|
2
Zicht op een edeler vrede
Vrees en angst voor oorlog worden een chronische ziekte onder alle zogenaamd
beschaafde volkeren: een oude kwaal die voortwoekert en nooit zal genezen
totdat de wereld het geheim van ware vaderlandsliefde ontdekt. Er is niets
edels in vrees. Ze is iets dat geheel voortkomt uit de gebieden van al
wat persoonlijk, klein en zelfzuchtig is, en heeft absoluut niets te maken
met het hogere zelf dat de held in de mens is. Geen mens en geen volk
kan ook maar de geringste geestelijke vooruitgang boeken voordat angst
uit hun wezen is verbannen.
      Men zegt dat we ons in tijden van vrede op oorlog
moeten voorbereiden. Als we werkelijk geen angst hadden en ook maar het
geringste geestelijke inzicht bezaten, zouden we ons in tijden van vrede
alleen maar op een hogere soort vrede moeten voorbereiden; en vrede zou
in elke volgende eeuw iets edelers en verheveners moeten betekenen. In
plaats van een staand leger en een vloot zouden we de wijsheid van de
hogere mens moeten bezitten, en daartoe behoort kennis over hoe we onze
broeders tegemoet moeten treden, niet met geweld in de strijd, maar zoals
goddelijke wezens andere even goddelijke wezens zouden moeten behandelen.
      Want de grote kracht van het goddelijke heelal
bevindt zich in het hart van ieder mens, zelfs in dat van de meest armzalige
en ongelukkige, en de mens hoeft er niet een heel leven over te doen,
hoeft er geen jaar over te doen om de god in zichzelf te ontdekken. Als
hij de moed bezit de problemen onder ogen te zien, kan hij hem in een
oogwenk ontdekken. Laat hij die op zoek is naar waarheid de deur van zijn
eigen ziel forceren, en de gehele menselijke natuur zal hem worden onthuld.
Als hij daar toegang krijgt, verdwijnen de begeerten en hartstochten die
hem in het leven hebben achtervolgd. Als het licht van de ziel het denken
verlicht, en kleur schenkt aan het leven van een mens, dan is dat de glorie
van God, de verheerlijking van de mens, het vestigen van eeuwigdurende
vrede. Want ieder van ons is een heelal in het klein en heeft alle geheimen
van de tijd in zich.
      We zouden iets kunnen leren van de bloemen in
hun vredige zuiverheid: dat onze ziel tot volle bloei zou moeten komen
in het eeuwige en dat dagen en momenten, mensen, gebeurtenissen en dingen
voortdurend nieuwe aspecten zouden kunnen onthullen, vol belofte en bemoediging,
totdat de overtuiging daagt dat het leven, dat eens zo somber en tragisch
scheen, in diepste wezen vreugde betekent. Want leven is in werkelijkheid:
de nabijheid voelen van het oneindige, in het eigen hart grootse kennis
vinden, wonen in het huis van altruïsme en zoeken naar het hoogste beginsel
in alle dingen, zoeken naar de schone en oude wet. Het leven is
in werkelijkheid: de reis van de ziel die huiswaarts keert naar de verheven
geest, naar het licht van het licht, het leven van het leven, de kennis
van de kennis.
      Als we het eeuwige in het vergankelijke uit
het oog verliezen, slagen we er niet in de betekenis van het leven te
vinden. Als de mens zijn ware menselijkheid had ontdekt, zou hij weten
dat brute kracht nooit, hoe dan ook, onder welke omstandigheden ook, één
werkelijke overwinning kan behalen of ook maar iets nuttigs kan opleveren.
Als we daardoor winnen, verliezen we; deze overwinningen zijn onze grootste
nederlagen. Vooral de onwetendheid en angst van deze tijd staan ons in
de weg, en beide vinden hun oorsprong in overerving en de vele generaties
uit het verleden. Ieder mens en ieder volk is een belichaming van de hele
mensheid en het rampzalige geloof in afgescheidenheid bewijst dat onze
blik geheel is afgewend van de werkelijkheid en gericht op het objec tieve
bestaansgebied.
      Er is maar één echt en rechtmatig slagveld:
het denken van de mens, waar de dualiteit van onze natuur ons voortdurend
in de enige rechtvaardige oorlog houdt die er is – de oorlog van de god
in ons tegen het lagere zelf. Het koninkrijk der hemelen is in ons en
niemand staat zover van het licht en de waarheid dat hij niet morgen kan
omkeren en het kan vinden. Dan werkt hij voor de glorie van God en kent
hij het geheim van dat werk, want God is in de mens en kan zich via het
menselijk hart openbaren. En de glorie van God is de glorie van de mensheid:
van het manzijn, het vrouwzijn, en het moederschap, van een huiselijk
leven dat sterk, zuiver en schoon is, van het leven als burger dat uitgaat
boven alle kleine jaloersheden en geschillen, van een internationaal wereldpatriotisme
gebaseerd op de fundamentele broeder schap van de mens.
      We hebben te veel de nadruk gelegd op onze uiterlijke
en wereldse belangen en hebben dat natuurlijke, menselijke evenwicht verloren,
waardoor we ongestoord in de geestelijke kant van onze natuur zouden kunnen
leven, ons denken ondergeschikt kunnen maken aan ons ware zelf en het
gebruiken als een middel om te dienen en te groeien. Want het idee dat
nationale geschillen door bruut geweld zijn te beslechten zouden we moeten
zien als een belediging van de waardigheid van de geestelijke mens. We
moeten inzien dat de mannen die we opleiden om oorlog te voeren – en die
we, of wij of zij dat weten of niet, door die opleiding vernederen – in
plaats daarvan prachtig kunnen worden opgeleid voor de vrede: om staatslieden
en leraren te zijn, doelmatige beschermers van de vrede van hun volk.
      We zouden niet langer ernaar moeten streven,
zoals we eeuwenlang hebben gedaan, ons tegen onze buurlanden te bewapenen.
Onze enige zorg zou moeten zijn onze buren tegen ons eigen lagere zelf
te beschermen. Als men angst kweekt voor een invasie, beweegt men zich
veraf van rechtvaardigheid, veraf van zijn plicht. Schande over het volk
dat zijn hogere zelf en zijn goddelijke mogelijkheden zo wantrouwt dat
het zich niet in staat acht invasies met andere middelen dan brute kracht
te weerstaan!
      Alle volkeren hebben vanaf het begin grote successen
gekend en perioden waarin veel werd bereikt, gevolgd door eeuwen van geestelijke
en stoffelijke oneer en de neerwaartse gang van hun cyclussen. We bevinden
ons nu ongetwijfeld in een cyclische neergang en nacht, en niet in de
dag en schoonheid van ons tijdperk, want we begrijpen helemaal niet wat
de ware betekenis van het leven is, individueel of nationaal. Onze vaderlandsliefde
is op afschuwelijke wijze vergrofd en we projecteren de grove aspecten
ervan op andere volkeren, zoals zij dat met hun grove aspecten op ons
doen.
      Beseffen zij die geïnteresseerd zijn in het
bevorderen van bewapening en die geloven dat een land het best met de
brute kracht van wapenen kan worden beschermd, wat de kracht is van psychologische
suggestie? Door voortdurende herhaling kan men een wrede invloed uitoefenen
op het denken van een volk en als men aanvoert dat een andere macht oorlogszuchtige
plannen tegen ons heeft betekent dat in werkelijkheid dat we zowel bij
hen als bij onszelf oorlogszuchtige plannen creëren.
      Zij tegen wie we onze propaganda van haat richten
en die morgen tot onze vijand kunnen worden gemaakt, zijn onze broeders,
en er is een manier om hen te bereiken – en dat is niet door kracht of
bedreiging of belediging of de psychologische suggestie die wordt gecreëerd
door de bewapening op te voeren. We hebben onze uitgedachte plannen, onze
kanonnen, schepen en forten, we hebben onze jeugd die is getraind voor
de strijd en die rusteloos is onder de omstandigheden van gedwongen inactiviteit,
en dat alles komt neer op het tarten en uitdagen van andere landen. We
lokken hen uit en sporen hen aan ons op de proef te stellen; we verkondigen
hen onze mening dat wijzelf even blind zijn als zij.
      We zijn zo eraan gewend geraakt te geloven dat
de overwinnaar gelijk heeft dat het een soort geloof van ons is geworden
en we voeden onze kinderen daarin op. De kant die wint heeft gelijk, de
kant die is verslagen heeft ongelijk: het gaat allemaal om brute kracht.
En we gebruiken de godsdienst en onze zogenaamde God om onze armzalige
theorie te steunen. Het is krankzinnigheid – de krankzinnigheid van de
eeuw! Alleen krankzinnigheid kan bruut geweld verwarren met macht.
      En toch is er nu op aarde voldoende heldendom
om van deze aarde een hemel te maken. Als de energie en de tijd, verspild
aan oorlogsvoorbereidingen, waren gebruikt om vrede voor te bereiden,
dan zouden onze volkeren nu sterker zijn dan ooit en oneindig veel beter
beschermd. De ziel van een volk – de levende essentie van zijn wezen –
bestaat uit het totaal van zijn gedachten, gevoelens, daden en idealen,
gesteund door de verheven kwaliteit van de god binnenin ons. Hoe meer
het volk van een land zijn nationale ziel voedt met zulke geestelijke
en goddelijke gedachten, des te meer wordt zijn land beschermd, wordt
het onneembaar, buiten bereik van geweld. Bekijk dit eens rationeel en
u zult zien dat het waar is; maar als u in uw denken en uw hart de verachtelijke
misvatting koestert dat morele overwinningen met geweld kunnen worden
behaald dan blijft u het slachtoffer van dwaasheid en schept u ellende
voor uzelf door het zaad van oorlog te zaaien.    
De
Goden wachten op ons, blz. 40-8
© 2000 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|