Het ontstaan van de mens volgens het geheime boek
(letterlijke uittreksels†)
†Slechts 49 van de vele honderden sloka’s
worden hier gegeven. Niet ieder vers wordt letterlijk vertaald. Soms
wordt er om het duidelijker en begrijpelijker te maken een omschrijving
gebruikt, waar een letterlijke vertaling volstrekt onbegrijpelijk zou
zijn.
Stanza 1
1. De lha die de vierde laat draaien is ondergeschikt aan de lha van
de zeven, zij die ronddraaien en hun wagens laten rijden om hun heer,
het ene oog. Zijn adem gaf leven aan de zeven; hij gaf leven aan de
eerste.
2. De aarde sprak: ‘Heer van het stralende gezicht; mijn huis
is leeg . . . zend uw zonen om dit wiel te bevolken. U heeft uw zeven
zonen naar de heer van wijsheid gezonden. Hij ziet u zeven keer zo dichtbij,
zeven keer zo sterk voelt hij u. U heeft uw dienaren, de kleine ringen,
verboden uw licht en warmte op te vangen, uw grote gave op haar doortocht
te onderscheppen. Zend die nu naar uw dienares.’
3. De ‘heer van het stralende gezicht’ zei: ‘Ik zal
u een vuur zenden wanneer uw werk is begonnen. Verhef uw stem tot andere
loka’s; wend u tot uw vader, de heer van de lotus, om zijn zonen
. . . uw volk zal onder het bestuur van de vaderen staan. Uw mensen
zullen stervelingen zijn. De mensen van de heer van wijsheid, niet de
zonen van de maan, zijn onsterfelijk. Staak uw klachten. Uw zeven huiden
zijn nog op u . . . u bent niet gereed. Uw mensen zijn niet gereed.’
4. Na hevige pijnen wierp ze haar drie oude huiden af en trok haar
zeven nieuwe aan, en stond in haar eerste.
Stanza 2
5. Het wiel draaide nog dertig crores†
voort. Het bouwde rupa’s: zachte stenen die verhardden; harde
planten die verzachtten. Zichtbare uit onzichtbare insecten en kleine
levens. Ze schudde ze van haar rug, telkens wanneer ze de moeder overwoekerden.
. . . Na dertig crores keerde ze zich om. Ze lag op haar rug; op haar
zij . . . Ze wilde geen zonen van de hemel roepen, ze wilde geen zonen
van wijsheid vragen. Ze schiep uit haar eigen schoot. Ze bracht watermensen
voort, schrikwekkend en slecht.
†Noot vert.: 1 crore
= 10 miljoen (jaar).
6. De watermensen, schrikwekkend en slecht, schiep zijzelf uit de overblijfselen
van andere, uit de droesem en het slijk van haar eerste, tweede, en
derde vormde ze hen. De dhyani’s kwamen en keken – de dhyani’s
uit de schitterende vader-moeder, uit de witte gebieden kwamen ze, uit
de verblijfplaatsen van de onsterfelijke stervelingen.
7. Ze waren ontstemd. Ons vlees is daar niet. Geen geschikte rupa’s
voor onze broeders van het vijfde. Geen woningen voor de levens. Zuivere
wateren, geen troebele, moeten ze drinken. Laten we ze drogen.
8. De vlammen kwamen. De vuren met de vonken; de nachtvuren en de dagvuren.
Ze droogden de troebele donkere wateren op. Met hun hitte dempten ze
ze. De lha’s van boven en de lhamayin van beneden kwamen. Ze doodden
de vormen met twee en vier gezichten. Ze bevochten de geitmensen, de
mensen met hondenkoppen en de mensen met vislichamen.
9. Moeder-water, de grote zee, treurde. Ze verhief zich, ze verdween
in de maan die haar had doen oprijzen, die haar het leven had geschonken.
10. Toen ze waren vernietigd, bleef moeder-aarde leeg. Ze vroeg om
te worden gedroogd.
Stanza 3
11. De heer van de heren kwam. Van haar lichaam scheidde hij de wateren,
en dat was de hemel daarboven, de eerste hemel.
12. De grote chohans riepen de heren van de maan, met de luchtlichamen.
‘Breng mensen voort, mensen van uw aard. Geef hun hun vormen vanbinnen.
Ze zal hen vanbuiten bekleden. Mannen-vrouwen zullen ze zijn. Ook heren
van de vlam . . .’
13. Ze gingen, elk naar het hem aangewezen land: zeven van hen, elk
naar zijn deel. De heren van de vlam blijven achter. Ze wilden niet
gaan, ze wilden niet scheppen.
Stanza 4
14. De zeven menigten, de ‘uit wil geboren heren’, gedreven
door de geest van het leven-schenken, scheiden mensen van zich af, ieder
op zijn eigen gebied.
15. Zeven keer zeven schaduwen van toekomstige mensen werden geboren,
ieder van zijn eigen kleur en soort. Ieder ondergeschikt aan zijn vader.
De vaderen, de beenderlozen, konden geen leven schenken aan wezens met
beenderen. Hun nakomelingen waren bhuta, zonder vorm of denkvermogen.
Daarom worden ze de chhaya’s genoemd.
16. Hoe worden de manushya’s geboren? De manu’s met denkvermogen,
hoe worden ze gemaakt? De vaderen riepen hun eigen vuur te hulp, dat
het vuur is dat in de aarde brandt. De geest van de aarde riep het zonnevuur
te hulp. Deze drie brachten door hun gezamenlijke inspanning een goed
rupa voort. Het kon staan, lopen, rennen, liggen of vliegen. Toch was
het nog slechts een chhaya, een schaduw zonder verstand . . .
17. De adem had een vorm nodig; de vaderen gaven die. De adem had een
grof lichaam nodig; de aarde vormde het. De adem had de levensgeest
nodig; de zonne-lha’s bliezen die in zijn vorm. De adem had een
spiegel van zijn lichaam nodig; ‘We gaven hem de onze’,
zeiden de dhyani’s. De adem had een voertuig van begeerten nodig;
‘Hij heeft het’, zei de drooglegger van de wateren. Maar
de adem heeft een denkvermogen nodig om het heelal te omvatten; ‘We
kunnen dat niet geven’, zeiden de vaderen. ‘Dat heb ik nooit
gehad’, zei de geest van de aarde. ‘De vorm zou worden verteerd
als ik hem het mijne gaf’, zei het grote vuur . . . De mens bleef
een lege verstandeloze bhuta . . . Zo hebben de beenderlozen leven geschonken
aan hen die in het derde mensen met beenderen werden.
Stanza 5
18. De eersten waren de zonen van yoga. Hun zonen de kinderen van de
gele vader en de witte moeder.
19. Het tweede ras was het product van knopvorming en uitzetting, de
aseksuelen uit de geslachtlozen.†
Zo werd, o lanoe, het tweede ras voortgebracht.
†De gedachte en de
geest van de zin worden hier gegeven, omdat een letterlijke vertaling
de lezer heel weinig zou zeggen.
20. Hun vaderen waren de zelfgeborenen. De zelfgeborenen, de chhaya’s
uit de stralende lichamen van de heren, de vaderen, de zonen van de
schemering.
21. Toen het ras oud werd, vermengden de oude wateren zich met de verse
wateren. Toen zijn druppels troebel werden, verdwenen ze in de nieuwe
stroom, in de hete stroom van het leven. Het uitwendige van het eerste
werd het inwendige van het tweede. De oude vleugel werd de nieuwe schaduw,
en de schaduw van de vleugel.
Stanza 6
22. Het tweede ontwikkelde daarna de ei-geborenen, het derde. Het zweet
groeide, zijn druppels groeiden, en de druppels werden hard en rond.
De zon verwarmde het; de maan koelde het af en vormde het; de wind voedde
het tot het rijp was. De witte zwaan van het sterrengewelf overschaduwde
de grote druppel. Het ei van het toekomstige ras, de mens-zwaan van
het latere derde. Eerst mannelijk-vrouwelijk, dan man en vrouw.
23. De zelfgeborenen waren de chhaya’s: de schaduwen van de lichamen
van de zonen van de schemering.
Stanza 7
24. De zonen van wijsheid, de zonen van de nacht, gereed voor wedergeboorte,
daalden neer. Ze zagen de verachtelijke vormen van het eerste derde.
‘We kunnen kiezen’, zeiden de heren, ‘we hebben wijsheid’.
Sommigen traden in de chhaya’s. Sommigen wierpen de vonk uit.
Sommigen stelden uit tot het vierde. Uit hun eigen rupa vulden ze de
kama. Zij die intraden werden arhats. Zij die slechts een vonk ontvingen
bleven zonder kennis; de vonk gloeide zwak. Het derde bleef zonder denkvermogen.
Hun jiva’s waren niet gereed. Deze werden apart gezet onder de
zeven. Ze werden enghoofdig. De derden waren gereed. ‘In deze
zullen we wonen’, zeiden de heren van de vlam.
25. Hoe handelden de manasa, de zonen van wijsheid? Ze verwierpen de
zelfgeborenen. Ze zijn niet gereed. Ze wezen de zweetgeborenen af. Ze
zijn niet helemaal gereed. Ze wilden niet intreden in de eerste ei-geborenen.
26. Toen de zweetgeborenen de ei-geborenen voortbrachten, de tweevoudigen
en de machtigen, de sterken met beenderen, zeiden de heren van wijsheid:
‘Nu zullen we scheppen.’
27. Het derde ras werd het vahana van de heren van wijsheid. Het schiep
‘zonen van wil en yoga’, door kriyasakti schiep het hen,
de heilige vaderen, voorvaderen van de arhats . . .
Stanza 8
28. Uit de zweetdruppels; uit de resten van de substantie; stof van
dode lichamen van mensen en dieren van het voorafgaande wiel; en uit
afgeworpen stof, werden de eerste dieren voortgebracht.
29. Dieren met beenderen, draken uit de afgrond en vliegende sarpa’s
werden aan de kruipende wezens toegevoegd. Die welke op de grond kruipen
kregen vleugels. Die met de lange halzen in het water werden de voorouders
van de vogels in de lucht.
30. Tijdens het derde ras groeiden en veranderden de beenderloze dieren:
ze werden dieren met beenderen, hun chhaya’s werden vast.
31. De dieren scheidden zich het eerst. Ze begonnen zich voort te planten.
De tweevoudige mens scheidde zich ook. Hij zei: ‘Laten we doen
zoals zij; laten we ons verenigen en schepselen maken.’ Dat deden
ze.
32. En zij die geen vonk hadden namen reusachtige vrouwelijke dieren
tot zich. Ze brachten daarmee stomme rassen voort. Stom waren zijzelf.
Maar hun tongen maakten zich los. De tongen van hun nageslacht bleven
stil. Monsters brachten ze voort. Een ras van kromme roodharige monsters
die op handen en voeten liepen. Een stom ras om de schande onuitgesproken
te houden.
Stanza 9
33. Toen ze dit zagen, treurden de lha’s die geen mensen hadden
gebouwd, en zeiden:
34. ‘De amanasa hebben onze toekomstige woningen ontwijd. Dit
is karma. Laten we in de andere wonen. Laten we hun iets beters leren,
opdat er niet iets ergers gebeurt.’ Dat deden ze . . .
35. Toen werden alle mensen met manas begiftigd. Ze zagen de zonde
van de verstandelozen.
36. Het vierde ras ontwikkelde de spraak.
37. Het ene werd twee; ook alle levende en kruipende wezens die nog
één waren, reusachtige vis-vogels en slangen met hoornkoppen.
Stanza 10
38. Twee aan twee op de zeven gebieden, zo bracht het derde ras de
mensen van het vierde ras voort; de goden werden niet-goden; de sura
werden a-sura.
39. Het eerste in elk gebied was maankleurig; het tweede geel als goud;
het derde rood; het vierde bruin, dat van zonde zwart werd. De eerste
zeven menselijke loten hadden alle één gelaatskleur. De
volgende zeven begonnen zich te vermengen.
40. Toen werd het vierde vervuld van trots. Wij zijn de koningen, zeiden
ze; wij zijn de goden.
41. Ze namen vrouwen, mooi om te zien. Vrouwen uit de verstandelozen,
de enghoofdigen. Ze brachten monsters voort. Boosaardige demonen, mannelijk
en vrouwelijk, en ook khado’s (dakini’s), met een klein
verstand.
42. Ze bouwden tempels voor het menselijk lichaam. Het mannelijke en
het vrouwelijke aanbaden ze. Het derde oog werkte toen niet meer.
Stanza 11
43. Ze bouwden reusachtige steden. Van zeldzame aardsoorten en metalen
bouwden ze, en uit de uitgebraakte vuren, uit de witte steen van de
bergen en uit de zwarte steen hakten ze hun eigen beelden naar hun grootte
en gelijkenis, en aanbaden ze.
44. Ze bouwden grote beelden, negen yati’s†
hoog, de grootte van hun lichamen. Onderaardse vuren hadden het land
van hun vaderen verwoest. Het water bedreigde het vierde.
†Noot vert.: 1 yati
= 3 Eng. voet = 3 x 0,305 m.
45. De eerste grote wateren kwamen. Ze verzwolgen de zeven grote eilanden.
46. Alle heiligen gered, de niet-heiligen vernietigd. Met hen de meeste
reuzendieren, voortgebracht uit het zweet van de aarde.
Stanza 12
47. Weinig mensen bleven bestaan: enkele gele, enkele bruine en zwarte,
en enkele rode bleven bestaan. De maankleurigen waren voor altijd verdwenen.
48. Het vijfde, voortgebracht uit het heilige geslacht, bleef bestaan;
het werd bestuurd door de eerste goddelijke koningen.
49. . . . Die weer neerdaalden, die vrede sloten met het vijfde, en
die het onderwezen en instrueerden. . . .