E HEBBEN ONS te lang onderworpen aan de ‘verblindende en verlammende tirannie van geloofsartikelen en dogma’s’. Het wordt tijd uit de schaduw van angst en onzekerheid te treden en ‘de vrijheid’ op te eisen om ‘de heldere, frisse levenslucht in te ademen en het oneindige in onszelf te ontdekken; . . . we zijn onsterfelijk, erfgenamen van al het goede in het heelal’ (blz. 14). De Goden Wachten op Ons van Katherine Tingley bevat een dringende oproep aan ons allen dit te doen. Zij pleit voor de erkenning dat ieder mens – wat zijn omstandigheden ook zijn en hoe hij misschien is gestruikeld en gevallen – van goddelijke afkomst is, ontelbare mogelijkheden heeft iets te bereiken als zijn betere impulsen worden aangemoedigd en zijn lagere instincten worden afgezwakt en onder controle worden gebracht. Het is een pleidooi dat is voort gekomen uit het meedogende hart van iemand die onvermoeibaar eraan heeft gewerkt de misdeelden van ziel en lichaam weer waardigheid en hoop te geven.
     Het materiaal voor dit boek is ontleend aan voor de vuist uitgesproken redevoeringen voor haar studenten en voor volle zalen in Europa en Amerika. Katherine Tingley was een geïnspireerde spreekster en voerde haar toehoorders op naar geestelijke hoogten die ze nooit hadden gedacht te kunnen bereiken. Blader het boek op goed geluk door en u vindt schitterende staaltjes van zuivere inspiratie, praktische wijsheid, onverbloemde commen taren, begrip, een ruime visie en door het hele boek heen een diepe verbondenheid met allen die lijden.
     Zij was een altruïste van nature en door haar daden; ze organiseerde in het begin van de jaren negentig van de negentiende eeuw gaarkeukens en eerste hulpposten aan de East Side van New York, en later stichtte ze filantropische organisaties voor wezen, ongehuwde moeders en behoeftige gezinnen. In de vele jaren van hulpverlening aan armen en kanslozen raakte ze hoe langer hoe meer ontmoedigd door de enorme omvang van de taak de vreselijke last te verlichten van hen die gevangen zaten in omstandigheden waarover ze geen macht hadden. ‘Mijn hart brak bijna bij het zien van zoveel diepe ellende en in het besef dat wat ik kon doen zo verschrikkelijk weinig en zo ondoeltreffend was: hen uit hun huidige nood te helpen en te beschermen tegen een even slechte of nog beroer dere toekomst’ (blz. 72).
     Op een dag, tijdens de kleermakersstaking van 1892-3 in New York, kreeg ze thuis bezoek van William Q. Judge.* [*Medeoprichter van The Theosophical Society en General Secretary van de Amerikaanse afdeling daarvan. ]
     Als stille getuige van haar pogingen tot hulpver lening voelde hij aan hoezeer zij verlangde naar een bevredigende verklaring voor de wrede onrechtvaardigheden waarmee ze dagelijks werd geconfronteerd, naar een filosofie die niet alleen zo vrijzinnig en meedogend was dat ze ruimte laat voor onafhankelijk denken, maar ook zo praktisch dat ze de oorzaken aanpakt en niet alleen de gevolgen. Hij sprak met haar over theosofie en haar allesomvattende wereldbeeld; hij vertelde haar dat een vonk van het goddelijke in de minsten zowel als de grootsten woont, in iedere vorm van leven in alle natuurrijken. Dit wekte haar belangstelling, want voor haar was de natuur een heilige tempel, en ieder deel ervan een levende god, op aarde geïncarneerd voor een goddelijk doel. Zij aanvaardde de gedachte van reïncarnatie als een rechtvaardig en meedogend middel om ieder een kans te geven, niet alleen om zijn karakter te hervormen maar ook om kwaad te herstellen dat hij zichzelf en anderen heeft aangedaan; en van karma – zoals u zaait, zult u oogsten – als een universele wet die op ieder gebied werkt, de werelden van de goden of de wereld van moleculen en cellen. De mens die het hard te verduren heeft, iedereen, hoever hij ook mag zijn gezonken, heeft een goddelijke vonk in zich en bezit het als een godsgeschenk ontvangen vermogen om van zijn fouten te leren en zichzelf te veranderen. We hebben geen bemiddelaar nodig om onze ziel te redden: we zijn onze eigen vernietiger, onze eigen verlosser.
     Met zo’n filosofie als praktische leidraad, ondergingen haar opvattingen en haar leven een diepgaande verandering. Zij werd lid van The Theosophical Society en ging nauw samenwerken met Judge. Toen hij in maart 1896 stierf, volgde Katherine Tingley hem op als de voornaamste theosofische functionaris. Binnen enkele maanden begon ze aan een wereldtournee en organiseerde onderweg overal waar dat mogelijk was ‘broederschapsmaal tijden’; haar ontroerende verslag van haar ontmoeting met H.P. Blavatsky’s leraar in India, ‘gaf ons een talisman in handen’ (blz. 146). Zij lette goed op wie ze later zou kunnen vragen haar te helpen niet alleen bij het opbouwen van een internationaal centrum van theosofisch licht, maar ook van een school voor kinderen waarvan ze lang had gedroomd. Ze reisde via Point Loma, Californië, waar ze land kocht voor toekomstig gebruik, en stichtte bij terugkomst in New York het Internationale Broederschaps verbond, om haar filantropische activiteiten te bundelen en uit te breiden, ze reorganiseerde de Society onder de naam ‘Universal Brotherhood and Theosophical Society’, en zette intussen overal waar rampen hadden toegeslagen haar hulpverlening voort.
     In 1900, toen het internationale hoofdkwartier van de Society verhuisde van New York naar Point Loma, werd het visioen uit haar kindertijd van een stad in het Gouden Westen langzaam maar zeker verwezenlijkt. Hier wilde zij een gemeenschap stichten in de sfeer van de mysteriën van het oude Griekenland, waar muziek, toneel en kunst een essentieel onderdeel zouden vormen van het onderwijsprogramma en waar een hoogstaande ethiek zou worden onderwezen. Dichters, schrijvers, opvoeders, zakenlieden, predikanten, artsen, geschoolde en ongeschoolde werkers werden naar dit centrum uitgenodigd – zij kwamen daar als ‘student’ om te leren en hun toewijding en talenten aan te bieden voor de bouw van een centrum van onderwijs voor kinderen en volwassenen, dat alle vermogens tot ontwikkeling zou brengen, geestelijke, mentale, morele en fysieke. Als een belichaming van de edelste idealen van het man- en vrouwzijn, zou de school, naar men hoopte, een voorbode zijn van de tijd waarin oorlogen en hun kwalijke gevolgen ondenkbaar zouden zijn en vrede en broederschap algemeen zouden worden verwezenlijkt.
     Van haar filantropische arbeid was het werk in gevangenissen het belangrijkste – de oorzaak en genezing van de misdaad en de rehabilitatie van gevangenen was een veeleisende aangelegenheid. Van 1911 tot 1929 werd The New Way uitgegeven, een tijdschrift van acht pagina’s in folio, dat gratis werd verspreid ‘voor gevangenen en anderen, al of niet achter tralies’. De uitgevers ervan brachten theo sofische ideeën in allerlei vormen, legden de nadruk op de individuele verantwoordelijkheid en het feit dat verbetering altijd mogelijk was, hoe afschuwelijk ook de misdaad, als men de wil en het verlangen bezat zijn denken en houding te veranderen.
     Waarschijnlijk ging geen zaak Katherine Tingley meer ter harte dan vrede, want zonder vrede kan er geen sprake zijn van stabiliteit; als er geen stabiliteit is, zullen het gezinsleven en de kinderen daaronder lijden. Alles hangt met elkaar samen. Haar persoonlijke ervaringen op heel jeugdige leeftijd met de ‘oorlogsmisère’ en de meedogenloze en verminkende gevolgen ervan, hadden op haar gevoelige natuur een blijvende indruk achtergelaten. De verschrikkingen en pijn onder soldaten aan beide zijden in de Burgeroorlog waarvan zij getuige was, maakten van haar een vurig ijveraar voor vrede en broederschap onder alle volkeren en rassen, en versterkten haar overtuiging dat kinderen op jeugdige leeftijd de schoonheid en belofte van vrede zouden moeten leren vóór ze worden besmet met de ‘glorie’ van de strijd. Opvallend in haar vredespogingen was een reeks Vredescongressen en -parlementen vanaf 1913 tot in de jaren twintig.
     Tingley’s liefdadige inspanningen waren legio, dat was haar manier om de theosofie ‘in hoge mate dienstbaar’ te maken waar dat het meest nodig was: tegen vivisectie en het verschrikkelijke misbruik ervan; tegen de doodstraf – niet alleen om de gevangenen in de dodencellen een kans te geven te blijven leven en hun leven te hervormen, maar ook door de verlagende en soms rampzalige invloed op de mensheid, soms zelfs op de ongeborenen; en tegen het heersende oorlogssyndroom dat ieder conflict uiteindelijk door geweld zou moeten worden opgelost. Geen detail was voor haar te gering om onderzocht te worden, geen idee te groots om te proberen het als de tijd daarvoor rijp was ten uitvoer te brengen.
     In 1926 toen The Gods Await [De Goden Wachten op Ons] voor het eerst uitkwam, werd het warm ontvangen en in verschillende talen vertaald, maar binnen drie jaar overleed de schrijfster en haar boeken raakten geleidelijk uitverkocht. Vandaag, zes decennia later, wenden velen zich tot Katherine Tingley voor een praktische weergave van theosofische grondbeginselen in een heldere, geïnspireerde taal en voor frisse ideeën op het terrein van gezin en onderwijs. Om iets te doen om in die behoefte te voorzien heeft de Theosophical University Press een herziene uitgave van The Gods Await verzorgd die aansluit bij het eerste boek van de schrijfster, Theosophy: The Path of the Mystic (3de editie, 1977).* [*Nederlandse vertaling: Theosofie: het Pad van de Mysticus (Theosophical University Press Agency, Den Haag, 1980).] Het boek werd vakkundig en met onderscheidingsvermogen herzien door Sarah Belle Dougherty en de redactionele en typografische staf van TUP. Beide boeken brengen de duidelijke boodschap dat wij mensen geen zondaars zijn, gedoemd om te mislukken, maar wezens van licht, verwant aan de onsterfelijken, in staat om koninklijke overwinningen van de ziel te behalen als wij slechts durven geloven in ons goddelijke zelf.
     – Grace F. Knoche
     Pasadena, Californië
     21 maart 1992


De Goden wachten op ons, blz. vii-xiii

© 2000  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag