4 

Reïncarnatie: De leer van verheven hoop

Velen die het geloof in een persoonlijke God en in andere ijdele en subtiele zaken van de sektarische metafysica hebben opgegeven en die, gezien de moedeloosheid waarin de onrust van deze tijd hen brengt, serieus nadenken over het leven en zijn vele problemen, hebben in de leer van reïncarnatie iets gevonden wat de betekenis van dit alles voor hen duidelijk maakt. Want daarin ligt de verklaring van de verschillen in menselijk geluk, zodat die niet langer onrechtvaardig en onverdraaglijk schijnen; en hier wordt de ware mens onthuld in de luister van zijn aangeboren goddelijke aard als reiziger in de eeuwigheid, op weg van leven naar leven, die door ervaring na ervaring de kennis vergaart die hem uiteindelijk tot de ideale, de volmaakte mens zal maken.
      Wij behoren tot het geslacht van de onsterfelijken; wij zijn de hoogste vormen die we kennen, waarin de universele godheid tot uitdrukking komt. Moeten wij geloven dat de ervaringen waar we recht op hebben in die paar tientallen snel voorbijgaande jaren van één enkel leven kunnen worden vergaard, vóór dit lichaam van ons ophoudt bruikbaar te zijn en wegvalt overeenkomstig de wetten van het stoffelijke bestaan en terugkeert tot de voorraadschuur van de natuur? Stoffelijke dingen hebben hun plaats, maar de essentiële en altijd blijvende dingen zijn in het eeuwige zelf. Ze zijn de eigenschappen en vermogens van de ziel en die moeten wij hier ontwikkelen door in harmonie te werken met het machtige en meedogende hart van de natuur.
      Zou een ziel die vervuld is van de melodieën en luister van binnenstromende muziek zich ten volle kunnen ontplooien, zelfs als de periode tussen de geboorte en dood van zijn lichaam heel lang is? Iemand die geen muzikaal talent heeft geërfd of zover hij weet geen aanleg voor muziek heeft, raakt soms verrast en geroerd bij het luisteren; als hij langer luistert en nog dieper wordt geroerd en steeds blijft luis teren wordt hij er uiteindelijk door overweldigd, zodat in hem stille en wonderlijke stromen van trillingen en gevoelens op gang komen. Misschien is hij een monteur in een garage of wordt hij geheel in beslag genomen door de sleur van het zakenleven, die hem tijd noch energie overlaat voor muziek – het doet er niet toe: dat goddelijke iets heeft hem geraakt, en misschien liggen er in zijn innerlijke natuur de mogelijkheden van een groot musicus. Moeten die niet ooit naar buiten komen en tot expressie worden gebracht? Een belofte van eeuwige vooruitgang staat afgedrukt op ieder menselijk hart; alles in de natuur verkondigt het. Waarom zouden wij niet eenzelfde vertrouwen hebben in onze essentiële goddelijkheid als de bloemen in de weldadige kracht van de zon?
      Wat is de zin van de idealen die we stilzwijgend koesteren; de geheime, edele en onvervulde aspiraties; de vragen die we aan het leven stellen en waarop het huidige leven geen antwoord geeft? Wat is het doel van pijn en wanhoop, de onrust en het intense verlangen om zoveel meer te zijn dan we ooit kunnen bereiken, vóór de dood ons wegneemt? Werden deze gedachten die we hebben en die ons soms bijna tot het punt van onthulling brengen in één dag geboren? Werden ze gevormd uit de ervaringen die we in die paar jaar sinds ons lichaam werd geboren, hebben opgedaan?
      Wat ze ons zeggen is altijd dat we groter zijn dan we schijnen, dat er geen grenzen zijn aan de vermogens van de ziel en dat, al zal ons begrip van dit mooie heelal eeuwig toenemen, we nooit een eindpunt van begrip zullen bereiken, dat we een eeuwigheid aan tijd hebben om de grootsheid van de wet te leren kennen en dat er geen onderbreking bestaat in de eeuwigdurende continuïteit, dat men vandaag kan struikelen en falen, maar dat de volgende dag een nieuwe kans brengt, dat we vele levens hebben, telkens dezelfde in essentie maar verschillend in uiterlijk – wij, onsterfelijke wezens, die thuishoren in de eeuwigheid, maar hier zijn onderworpen aan sterfelijkheid en tijd.
      Of we nu religieus zijn of niet, weinigen gaan met een tevreden gevoel het grote onbekende in en in die slaap die geen slaap is in de zin van passiviteit, maar een slaap vol activiteit, goddelijke activiteit tijdens de slaap. Hoe edel het leven van een mens misschien ook is geweest, kunnen we ons indenken dat die verheven volmaaktheid in één enkele levensperiode is bereikt en tot uitdrukking komt in een eeuwigheid van geluk? Het is toch veel redelijker te geloven dat we telkens weer leven, het eeuwenoude pad bewandelen, dat ons de ene kans na de andere geeft, dan onszelf te zien als armzalige schepsels van één enkel leven die bij de geboorte uit niets zijn geschapen en bij de dood worden overgeplaatst naar een eeuwige hemel of een nooit eindigende hel, die geen van beide de mogelijkheid tot vooruitgang bieden, en waar geen kansen liggen, en waar geen doel en geen hoop op inspiratie en motivatie bestaat.
      Zou een werkelijk edele ziel voor zichzelf vrede kunnen accepteren en geluk in de hemel kunnen vinden, terwijl de mensheid hier op aarde nog steeds lijdt en in ketenen en droefenis verkeert? De ziel heeft de kenmerken van een godheid in zich: haar hele wezen is mededogen, rechtvaardigheid en zelfverloochening. Wat voor vreugde en zelfexpressie zou ze dan in zo’n zelfzuchtige gelukzaligheid kunnen vinden? Als iemand in de volheid van zijn ziel zou leven – en dat goddelijke volledig zou zijn – dan zou hij die gedachte niet kunnen verdragen. Zijn wil zou zijn gericht op terugkeer naar de aarde, om deel te hebben aan het menselijk lijden en de ongelukkigen de weg te wijzen naar die zelfkennis die vrede brengt. Hij zou voort durend werken ter ere van het godde lijke, ter ere van de in de mens aanwezige god, in het besef dat we door het goddelijke in ons het vermogen bezitten de hele mensheid te helpen in de richting van zijn volmaakte eindbestemming. Ik zeg u, de innerlijke god wacht op ons!
      Wat zou kennis van reïncarnatie als een lied klinken in het hart van de blinde bedelaar langs de weg! Voor het eerst zou hij begrijpen dat een schitterende toekomst en grote successen hem kunnen wachten; niet langer zou zijn lot hem iets mysterieus en gruwelijks toeschijnen, waarvoor hij nooit compensatie zou kunnen ontvangen – niet langer is er sprake van een door een almachtig en wraakzuchtig wezen opgelegde straf, maar van de werking van de wet die voor een goddelijke bestemming voor de mens zorgt, door middel van het lijden dat hij toebedeeld krijgt om zich geschikt te maken voor een vorstelijker geboorte. Hij zou begrijpen dat er nog hoop voor hem is, dat alles wat voor hem duisternis is zal worden opgehelderd, dat er een dag komt waarop zijn innerlijke verlangens meer zullen zijn dan slechts niet te verwezenlijken aspiraties, dat hij zich nu al kan voorbereiden op een edeler lot. De goden wachten op ons!
      Het leven is niet wreed. Het kent geen onrechtvaardigheid. In het licht van reïncarnatie verliest het lijden dat wij als onrechtvaardig zagen, de angel van het vermeende onrecht en wordt gemakkelijker te dragen. We gaan het zien als een zegen omdat het een middel tot bevrijding wordt en onze belangrijkste prikkel tot groei. Ervaring en pijn zijn onze leermeesters. Door de moeilijkheden die we te boven moeten komen worden we voortdurend herinnerd aan de verheven barmhartigheid van de wet.
      Het leven bestaat alleen om te dienen: we leven om te kunnen dienen. Houd in het uur van beproeving vast aan die gedachte en u zult uw moeilijkheden welwillend aanvaarden, als iets dat u welwillend werd geschonken. U zult ze niet zien als een pijnlijke last die u moet dragen, maar als een stralend vuur dat zuivert en bevrijdt. Niet dat we nederig moeten zijn in de gewone zin van het woord; we moeten het hoofd hoog houden – er is al te veel van het andere. We zijn veel te toegeeflijk voor onze eigen zwakheden. Als u met uw hele ziel heeft gestreden en met een onvernietigbaar vertrouwen, en nog steeds dringt de gedachte zich aan u op dat uw toestand niet is ver anderd, en uw struikelblok niet uit de weg is geruimd; als u zich gedwongen voelt te zeggen, ‘al heb ik mijzelf opgetrokken naar mijn idealen en dagelijks het goddelijke in mij benaderd, ik ben nog niet vrij,’ vat dan toch weer moed; het is de tijd daarvoor! Dat waarmee u tevergeefs worstelde, kan een zegen worden. Het kan zelfs de verlossende kracht in uw leven zijn, die u op de enige plaats houdt waar u de les kunt leren die voor u het noodzakelijkst is.
      Al heeft ons denken dus een periode van diepe duisternis doorgemaakt, tegenslagen zouden ons pas moeten verlaten als onze problemen zijn opgelost en ze ons het geheim hebben geleerd ons leven opnieuw te ordenen, want het zijn de aspiraties van onze eigen ziel die het vuur ontsteken waarin we worden be proefd, en dan kunnen we vreugde vinden in lijden, teleurstelling en hartzeer, en begrijpen hoe verheven en troostrijk de verandering is die de dood wordt genoemd.
      Als de fouten uit het verleden niet hun gevolgen teweegbrachten waardoor we de lessen kunnen leren die ze ons moeten leren – als het leven geen strijd, werk en inspanningen zou kennen – zouden we wezens zijn aan de oppervlakte van de aarde en geen zielen zoals we zijn. Alleen daardoor kunnen we dichter tot de waarheid komen en enig besef krijgen van de grootsheid van het leven, van de eeuwigheid, van de luister van de wetten die ons beschermen. Alleen zo kunnen we de weg vinden naar het ware leven dat in alle opzichten vreugdevol en optimistisch is, en stralend vol milde genegenheid; het leven dat geen eindpunt kent in het graf, en in geboorte of dood geen beperking ziet voor zijn vooruitzichten.
      Reïncarnatie geeft ons dus ruimte en tijd om te groeien, zoals de natuur aan de bloemen land en lente schenkt – om te groeien en te leren wat het leven en de wereld ons kunnen leren en om de goddelijke kwaliteiten van ons innerlijk zelf te leren gebruiken en het licht dat verborgen is in de ziel van de mens, het enige dat het pad dat we moeten gaan kan verlichten en dat ons in staat stelt de ernstige en af schuwelijke problemen, de kwellende problemen op te lossen, waar het leven ons onophoudelijk voor plaatst, maar ook om de onuitsprekelijke schoonheid ervan te leren kennen.
      We groeien van eeuw tot eeuw en klimmen on ophoudelijk naar steeds grotere hoogten. Als ze dit begrijpen, worden ouderen weer jong van geest en bezien jongeren de wereld met nieuwe vreugde. De dagen zijn lang en het pad is breed: ga dus voort, het oog in hoopvol vertrouwen gericht op de verre toekomst, het grote doel. De goden wachten op ons!


De Goden wachten op ons, blz. 159-67

© 2000  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag