood door de Avatar Nara-Sinha (mens-leeuw). Daarna werd hij geboren als Ravana, de reuzenkoning van Lanka, en gedood door Rama, waarna hij wordt herboren als Sisupala, de zoon van rajarishi (koning rishi) Damaghosha, waarop hij weer wordt gedood door Krishna, de laatste incarnatie van Vishnu. Deze parallelle evolutie van Vishnu (geest) en die van een daitya, als mens, schijnt zonder betekenis; toch geeft deze ons de sleutel tot de respectievelijke data van Rama en Krishna, en zelfs tot een bepaald psychologisch mysterie.

De Geheime Leer 2:248-55

© 1988 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag