Een introductie tot De Geheime Leer
H.P. Blavatsky

bestel boek

derde herziene druk 2009

© 2009  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Samenvatting

De geschiedenis van de schepping en van deze wereld vanaf haar begin tot in deze tijd bestaat uit zeven hoofdstukken. Het zevende hoofdstuk is nog niet geschreven.
        – T. Subba Row, The Theosophist, 1881

Er is geprobeerd het eerste van deze zeven hoofdstukken te schrijven, en het is nu gereed. Hoe onvolledig en zwak de uiteenzetting ook is, deze is in ieder geval een benadering – in wiskundige zin – van de oudste grondslag van alle latere kosmogonieën. Het is een gewaagde poging om in een Europese taal het grootse panorama weer te geven van de periodiek steeds terugkerende wet – ingeprent in de ontvankelijke denkvermogens van de eerste rassen die bewustzijn bezaten door hen die dit panorama vanuit het universele denkvermogen weerkaatsten – want geen enkele menselijke taal behalve het Sanskriet, dat de taal van de goden is, is ook maar enigszins voor die taak berekend. Ter wille van ons doel moet men echter de gebreken van dit boek vergeven.

Als een geheel is het voorafgaande, en wat nog volgt, nergens volledig terug te vinden. Het wordt in geen enkele van de zes Indiase filosofische scholen onderwezen, want het betreft hun synthese – de zevende school, dat is de occulte leer. Het is op geen enkel halfvergaan stuk papyrus uit Egypte terug te vinden, evenmin staat het nog gegrift op Assyrische kleitabletten of granieten muren. De boeken van de Vedanta (het laatste woord op het gebied van menselijke kennis) geven slechts het metafysische aspect van deze wereldkosmogonie; en de Upanishads, hun waardevolle schatkamer – Upa-ni-shad is een samengesteld woord en betekent ‘het overwinnen van onwetendheid door het openbaren van geheime spirituele kennis’ – vereisen nu het bezit van een extra sleutel, die de onderzoeker in staat stelt tot hun volledige betekenis door te dringen. Ik ben zo vrij de reden daarvoor hier uiteen te zetten, zoals ik die van een meester heb gehoord.

De term Upanishads wordt gewoonlijk vertaald met ‘esoterische leer’. Deze verhandelingen vormen een deel van de sruti of ‘geopenbaarde kennis’, kortweg openbaring en ze worden in het algemeen als derde deel toegevoegd aan het Brahmana-gedeelte van de Veda’s1. Er zijn meer dan 150 Upanishads opgesomd door en bekend aan oriëntalisten, die denken dat de oudste ervan waarschijnlijk ongeveer 600 v.Chr. zijn geschreven; maar het aantal echte teksten is nog geen vijfde deel daarvan. De Upanishads verhouden zich tot de Veda’s als de kabbala tot de joodse Bijbel. Ze behandelen en verklaren de geheime en mystieke betekenis van de vedische teksten. Ze spreken over de oorsprong van het heelal, de aard van een godheid, over geest en ziel en over het metafysische verband tussen geest en stof. Kortom, ze bevatten het begin en het einde van alle menselijke kennis, maar ze hebben sinds de tijd van Boeddha opgehouden die bekend te maken. Als het anders zou zijn, zou men de Upanishads niet esoterisch kunnen noemen, want ze zijn nu openlijk verbonden met de heilige brahmaanse boeken, die in onze tijd zelfs toegankelijk zijn geworden voor de mlechchha’s (paria’s) en de Europese oriëntalisten. Eén ding erin – en wel in alle Upanishads – wijst onveranderlijk en voortdurend op hun oude oorsprong en bewijst (a) dat sommige gedeelten ervan werden geschreven vóór het kastenstelsel de tirannieke instelling werd die het nog steeds is en (b) dat de helft van hun inhoud is verwijderd, terwijl sommige ervan werden herschreven en verkort. ‘De grote leraren van de hogere kennis en de brahmanen worden steeds voorgesteld op weg naar kshatriya-koningen (van de militaire kaste) om hun leerlingen te worden.’ Zoals Cowell terecht opmerkt, ‘ademen de Upanishads een heel andere geest’ (dan andere brahmaanse geschriften), ‘een vrijheid van denken die niet voorkomt in enig vroeger geschrift, behalve in de hymnen uit de Rig-Veda’. Het tweede feit wordt verklaard door een overlevering die in een van de manuscripten over het leven van Boeddha is vastgelegd. Deze zegt dat de Upanishads oorspronkelijk aan hun Brahmana’s waren toegevoegd en wel na het begin van een hervorming, die leidde tot de exclusiviteit van het huidige kastenstelsel van de brahmanen, een paar eeuwen nadat de ‘tweemaal geborenen’ India waren binnengetrokken. Ze waren in die tijd volledig en werden gebruikt voor het onderwijs aan de chela’s die zich op hun inwijding voorbereidden.

Dit duurde zolang de Veda’s en de Brahmana’s enkel en uitsluitend bij de tempel-brahmanen in bewaring bleven – terwijl niemand buiten de heilige kaste het recht had ze te bestuderen of zelfs maar te lezen. Toen kwam Gautama, de prins van Kapilavastu. Nadat de leerling van de brahmanen de hele brahmaanse wijsheid uit de Rahasya of de Upanishads had geleerd en ontdekte dat de leringen weinig of niets verschilden van die van de ‘leraren van het leven’, die de besneeuwde bergketens van de Himalaya bewonen,2 was hij verontwaardigd omdat de heilige wijsheid zo werd onthouden aan allen behalve de brahmanen, en besloot hij de hele wereld te redden door haar te verbreiden onder het volk. De brahmanen, die zagen dat hun heilige kennis en occulte wijsheid in handen van de ‘mlechchha’s’ vielen, verkortten toen de teksten van de Upanishads, die oorspronkelijk drie keer zoveel omvatten als de Veda’s en de Brahmana’s samen, echter zonder er ook maar één woord in te veranderen. Ze lieten eenvoudig uit de manuscripten de belangrijkste gedeelten weg die het laatste woord bevatten over het mysterie van het zijn. De sleutel tot de brahmaanse geheime code berustte vanaf dat moment alleen bij de ingewijden, en de brahmanen waren op die manier in staat om openlijk de juistheid van Boeddha’s leringen te ontkennen door zich te beroepen op hun Upanishads, waaraan wat de belangrijkste vragen betreft voor altijd het zwijgen was opgelegd. Zo luidt de esoterische traditie aan de andere kant van de Himalaya.

Sri Sankaracharya, de grootste ingewijde die in historische tijden heeft geleefd, schreef veel bhashya’s (toelichtingen) op de Upanishads. Er zijn echter redenen om aan te nemen dat zijn oorspronkelijke verhandelingen nog niet in handen van de filistijnen zijn gevallen, want ze worden heel angstvallig in zijn matha’s (kloosters) bewaard. En er zijn nog veel belangrijker redenen om te geloven dat de onschatbare bhashya’s op de esoterische leer van de brahmanen, geschreven door hun grootste vertolker, nog eeuwenlang een dode letter zullen blijven voor de meeste hindoes, behalve voor de Smartava-brahmanen. Deze sekte, door Sankaracharya gesticht, en die nog steeds in Zuid-India sterk is vertegenwoordigd, is nu bijna de enige die onderzoekers voortbrengt die voldoende kennis hebben bewaard om de dode letter van de bhashya’s te begrijpen. Zoals me is meegedeeld, is de reden hiervoor dat alleen zij van tijd tot tijd echte ingewijden aan het hoofd van hun matha’s hebben, zoals in de ‘Sringa-giri’ in de westelijke Ghats van Mysore. Daar staat tegenover dat er in die hopeloos exclusieve brahmanenkaste geen sekte méér exclusief is dan de Smartava’s; en de terughoudendheid van haar volgelingen om mee te delen wat ze van de occulte wetenschappen en de esoterische leer zouden weten, wordt alleen door hun trots en geleerdheid geëvenaard.

Daarom moet de schrijfster van deze uiteenzetting voorbereid zijn op grote tegenstand en zelfs op ontkenning van beweringen zoals in dit boek naar voren worden gebracht. Niet dat er ooit enige aanspraak werd gemaakt op onfeilbaarheid of op volkomen juistheid in ieder detail van alles wat in dit boek is gezegd. De feiten zijn er en ze kunnen moeilijk worden ontkend. Maar als gevolg van de moeilijkheden die de behandelde onderwerpen eigen zijn en de bijna onoverkomelijke beperkingen van de Engelse taal (evenals van alle andere Europese talen) bij het onder woorden brengen van bepaalde denkbeelden, is het meer dan waarschijnlijk dat het de schrijfster niet is gelukt de verklaringen op de beste en helderste manier te presenteren. Toch is alles gedaan wat kon worden gedaan en wel onder de meest ongunstige omstandigheden, en dit is het uiterste wat men van een schrijver kan verwachten.

Laten we de hoofdpunten kort herhalen en aan de hand van de enorme omvang van de behandelde onderwerpen aantonen hoe moeilijk, zo niet onmogelijk, het is om deze volledig tot hun recht te laten komen.

(1) De geheime leer is de verzamelde wijsheid van de eeuwen en alleen al haar kosmogonie vormt het meest verbazingwekkende en uitgebreide stelsel, zelfs in bijvoorbeeldde exoterie van de Purana’s. Maar de mysterieuze kracht van de occulte symboliek is zo groot dat de feiten over de verbijsterende reeks van evolutionaire ontwikkelingen – waarvan het ordenen, opschrijven en verklaren talloze generaties van ingewijde zieners en profeten hebben beziggehouden – alle op een paar bladzijden met geometrische tekens en figuren staan vermeld. De snelle en doordringende blik van die zieners reikte tot de kern van de materie zelf en nam daar de ziel van de dingen waar, terwijl een gewone niet-ingewijde, hoe geleerd ook, slechts de uiterlijke vorm zou hebben waargenomen. Maar de moderne wetenschap gelooft niet in de ‘ziel van de dingen’ en zal daarom het hele stelsel van de oude kosmogonie verwerpen. Het is nutteloos te zeggen dat het bedoelde stelsel geen fantasie is van één of meer afzonderlijke individuen; dat het het ononderbroken verslag is van het werk van duizenden generaties van zieners die allen hun eigen ervaringen gebruikten bij het toetsen en controleren van de tradities over de leringen van hogere en verheven wezens, die over de opgroeiende mensheid waakten. Ook is het nutteloos te zeggen dat deze tradities mondeling werden overgeleverd van het ene vroege ras aan het andere; dat eeuwenlang de ‘wijzen’ van het vijfde ras, van het geslacht dat werd gered en gespaard bij de meest recente wereldramp en het zich verplaatsen van continenten, hun levens hadden doorgebracht met leren, niet met onderwijzen. Hoe deden ze dat? Het antwoord luidt: door op elk gebied van de natuur de oude tradities te toetsen, te onderzoeken en te controleren op basis van de onafhankelijke visioenen van grote adepten, dat wil zeggen mensen die hun fysieke, mentale, psychische en spirituele gestel tot de hoogst mogelijke graad hebben ontwikkeld en vervolmaakt. Van geen adept werd het visioen aanvaard, vóór het was gecontroleerd en bevestigd door de visioenen van andere adepten – zó verkregen dat ze als opzichzelfstaande bewijzen konden dienen – en door eeuwen van ondervinding.

(2) De fundamentele wet van dat stelsel, de kern waaruit alles is voortgekomen en waaromheen en waarnaartoe alles wordt getrokken en waarop de hele verdere filosofie wordt gebouwd, is het ene homogene goddelijke substantie-beginsel, de ene grondoorzaak.

Maar weinigen, van wie het licht helderder scheen,
Werden geleid van oorzaak naar oorzaak
Tot de geheime oorsprong van de natuur,
En ontdekten dat er één eerste beginsel moet zijn.

Het wordt ‘substantie-beginsel’ genoemd, want op het gebied van het gemanifesteerde heelal wordt het ‘substantie’, een illusie, terwijl het in de beginloze en eindeloze abstracte, zichtbare en onzichtbare ruimte een ‘beginsel’ blijft. Het is de alomtegenwoordige werkelijkheid: onpersoonlijk, omdat het alles en iedereen omvat. De onpersoonlijkheid ervan is de grondgedachte van het stelsel. Het sluimert in ieder atoom van het heelal en is het heelal zelf. (Zie de hoofdstukken over symboliek, ‘Oorspronkelijke substantie en goddelijk denken’.)

(3) Het heelal is de periodieke manifestatie van deze onbekende absolute essentie. Door het ‘essentie’ te noemen, zondigt men echter juist tegen de geest van de filosofie. Want hoewel men het woord in dit geval kan afleiden van het werkwoord esse, ‘zijn’, kan het toch niet worden vereenzelvigd met een of ander wezen dat het menselijke verstand zich kan voorstellen. Het wordt het best beschreven als noch geest noch stof, maar beide. ‘Parabrahma en mulaprakriti’ zijn in werkelijkheid één, maar toch twee in de universele opvatting over het gemanifesteerde, zelfs in het begrip ‘de ene logos’, zijn eerste manifestatie, die het – zoals de bekwame spreker in zijn Notes on the Bhagavad Gita aantoont – vanuit het objectieve standpunt van de ene logos ziet als mulaprakriti en niet als parabrahman; als de sluier ervan en niet als de daarachter verborgen ene werkelijkheid, die onvoorwaardelijk en absoluut is.

(4) Het heelal met alles daarin wordt maya genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In het denken van een filosoof moet het heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ene en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een dwaallichtje. Toch heeft het heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het heelal zelf.

(5) Alles in het heelal, in al zijn rijken, is bewust: d.w.z. voorzien van een eigen soort bewustzijn op zijn eigen waarnemingsgebied. Wij mensen moeten bedenken dat we geen recht hebben om te zeggen dat er bijvoorbeeld in stenen geen bewustzijn bestaat, omdat wij daarin geen tekenen van bewustzijn waarnemen die we als zodanig kunnen herkennen. Er bestaat niet zoiets als ‘dode’ of ‘blinde’ stof, evenmin als er een ‘blinde’ of ‘onbewuste’ wet is. Ze horen niet thuis in de opvattingen van de occulte filosofie. Deze blijft nooit stilstaan bij uiterlijke schijn, en de noumenale essenties hebben voor haar meer werkelijkheid dan hun objectieve tegenhangers. Ze lijkt daarin op het stelsel van de middeleeuwse nominalisten, voor wie universele begrippen werkelijkheid waren en voor wie de bijzonderheden alleen in naam en in de verbeelding van de mensen bestonden.

(6) Het heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals boven, zo is het ook beneden, zoals in de hemel, zo ook op aarde; en de mens – de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos – is de levende getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. We zien dat iedere uitwendige beweging, handeling, gebaar, hetzij vrijwillig dan wel mechanisch, organisch of mentaal, wordt voortgebracht en voorafgegaan door een inwendig gevoel of emotie, door wil of wilskracht, en door het denken of verstand. Zoals er onder normale omstandigheden geen uiterlijke beweging of verandering kan plaatsvinden in het uitwendige lichaam van de mens, tenzij deze wordt opgewekt door een innerlijke impuls, afkomstig van een van de drie genoemde functies, kan dit evenmin geschieden in het uitwendige of gemanifesteerde heelal. De hele Kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die – of we ze nu de ene of de andere naam geven en ze dhyani-chohans of engelen noemen – ‘boodschappers’ zijn, maar alleen in die zin dat ze instrumenten zijn van de karmische en kosmische wetten. Ze variëren oneindig in hun respectieve graden van bewustzijn en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’, geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is óf een mens geweest, óf bereidt zich voor er één te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of toekomstige cyclus (manvantara). Als ze geen beginnende mensen zijn, zijn ze vervolmaakte mensen en verschillen op hun hogere (minder stoffelijke) gebieden moreel alleen daarin van de aardse mensen dat ze vrij zijn van het gevoel van persoonlijkheid en van de menselijke emotionele aard – twee zuiver aardse eigenschappen. Laatstgenoemden of de ‘vervolmaakten’ zijn vrij geworden van die gevoelens, omdat (a) ze niet langer lichamen van vlees hebben – een last die de ziel altijd verlamt; en (b) het zuiver spirituele element ongebonden en vrijer is gelaten, en ze dus minder worden beïnvloed door maya dan de mens ooit kan zijn, tenzij hij een adept is die zijn twee persoonlijkheden – de spirituele en de fysieke – geheel van elkaar gescheiden houdt. De beginnende monaden, die nog nooit aardse lichamen hebben gehad, kunnen geen gevoel van persoonlijkheid of ego-isme bezitten. Omdat wat met ‘persoonlijkheid’ wordt bedoeld een beperking en een relatie inhoudt of, zoals Coleridge het definieert, ‘individualiteit die op zichzelf bestaat maar met een aard als ondergrond’, kan die term natuurlijk niet worden toegepast op niet-menselijke wezens. Maar het is een feit, waaraan generaties van zieners hebben vastgehouden, dat geen enkel van die wezens, hoog of laag, een individualiteit of een persoonlijkheid als een afzonderlijke eenheid bezit; d.w.z. ze hebben geen individualiteit in de zin waarin een mens zegt: ‘ik ben mijzelf en geen ander’; met andere woorden, ze zijn zich niet bewust van zo’n duidelijke afgescheidenheid als mensen en dingen op aarde hebben. Individualiteit is de kenmerkende eigenschap van hun respectieve hiërarchieën, niet van hun eenheden; en deze eigenschappen variëren alleen met de graad van het gebied waartoe die hiërarchieën behoren: hoe dichter bij het gebied van homogeniteit en het Ene goddelijke, des te zuiverder en minder scherp omlijnd is die individualiteit in de hiërarchie. Ze zijn in alle opzichten eindig, met uitzondering van hun hogere beginselen – de onsterfelijke vonken die de universele goddelijke vlam weerspiegelen – die alleen op de gebieden van zinsbedrog geïndividualiseerd en gescheiden zijn door een differentiatie die evengoed zinsbedrog is als al het andere. Het zijn ‘levenden’, omdat ze de stralen zijn uit het absolute leven, die worden geprojecteerd op het Kosmische scherm van de illusie; wezens in wie het leven niet kan worden uitgeblust voordat het vuur van onwetendheid is uitgedoofd in diegenen die deze ‘levens’ ervaren. Hun innerlijke beginsel – dat plotseling is ontstaan onder de levenwekkende invloed van de ongeschapen straal, de weerspiegeling van de grote centrale zon die de oevers van de levensrivier beschijnt – behoort tot de wateren van onsterfelijkheid, terwijl hun gedifferentieerde omhulsel even vergankelijk is als het menselijk lichaam. Daarom had Young gelijk toen hij zei:

Engelen zijn mensen van een hogere soort

en meer niet. Het zijn noch ‘dienende’ noch ‘beschermende’ engelen; evenmin zijn het ‘voorboden van de Allerhoogste’ en nog minder de ‘boodschappers van de toorn’ van een God die door menselijke verbeelding is geschapen. Het is even dwaas hun bescherming in te roepen als om te geloven dat men zich van hun sympathie kan verzekeren door een of andere boetedoening; want ze zijn evengoed als de mens zelf de slaven en de instrumenten van de onveranderlijke karmische en Kosmische wet. De reden hiervoor is duidelijk. Omdat hun essentie geen elementen van persoonlijkheid bevat, kunnen ze geen persoonlijke eigenschappen hebben, zoals door de mensen in hun exoterische religies aan hun antropomorfe God worden toegeschreven – een jaloerse en onverdraagzame God die zich verheugt en toornt, verblijd is met offers, en in zijn ijdelheid een grotere despoot is dan alle beperkte dwaze mensen. Omdat de mens, zoals in deel 2 wordt aangetoond, is samengesteld uit de essenties van al die hemelse hiërarchieën, kan hij erin slagen zichzelf als zodanig in één opzicht te verheffen boven iedere hiërarchie of klasse of zelfs boven een combinatie daarvan. ‘De mens kan de deva’s niet gunstig stemmen en ze ook niet bevelen’, wordt er gezegd. Maar door zijn lagere persoonlijkheid te bedwingen en daardoor te komen tot de volledige kennis van het niet afgescheiden zijn van zijn hogere zelf van het ene absolute zelf, kan de mens zelfs tijdens zijn aardse leven ‘een van ons’ worden. Zo wordt de mens door het eten van de vrucht van kennis die onwetendheid verdrijft, als een van de elohim of dhyani’s; en eenmaal op hun gebied gekomen moet de geest van saamhorigheid en van volmaakte harmonie, die in iedere hiërarchie heerst, zich over hem gaan uitstrekken en hem in ieder opzicht beschermen.

De grootste moeilijkheid die wetenschappers ervan weerhoudt te geloven in zowel goddelijke als natuur-geesten, is hun materialisme. De belangrijkste belemmering voor de spiritist, die hem belet daaraan te geloven, terwijl hij vasthoudt aan een blind geloof in de ‘geesten’ van de overledenen, is de algehele onwetendheid van hen allen, met uitzondering van enkele occultisten en kabbalisten, over de ware essentie en aard van de stof. Het geloof of ongeloof in het bestaan rondom ons van andere bewuste wezens naast de geesten van de doden, berust voornamelijk op het aanvaarden of verwerpen van de theorie van de eenheid van alles in de natuur in haar uiteindelijke essentie. Voor het verkrijgen van meer helderheid in zijn denken over de occulte kosmogonie en voor de enige betrouwbare sleutel die hem bij zijn verdere studie kan leiden, is de onderzoeker afhankelijk van het op de juiste manier opvatten van de oorspronkelijke evolutie van geest-stof en de werkelijke essentie ervan.

De nuchtere waarheid is, zoals zojuist werd uiteengezet, dat iedere zogenaamde ‘geest’ óf een ontlichaamde óf een toekomstige mens is. Zoals allen, vanaf de hoogste aartsengel (dhyani-chohan) tot de laatste bewuste ‘bouwer’ (de lagere klasse van spirituele wezens), mensen zijn die eeuwigheden geleden leefden in andere manvantara’s op deze of op andere gebieden, zo zijn de lagere semi-intelligente en niet-intelligente elementalen allemaal toekomstige mensen. Alleen al dat feit – dat een geest intelligentie bezit – vormt voor de occultist een bewijs dat zo’n wezen een mens moet zijn geweest en zijn kennis en intelligentie tijdens de menselijke cyclus moet hebben verkregen. Er is maar één ondeelbare en absolute alwetendheid en intelligentie in het heelal, en deze doortrilt ieder atoom en oneindig klein punt van de gehele eindige Kosmos, die geen grenzen heeft en die men ruimte noemt, wanneer men deze onafhankelijk beschouwt van wat zich erin bevindt. Maar de eerste differentiatie van haar weerspiegeling in de gemanifesteerde wereld is zuiver spiritueel, en de wezens die erin worden voortgebracht zijn niet voorzien van een bewustzijn dat in enig verband staat met het bewustzijn zoals wij dat kennen. Ze kunnen geen menselijk bewustzijn of intelligentie bezitten vóór ze dat persoonlijk en individueel hebben verworven. Dit kan een mysterie zijn, maar toch is het in de esoterische filosofie een feit, dat bovendien heel duidelijk is.

De hele orde van de natuur toont een voortgaande beweging naar een hoger leven. Aan de werking van de schijnbaar meest blinde krachten ligt een plan ten grondslag. Het hele evolutieproces met zijn eindeloze aanpassingen is daarvan een bewijs. De onveranderlijke wetten die de zwakke en krachteloze soorten uitroeien om plaats te maken voor de sterke, en die zorgen voor het ‘overleven van de geschiktsten’, werken alle naar het grootse doel toe, al zijn ze nog zo wreed in hun directe werking. Juist het feit dat er aanpassingen voorkomen, dat de geschiktsten inderdaad overleven in de strijd om het bestaan, toont aan dat wat ‘onbewuste natuur’2 wordt genoemd in werkelijkheid een samenstel van krachten is die worden gehanteerd door semi-intelligente wezens (elementalen) die worden geleid door hoge planeetgeesten (dhyani-chohans). Laatstgenoemden vormen gezamenlijk het gemanifesteerde woord van de ongemanifesteerde logos en vormen tegelijkertijd het denkvermogen van het heelal en zijn onveranderlijke wet.

Drie verschillende voorstellingswijzen van het heelal in zijn drie verschillende aspecten worden door de esoterische filosofie in onze gedachten geprent: het vóórbestaande (voortgekomen uit) het altijd-bestaande; en het fenomenale – de wereld van illusie, de weerkaatsing en schaduw daarvan. Tijdens het grote mysterie en levensdrama, dat bekendstaat als het manvantara, is de werkelijke Kosmos vergelijkbaar met het voorwerp dat achter het witte scherm is geplaatst, waarop door de toverlantaarn de Chinese schimmen worden geworpen. De werkelijke figuren en dingen blijven onzichtbaar, terwijl onzichtbare handen aan de touwtjes van de evolutie trekken. Mensen en dingen zijn dus slechts de weerkaatsingen op het witte doek van de werkelijkheden achter de valstrikken van mahamaya, of de grote illusie. Dit werd in iedere filosofie geleerd, in iedere religie zowel ante- als postdiluviaal, in India en Chaldea, door de Chinese en door de Griekse wijzen. In eerstgenoemde landen werden in exoterische leringen deze drie heelallen allegorisch voorgesteld door de drie drie-eenheden die uit de centrale eeuwige kiem emaneerden en daarmee een hoogste eenheid vormden: de oorspronkelijke, de gemanifesteerde en de scheppende triade, of de drie in één. De laatste is in zijn concrete uitwerking slechts het symbool van de eerste ideële twee. Daarom laat de esoterische filosofie het deterministische karakter van dit zuiver metafysische begrip buiten beschouwing en noemt alleen het eerste het altijd-bestaande. Dit is de opvatting van elk van de zes grote Indiase filosofische scholen – de zes beginselen van dat geheel van wijsheid waarvan de ‘gnosis’, de verborgen kennis, het zevende is.

De schrijfster hoopt dat er, hoe oppervlakkig de toelichtingen op de zeven stanza’s misschien ook zijn behandeld, in het gedeelte van dit boek over kosmogonie genoeg is gegeven om aan te tonen dat de archaïsche leringen duidelijk wetenschappelijker (in de moderne betekenis van dit woord) zijn dan alle andere oude heilige geschriften die naar hun exoterische aspect moeten wordenbeschouwd en beoordeeld. Omdat dit boek echter, zoals al eerder werd toegegeven, veel meer achterhoudt dan het vrijgeeft, wordt de onderzoeker uitgenodigd om zijn eigen intuïtie te gebruiken. Onze belangrijkste zorg is om wat al is vrijgegeven, en helaas soms onjuistheden bevat, te verduidelijken; de kennis waarop wordt gezinspeeld – wanneer en waar dit maar mogelijk is – nader aan te vullen; en onze leringen te verdedigen tegen de al te krachtige aanvallen van de moderne sektegeest en meer in het bijzonder tegen die van het materialisme van de laatste tijd, vaak ten onrechte wetenschap genoemd. In werkelijkheid zouden alleen de ‘wetenschappers’ en ‘pseudo-wetenschappers’ de verantwoordelijkheid moeten dragen voor de vele onlogische theorieën die de wereld worden aangeboden. In zijn grote onwetendheid neemt het publiek blindelings alles aan wat van ‘autoriteiten’ komt en voelt zich verplicht om iedere uitspraak afkomstig van een man van de wetenschap als een bewezen feit te aanvaarden. Dit publiek wordt geleerd om te spotten met alles wat uit ‘heidense’ bronnen naar voren wordt gebracht. Omdat materialistische wetenschappers slechts met hun eigen wapens kunnen worden bestreden – polemiek en bewijsvoering – wordt aan elk deel van dit boek een aanhangsel toegevoegd waarin de twee respectieve opvattingen tegenover elkaar worden geplaatst en wordt aangetoond hoe zelfs grote autoriteiten zich vaak kunnen vergissen. We geloven dat dit met succes kan worden gedaan door de zwakke punten van onze tegenstanders aan te geven en door te bewijzen dat hun al te veelvuldige drogredenen – die voor wetenschappelijke uitspraken moeten doorgaan – onjuist zijn. We houden ons aan Hermes en zijn ‘wijsheid’ in haar universele hoedanigheid; onze tegenstanders volgen Aristoteles, omdat ze, tegen de intuïtie en de ervaring van de eeuwen in, zich verbeelden dat de waarheid het exclusieve eigendom is van de westerse wereld. Vandaar het verschil van opvatting. Zoals Hermes zegt: ‘Kennis verschilt veel van zintuiglijke waarneming, want zintuiglijke waarneming betreft dingen die haar te boven gaan, maar kennis (gyi) betekent het einde van zintuiglijke waarneming’ – d.w.z. van de illusie van onze fysieke hersenen en ons verstand; zo legt hij de nadruk op de tegenstelling tussen de moeizaam door middel van de zintuigen en het denkvermogen (manas) verworven kennis en de intuïtieve alwetendheid van de spirituele goddelijke ziel – buddhi.

Wat ook het lot van dit boek in een verre toekomst zou kunnen zijn, we hopen tot dusver de volgende feiten te hebben bewezen:

(1) De geheime leer verkondigt geen atheïsme, behalve in de hindoebetekenis van het woord nastika, of het verwerpen van afgoden, waaronder alle antropomorfe goden. In deze betekenis is iedere occultist een nastika.

(2) Ze erkent een logos of een collectieve ‘schepper’ van het heelal; een demiurg – in de zin waarin men spreekt over een ‘architect’ als een ‘schepper’ van een gebouw, hoewel die architect er nooit één steen van heeft aangeraakt, maar het bouwplan leverde en al het handwerk aan de metselaars overliet; in ons geval werd het bouwplan geleverd door het beeldende vermogen van het heelal, en werd de uitvoering overgelaten aan de menigten intelligente machten en krachten. Maar die demiurg is geen persoonlijke godheid – d.w.z. een onvolmaakte buitenkosmische god – maar slechts de totaliteit van de dhyani-chohans en de andere krachten.

Wat laatstgenoemden betreft:

(3) Ze zijn tweevoudig van aard, omdat ze zijn samengesteld uit (a) de redeloze brute energie, die eigen is aan de stof en (b) de intelligente ziel of het kosmische bewustzijn, dat die energie richting geeft en leidt en dat het dhyani-chohanische denken is dat de verbeeldingskracht van het universele denkvermogen weerspiegelt. Het gevolg hiervan is een steeds voortgaande reeks van fysieke manifestaties en van morele gevolgen op aarde tijdens de manvantarische tijdperken, terwijl het geheel onderworpen is aan karma. Omdat dat proces niet altijd volmaakt is en omdat het, hoeveel bewijzen ook worden geleverd van een leidende intelligentie achter de sluier, toch hiaten en gebreken vertoont en zelfs resultaten die vaak duidelijke mislukkingen zijn, zijn noch de gezamenlijke menigte (demiurg) noch een van de uitvoerende krachten afzonderlijk, geschikte voorwerpen voor goddelijke verering of aanbidding. Ze hebben echter allen recht op de dankbare eerbied van de mensheid, en de mens zou er steeds naar moeten streven de goddelijke evolutie van ideeën te bevorderen, door naar zijn beste kunnen een medewerker van de natuur te worden bij haar cyclische taak. Alleen het altijd onkenbare en ondoorgrondelijke karana, de oorzaakloze oorzaak van alle oorzaken, zou zijn tempel en altaar moeten hebben op de heilige en nooit betreden grond van ons hart – onzichtbaar, ongrijpbaar, onuitgesproken behalve door ‘de zwakke stem’ van ons spirituele bewustzijn. Zij die dit vereren, behoren dat te doen in de stilte en de geheiligde eenzaamheid van hun ziel,4 terwijl ze hun geest tot enige middelaar maken tussen hen en de universele geest, hun goede daden tot de enige priesters en hun zondige bedoelingen tot de enige zichtbare en objectieve offers aan de Tegenwoordigheid. (Zie afdeling 2, ‘Over de verborgen godheid’.)

(4) De stof is eeuwig. Ze is de upadhi (fysieke grondslag) waarop het ene oneindige universele denkvermogen zijn ideeën vormt. De esoterici verklaren daarom dat er in de natuur geen anorganische of dode stof bestaat. Het onderscheid dat de wetenschap in dit opzicht maakt, is even ongegrond als willekeurig en onredelijk. Wat de wetenschap ook denkt – en de exacte wetenschap is een wispelturige dame, zoals we allen uit ervaring weten – het occultisme weet en zegt sinds onheuglijke tijden dat het anders is, vanaf Manu en Hermes tot aan Paracelsus en zijn opvolgers.

Zo zegt Hermes, de in drie opzichten grote Trismegistus:

O, mijn zoon, de stof wordt; vroeger was ze; want de stof is het voertuig van het worden.5 Worden is de activiteit van de ongeschapen godheid. Nadat de (objectieve) stof is voorzien van de kiemen van het worden, wordt ze geboren, want de scheppende kracht modelleert haar volgens de ideale vormen. Nog niet voortgebrachte stof had geen vorm; ze wordt, wanneer ze tot activiteit wordt gebracht.6

Alles is voortgebracht door één universele scheppende krachtsinspanning. . . . Niets in de natuur is dood. Alles is organisch en leeft, en daarom schijnt de hele wereld een levend organisme te zijn.7

(5) Het heelal werd ontwikkeld volgens zijn ideële plan en werd eeuwig instandgehouden in het onbewuste van dat wat de aanhangers van de Vedanta parabrahman noemen. Dit komt praktisch overeen met de conclusies van de hoogste westerse filosofie – ‘de ingeboren, eeuwige en op zichzelf bestaande ideeën’ van Plato, die nu door Eduard von Hartmann worden weergegeven. Het ‘onkenbare’ van Herbert Spencer vertoont slechts een zwakke gelijkenis met die transcendente werkelijkheid waarin de occultisten geloven, en die vaak slechts een verpersoonlijking schijnt te zijn van een ‘kracht achter de verschijnselen’ – een oneindige en eeuwige energie, waaruit alles voortkomt, terwijl de schrijver van de Philosophie des Unbewussten (alleen in dit opzicht) zo dicht bij een oplossing van het grote mysterie is gekomen als voor een sterveling maar mogelijk is. Zowel in de oude als in de middeleeuwse filosofie waren er slechts enkelen die dit onderwerp durfden te onderzoeken of het waagden er zelfs maar op te zinspelen. Paracelsus noemt het in een redenering. Zijn denkbeelden zijn op bewonderenswaardige manier samengevat door dr. F. Hartmann, lid van de Theosophical Society, in zijn The Life of Paracelsus.

Alle christelijke kabbalisten hebben de volgende oosterse kerngedachte goed begrepen: de actieve kracht, de ‘eeuwigdurende beweging van de grote adem’, doet de Kosmos bij de dageraad van ieder nieuw tijdperk slechts ontwaken en zet deze in beweging door middel van de twee tegengestelde krachten8, en veroorzaakt zo dat hij objectief waarneembaar wordt op het gebied van de illusie. Met andere woorden, die tweeledige beweging brengt de Kosmos van het gebied van het eeuwige ideële over naar dat van de eindige manifestatie, of van het noumenale naar het fenomenale gebied. Alles wat is, was en zal zijn, is eeuwig, zelfs de ontelbare vormen, die alleen eindig en vergankelijk zijn in hun objectieve, maar niet in hun ideële vorm. Ze bestonden als ideeën in de eeuwigheid9 en wanneer ze heengaan, zullen ze als weerspiegelingen blijven bestaan. Noch de vorm van de mens, noch die van een dier, plant of steen is ooit geschapen; pas op ons gebied begon deze vorm te ‘worden’, d.w.z. zich te objectiveren tot zijn huidige mate van stoffelijkheid, of zich van binnen naar buiten uit te breiden, van de meest verfijnde en bovenzinnelijke essentie tot zijn meest grove verschijning. Onze menselijke vormen hebben daarom in de eeuwigheid bestaan als astrale of etherische prototypen; volgens die voorbeelden ontwikkelden de spirituele wezens (of goden), die als plicht hadden om deze tot objectief bestaan en aards leven te brengen, uit hun eigen essentie de protoplasmische vormen van toekomstige ego’s. Daarna, toen deze menselijke upadhi of grondvorm gereed was, begonnen de natuurlijke aardse krachten in te werken op die bovenzinnelijke vormen, die naast hun eigen elementen ook die van alle vroegere plantvormen en toekomstige diervormen van deze aardbol bevatten. Daarom doorliep de buitenste schil van de mens alle plantaardige en dierlijke lichamen, voordat ze de menselijke vorm aannam.

 

Noten

  1. ‘De Veda’s hebben een duidelijk tweeledige betekenis – één wordt door de letterlijke betekenis van de woorden weergegeven, de andere wordt aangeduid door het metrum en de svara – intonatie – die als het ware het leven van de Veda’s zijn. . . . Geleerde pandits en filologen ontkennen natuurlijk dat svara iets te maken heeft met filosofie of oude esoterische leringen, maar het mysterieuze verband tussen svara en licht is een van de meest diepzinnige geheimen ervan.’ (T. Subba Row, Five Years of Theosophy, blz. 154.)
  2. Ook genoemd ‘de zonen van wijsheid’ en van de ‘vuurnevel’ en in de Chinese annalen de ‘broeders van de zon’. In de manuscripten van de heilige bibliotheek van de provincie Fo-Kien wordt Si-dzang (Tibet) genoemd als de grote zetel van occulte wetenschap sinds onheuglijke tijden, eeuwen vóór Boeddha. Over keizer Yu, de ‘grote’ (2207 v.Chr.), een vrome mysticus en een groot adept, wordt gezegd dat hij zijn kennis heeft verkregen van de ‘grote leraren van de besneeuwde bergketen’ in Si-dzang.
  3. Abstract opgevat kan de natuur niet ‘onbewust’ zijn, want ze is de uitstraling van en dus (op het gemanifesteerde gebied) een aspect van het absolute bewustzijn. Wie heeft de moed om aan planten en zelfs aan mineralen een eigen bewustzijn te ontzeggen? Hij kan slechts zeggen dat dit bewustzijn buiten zijn bevattingsvermogen ligt.
  4. ‘En wanneer u bidt, doe dan niet zoals de huichelaars . . . maar trek u dan in uw binnenkamer terug, sluit uw deur en bid tot uw Vader in het verborgene’ (Matth. 6:6). Onze vader is in ons ‘in het verborgene’, ons zevende beginsel, in de ‘binnenkamer’ waar de ziel wordt waargenomen. ‘Het koninkrijk van de hemel’ en van God ‘is binnenin ons’, zegt Jezus, niet buiten ons. Waarom zijn christenen zo volkomen blind voor de duidelijke betekenis van de woorden van wijsheid die ze zo graag mechanisch herhalen?
  5. Wijlen mevr. (dr.) Kingsford, de bekwame vertaalster van de door haar verzamelde hermetische ‘Fragmenten’ (zie The Virgin of the World), zegt hierover in een voetnoot: ‘Dr. Menard merkt op dat het Grieks voor geboren worden en worden hetzelfde woord heeft. De gedachte is hier dat het grondmateriaal van de wereld in zijn essentie eeuwig is, maar dat het vóór het scheppen of ‘worden’ in een passieve en bewegingloze toestand verkeert. Het ‘was’ er dus al vóór het tot activiteit werd gebracht; nu ‘wordt’ het, d.w.z. dat het zich vrij beweegt en zich steeds verder ontwikkelt.’ En ze laat er de zuivere Vedanta-leer van de hermetische filosofie op volgen, dat ‘de schepping dus het tijdperk van activiteit [manvantara] van god is, die in het hermetische denken [of dat volgens de Vedanta] twee toestanden kent – activiteit of bestaan, god geëvolueerd (deus explicitus); en passiviteit van zijn [pralaya], god geïnvolueerd (deus implicitus). Beide toestanden zijn volmaakt en volledig, zoals ook die van het waken en slapen van de mens. Fichte, de Duitse filosoof, onderscheidde het zijn (Sein) als het ene, dat we alleen kennen door het bestaan (Dasein) als het veelvoudige. Deze opvatting is door en door hermetisch. De ‘ideale vormen’ zijn de archetypische of vormgevende ideeën van de neoplatonisten; de eeuwige en subjectieve voorstellingen van de dingen die in de goddelijke geest bestaan vóór het ‘worden’’ (blz. 134).
  6. ‘Fragments of the book of Hermes to his son Tatios’, in The Virgin of the World, door dr. Anna Kingsford, 1885, blz. 133-4.
  7. F. Hartmann, The Life of Paracelsus and the Substance of his Teachings, 1887, blz. 44; citaat uit zijn Philosophia ad Athenienses.
  8. De middelpuntzoekende en de middelpuntvliedende krachten, die mannelijk en vrouwelijk zijn, positief en negatief, fysiek en spiritueel; en deze twee zijn de ene oorspronkelijke kracht.
  9. Het occultisme onderwijst dat er geen vorm aan iets kan worden gegeven, hetzij door de natuur of door de mens, waarvan het ideële type niet al op het subjectieve gebied bestaat. Meer dan dit; dat er onmogelijk zo’n vorm of gestalte in het bewustzijn van de mens kan opkomen, of zich in zijn verbeelding kan ontwikkelen, zonder dat hiervan een oervorm of tenminste een benadering bestaat.

 


Een introductie tot de Geheime Leer, blz. 38-52

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag