Een introductie tot De Geheime Leer
H.P. Blavatsky

bestel boek

derde herziene druk 2009

© 2009  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Het ontstaan van de mens volgens het geheime boek

(letterlijke uittreksels)

Slechts 49 van de vele honderden sloka’s worden hier gegeven. Niet ieder vers wordt letterlijk vertaald. Soms wordt er om het duidelijker en begrijpelijker te maken een omschrijving gebruikt, waar een letterlijke vertaling volstrekt onbegrijpelijk zou zijn.


Stanza 1

1. De lha die de vierde laat draaien is ondergeschikt aan de lha van de zeven, zij die ronddraaien en hun wagens laten rijden om hun heer, het ene oog. Zijn adem gaf leven aan de zeven; hij gaf leven aan de eerste.

2. De aarde sprak: ‘Heer van het stralende gezicht; mijn huis is leeg . . . zend uw zonen om dit wiel te bevolken. U heeft uw zeven zonen naar de heer van wijsheid gezonden. Hij ziet u zeven keer zo dichtbij, zeven keer zo sterk voelt hij u. U heeft uw dienaren, de kleine ringen, verboden uw licht en warmte op te vangen, uw grote gave op haar doortocht te onderscheppen. Zend die nu naar uw dienares.’

3. De ‘heer van het stralende gezicht’ zei: ‘Ik zal u een vuur zenden wanneer uw werk is begonnen. Verhef uw stem tot andere loka’s; wend u tot uw vader, de heer van de lotus, om zijn zonen . . . uw volk zal onder het bestuur van de vaderen staan. Uw mensen zullen stervelingen zijn. De mensen van de heer van wijsheid, niet de zonen van de maan, zijn onsterfelijk. Staak uw klachten. Uw zeven huiden zijn nog op u . . . u bent niet gereed. Uw mensen zijn niet gereed.’

4. Na hevige pijnen wierp ze haar drie oude huiden af en trok haar zeven nieuwe aan, en stond in haar eerste.

 

Stanza 2

5. Het wiel draaide nog dertig crores voort. Het bouwde rupa’s: zachte stenen die verhardden; harde planten die verzachtten. Zichtbare uit onzichtbare insecten en kleine levens. Ze schudde ze van haar rug, telkens wanneer ze de moeder overwoekerden. . . . Na dertig crores keerde ze zich om. Ze lag op haar rug; op haar zij . . . Ze wilde geen zonen van de hemel roepen, ze wilde geen zonen van wijsheid vragen. Ze schiep uit haar eigen schoot. Ze bracht watermensen voort, schrikwekkend en slecht.

Noot vert.: 1 crore = 10 miljoen (jaar).

6. De watermensen, schrikwekkend en slecht, schiep zijzelf uit de overblijfselen van andere, uit de droesem en het slijk van haar eerste, tweede, en derde vormde ze hen. De dhyani’s kwamen en keken – de dhyani’s uit de schitterende vader-moeder, uit de witte gebieden kwamen ze, uit de verblijfplaatsen van de onsterfelijke stervelingen.

7. Ze waren ontstemd. Ons vlees is daar niet. Geen geschikte rupa’s voor onze broeders van het vijfde. Geen woningen voor de levens. Zuivere wateren, geen troebele, moeten ze drinken. Laten we ze drogen.

8. De vlammen kwamen. De vuren met de vonken; de nachtvuren en de dagvuren. Ze droogden de troebele donkere wateren op. Met hun hitte dempten ze ze. De lha’s van boven en de lhamayin van beneden kwamen. Ze doodden de vormen met twee en vier gezichten. Ze bevochten de geitmensen, de mensen met hondenkoppen en de mensen met vislichamen.

9. Moeder-water, de grote zee, treurde. Ze verhief zich, ze verdween in de maan die haar had doen oprijzen, die haar het leven had geschonken.

10. Toen ze waren vernietigd, bleef moeder-aarde leeg. Ze vroeg om te worden gedroogd.

 

Stanza 3

11. De heer van de heren kwam. Van haar lichaam scheidde hij de wateren, en dat was de hemel daarboven, de eerste hemel.

12. De grote chohans riepen de heren van de maan, met de luchtlichamen. ‘Breng mensen voort, mensen van uw aard. Geef hun hun vormen vanbinnen. Ze zal hen vanbuiten bekleden. Mannen-vrouwen zullen ze zijn. Ook heren van de vlam . . .’

13. Ze gingen, elk naar het hem aangewezen land: zeven van hen, elk naar zijn deel. De heren van de vlam blijven achter. Ze wilden niet gaan, ze wilden niet scheppen.

 

Stanza 4

14. De zeven menigten, de ‘uit wil geboren heren’, gedreven door de geest van het leven-schenken, scheiden mensen van zich af, ieder op zijn eigen gebied.

15. Zeven keer zeven schaduwen van toekomstige mensen werden geboren, ieder van zijn eigen kleur en soort. Ieder ondergeschikt aan zijn vader. De vaderen, de beenderlozen, konden geen leven schenken aan wezens met beenderen. Hun nakomelingen waren bhuta, zonder vorm of denkvermogen. Daarom worden ze de chhaya’s genoemd.

16. Hoe worden de manushya’s geboren? De manu’s met denkvermogen, hoe worden ze gemaakt? De vaderen riepen hun eigen vuur te hulp, dat het vuur is dat in de aarde brandt. De geest van de aarde riep het zonnevuur te hulp. Deze drie brachten door hun gezamenlijke inspanning een goed rupa voort. Het kon staan, lopen, rennen, liggen of vliegen. Toch was het nog slechts een chhaya, een schaduw zonder verstand . . .

17. De adem had een vorm nodig; de vaderen gaven die. De adem had een grof lichaam nodig; de aarde vormde het. De adem had de levensgeest nodig; de zonne-lha’s bliezen die in zijn vorm. De adem had een spiegel van zijn lichaam nodig; ‘We gaven hem de onze’, zeiden de dhyani’s. De adem had een voertuig van begeerten nodig; ‘Hij heeft het’, zei de drooglegger van de wateren. Maar de adem heeft een denkvermogen nodig om het heelal te omvatten; ‘We kunnen dat niet geven’, zeiden de vaderen. ‘Dat heb ik nooit gehad’, zei de geest van de aarde. ‘De vorm zou worden verteerd als ik hem het mijne gaf’, zei het grote vuur . . . De mens bleef een lege verstandeloze bhuta . . . Zo hebben de beenderlozen leven geschonken aan hen die in het derde mensen met beenderen werden.

 

Stanza 5

18. De eersten waren de zonen van yoga. Hun zonen de kinderen van de gele vader en de witte moeder.

19. Het tweede ras was het product van knopvorming en uitzetting, de aseksuelen uit de geslachtlozen. Zo werd, o lanoe, het tweede ras voortgebracht.

De gedachte en de geest van de zin worden hier gegeven, omdat een letterlijke vertaling de lezer heel weinig zou zeggen.

20. Hun vaderen waren de zelfgeborenen. De zelfgeborenen, de chhaya’s uit de stralende lichamen van de heren, de vaderen, de zonen van de schemering.

21. Toen het ras oud werd, vermengden de oude wateren zich met de verse wateren. Toen zijn druppels troebel werden, verdwenen ze in de nieuwe stroom, in de hete stroom van het leven. Het uitwendige van het eerste werd het inwendige van het tweede. De oude vleugel werd de nieuwe schaduw, en de schaduw van de vleugel.

 

Stanza 6

22. Het tweede ontwikkelde daarna de ei-geborenen, het derde. Het zweet groeide, zijn druppels groeiden, en de druppels werden hard en rond. De zon verwarmde het; de maan koelde het af en vormde het; de wind voedde het tot het rijp was. De witte zwaan van het sterrengewelf overschaduwde de grote druppel. Het ei van het toekomstige ras, de mens-zwaan van het latere derde. Eerst mannelijk-vrouwelijk, dan man en vrouw.

23. De zelfgeborenen waren de chhaya’s: de schaduwen van de lichamen van de zonen van de schemering.

 

Stanza 7

24. De zonen van wijsheid, de zonen van de nacht, gereed voor wedergeboorte, daalden neer. Ze zagen de verachtelijke vormen van het eerste derde. ‘We kunnen kiezen’, zeiden de heren, ‘we hebben wijsheid’. Sommigen traden in de chhaya’s. Sommigen wierpen de vonk uit. Sommigen stelden uit tot het vierde. Uit hun eigen rupa vulden ze de kama. Zij die intraden werden arhats. Zij die slechts een vonk ontvingen bleven zonder kennis; de vonk gloeide zwak. Het derde bleef zonder denkvermogen. Hun jiva’s waren niet gereed. Deze werden apart gezet onder de zeven. Ze werden enghoofdig. De derden waren gereed. ‘In deze zullen we wonen’, zeiden de heren van de vlam.

25. Hoe handelden de manasa, de zonen van wijsheid? Ze verwierpen de zelfgeborenen. Ze zijn niet gereed. Ze wezen de zweetgeborenen af. Ze zijn niet helemaal gereed. Ze wilden niet intreden in de eerste ei-geborenen.

26. Toen de zweetgeborenen de ei-geborenen voortbrachten, de tweevoudigen en de machtigen, de sterken met beenderen, zeiden de heren van wijsheid: ‘Nu zullen we scheppen.’

27. Het derde ras werd het vahana van de heren van wijsheid. Het schiep ‘zonen van wil en yoga’, door kriyasakti schiep het hen, de heilige vaderen, voorvaderen van de arhats . . .

 

Stanza 8

28. Uit de zweetdruppels; uit de resten van de substantie; stof van dode lichamen van mensen en dieren van het voorafgaande wiel; en uit afgeworpen stof, werden de eerste dieren voortgebracht.

29. Dieren met beenderen, draken uit de afgrond en vliegende sarpa’s werden aan de kruipende wezens toegevoegd. Die welke op de grond kruipen kregen vleugels. Die met de lange halzen in het water werden de voorouders van de vogels in de lucht.

30. Tijdens het derde ras groeiden en veranderden de beenderloze dieren: ze werden dieren met beenderen, hun chhaya’s werden vast.

31. De dieren scheidden zich het eerst. Ze begonnen zich voort te planten. De tweevoudige mens scheidde zich ook. Hij zei: ‘Laten we doen zoals zij; laten we ons verenigen en schepselen maken.’ Dat deden ze.

32. En zij die geen vonk hadden namen reusachtige vrouwelijke dieren tot zich. Ze brachten daarmee stomme rassen voort. Stom waren zijzelf. Maar hun tongen maakten zich los. De tongen van hun nageslacht bleven stil. Monsters brachten ze voort. Een ras van kromme roodharige monsters die op handen en voeten liepen. Een stom ras om de schande onuitgesproken te houden.

 

Stanza 9

33. Toen ze dit zagen, treurden de lha’s die geen mensen hadden gebouwd, en zeiden:

34. ‘De amanasa hebben onze toekomstige woningen ontwijd. Dit is karma. Laten we in de andere wonen. Laten we hun iets beters leren, opdat er niet iets ergers gebeurt.’ Dat deden ze . . .

35. Toen werden alle mensen met manas begiftigd. Ze zagen de zonde van de verstandelozen.

36. Het vierde ras ontwikkelde de spraak.

37. Het ene werd twee; ook alle levende en kruipende wezens die nog één waren, reusachtige vis-vogels en slangen met hoornkoppen.

 

Stanza 10

38. Twee aan twee op de zeven gebieden, zo bracht het derde ras de mensen van het vierde ras voort; de goden werden niet-goden; de sura werden a-sura.

39. Het eerste in elk gebied was maankleurig; het tweede geel als goud; het derde rood; het vierde bruin, dat van zonde zwart werd. De eerste zeven menselijke loten hadden alle één gelaatskleur. De volgende zeven begonnen zich te vermengen.

40. Toen werd het vierde vervuld van trots. Wij zijn de koningen, zeiden ze; wij zijn de goden.

41. Ze namen vrouwen, mooi om te zien. Vrouwen uit de verstandelozen, de enghoofdigen. Ze brachten monsters voort. Boosaardige demonen, mannelijk en vrouwelijk, en ook khado’s (dakini’s), met een klein verstand.

42. Ze bouwden tempels voor het menselijk lichaam. Het mannelijke en het vrouwelijke aanbaden ze. Het derde oog werkte toen niet meer.

 

Stanza 11

43. Ze bouwden reusachtige steden. Van zeldzame aardsoorten en metalen bouwden ze, en uit de uitgebraakte vuren, uit de witte steen van de bergen en uit de zwarte steen hakten ze hun eigen beelden naar hun grootte en gelijkenis, en aanbaden ze.

44. Ze bouwden grote beelden, negen yati’s hoog, de grootte van hun lichamen. Onderaardse vuren hadden het land van hun vaderen verwoest. Het water bedreigde het vierde.

Noot vert.: 1 yati = 3 Eng. voet = 3 x 0,305 m.

45. De eerste grote wateren kwamen. Ze verzwolgen de zeven grote eilanden.

46. Alle heiligen gered, de niet-heiligen vernietigd. Met hen de meeste reuzendieren, voortgebracht uit het zweet van de aarde.

 

Stanza 12

47. Weinig mensen bleven bestaan: enkele gele, enkele bruine en zwarte, en enkele rode bleven bestaan. De maankleurigen waren voor altijd verdwenen.

48. Het vijfde, voortgebracht uit het heilige geslacht, bleef bestaan; het werd bestuurd door de eerste goddelijke koningen.

49. . . . Die weer neerdaalden, die vrede sloten met het vijfde, en die het onderwezen en instrueerden. . . .

 


Een introductie tot de Geheime Leer, blz. 69-76

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag