2

Aan de kwalen van de mensheid komt nooit een einde tot de politieke macht in handen komt van mensen die oprecht en eerlijk de wijsheid liefhebben, of de heersers over onze steden door een of andere beschikking van de voorzienigheid de ware filosofie leren kennen.
      – Plato, Zevende brief, §326

 

 

Mijn eerste contact met de oorlog

LS KIND KWAM IK IN 1861 voor het eerst in contact met de verschrikkingen van de oorlog. Mijn vader had kort tevoren in Massachusetts een compagnie gevormd en naar Virginia gebracht, waar zijn regiment, de New York Mozart, was gelegerd langs de weg naar Fairfax. Korte tijd daarna volgden mijn moeder en de rest van ons en woonden we een poosje in een oud herenhuis in Fairfax County om zo dicht mogelijk bij hem te zijn.
      Onderweg zagen we dat er duizenden bomen waren geveld en in alle richtingen greppels gegraven en in de verte waren overal forten te zien. Ook waren er overal duizenden soldaten: sommigen waren aan het exerceren en anderen hingen rond bij hun tenten, maar allen hadden een strenge, strakke en gespannen uitdrukking op het gezicht die bij mij, zelfs toen al, gedachten opriep aan de tragiek van de strijd die ze al hadden gevoerd en die nog zou komen. Ik ging vaak met mijn oudste broer te paard naar het kamp en langs de linie waar veel van de regimenten waren gelegerd en altijd kwam ik onder de indruk van deze grimmige, van afschuw vervulde gezichten. Alles in die oorlogsatmosfeer ademde ellende, die mij met angst vervulde en daartegen scheen men niets te kunnen doen.
      Na de tweede veldslag van Bull Run zag ik hoe de ambulances terugkeerden met de doden en stervenden, gevolgd door rijen soldaten van de Gecon fe dereerden, haveloos en half verhongerd, ziek en oorlogsmoe, die door soldaten van de Unie naar de oude Capitol-gevangenis werden gevoerd. Een andere keer, op een avond kort na de Zevendaagse Veldslag bij Richmond, probeerden de soldaten het kamp buiten Alexandria te bereiken. Wij woonden toen in die stad en de zoeaven van Ellsworth waren gebivakkeerd in de straat tegenover ons huis – ik zie hen nog voor me en de gloed van de dennenhouten toortsen, want er waren in die tijd geen straatlantaarns. Zoals kinderen vaak doen, was ik uit mijn bed gekomen en stond voor het raam in de donkere kamer en keek naar alles wat er gebeurde – en daar kwamen de gewonden aanstrompelen; ze hadden de hele dag vanaf het front gelopen en zo goed mogelijk hun wonden verzorgd. Ik herinner me dat de medische staf vanuit de achterhoede naar de voorste linie werd gebracht om hen in Alexandria te ontmoeten, maar nog niet was aangekomen.
      Plotseling kon ik het niet langer uithouden; ik riep mijn ‘mammy’ en liet haar naar beneden komen, bij mij in de keuken. Daar begonnen we op een of andere manier de zaken te regelen; we zochten alles wat we nodig hadden bij elkaar en gingen naar de soldaten. Uren later werd ik vermist en na enig zoeken vond mijn vader mij om middernacht op straat bij de soldaten, bezig met het verbinden van hun wonden.
      Ik geloof dat het kort na Bull Run was, toen McClellan het bevel over de verspreide strijdmacht van de Unie op zich nam en die aan de Potomac begon te reorganiseren, dat ik mij volledig bewust werd van de ellende en de verschrikkingen van de oorlog, al was de slag zelf, toen die in volle gang was, voor mij al een afschuwelijk spookbeeld geweest. Ik had in de verte het dodelijke kanongebulder gehoord en wist dat mensen bij duizenden werden neergemaaid – dat beeld bleef zich aan mij opdringen.
      Het was de dag van de grote wapenschouw van het Leger van de Potomac, en mijn broer en ik waren getuige van dat imposante schouwspel. McClellan was er evenals President Lincoln en duizenden toeschouwers uit Washington en van elders. Tachtig duizend infanteristen, achtduizend cavaleristen en ongeveer twintig batterijen artillerie vormden de stoet, die voor die tijd aanzienlijk was. Maar die schitterend uitgedoste stoet bracht mij alleen tranen in de ogen en trof mijn hart, want voortdurend kwamen bij mij beelden op van wat er was gebeurd, wat er nog zou gebeuren en waarom zij daar waren. Ik keek ernaar in volslagen wanhoop. Mijn hart ging met evenveel liefde uit naar het Zuiden als naar het Noorden; ik had evenveel sympathie voor de ene kant als voor de andere.
      Het waren allen martelaren voor de krankzinnigheid van die tijd; de krankzinnigheid van onbroederlijkheid die die oorlog had veroorzaakt, zoals elke oorlog. Beeld na beeld trok aan mijn oog voorbij over de zin en het doel van dit alles en de ene vraag na de andere hield mij bezig. Hoe zou de goddelijke geest van broederlijke liefde kunnen zegevieren om het negerras in zijn ware vooruitgang te steunen, als deze de slachtpartij niet had kunnen verhinderen? Ik had weinig reden om aan de zogenaamde glorie van de oorlog te denken: de pracht en praal, de ‘luister van de bevelhebbers en het gejuich’. Waar mijn geest zich mee bezighield was de onmenselijkheid van de ene mens tegenover de andere en de dringende noodzaak van een nieuw evangelie of een nieuwe openbaring vanuit het grote centrum van licht, om een einde te maken aan oorlogvoering en iets tot stand te brengen waardoor hieraan voorgoed een einde wordt gemaakt.
      Sindsdien zijn er vele jaren verstreken, maar de mensheid heeft nog geen wijsheid verworven. Zelfs nu worden er pogingen gedaan om het land op oorlog voor te bereiden en velen voelen dit als een noodzaak, maar ik weet dat oorlogen niet nodig zijn. Oorlog en voorbereiding op oorlog en gedachten aan oorlog: dat zijn bekentenissen van zwakheid. De vrede bewaren is een bewijs en een uiting van kracht. Ik zou niet graag kritiek willen uitoefenen op de vaderlandsliefde van een eerlijk mens of op een of andere wijze een blaam werpen op hen die doen wat ze als hun plicht zien, maar de vijanden van een mens zijn de leden van zijn eigen gezin, en dat geldt ook voor een volk. Onze vijanden bevinden zich niet buiten ons, maar in ons: in ons eigen nationale denken en onze gebruiken, het agressieve gedrag van onze natie en de tekortkomingen ervan. We wantrouwen onze medemens omdat we onszelf wantrouwen. Ik bedoel niet in alleen dit of dat volk, maar in de hele wereld. We zouden allen wat minder erover kunnen praten dat we trots zijn op ons land en meer kunnen werken aan de geestelijke vooruitgang en vernieuwing ervan.
      De wereld van nu verlangt naar universele idealen. Als nooit tevoren moeten we begrijpen dat we niet alleen verantwoordelijk zijn voor onszelf, niet alleen voor ons eigen land, maar voor de hele mensenfamilie. Grondgebied en handel kunnen veel betekenen, nationale eer kan belangrijk zijn, maar de verlossing van de hele menselijke samenleving, hier in deze wereld – dat betekent alles.
   


De Goden wachten op ons, blz. 27-34

© 2000  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag