4 

De eeuwige verbondenheid

Als de overwinning op het zelf is behaald, ver andert het hele aanzien van het heelal. Met godde lijke genegenheid naderen we dicht tot de Machtige Moeder en beseffen dat de stilte en de sterren aan de hemel al deze jaren een beroep op ons hebben gedaan en dat de bomen al hun bladeren en bloesems voor ons te voorschijn hebben gebracht en dat iedere vogel die zong, voor ons zong, en dat alle schoonheid er was terwille van ons.
      Ik herinner me dat Carlyle, na jaren van twijfel, in zijn leven een punt bereikte waarop de hele wereld hem dood toescheen en hij geen antwoord kon vinden op zijn vragen, noch in boeken noch in zijn calvinistische religie. Toen hij op een morgen hongerend naar waarheid uitkeek over de toppen van de heuvels, gebeurde het: in de pracht van het ochtendlicht boven de bergen werd hij zich bewust van de kracht en grootsheid in de natuur, waarvan de verborgen schoonheid zich in zijn ziel weerspiegelde. Hij vond de godheid in hem en de waarheid en de boodschap die hij later zo schitterend voor de wereld neerschreef, een boodschap van volmaakt vertrouwen in de goddelijkheid van het heelal en van de mens.
      En deze openbaring wacht ons allen, want het oneindige is in alles en alle dingen zijn uitingen van de geest. De onzichtbare krachten achter de uiterlijke natuur zijn dezelfde als de onzichtbare krachten die door onszelf werken, en beide bevatten veel verborgenheden die we niet hebben ontdekt en niet begrijpen. De geest die doorschijnt in de schoonheid van de dageraad en de zonsondergang streeft er ook naar zijn grootsheid en waardigheid in ons menselijk leven tot uitdrukking te brengen. De geestelijke wil die ons aanzet tot een edel en oprecht leven is een deel van dezelfde grootse essentie die door de hele natuur ademt, en die zich uit in de kleuren en geuren van de bloemen, in het fluisteren of huilen van de wind, in elk geruis van de woeste wateren en de rollende branding van de zee.
      Bij het zoeken naar vrijheid, het streven naar verheven volmaking, zijn mens en natuur eeuwig met elkaar verbonden. De golven en de wind kunnen voor ons de strijdkreet aanheffen of het lied van vrede voor ons zingen of ons hun dromen van toekomstige zonnige tijden influisteren. Onder het blauw van de hemel in de buitenlucht kunnen we altijd vinden wat aan ons verwant is en wat ons het meest vertrouwd is, en een vriendelijke gezindheid in alles wat groen is en groeit, en overal het nieuwe leven dat de goddelijke essentie is. Het ligt besloten in het plan van de evolutie dat we ons moeten verheugen in dit edele en stille gezelschap en dat de hele natuur dat in ons wakker roept wat onpersoonlijk en daarom goddelijk is, en voortdurend daarop een beroep doet.
      Treed binnen in de geheime kamers van uw hart, ga naar buiten met de pracht van de sterrenbeelden boven u, verhef u tot het niveau van de godheid die u in beide zult vinden, en de sterren zelf zullen u nieuwe wonderen openbaren. U zult met zekerheid weten dat waar leven is, het goddelijke is en dat de glorie van de hemel en de aangename stilte van de lucht, het wonder van de muziek, de rijkdom en levendigheid van kleuren – dat al deze dingen slechts uitingen en variaties zijn van de onpersoonlijke godheid.
      U kunt niet aan een mooie dichtregel denken zonder die innerlijke goddelijke luister in uzelf in zekere mate wakker te roepen. U kunt zo’n regel lezen en herlezen, totdat u na een tijdje uw omgeving uit het oog verliest en u zich in een ideale wereld bevindt van louter schoonheid en verhevenheid – het probleem voor ons is, dat we daar nooit lang genoeg blijven om te ontdekken wie we zijn. De grondtonen van de stilte die daar heerst vangen we niet op; we zijn te gehaast om terug te keren.
      Zoek het veredelende pad omhoog en u bent niet langer alleen: uw eigen god staat aan uw zijde en wat u kunt opnemen van wat de universele natuur u verschaft, helpt u naar de uiteindelijke overwinning. Als muziek hoort u de symfonie van het leven, en de sterren in hun baan zingen voor u, de bomen vertolken voor u de hymne van hun innerlijke schoonheid, en de hele natuur brengt u haar groet uit respect voor uw edel streven. De glorie van de dood wordt u ge openbaard en u kent de weg die u moet gaan al voorziet u misschien niet wat het doel is, want de ziel zal kennis van haar grote mogelijkheden op uw denken afdrukken. Maar hij die het pad omlaag kiest en zijn kracht gebruikt ten behoeve van het kwaad in hem, krijgt van nabij te maken met het kwaad van de wereld.
      Ik herinner me hoe ik mij van het wonder en de kracht van de theosofie bewust werd tijdens mijn eerste bezoek aan Egypte. Het voetspoor van oude tijden is daar zichtbaar en de waarheid die men toen beleefde en overdacht, leeft nog steeds en kan niet sterven. In de heldere roerloze lucht, in de bergen en oude tempels hangt een stilte en een sfeer van ver vlogen eeuwen die de verbeelding wakker roepen. Men voelt dat de kracht van de waarheden die de mysteriën van de oudheid uitstraalden nog aanwezig is, en dat de grote hiërofanten en leraren het stempel van hun innerlijke leven op de atmosfeer hebben afgedrukt en achtergelaten. Die stille door ouderdom versleten heuvels – hoezeer spraken ze tot mij! Ze ademden de kracht van oude tijden en de geestelijke activiteit van de grote Egyptenaren. De oude Nijl sprak tot mij en de maan boven de Nijl, tot ik wist dat de grootste en meest welsprekende kracht in de natuur en in het leven van de mens de stilte is.
      Ik werd me ervan bewust in de graven van de farao’s. Ik herinner me de dag dat we van Luxor langs de oever van de rivier en over de heuvels en door de ravijnen reden, en daarna door een ingang in de helling van een heuvel liepen, door galerijen en galerijen, allemaal ondergronds, en via treden uitgehouwen in de rots in een elektrisch verlichte kamer kwamen – het graf van Seti I. De mummie was er: het deksel van de sarcofaag was verwijderd en de lichten waren zo opgehangen dat men de gelaatstrekken van de grote koning kon zien. Ik had daarvoor nooit begrepen waarom zij hun doden mummificeerden, maar toen we daar binnengingen en naar het gezicht van de machtige monarch keken – hij was een van de grootste farao’s – scheen er op het hele gezelschap een stilte neer te dalen: een innerlijke en majestueuze stilte die was als een symfonie der symfonieën, alsof we in aanraking werden gebracht met iets dat nog steeds aanwezig was van de grootsheid van die lang geleden gestorven heerser en dat in essentie onvergankelijk was.
      Er zijn in de oudheid veel perioden geweest waarin de ziel beter werd begrepen dan nu – waarin de mens een leven leidde van eenvoud en schoonheid en in overeenstemming met de verheven aspiraties van de natuur; een tijd waarin de mens, wat wij maar zelden doen, luisterde naar de melodie van het leven, die de stem is van de innerlijke god; waarin de mens sprak met de sterren en zijn gelaat niet door angst was getekend; toen men nog geen dogma’s, geen angst voor de dood kende, geen geestelijk of moreel schrikbeeld. Al wat het beste was in de geschiedenis van die vroege rassen is hier nu aanwezig in deze atmosfeer waarin wij leven. Het is niet verloren; het zit in de natuur. Het heeft zich tot een deel van de harmonie van het universele leven gemaakt.
      In die tijden stelden wijze leraren ter ere van de Machtige Moeder het paasfeest in. Zij wisten dat de diepten en krachten, verborgen in de natuur en in de mens, oneindig zijn en riepen bij hun eerbetoon aan de schoonheid en glorie van het heelal tegelijk de oneindige goddelijke schoonheid in zichzelf op en in het hart van de mensheid. Want in het leven klinkt een grondtoon: hij is in ieder van ons en we zijn er onontkoombaar door verbonden, ieder is zijn broeders hoeder, hoewel hij alleen hoorbaar is voor wie groot genoeg is om hem te horen doordat hij zijn ware zelf heeft gevonden.
      Omdat de wijzen uit de oudheid dat beseften en ook inzagen dat de goddelijke essentie overal is, wisten zij dat we door eigen inspanning de sluier kunnen oplichten, de geheimenissen van het zijn en het waarom van onze innerlijke strijd kunnen begrijpen en zo onze eigen verlossing kunnen bewerkstelligen; dat hij die zijn aardse hartstochten kruisigt, de kracht vindt de steen weg te rollen voor de ingang van zijn eigen innerlijk wezen waarin de godheid ligt begraven, en daarmee als het ware de christos uit de dood te doen herrijzen; en dat is de wederopstanding en het leven. Om dit te gedenken stelden zij het paasfeest in.
      Hoe heerlijk, hoe verheven, wordt ons bestaan in deze wereld als we het vanuit dit perspectief bezien en de sleutel tot al zijn geheimen bezitten – namelijk kennis van de essentiële goddelijke aard van de mens! In het zonlicht van die wijsheid zullen al die gedachten waaraan we gehecht zijn en die we liefhebben om hun schoonheid, zich ontwikkelen; en hoe volslagen onbelangrijk lijken dan de kleine doelstellingen en vooroordelen van ons denken en de traditionele opvattingen die we aanvaarden zonder erover na te denken of ze al of niet enig verband houden met waarheid. We beperken de godheid naar de maat van ons eigen verstand en stellen ons het grenzeloze voor als persoonlijk, omdat we onwetend zijn van alles behalve het persoonlijke in onszelf. Toch kunnen we die zelfkennis verwerven, die als ze ontbreekt ons doet lijden. Ze is het besef van de koninklijke vermogens van de ziel.


De Goden wachten op ons, blz. 144-51

© 2000  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag