|
3
De doodstraf
Er is in feite maar één soort misdaad die door gezonde, weldenkende mensen
wordt begaan en dat is die vorm van moord die doodstraf wordt genoemd.
Het leven van een mens behoort niet alleen de gemeenschap toe. Het is
een deel van het universele levensplan. Ieder van ons is hier door de
goddelijke wet geplaatst voor een goddelijk en universeel doel, en niets
kan ons het recht geven om het doden van een mens te wettigen. We begaan
zelf een misdaad als we dat toestaan en dat is een misdaad tegen de Heilige
Geest, de hogere wet.
      Kijk achter de uiterlijke schijn: kijk in het
diepst van het leven. Hier is een mens die morgen voor zijn misdaden zal
worden opgehangen: we weten wat er met zijn lichaam gebeurt, maar hoe
staat het met de ziel, waar dat lichaam aan toebehoort? In welke toestand
gaat die verder – welwillend tegenover de mensheid misschien; in vrede
met de mens en de wereld? Integendeel, wanneer hij het leven verlaat zal
hij niet bepaald zijn doordrongen van liefde voor de mensheid, of liefde
voor het goede, het schone en het ware. Hij weet vrijwel niets van de
goddelijke natuur binnen zijn menselijke natuur: als hij daar in doodsangst
in de dodencel zit is er in en om hem heen niets van de atmosfeer van
goddelijke dingen, niets dat hem daaraan herinnert.
      ‘Heb elkaar lief!’ zei de grote Nazarener; maar
vanaf het ogenblik dat deze man om zijn misdaad werd gegrepen had hij
niets om lief te hebben, niets dat hem liefhad, behalve de ijzeren tralies
van zijn kooi, waarin hij in beklemmende stilte wordt vastgehouden en
die hem er elk moment aan herinnert dat hij ten dode is opgeschreven,
een ding, uitgestoten door de mensheid. Hij is de mensheid gaan
haten die hem feitelijk nooit reden gaf anders te handelen. Hij is met
alles om hem heen in oorlog; zijn hele wezen is vervuld van bitterheid
tegen hen die hem veroordeelden, van het verlangen zich te wreken, van
angst voor wat er komen gaat. Hij heeft nu eens deze, dan die leer horen
preken, van deze of die kansel, maar geen woord of gedachte die hem enig
werkelijk begrip van hemzelf bracht.
      Hij heeft niet het verlichte inzicht om te weten
– hoe zou dat ook kunnen?– dat we oogsten wat we hebben gezaaid en dat
we, zoals we zaaien, zullen oogsten. Het heeft hem in het leven ontbroken
aan alles wat hem had kunnen helpen, en hij heeft al het mogelijke ondergaan
dat hem kon hinderen en doen mislukken; hij heeft genoten van de lagere
kant van zijn natuur tot hij nu in de ogen van de wereld het slechtste
wezen op aarde is. Zoveel mogelijk staan we hem geen andere herinnering
toe dan deze: dat hij vervloekt is, niet geschikt om te leven, en daarom
met elke mensonwaardige omstandigheid verder in het grote onbekende moet
worden gestoten. Het enige waaraan hij kan denken is hoe hij kan voorkomen
dat zijn lichaam wordt opgehangen: hij wordt gek van de kwellende gedachte
en kan geen moment rust vinden; zijn denken is als een hel der hellen
waarvan wij niets kunnen weten.
      De ziel is aanwezig – een menselijke ziel is
aanwezig – hij heeft nog steeds de goddelijke vonk in zich, hoe weinig
besef hij daarvan misschien nog heeft. Omdat hij een mens is, is hij in
wezen goddelijk. We weten nog zo weinig van het leven. Over deze man kan
dit worden gezegd: hoewel zijn ziel voortdurend uit zijn bewustzijn is
buitengesloten en geen mogelijkheid heeft gevonden zich in zijn daden
tot uitdrukking te brengen – al heeft hij gescheiden daarvan geleefd en
is hij in de meest vernederende positie weggezakt – toch houdt de onveranderlijke
wet die alle leven beheerst hem onder haar hoede evenals de grootste heilige,
en ik weet dat die godheid hem ergens, aan gene zijde van de dood, beelden
van hoop zal tonen en het besef zal brengen dat de weg die hij volgde
verkeerd was en dat hij nieuwe kansen zal krijgen.
      Waarlijk, de goddelijke wet is barmhartiger
dan de menselijke wet: voorbij de dood is er vrede en kennis van ons grotere
zelf, en vergoeding voor het onrecht dat de wereld ons misschien heeft
aangedaan. Wij mensen zijn goddelijk – geboren om ons te ontwikkelen!
We zijn zonen van god, hier geïncarneerd om te werken aan een verheven
bestemming voor onszelf en voor de wereld waarin wij leven. Maar we moeten
niet vergeten wat voor neerslag van gedachten hij, bij wijze van spreken,
op de rand van deze wereld heeft achtergelaten, en beseffen dat wanneer
hij door de goddelijke drang van de wet weer zijn plaats op aarde zoekt,
zoals hij zal doen – zoals allen moeten doen – en de last weer opneemt
die hij had afgelegd, we hem niet in de collegezalen zullen vinden, noch
in plaatsen waar men schoonheid en waarheid aantreft. Hij zal zich noodzakelijkerwijs
begeven naar een omgeving die verwant is aan de gedachten en gevoelens
waarmee hij vertrok: zo was de deur van zijn heengaan, en zo moet de deur
zijn van zijn terugkeer.
      Dit onderwerp heeft nog een ander aspect: ter
wille van onszelf, onze kinderen en onze beschaving zouden we ons van
deze gelegaliseerde onrechtvaardigheid moeten afwenden. We moeten denken
aan de gedachte-invloeden die als het ware in de mentale atmosfeer van
het toekomstige kind worden gedreven en daar hun stempel op zijn karakter
zullen drukken. Er is een misdaad begaan die opschudding veroorzaakt in
de kranten. De gemoederen worden in beweging gebracht tegen de man die
haar zou hebben gepleegd – het geval wordt in vele gezinnen besproken
– en ergens is een vrouw die op het punt staat moeder te worden. Ze luistert
naar twee of drie van zulke gesprekken en laat, onder de psychologische
invloed van de algemene opinie, de gedachte toe dat de man moet hangen
–ze formuleert het zelfs in woorden en zegt, ‘Ik zou hem graag zien hangen’.
      Denk eens aan de gevolgen van zo’n gedachte,
zo’n gevoel, zo’n wens die als gif in haar denken komt en als gif in haar
bloed stroomt, op het karakter en de toekomst van haar ongeboren kind.
Want als men zijn lagere natuur prikkelt met een verlangen naar wraak
worden er krachten opgewekt die in zijn lichaam een werkelijk gif worden.
Mensen vernietigen zichzelf iedere dag met hun verlangens naar wraak en
haat, vernietigen niet alleen hun hogere en mentale mogelijkheden, maar
vergiftigen letterlijk het bloed in hun aderen. Elk atoom wordt beïnvloed;
en zo bereiden ze hun eigen straf voor, niet ver weg in een andere wereld
of bestaanstoestand – er wordt niet gedreigd met een hel – maar op het
moment dat de gedachte postvat, hier in deze wereld, in hun huidige lichaam,
fysiek, begint het gif te werken. Men hoeft slechts het leven te volgen
van mensen die vastbesloten zijn kwaad te doen om te zien hoe deze krachten
hen vernietigen.
De
Goden wachten op ons, blz. 83-8
© 2000 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|