|
4
 
      Alles wacht of laat verstek gaan
tot een sterk wezen
            verschijnt;
      Een sterk wezen bewijst de kracht van de mens
en
            het potentieel van
het heelal.
      Als hij of zij verschijnt wordt alle stof ontzag
            ingeboezemd,
      De discussie over de ziel houdt op,
      Aan de oude gebruiken en frasen wordt het hoofd
            geboden, ze worden
teruggedrongen, of aan
            de kant gezet.
                
– WALT WHITMAN, ‘Lied van
de Grote Bijl’
Mijn eerste ontmoeting met de leraar van H.P. Blavatsky
MDAT
WE ONZE HOOP, wat die ook is, niet op kennis maar op geloof vestigen
– op blind geloof en nog wel op een persoonlijkheid en krachten buiten
onszelf – zijn we jammerlijk vervreemd van de inspiratie en de prachtige
filosofie van de natuur die ons met haar sterren en al haar hiërarchieën
van schoonheid een schitterende leer zou kunnen onthullen, als we ons
tot haar zouden wenden en aandacht aan haar schonken.
      Ik herinner me als de dag van gisteren de ochtend
dat ik de leraar van H.P. Blavatsky op een berghelling in de buurt van
Darjeeling ontmoette. Hij was eenvoudig gekleed in Tibetaanse stijl, had
een Engels zakmes in zijn hand waarmee hij een stuk hout bewerkte. In
het veld dat wat lager lag en niet ver weg, was een jonge hindoe met een
stel ossen aan het ploegen; en het hout, zei hij mij, werd bewerkt om
een geschikte pen of plug te maken zodat die, in het juk gestoken, het
ploegen voor de dieren wat lichter zou maken. Hij vestigde mijn aandacht
op de ploeger, een van zijn eigen chela’s, zei hij.
      ‘Al zou er een batterij kanonnen worden afgevuurd
en sloegen de granaten rondom hem in’, zo zei de leraar, ‘hij zou niet
afgeleid zijn van zijn werk. Hij zou zich zelfs nauwelijks bewust zijn
van het lawaai of het gevaar, zo geconcentreerd is hij. Die twee ossen
zijn voor iemand anders de meest onhandelbare wezens; bij hem zijn ze
altijd, zoals nu, volkomen rustig. Hij beheerst ze niet met zijn wil;
zijn denken houdt zich helemaal niet met hen bezig. Maar u ziet daar voor
uzelf het bewijs dat die dieren die niet kunnen spreken de atmosfeer van
zuivere gedachten kunnen voelen.’
      ‘Als hij op pelgrimstocht gaat, legt hij op
een dag meer kilometers af dan een van de anderen en komt hij veel eerder
aan dan zij. U weet dat de vrouwen hier in India de voeten van de pelgrims
wassen en zalven? Welnu, zijn voeten zijn na de langste dagreis nog nooit
door de weg gewond of beschadigd geraakt. En waarom? Omdat hij nooit tegen
de afstand opziet of daaraan denkt, maar blijmoedig op weg gaat; en nooit
komt het in hem op zich zorgen te maken over de vraag of hij misschien
de weg is kwijtgeraakt of een verkeerde afslag heeft genomen of zoiets.
Zijn geest is zo vervuld van de vreugde van het geestelijke leven dat
deze zijn lichaam voor hem werkelijk lichter maakt!’
      ‘De atomen van het menselijk lichaam worden
in de regel omlaaggehaald door de last van het denken – nutteloze gedachten,
vooroordelen en angsten. Ze ondergaan ieder ogenblik reeksen veranderingen,
onder invloed van de gedachten van het brein. Gebrek aan vertrouwen, gebrek
aan inspiratie waar mensen aan lijden – wanhoop – brengen deze atomen
halverwege de dood. Maar ze kunnen worden bezield tot een soort onsterfelijkheid
door het vuur van het goddelijke leven en afgestemd op de universele harmonie.
Overal zouden mensen verlost kunnen worden van die grote last van onnodige
zaken en zich gedragen zoals die jonge chela, als ze mentaal in evenwicht
waren.’
      ‘Als u van hier op reis moest naar Amerika’,
vervolgde hij, ‘zou u niet stilzitten en dromen over de plaats waar u
naartoe wilt en denken dat dat voldoende is. Het probleem van sommige
theosofische aspiranten is dat ze hun levenskracht verspillen door naar
het doel in de toekomst te zien, in plaats van naar de nu aanbrekende
momenten en seconden waaruit het pad bestaat, waardoor hun betere zelf
uitgeput raakt. Ze zouden in ieder komend moment een stralende gedachte
moeten toelaten en onverschillig staan tegenover de dag van morgen. Ieder
ogenblik kan men, als men dat wil, de deur vinden naar werelden vol gouden
kansen, de poort tot een glorieus pad dat zich uitstrekt tot in het onbeperkte
eeuwige. . . .’
      ‘Waartoe de ziel ons aanspoort is om ons af
te wenden van het materiële gebied van handelen en denken en de persoonlijkheid,
en ons te begeven in de verborgen grootse werkelijkheden van het leven
en te begrijpen dat in ons en boven ons en om ons heen, en in de atmosfeer
waarin onze gedachten en gevoelens zich bevinden, het universele leven
onophoudelijk klopt in antwoord op onze verlangens en vragen. Wanneer
mensen zeggen dat ze het geluk zoeken, bedoelen ze dat ze streven naar
dat stadium in hun evolutie waarin hun huidige problemen zijn opgelost.
Om dat te bereiken, moet men zich terugtrekken uit de verlokkingen van
het leven en al zijn uiterlijke en ontmoedigende aspecten en zichzelf
vinden in de eenzaamheid van zijn eigen wezen, in de onverbreekbare stilte
in zijn eigen hart en denken.’
      ‘Het uiterlijke leven is vergankelijk: hij moet
de innerlijke kracht verwerven en leven in de geest die eeuwig is. Hij
kan dat licht niet als een vrije ziel binnentreden zonder te hebben geleerd
zich te concentreren, en in deze tijd zijn er velen die verkondigen daarin
les te kunnen geven, het te kunnen onderrichten en zij vormen sekten,
geven cursussen en vragen daarvoor geld. Uiteindelijk kunnen ze hun slachtoffers
alleen maar van de werkelijkheid wegleiden, verder en verder weg van het
ware zelf in hen. Want concentratie is een vermogen dat in het zelf besloten
ligt en dat boven het denken uitgaat: het kan niet in de objectieve wereld
worden gevonden, want daar is het niet. Het koninkrijk der hemelen is
op aarde en de poorten ervan moeten in het hart van de mens worden gezocht
en ontdekt.’
      ‘Daarom moet de aspirant niet aan het ontwikkelen
van vermogens denken, maar leven in het licht en de kracht van zijn eigen
hogere natuur. De goddelijke wet is in iedere man en vrouw en ieder moet
die daar zelf vinden en in zijn leven tot uitdrukking brengen. Niemand
kan zuiver water in vuil water gieten en ervoor zorgen dat het toch zijn
zuiverheid behoudt. Onbaatzuchtigheid leidt tot succes en zelfzucht tot
mislukking: de mogelijkheden van de mens staan in directe verhouding tot
zijn vermogen verder te zien dan zichzelf en met anderen mee te leven
. . .’
      ‘Als men na het ontwaken uit de slaap zijn gedachten
onmiddellijk op uiterlijke zaken richt, verliest men de helft van de kansen
van die dag. Men zou in de ochtend moeten ontwaken met een mooie gedachte,
eraan denken dat de dagelijkse strijd vóór hem ligt en dat de god in hem
een kort moment zou willen overleggen met de ziel voordat de zware plichten
van de ochtend beginnen.’
      ‘Hij zou in de stilte en het zonlicht van de
eerste uren iets moeten vinden dat zich verbindt met zijn eigen hogere
natuur en dat tot bloei komt en vruchten voortbrengt. Hij zou zich in
de ochtend in het aangename zonlicht moeten bevrijden en de dag zo vredig
beginnen alsof hij een klein kind uit zijn slaap wekt, en de meer oprechte
en edele kant van zichzelf naar buiten brengen – ik bedoel niet naar buiten
brengen in woorden en taal, maar in gedachten die de rijkdom en volheid
van de geest benaderen en waarbij men ieder moment dat de god zich in
hem verheft deze tot bloei laat komen. Als hij daarna de moeilijkste plicht,
waarvan hij weet dat het zijn plicht is, aanpakt en volbrengt,
zal hij het geheim leren kennen om waakzaam te zijn en na korte tijd zal
hij, zonder zich ervan bewust te zijn, alle lasten die hem hinderden van
zich hebben afgeworpen. Velen werken hard en gewetensvol om van deze lasten
te worden bevrijd: het is niet nodig er één seconde aan te besteden. Men
hoeft slechts de twijfels en bange vermoedens opzij te zetten om de kamers
van de ziel te betreden, en zich te koesteren in het zonlicht en de kracht
die daar zijn te vinden.’
      ‘De eerste drie uur van de dag,’ vervolgde hij,
‘bieden de beste gelegenheid. Wie niet opstaat met de zon verliest een
ontzaglijke hoeveelheid kracht. Wie opstaat vóór de zon en bij het aanbreken
van de dag zijn plichten van dit gebied heeft volbracht en wat nodig is
voor de verzorging van het lichaam en gereed is bij zonsopkomst naar buiten
te gaan en met de zon te werken, krijgt de medewerking van een kracht
waarover hij maar weinig weet – het heldere blauwe licht achter de zon.’
      ‘Het probleem van veel van onze aspiranten is
dat ze vaak met de letter beginnen en teruggaan op zoek naar de geest.
Maar laten zij zich in de stilte aan deze dingen houden en in hun hart
een grootse toekomst scheppen, en alleen, in de ochtend, de stilte van
de natuur ingaan. Laten ze zich bevrijden van hun oude smartelijke herinneringen
en van alle eventueel komende moeilijkheden, en zich eenmaken met dat
licht in de natuur. En het zal hen geen kwaad doen zo nu en dan met verwondering
op te zien naar de sterren, of met vreugde te luisteren naar het zingen
van de vogels of hele dagen in stilte door te brengen, nadenkend over
deze heilige zaken, terwijl ze alle plichten die op hun weg komen, vervullen.’
      Ik denk dat hij ons hiermee een talisman in
handen gaf en ons het werkelijke geheim van het leven onthulde.
De
Goden wachten op ons, blz. 135-44
© 2000 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|