|
2
Vaderlandsliefde, ware en verkeerde
Wat ieder volk op aarde het meest nodig heeft is blijvende vrede,
en om blijvende vrede te ver wezenlijken moeten we een internationalisme
of wereldburgerschap ontwikkelen en handhaven, die zal voortkomen uit
het inzicht dat wat het ene volk treft, alle treft; dat zover als ιιn
opklimt naar de top van kennis en welzijn, zover zullen alle andere volgen;
en zo diep als ιιn kan zinken in nationale zelfzucht en zijn idealen ontrouw
wordt, zo diep, of nog dieper, zullen natuurlijk ook anderen worden omlaag
getrokken; elk volk moet deelhebben aan het goede en slechte karma van
allen.
      In een land dat zijn bestaan volledig baseerde
op het beginsel en de geest van broederschap onder de mensen, zou vaderlandsliefde
in alle opzichten een edele zaak zijn en het doel ervan zou niet zijn
de harten te doen kloppen op het ritme van tromgeroffel, maar alle zielen
in te wijden in een ruimere opvatting over de zin van het leven. Als ieder
volk een derge lijke vaderlandsliefde en nationale trouw zou ontwikkelen,
dan zou de wereld al snel in een universeel weldadig stelsel zijn verenigd.
      Nationale belangen zouden ons dierbaar moeten
zijn, zo dierbaar dat we graag ons leven willen geven door te leven,
niet door te sterven om het bestaan, het innerlijke leven en de geestelijke
schoonheid van ons land te behouden, om toekomstige generaties te beschermen,
hen als erfdeel een edel leven na te laten, een cultuur van een onkreukbare
waardigheid die noch voor geld te koop is, noch door brute kracht kan
worden bereikt of beschermd.
      De hoogste wet van ons bestaan eist dat we onze
naties bouwen op de rots van die blijvende wijsheid die de goddelijke
ziel van de mens toebehoort, en dat we onze kinderen in die geest opvoeden
opdat zij en hun nageslacht niet de ellende zullen kennen die wij hebben
gekend, maar op de rijke resultaten van onze inspanningen het fundament
kunnen bouwen van de grote republiek van de ziel die innerlijke republiek
waarvan alle zielen burgers zijn opdat die gevestigd moge zijn op aarde
zoals in de hemel. Maar om alleen en vanuit een bekrompen standpunt partij
te kiezen voor zijn eigen land is een zelfvernietigend surrogaat voor
vaderlandsliefde. Het vergiftigt tenslotte het doel waarop ze zou zijn
gericht, want het betekent dat we het leven en de geestelijke gezondheid
van de wereld, waarvan het leven en de geestelijke gezondheid van ieder
volk afhangen, tegenwerken. We kunnen ons niet van de mensheid afscheiden.
      De vloek van onze volkeren is afgescheidenheid.
We zijn het over geen enkel levensplan of gedachte of daad eens. We zijn
van elkaar gescheiden door de denkbeeldige belangen van het dagelijks
leven en een te ver doorgevoerde competitie luidt de doodsklok van onze
beschaving. Geld is zon macht geworden dat de mens daardoor zijn ziel
en geweten uit het oog verliest, en vergeet dat hij een deel is van het
universele leven. Onze maar halve belangstelling voor onszelf toewijding
aan het uiterlijke zelf en het negeren van het innerlijke en werkelijke
sluit voor ons de deur tot die diepere lagen van het denken waar waarheid
woont, en verbergt voor ons het bestaan van de ware en schitterende godheid
die in ieder van ons latent aanwezig is.
      De hebzucht van de wereld is de dood van de
wereld. Iemand van wie het denken in beslag wordt genomen door pogingen
macht over anderen te krijgen zodat het publiek hem ziet als iemand die
sterk en succesvol is zo iemand is, gezien vanuit het standpunt van
zijn ziel, in een doodsstrijd verwikkeld.
      We vergeten dat ons een toekomst wacht de
goden wachten inderdaad op ons en dat er meer levens te leven zijn dan
dit ene. We negeren de geestelijke wil in de mens en dat goddelijke deel
in onze eigen natuur dat nu meer dan ooit actief zou moeten zijn, want
dit is het begin van een cyclus, een cruciaal moment in de geschiedenis
van de mens. Ieder tijdperk heeft zijn eigen grondtoon: we hebben een
periode van politieke en religieuze dwingelandij achter de rug; het huidige
tijdperk is er een van onderzoek, groei en onzekerheid. Hoe meer we nu
de waarheid gaan begrijpen, des te meer zal al het kwaad waar de wereld
door wordt gekweld in de loop van de cyclus worden uitgeroeid. We bouwen
aan de beschaving van de toekomst en het is de eerste plicht van de mensen
van nu erop toe te zien dat dit bouwen op een edele manier gebeurt.
      En toch is er nu, vandaag, onder de oppervlakte
en in de onderstroom van het leven, in bepaalde lagen van de samenleving
die we hier niet hoeven te noemen een kracht aan het werk die ons
naar de ondergang wil lokken en die als een monster in een sprookje elke
dag in kracht en energie toeneemt en steeds meer uit is op eigen voordeel.
Wat is de bedoeling van al deze verraderlijke propaganda, die bij ons
tracht aan te dringen op gewapende vrede en voorbereiding op oorlog, dit
voortdurend hameren op de misvatting dat de mens, om zich te handhaven,
bereid moet zijn aan zijn medemensen weerstand te bieden door middel van
geweld? Voor mij is het een van de verschrikkelijkste dingen ter wereld
te horen ver klaren dat er uit een slachting iets goeds kan voort komen,
of dat het mogelijk is de toestand in de wereld te verbeteren door de
mensenrechten te schenden.
      Hebben we niet gezien hoe snel de psychologische
invloed van het kwaad en van zelfzucht zich over een heel continent kan
verspreiden, hoe gemakkelijk de geest van een volk van het goede pad naar
het verkeerde kan worden afgeleid? Het zou voor de volkeren van de aarde
beter zijn in slaap te verzinken en de zon nooit meer te zien opkomen,
dan een nieuwe oorlog toe te laten zoals we pas hebben meegemaakt. Ik
denk aan de soldaten die in de strijd sterven de ene man tegenover de
andere, oprukkend onder de druk van hun verbitterde en bloeddorstige stemming
en de haat, de waanzin en dwaasheid van het conflict en vraag me af
in wat voor toestand hun ziel zal geraken. Vragen en nog eens vragen,
want haat wekt haat op en brengt wreedheid teweeg; en al beschikten we
over een kolossaal intellect en alle rijkdommen van de wereld, we zouden
de goddelijke wetten van de natuur niet naar onze hand kunnen zetten.
      Ik denk ook aan de uitwerking van de oorlog
op de komende generaties: dat er in het leven van allen die in oorlogstijd
worden geboren iets verloren is gegaan, zodat er onmensen en zonderlingen
worden geboren een nieuw ras dat vanaf en vσσr de geboorte de lucht
van haat en verbittering inademt niet enkelen hier en daar, maar een
hele generatie on evenwichtige mensen.
      En toch, bij de minste suggestie dat het land
in gevaar verkeert en de kranten publiceren zulke dingen graag en staan
er vol van gaan de gedachten van de meerderheid onmiddellijk uit naar
verdediging op een wrede en gewelddadige manier, en kunnen er nieuwe oorlogen
komen die de edelste van onze mensen verslinden en diegenen doden die
in de eerste plaats behouden zouden moeten blijven om onze beschaving
op te bouwen. Dan scheppen we op over onze vaderlandsliefde en onze offers!
Ik zou willen dat we, voor men op de trommels gaat slaan en we onze geliefden
horen marcheren op weg naar de dood voor de schim van de dood plunderend
door het land rondtrekt de vlag van een verhevener soort vaderlandsliefde
zouden ontrollen!
      Zou u een gewapende vrede kunnen hebben in uw
familie, in de omgang met uw kinderen en met hen die u beweert lief te
hebben? Zou u daar een vrede kunnen hebben, overeengekomen, afgedwongen
en gehandhaafd met zwaarden, bajonetten en vuur wapens? Dat idee heeft
geen enkele waarde: het is volstrekt onjuist. Een vrede die is gebaseerd
op bewapening kan alleen een tijdelijke oplossing geven en zal altijd
eindigen in nog meer bloedvergieten en nog grotere verschrikkingen.
     
De
Goden wachten op ons, blz. 34-40
© 2000 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|