Een introductie tot De Geheime Leer
H.P. Blavatsky

bestel boek

derde herziene druk 2009

© 2009  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

En nu tot besluit.

We hebben ons beziggehouden met de oude geschriften van de volkeren, met de leer van de chronologische en psychische cyclussen, waarvan deze geschriften het tastbare bewijs zijn, en met veel andere onderwerpen die op het eerste gezicht in dit deel misschien niet op hun plaats schijnen.

Maar ze waren werkelijk noodzakelijk. Bij het behandelen van de geheime annalen en overleveringen van zoveel volkeren, waarvan zelfs de oorsprong nooit op een sterkere basis heeft gesteund dan op veronderstellingen en gevolgtrekkingen, is het, bij het bekendmaken van de geloofsopvattingen en de filosofie van meer dan prehistorische rassen, niet zo gemakkelijk om de stof te behandelen als wanneer het alleen zou gaan om de filosofie van een bepaald ras en de evolutie ervan. De geheime leer is het gemeenschappelijke eigendom van de ontelbare miljoenen mensen die in verschillende klimaten zijn geboren, in tijden waarmee de geschiedenis zich niet wil bezighouden, en waaraan de esoterische leringen data toeschrijven die onverenigbaar zijn met de theorieën van de geologie en de antropologie. De geboorte en evolutie van de heilige wetenschap van het verleden verliezen zich in de nacht van de tijd; en zelfs dat wat historisch is – d.w.z. wat hier en daar verspreid over de oude klassieke literatuur wordt aangetroffen – wordt in bijna elk geval door de moderne kritiek toegeschreven aan een gebrek aan waarneming bij de oude schrijvers, of aan bijgeloof voortgekomen uit de onwetendheid van de oudheid. Het is dus onmogelijk dit onderwerp te behandelen zoals men dat zou doen met de gewone evolutie van een kunst of wetenschap van een bekend historisch volk. Alleen door de lezer een overvloed aan bewijzen te leveren, die alle aantonen dat in elke eeuw en onder elke toestand van beschaving en kennis de ontwikkelde klassen van elk volk min of meer getrouw eenzelfde stelsel en zijn fundamentele overleveringen doorgaven – kan men hem laten inzien dat zoveel stromen van hetzelfde water een gemeenschappelijke bron moeten hebben gehad, waaruit ze zijn voortgevloeid. Wat was deze bron? Als men zegt dat toekomstige gebeurtenissen hun schaduwen vooruitwerpen, dan kan het niet anders of gebeurtenissen uit het verleden moeten hun indrukken achterlaten. Door die schaduwen van het grijze verleden en hun fantastische silhouetten op het uiterlijke scherm van elke religie en filosofie bij ons onderzoek te verifiëren en te vergelijken, kunnen we tenslotte het stelsel terugvinden dat ze voortbracht. Wat elk volk uit de oudheid aanvaardde en tot grondslag van zijn religie en geloof maakte, moet waarheid en feiten bevatten. Bovendien, zoals Haliburton zei: ‘Hoor één kant, en u zult in het duister blijven; hoor beide kanten, en alles zal duidelijk zijn.’ Het publiek heeft tot dusver slechts toegang gehad tot één kant en deze gehoord – of beter gezegd de twee eenzijdige opvattingen van twee lijnrecht tegenover elkaar staande klassen van mensen, van wie de oppervlakkige beweringen of veronderstellingen ver uiteenlopen, maar van wie de eindconclusies dezelfde zijn – de wetenschap en de theologie. En nu hebben onze lezers een gelegenheid de verdediging van de andere partij – die van de gedaagde – te horen en de aard van onze argumenten te vernemen.

Indien het publiek aan zijn oude opvattingen werd overgelaten – namelijk enerzijds dat het occultisme, de magie, de oude legenden, enz., alle het gevolg van onwetendheid en bijgeloof zijn; en anderzijds dat alles buiten de orthodoxe sleur het werk van de duivel is – wat zou dan het gevolg zijn? Met andere woorden, indien de theosofische en mystieke literatuur de laatste jaren geen gehoor had gekregen, zou dit boek weinig kans hebben gehad op een onpartijdige beoordeling. Men zou het een sprookje hebben genoemd – en velen zullen het nog steeds zo noemen – geweven uit diepzinnige problemen, zwevend in en gebaseerd op lucht; opgebouwd uit zeepbellen, die bij de lichtste aanraking van ernstig nadenken uiteenspatten, zonder basis, zoals men zou zeggen, om op te staan. Zelfs ‘de oude bijgelovige en lichtgelovige klassieken’ bevatten niets dat er in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen naar verwijst, en de symbolen zelf geven geen enkele aanwijzing voor het bestaan van zo’n stelsel. Dat zou ieders oordeel zijn. Maar wanneer onweerlegbaar wordt bewezen dat de aanspraken van de tegenwoordige Aziatische volkeren op een geheime wetenschap en een esoterische geschiedenis van de wereld op feiten berusten; dat deze, hoewel ze tot dusver bij het grote publiek onbekend zijn en zelfs voor de geleerden een versluierd mysterie vormen (omdat ze nooit de sleutel hadden tot een goed begrip van de overvloedige toespelingen door de oude klassieken), toch geen sprookje zijn, maar een werkelijkheid – dan zal dit boek de voorloper worden van veel meer van zulke boeken. De bewering dat tot dusver zelfs de sleutels die door enkele grote geleerden zijn ontdekt, te roestig bleken om te gebruiken, en dat ze slechts de stille getuigen waren dat er achter de sluier inderdaad mysteriën bestaan die onbereikbaar zijn zonder een nieuwe sleutel – deze bewering wordt door zoveel bewijzen bevestigd dat ze niet gemakkelijk kan worden afgewezen. Als illustratie kan een voorbeeld worden gegeven uit de geschiedenis van de vrijmetselarij.

In zijn Orthodoxie maçonnique verwijt Ragon, een beroemde en geleerde Belgische vrijmetselaar, de Engelse vrijmetselaars, terecht of ten onrechte, dat ze de vrijmetselarij, die eens was gebaseerd op de oude mysteriën, hebben verstoffelijkt en onteerd, door als gevolg van een onjuiste opvatting over de oorsprong van de orde de naam vrij metselarij en vrij metselaars aan te nemen. De fout is toe te schrijven, zegt hij, aan hen die de vrijmetselarij in verband brengen met de bouw van de tempel van Salomo en haar oorsprong daarvan afleiden. Hij spot met dit denkbeeld en zegt:

De Franc-Maçon [wat niet maçon libre, of vrije metselarij is] wist toen hij deze titel aannam heel goed dat er geen sprake was van het bouwen van een muur, maar dat het erom ging te worden ingewijd in de oude mysteriën die verborgen gingen achter de naam Francmaçonnerie [vrijmetselarij]; dat zijn werk slechts de voortzetting of de hernieuwing van de oude mysteriën was en dat hij een metselaar moest worden op de manier van Apollo of Amphion. En weten we niet dat de oude ingewijde dichters, wanneer ze spraken over het stichten van een stad, daarmee het vestigen van een leer bedoelden? Zo boden Neptunus, de god van de redeneerkunst, en Apollo, de god van de verborgen dingen, zich als metselaars aan bij Laomedon, de vader van Priamus, om hem te helpen de stad Troje te bouwen, d.w.z. de Trojaanse religie te stichten.1

Zulke versluierde zinnen met een dubbele betekenis komen bij de oude klassieke schrijvers overvloedig voor. Hadden we daarom geprobeerd aan te tonen, bijv. dat Laomedon de stichter van een tak van de archaïsche mysteriën was, waarin de aan de aarde gebonden stoffelijke ziel (het vierde beginsel) werd verpersoonlijkt in Menelaus’ ontrouwe vrouw (de schone Helena), en als Ragon er niet was geweest om onze bewering te bevestigen, dan had men ons misschien gezegd dat geen enkele klassieke schrijver daarover spreekt en dat volgens Homerus Laomedon een stad en geen esoterische eredienst of mysteriën stichtte! En wie zijn er nu nog overgebleven, afgezien van enkele ingewijden, die de taal en de juiste betekenis van zulke symbolische woorden begrijpen?

Maar nadat we op veel verkeerd begrepen symbolen hebben gewezen die betrekking hebben op ons standpunt, resten er nog verschillende moeilijkheden om te overwinnen. De belangrijkste van deze hindernissen is de chronologie. Maar hieraan is nauwelijks iets te doen.

Wat kon de schrijfster anders doen dan ze heeft gedaan? Ze zat immers ingeklemd tussen de theologische chronologie en de geologische, die wordt gesteund door alle materialistische antropologen die aan de mens en de natuur een ouderdom toekennen die alleen bij hun eigen theorieën past. Want wanneer de theologie de zondvloed plaatst in 2448 v.Chr. en de schepping van de wereld slechts 5890 jaar geleden laat plaatsvinden; en wanneer de nauwkeurige onderzoekingen met de methoden van de exacte wetenschap de geologen en natuurkundigen ertoe hebben gebracht om aan onze bol sinds zijn vastwording een ouderdom toe te schrijven van tussen 10 miljoen en 1000 miljoen jaar2 (een werkelijk onbetekenend verschil!), en de antropologen ertoe hebben gebracht om van mening te verschillen over het verschijnen van de mens – tussen 25.000 en 500.000 jaar geleden – wat kan iemand die de occulte leer bestudeert dan anders doen dan de esoterische berekeningen dapper aan de wereld voorleggen?

Maar om dit te doen was een bevestiging nodig door ‘historische’ bewijzen, al waren het maar enkele, hoewel iedereen de werkelijke waarde van zogenaamd ‘historisch bewijsmateriaal’ kent. Want of de mens 18.000 of 18.000.000 jaar geleden op aarde is verschenen, kan voor de profane geschiedenis geen verschil maken, want deze begint nauwelijks een paar duizend jaar vóór onze jaartelling en raakt zelfs dan nog hopeloos in conflict met de tegenstrijdige en elkaar tenietdoende opvattingen die haar omringen. Niettemin zou, gelet op de eerbied voor de exacte wetenschap waarmee de gemiddelde lezer is opgevoed, zelfs dat korte verleden zonder betekenis blijven, tenzij de esoterische leringen – waar mogelijk – onmiddellijk werden bevestigd en gesteund door verwijzingen naar historische namen uit een zogeheten historische periode. Dit is de enige gids die men de beginner kan geven vóór men hem toestaat zich te begeven op de (voor hem) onbekende kronkelpaden van dat duistere labyrint dat de prehistorische eeuwen wordt genoemd. We hebben in deze noodzaak voorzien. Het is slechts te hopen dat de wens om dit te doen, die de schrijfster ertoe heeft gebracht voortdurend oude en hedendaagse getuigenissen aan te voeren ter bevestiging van het archaïsche en geheel onhistorische verleden, niet ertoe zal leiden dat ze ervan wordt beschuldigd de verschillende en ver uiteenliggende tijdperken van de geschiedenis en de overlevering zonder orde of methode door elkaar te hebben gehaald. Maar de literaire vorm en methode moesten worden opgeofferd aan de grotere duidelijkheid van de algemene uiteenzetting.

Om de voorgenomen taak te volbrengen moest de schrijfster haar toevlucht nemen tot het tamelijk ongebruikelijke middel om elk deel van het boek in drie afdelingen te verdelen, waarvan alleen de eerste de doorlopende, hoewel heel fragmentarische geschiedenis van de kosmogonie en de evolutie van de mens op deze bol is. Maar deze twee delen moesten dienen als een proloog en moesten de geest van de lezer voorbereiden op de delen die nog zullen volgen. Bij het behandelen van de kosmogonie en daarna van het ontstaan van de mensheid was het noodzakelijk aan te tonen dat geen enkele religie, vanaf de oudste, ooit volledig op fictie was gebaseerd, dat geen enkele het object van een bijzondere openbaring was, en dat alleen het dogma altijd de oorspronkelijke waarheid heeft gedood. En tenslotte, dat geen van mensen afkomstige leer, geen geloof, hoe ook geheiligd door gewoonte en ouderdom, in heiligheid met de religie van de natuur is te vergelijken. De sleutel van wijsheid die de massieve poorten opent die leiden naar de geheimen van de binnenste heiligdommen, kan alleen in haar schoot worden gevonden: en die schoot ligt in de landen die door de grote ziener van de 18de eeuw, Emanuel Swedenborg, zijn aangeduid. Daar ligt het hart van de natuur, dat heiligdom waaruit de eerste rassen van de oorspronkelijke mensheid voortkwamen, en dat de bakermat van de fysieke mens is.

Tot zover de ruwe schets van de geloofsopvattingen en leringen van de archaïsche, oudste rassen, die in hun tot dusver geheime heilige geschriften voorkomen. Maar onze uiteenzettingen zijn volstrekt niet volledig, en ze pretenderen ook niet de volledige tekst te geven, of te zijn gelezen met behulp van meer dan drie of vier sleutels van de zeven van de esoterische interpretatie, en zelfs dit is maar gedeeltelijk gebeurd. Het werk is te gigantisch om door één persoon te worden ondernomen, laat staan te worden voltooid. Onze voornaamste zorg was eenvoudig de bodem voor te bereiden. We vertrouwen erop dat we dit hebben gedaan. Deze twee delen vormen slechts het werk van een pionier die zich een weg heeft gebaand door de bijna ondoordringbare wildernis van de maagdelijke wouden van het land van het occulte. Er is een begin gemaakt met het vellen en uitroeien van de dodelijke oepasbomen van bijgeloof, vooroordeel en arrogante onwetendheid, opdat deze twee delen voor de lezer een geschikte inleiding zouden vormen op de delen 3 en 4. Zolang het afval van de eeuwen niet uit de geest van de theosofen aan wie deze delen zijn opgedragen, is weggeruimd, is het onmogelijk de meer praktische leringen in het derde deel te begrijpen. Daarom hangt het helemaal af van de ontvangst van de delen 1 en 2 door de theosofen en mystici, of deze laatste twee delen ooit zullen worden gepubliceerd, hoewel ze bijna zijn voltooid.

Satyat nasti paro dharmah.

ER IS GEEN RELIGIE HOGER DAN DE WAARHEID.

Einde van deel 2

 

 

Noten

  1. Orthodoxie maçonnique suivie de la maçonnerie occulte et de l’initiation hermétique, Parijs, E. Dentu, 1853, blz. 44.
  2. Zie Sir W. Thomson en Huxley

 


Een introductie tot de Geheime Leer, blz. 92-7

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag