3 

De oorzaken van misdaad

Er is geen remedie tegen de zelfvernietigende waanzin van ons gevangenisstelsel tenzij we de gedachte aan veroordeling vaarwel zeggen en ons bezighouden met de oorzaken van misdaad. Velen van hen die nu in de gevangenis zitten hadden thuis, toen ze kinderen waren, slechte voorbeelden. Er heerste daar disharmonie, te grote toegeeflijkheid, onverschilligheid of enorme onwetendheid, wreedheid, of zelfzucht en ondeugd verborgen onder de dekmantel van fatsoen. Tegenover één echt huwelijk, aangegaan met begrip en in een sfeer van heiligheid, staan er honderden en duizenden die uit zelfzuchtige motieven werden aangegaan: uit fysieke aantrekking of op grond van de wens van ouders of vrienden, eigenbelang of de maatschappelijke eisen van het moment.
      Niemand gaat in een oogwenk naar de bliksem. Niemand mislukt onmiddellijk. Misdaad nestelt zich niet in één ogenblik of één dag in de aard van een mens. Ze groeide onder de oppervlakte: in de algemene negatieve aard van het karakter, in het opwekken van begeerten, totdat men zijn zelfbeheersing kwijt is en de dingen niet meer kan verwerken. Daarop volgden stimulerende middelen, mentale onrust en verzwakking van de wil. Dan komt het eerste vergrijp – misschien iets stelen van de ouders of van buren – en in een poging de diefstal te verbergen, leugens en bedrog. De lagere natuur went geleidelijk al doende aan het verrichten van wandaden.
      Alle krachten van die lagere natuur zijn noodzakelijkerwijs aanwezig in het gestel van een kind: de on volmaakte, dierlijke, onontwikkelde, niet-spirituele kant is er, met zijn verlangens en begeerten. Het kind heeft ze naar dit leven overgebracht door erfelijkheid, half door herinnering: deze onbuigzame en krachtige tirannen werden in het verleden niet overwonnen en gecorrigeerd, en nu verschijnen ze weer en krijgen ze invloed. Een moeder die toelaat dat haar kind een hevige woedeaanval krijgt en niet het geheim ontdekt om deze ter plekke te stuiten, geeft misschien voedsel aan iets dat eindigt in het verwoesten van het leven van het kind, terwijl ze zich misschien nooit ervan bewust was dat ze iets had moeten doen wat ze niet heeft gedaan. Waarom? Omdat er in wezen geen sprake was van een religieus leven: er was geen verlicht denken en daardoor had ze geen idee van de innerlijke behoeften van het kind.
      Een mens wordt tot misdaad gebracht door begeerte die in zijn natuur sluimert, en misschien werd die voor het eerst aangemoedigd in zijn jeugd en kwam ze voort uit een van die kleine verlangens waaraan ouders zo vaak voedsel geven: kleinigheden die onbelangrijk schijnen, die men gemakkelijk geeft en niet zo gemakkelijk weigert. Toegeven betekent echter vaak de weg plaveien voor een ramp, want het betekent dat men het leven van het kind zijn weg laat vinden via het kanaal van begeerte, het als het ware laat groeien in het lagere aspect van zijn natuur en dat men hem toestaat in zijn dierlijke deel te gaan wonen. Het betekent het versterken van zijn karakter aan de verkeerde kant, zodat hij, zelfs als hij nog nauwelijks kan lopen, misschien al de eerste schrede op weg naar de misdaad heeft gezet.
      Het leven van een kind heeft zoveel facetten die boeiend en aardig lijken en die ouders in hun hart koesteren en graag bij hun kinderen opwekken, en die toch beslist niet de best mogelijke zijn. Denk eens aan de nieuwe en verrassende dingen die uw kinderen deden en waarmee ze uw aandacht trokken; en u heeft hun egoïsme aangewakkerd en hen het gevoel gegeven belangrijk te zijn: het komt neer op het strelen van het uiterlijke zelf en van persoonlijke trots en het negeren – eigenlijk het uitbannen – van die zeldzame en koninklijke, onpersoonlijke waardigheid die de hogere kant van het leven van een kind vormt.
      Een verkeerde gedachte kan een hel op aarde veroorzaken. Een moeder zal vaak onbewust de ijdelheid in haar dochtertje aanwakkeren door te veel aandacht te schenken aan haar uiterlijk. Ik herinner me een heel aantrekkelijk en uiterlijk interessant meisje, met alle charme van kinderlijke onschuld, maar dat een aangeboren ijdelheid bezat. Toen ze een jonge vrouw was geworden, weg uit de bescherming van het ouderlijk huis, leidde haar liefde voor vleierij haar naar de ondergang.
      In de jeugd werden de zaden gezaaid: eerst van zelfzucht, dan van ijdelheid en valse trots, waarop bedrog volgde. Daarna, hoewel de uiterlijke schoonheid en charme bleven, trok het betere deel van haar natuur zich terug: het had geen plaats om in te werken, het vond in haar geest geen ruimte voor zichzelf. De innerlijke vijanden – de vijanden van haar eigen gestel – hadden overwonnen en bezetten haar hele geest en zij dreef verder en verder af, het gevaar tegemoet. Hoeveel pijn veroorzaakte dat niet in het gezin dat ze had verlaten! De moeder was verbaasd en stelde zichzelf vragen, en herhaalde telkens weer dat ze haar lieveling altijd had beschermd, haar het beste voorbeeld had gegeven, de beste boeken om te lezen, haar regelmatig had meegenomen naar de kerk, naar zondagsschool. Het geval is typerend. Zowel de moeder als de dochter gaan vanzelf sprekend iedereen en alles de schuld geven behalve zichzelf, omdat geen van beiden iets weet of iets is geleerd over haar ware natuur, of hoe men de innerlijke vijand moet herkennen en weerstaan. De dochter was nooit geleerd dat de kracht om zichzelf te bevrijden in haarzelf lag, en dat de veroordeling door de wereld niets is vergeleken met die koninklijke en innerlijke talisman die ze in haar eigen ziel bezit.
      Op een bepaald punt heeft ze zich misschien uit wanhoop tot anderen gewend om hulp, maar vond alleen in afschuw opgeheven vrome handen, of vrome lippen, zonder één woord van hoop of bemoediging, maar alleen een blijven hameren op haar zonden en dat haar ziel door de poel van wroeging en berouw moet gaan. Die ‘goede tijdingen’ zijn het laatste waarnaar men haar had moeten laten luisteren – en die haar geest het minst hielpen.
      Veroordeel niet; velen gaan ten onder, in de regel niet uit verdorvenheid of liefde voor het kwaad ter wille van het kwaad, maar omdat de maatschappij hen geen nieuwe kans biedt en omdat er niemand is tot wie zij zich kunnen wenden en die hoop kan geven. We zouden honderd keer verbetering tot stand kunnen brengen door hen een weg te tonen die uitzicht biedt op een dag van zonneschijn en vrede.
      En wat was bij de meesten het begin van dit alles? Dat was de ijdelheid die de moeder in haar kind voedde. En nog langer geleden, als men dat zou kunnen nagaan, zou men het zaad ervan kunnen vinden in de geest van de moeder in de prenatale periode vóór het kind werd geboren. Kunnen wij geen zaden van harmonie zaaien waar nu slechts blindheid en onbegrip zijn te vinden? Er zijn vrouwen die ernstig over deze dingen nadenken en zich in die prenatale maanden gedragen als priesteressen van de goden. Maar gekibbel, onbelangrijke zaken en ruzies vullen het leven van velen. De vernietiging van het menselijk leven begint thuis en in de jeugd. Als een vrouw deze levensmysteriën nog niet begrijpt, is zij niet geschikt moeder te zijn. Als een man zichzelf niet heeft gezuiverd en gelouterd en tot het besef is gekomen wat het betekent een kind ter wereld te brengen, zou hij niet de verantwoordelijkheid van het vaderschap op zich moeten nemen. Als men in dit opzicht leeft zoals de meerderheid, gaat men voorbij aan de goddelijke wetten van ons bestaan – en dan staat men werkelijk aan het doodsbed van de mensheid.
      Het idee van een persoonlijke God die straft, dat in de geest van het kind wordt ingeprent op het moment dat het alle zonneschijn en vreugde en liefde zou moeten ontvangen die het aankan, roept angst op – dat afschuwelijke gevoel dat men nooit in de geest van kinderen zou mogen toelaten. Want is het er eenmaal – is het kind eenmaal geleerd bang te zijn voor God of de Duivel of iets anders – dan begint het verlegen te worden en leert instinctief zijn fouten en zwakheden te verbergen en dat is beslist het begin van het pad van de schaduw.
      Denk eens aan een jongetje, dat veelbelovend lijkt, dat lichamelijk en mentaal alles heeft om het hart van zijn ouders blij te maken, dat van nature beschaafd is en een aangeboren vriendelijkheid bezit maar dat toch ook een andere kant aan zijn karakter heeft – want er is altijd een andere kant. Misschien heeft hij van beide ouders een sterke, gevoelige en vastberaden aard geërfd, die in zijn leven een grote kracht ten goede zou kunnen worden. Het kan in het leven van zijn vader en moeder een grote kracht ten goede zijn geweest, omdat ze op een goede manier werd gebruikt. Maar hij heeft ook andere neigingen, en als hij de leeftijd bereikt waarop een jongen heel verstandige en voorzichtige bescherming zou moeten hebben, als hij tegenover de mysteries van de seks komt te staan, krijgt hij moeilijkheden.
      Zijn vader en moeder kunnen hem die dingen niet uitleggen, want zij weten het niet. Er is niemand die hem de impulsen kan uitleggen waarmee hij nu te maken krijgt – de passie die plotseling in hem op komt, vanwaar of waarom weet hij niet, de begeerte die hem dringende eisen stelt. Hij ziet hier en daar schijnbaar rechtschapen mannen die een hoge positie bekleden en zich voordoen als uitstekende voorbeelden, en als hij oplet ziet hij ook de andere kant van hun leven; en met zijn krachtige natuur volgt hij misschien hun voorbeeld.
      O, er zijn jongemannen die het zonder meer lukt bepaalde gevaarlijke plaatsen in het leven te passeren op grond van hun trots of zelfs hun geweten dat tijdig tot hun bewuste zelf doordringt, maar er zijn er duizenden en duizenden die eenvoudig worden meegesleept. Er zijn voortdurend beproevingen voor deze jongen nu de intensiteit van zijn natuur toeneemt. Misschien heeft hij een neiging tot drinken of tot nog erger dingen; maar heeft hij eenmaal zijn eerste fout begaan, dan wordt zelfs het denken eraan voor hem pijnlijk. Hij is gestruikeld en heeft zich in eigen ogen schandelijk gedragen. Hij weet niet waarom hij het deed, en ook niet wat hem voortdreef op de weg die hij zelf nooit zou hebben gekozen. Zijn God verliet hem, denkt hij, toen hij hem nodig had en heeft hem nu helemaal in de steek gelaten. Hij weet niet dat dat verheven en heroïsche deel van hem, de innerlijke god, er al die tijd was en is en dat hij deze alleen maar hoeft op te roepen en er zijn toevlucht toe te nemen, want de innerlijke god wacht op ons. Hij heeft daar nooit van gehoord: nooit gehoord van de tweevou dige aard en van het verschil tussen het hogere en het lagere. Het enige wat hem werd geleerd was dat hij in zonde werd geboren en dat hij een zondaar is omdat hij een mens is; dat hij niet het zelfvertrouwen zou kunnen hebben moedig te zijn, omdat er in hem niets is dat betrouwbaar is.
      De kiemen van onheil groeiden dus al in hem vanaf zijn jeugd onder de beschermende liefde en zorg van zijn ouders. Ondanks alle opvoeding die zij hem in ruime mate gaven, heeft hij nooit iets over het leven geleerd, en nu bevindt hij zich in een zee van psychische problemen, overgeleverd aan de dreiging van haar getijden. Misschien maakt hij met iemand kennis en sluit hij vriendschap en mist hij het onderscheidingsvermogen om de jongeman die hij ontmoet te zien zoals hij werkelijk is. Zijn fijnere natuur is niet zo gevoelig geworden dat deze hem waarschuwt op zijn hoede te zijn. Impulsief, welwillend en zonder verkeerde bedoelingen gaat hij de vriendschap aan en staat algauw onder de invloed van die ander. En aan de vijanden die al bij hem hoorden, waaraan hij tevoren dagelijks het hoofd had moeten bieden, worden nu talloze andere toegevoegd; want deze impulsen worden vaak verdubbeld en verdrievoudigd door banden met de verkeerde soort vrienden. Slechte gewoonten worden gevoed en wanneer de sterkere wil steeds verder afzakt, volgt de zwakkere.
      Ik herinner me een gesprek met een gevangene in San Quentin, een jongen van ongeveer twintig of eenentwintig jaar die gevangen zat wegens valsheid in geschrifte. Toen ik eenmaal zijn volle vertrouwen had gewonnen vroeg ik hem wat precies hem daar had gebracht – wat het eerste begin en de wortel van zijn problemen was. Hij zei dat hij dacht dat bijna alle gevangenen hetzelfde zouden vertellen, als men de waarheid uit hen kon krijgen. Het begon, zei hij, toen hij nog maar een kind was. Maar waar waren dan zijn ouders, zijn moeder? Met die dingen ga je niet naar je moeder, antwoordde hij. En zo is het: ouders zijn vaak de laatste mensen in de wereld die zien wat er aan de ziel van hun kind knaagt.
      Deze jongen had nooit een waarschuwend woord gehoord over het gevaar van genotzucht van welke aard ook. De moeder was een heel verlegen vrouw, en de vader een van die gemoedelijke, gemakkelijke mensen die men zo vaak ontmoet, die het leven nemen zoals het komt en een onvoldoende gevoel van verantwoordelijkheid bezitten. Hun zoon groeide op goed geluk op en kon gaan en staan waar en met wie hij maar wilde. Het begon allemaal met het kweken van gewoonten waarbij aan eigen neigingen werd toegegeven, die moeders niet corrigeren omdat ze daarvoor terugschrikken – de verraderlijke uit groeisels van onwetendheid en hartstocht die onze kinderen soms ruïneren voor ze zichzelf kunnen beschermen.
      Naarmate zijn verstand zich ontwikkelde, ont dekte hij dat hij geen wil had. Hij werd zenuwachtig, rusteloos, overdreven terughoudend, negatief en vatbaar voor alle invloeden. Thuis was hij misschien vol goede bedoelingen, maar weg van huis was hij overgeleverd aan welk gezelschap hij ook maar in ver keerde, en kon moreel geen weerstand bieden aan kwalijke voorstellen. En zo maakte hij de ene fout na de andere: hij dronk, kwam onder de invloed van een vrouw, en om geld voor haar te krijgen pleegde hij valsheid in geschrifte. Nog steeds hield hij van het goede en kon hij het onderscheiden van het kwade – hij was niet zover afgedwaald van het normale levenspad dat hij daar niet meer toe in staat was. Door zijn nerveuze, vurige temperament en gebrek aan zelf kennis ging hij door de knieën en maakte hij zijn eerste ernstige fout. Een uur voor hij dat deed had hij niet de minste bedoeling kwaad te doen; een uur daarna betekende de afschuw over wat hij had gedaan voor hem al een eeuw van lijden, en meer dan genoeg straf voor zijn misdaad. Onze gevangenissen zitten vol met deze gelegenheidsmisdadigers, die in de arrestantenhokken of cellen samen zitten met hen die onverbeterlijk zijn geboren, monsters in menselijke gedaante.
      Het kind wordt geboren met de hele natuur achter zich en met alle luister van dit levende heelal. Toch is het opgesloten en verkeert het in duisternis, in de ban van de vloek en psychologische invloed van deze tijd; zodat als het alles doorstaat en niet vroeg of laat als een misdadiger wordt gebrandmerkt, dit komt door hogere ervaringen in een ander leven in het verleden of omdat de ouders het iets hebben meegegeven dat zijn geestelijke of hogere zelf raakte en wakker riep.
      Vaak worden kinderen heel gezond geboren maar hebben ze toch alle elementen van een geestelijke afwijking latent in zich, die zich kunnen uiten in de vorm van extreme nervositeit en lichamelijke zwakte. Een kind van dat type kan bij de geboorte volkomen normaal zijn, maar naarmate de tijd verstrijkt op dit grote slagveld van ons bewustzijn en in de arena van menselijke dualiteit – en vreemde toestanden en ge voelens binnensluipen vanuit de onbeheerste lagere natuur en de gewoonte aan zijn neigingen toe te geven wordt aangekweekt en versterkt – kan het bezwijken ondanks het protest en de dwingende kracht van de hogere natuur die tegen de ander protesteert en die het kind niet begrijpt totdat, wanneer het een bepaalde leeftijd bereikt, het geestelijk in verwarring raakt.
      Als we van onze kinderen houden, moeten we niet aarzelen de waarheid te zeggen. Het doet mijn ziel zeer veel pijn als ik bedenk dat kinderen door de eeuwen heen zijn gestraft, en als ondeugend, slecht, onverbeterlijk, enz., zijn bestempeld; als ik de gevangenis binnenga en de jongemannen zie – jongens, zestien of achttien jaar oud, de tekenen van onschuld op hun gezicht, en een stem waarin tenminste nog enige herinnering weerklinkt aan aspiraties en geestelijke verlangens; het doet mijn ziel heel veel pijn, zeg ik, als ik zie hoe van streek ze zijn, in het nauw gedreven door hun eigen zwakheden, hoe ze weer straf ondergaan en zich in hun eigen ogen nog meer vernederd voelen. Deze hele weerzinwekkende methode is ontstaan uit een systeem uit het verleden dat nog steeds vasthield aan de gedachte van erfzonde en straf, en dat het oog altijd gericht hield op de verkeerde kant van de menselijke natuur.
      Ik zag onlangs een verslag van twee meisjes die zelfmoord pleegden. De oorzaak van alles was een verwrongen geest. Daardoor was hun karakter instabiel en hun wil verzwakt, zodat de duistere en tot wanhoop drijvende elementen van het leven binnenslopen en geen weerstand ontmoetten. Er scheen hun niets anders te zijn overgebleven dan zich aan hun moeilijkheden over te geven en zelfmoord scheen de enige redding. Ze zijn te beklagen – maar nog meer te beklagen zijn die ouders die niet willen zien of leren, die niets doen, niet helpen!
      Als de levensloop van onze zelfmoordenaars werd onderzocht, zou men zeker ontdekken dat de val van velen begon doordat hun wil was onderworpen aan die van een ander. De grondslag is altijd de gewoonte aan eigen neigingen toe te geven, en het kwaad begint steeds bij een hypnotische beïnvloeding die vermeden zou moeten worden, evenals de boeken die daarover gaan en de mensen die erover praten en vooral die het in praktijk brengen, zoals we alles vermijden wat het leven bedreigt. Een lepralijder kan zijn ziel vlekkeloos houden, de man die aan pest lijdt en al de verschrikkelijke kwalen die het lichaam aantasten kan zijn ziel zuiver en rein houden, maar als hypnotisme het innerlijke leven van een mens binnendringt, wordt dat te gronde gericht. Daardoor wordt hij ongeschikt om te dienen, ongeschikt om te leven.
      Een kind, onbekend met het kwaad, gaat de wereld in en ontmoet een jongen die iets ouder is dan hij en raakt aan hem gehecht; misschien komt hij in aanraking met een man, want over de hele wereld zijn er duivels in menselijke gedaante, en een jongen kan evengoed worden verknoeid en op het verkeerde pad geleid als een meisje. Op die manier leert uw kleine, onschuldige kind gemene en slechte dingen en de ethische beginselen die in hem sluimerden toen hij werd geboren en die door de ziel niet werden gevoed, zijn niet sterk genoeg om de verleidingen te weerstaan. Hij wordt negatief en zijn denken raakt verduisterd. Alle energie die hij voor zijn groei had kunnen gebruiken, werkt in plaats daarvan tot zijn vernietiging.
      Het ontbreekt deze lagere natuur aan verstand: hij beschermt zich niet en kan dat ook niet. Een dwaze passie of begeerte krijgt de overhand en het gevolg daarvan is de gevaarlijkste soort van krankzinnigheid. Honderden ouders weten helemaal niet dat zulke dingen bestaan. Ze zouden het beslist niet geloven als het hun werd verteld. ‘O, nee!’ zouden ze zeggen, ‘Hij is mijn jongen; kijk eens hoe hartelijk en intelligent hij is!’ En al die tijd houden deze zelfde harte lijke en intelligente kinderen hen voor de gek: de moeder, het slachtoffer van de zoon, en hij lacht stiekem om haar blindheid. Waarom? Omdat zijn natuur aftakelt, onzuivere daden leiden tot de ontaarding ervan – en de ouders zijn er zich, zoals gewoonlijk, niet van bewust tot het te laat is.
      Begeerte ligt ten grondslag aan dit gevaar: liefde voor de dingen die ‘ik wil’ en niet voor de dingen die ‘ik nodig heb’. Zolang aan de wensen van de kinderen wordt toegegeven – verlangens naar wat de tong streelt, ijdelheid die zich toont in kleding – kunnen we geen verandering ten goede verwachten. Be geerten die zo worden bevredigd groeien en hun eisen worden hoe langer hoe buitensporiger en steeds lager van aard.
      Dit is in het kort het levensverhaal van de meeste misdadigers: eerst leefde er in het kind het verlangen naar wat het niet had moeten krijgen, en dat groeide en werd niet beheerst; daarna de beginnende volwassenheid waarin hartstocht zich doet kennen – en hartstocht is de schepper van misdaad. Zo brengt de onwetendheid van ouders een ramp over hun kinderen. Ouders kennen het gevaar niet dat aan hun deur loert. Zij spannen zich in om het materiële leven van hun kind op te bouwen – zij maken zich eindeloos zorgen om wat het moet eten en wat het moet drinken en wat voor kleren het moet dragen – te vaak zijn ze daar tevreden mee en kijken niet verder. Telkens weer is het onwetendheid, gebrek aan morele kennis, die de deur voor het gevaar openzet. Geheel on bewust brengen de ouders misschien hun kinderen onder invloed van iemand met een innerlijke natuur waarin een element of onderstroom van verval aanwezig is, die bijna onmerkbaar de aard van de jongens die aan hem zijn toevertrouwd bederft.


De Goden wachten op ons, blz. 101-18

© 2000  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag