Een introductie tot De Geheime Leer
H.P. Blavatsky

bestel boek

derde herziene druk 2009

© 2009  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Verklarende woordenlijst

Adam-Kadmon – (Heb.) In de kabbala, archetypische of oorspronkelijke mensheid, macrokosmische of hemelse mens in tegenstelling tot de aardse Adam; de levensboom van de sefiroth.

Adi-Sanat – (Skt.) ‘Eerste oude’, titel van Brahma, de hoogste zich manifesterende godheid.

Ah-hi – (Senzar) Dhyani-chohans, oorspronkelijke zeven logoi, de elohim, een klasse van hemelse wezens door middel waarvan het universele denkvermogen zich manifesteert.

Akasa – (Skt., van kas, ‘schijnen’) ‘ruimte, leegte’, ether, het vijfde kosmische element; subtiele spirituele essentie of substantie die alle ruimte doordringt.

Alaya – (Skt.) Het ‘onoplosbare’; in het boeddhisme de universele ziel of mahabuddhi.

Amanasa – (Skt.) De verstandeloze, voormenselijke rassen. Zie manas.

Amshaspend(s) – (Pahlavi) In de leer van Zarathoestra, ‘onsterfelijke weldoeners’, de zes of zeven scheppende godheden, aspecten van Ahura Mazda; vergelijkbaar met de elohim of de sefiroth.

Arhat – (Skt.) Hoge ingewijde; in het boeddhisme zij die nirvana hebben bereikt; meer in het algemeen een asceet.

Arische ras – (Skt., van arya, ‘edel’) Indo-Europese volkeren die Noord-India, Aryavarta, binnentrokken; in de theosofie gebruikt voor het 5de (huidige) wortelras.

Arupa – (Skt.) ‘Vormloos’, ongemanifesteerd.

Asura(’s) – (Skt.) Een ‘niet-god’ in de na-vedische periode, demonen of boze geesten die de sura’s (goden) vijandig gezind zijn; in de oudste gedeelten van de Rig-Veda, goddelijke wezens, hoogste geest (misschien van asu, ‘adem’); in de theosofie verstandelijke godheden.

Atman – (Skt.) ‘Zelf’, universele geest, het hoogste bewustzijn in alle entiteiten, waaronder de mens.

Aupapaduka – (Skt.) ‘Ouderloos’, uit zichzelf geboren of bestaand; in het boeddhisme toegepast op bepaalde zelfgeschapen goden en dhyani-boeddha’s.

Bhashya – (Skt.) Een verhandeling of toelichting.

Bhuta – (Skt.) Een wezen dat ‘is geweest’; schim of astrale schil van een overleden persoon zonder de ziel en de geest.

Brahma(n) – (Skt.) De onpersoonlijke, absolute, uiteindelijke werkelijkheid; de ongemanifesteerde logos.

Brahma – (Skt.) Scheppende god van de hindoes; het geïndividualiseerde, periodiek zich voortbrengende aspect van brahman; hiërarch van een heelal.

Buddhi – (Skt., van budh, ‘ontwaken’) Menselijke spirituele ziel, beginsel van intuïtieve kennis.

Chhaya – (Skt.) Een ‘schaduw’, het astrale of modellichaam.

Chhayaloka – (Skt.) Schaduw van kosmische geest; ook de sfeer van de schaduwen, kamaloka.

Chohan(s) – ‘Heer’, hoogste chef, goddelijk of menselijk.

Crore – Tien miljoen.

Dakini(’s) – (Skt.) Vrouwelijke demonen die Kali vergezellen; verstandeloze elementale wezens in vrouwelijke vorm; komt overeen met khado.

Dangma – (Tib.) Bevrijde of gezuiverde ziel, een hoge adept, mahatma.

De minimus non curat lex – (Lat.) De wet houdt zich niet met kleinigheden bezig.

Demiurg – (Gr., demiourgos) Kosmische handwerksman, hoogste architect; gezamenlijk de scheppende krachten die het heelal opbouwen.

Devamatri – (Skt.) ‘Moeder van de goden’, kosmische of mystieke ruimte.

Dhyani(’s) – (Skt., van dhyana, ‘diepzinnige contemplatie’) Spirituele wezens.

Dhyani-boeddha – (Skt.) Een spirituele architect van werelden die goddelijke scheppende krachten emaneert, het kosmische oerbeeld van een menselijke boeddha.

Dhyani-chohan(s) – ‘Heren van meditatie’, scheppende goden, hemelse wezens hoger dan de mens.

Dzyan– Een ‘verbastering’ van het Skt. dhyana (spirituele ‘meditatie’) en jnana (wijsheid, goddelijke kennis).

Dzyu – Werkelijke kennis; de gezamenlijke wijsheid van de dhyani-boeddha’s die fohat wordt.

Elementalen – Etherische wezens die zijn voortgekomen uit de elementen en deze bezielen; klassen van wezens die in de evolutie lager staan dan de mineralen.

Elohim – (Heb., meervoud) Goden, gewoonlijk vertaald met God; komt overeen met de scheppende logoi of menigten die uit de eerste logos worden geëmaneerd.

Facies totius universi . . . – (Spinoza) ‘Het gezicht van het hele heelal blijft, hoewel het op eindeloos veel manieren varieert, toch altijd hetzelfde.’

Fohat – (Samengesteld woord, van het Mongoolse pho, fo, ‘boeddha, buddhi’) De oorzaak of essentie van kosmische levenskracht of elektriciteit, goddelijke voortbrengende energie van het heelal.

Fons et origo – (Lat.) Bron en oorsprong.

Hsien-chan – (Chin.) Het stoffelijke heelal, de wereld van illusie.

Jiva – (Skt.) Geïndividualiseerde ‘levenskracht’, een levend wezen of monade; ook kosmisch levensbeginsel of prana.

Jnanayoga – (Skt.) ‘Vereniging’ met het goddelijke door middel van ‘kennis’ en wijsheid.

Kabbala – (Heb.) De esoterische ‘overlevering’ of theosofie van de joden.

Kabiren – (Gr., kabeiroi, mogelijk van Phrygische oorsprong) Goddelijke leraren op het gebied van kunsten, wetenschappen en landbouw, verbonden met kosmisch en aards vuur. Ook: heersers over de seizoenen en kosmische cyclussen.

Kalpa – (Skt.) Een tijdperk of grote tijdcyclus.

Kama – (Skt.) ‘Verlangen’; liefde in al haar vormen, kosmisch en menselijk.

Karana – (Skt.) ‘Oorzaak’ van het bestaan of van de dood, de oorzaakloze oorzaak.

Karma – (Skt.) ‘Handeling’ en reactie, oorzaak en gevolg, absolute rechtvaardigheid en harmonie.

Khado(’s) of khadoma(’s) – (Tib.) Vrouwelijke demonen, verstandeloze elementalen in vrouwelijke vorm, overeenkomend met Skt. dakini.

Kriyasakti – (Skt.) ‘Kracht van de handeling’, de scheppende kracht of het scheppende denken en de spirituele wil.

Kshatriya – (Skt.) In het hindoeïsme een lid van de kaste van krijgers, bestuurders en heersers.

Kwan-shi-yin – (Chin.) Mannelijk aspect van goddelijke wijsheid; de eerste gemanifesteerde logos of het zevende (hoogste) universele beginsel.

Kwan-yin – (Chin.) Boeddhistische ‘godin van mededogen’, vrouwelijk aspect van Kwan-shi-yin.

Kwan-yin-tien – (Chin.) ‘Melodieuze hemel van geluid’, verblijfplaats van Kwan-yin.

Lanoe – Student, discipel, chela.

Levensgolf – Rijk of familie van monaden die de 7 bollen van een planeetketen doorlopen.

Lha(’s) – (Tib.) Hemelse wezens, variërend van de hoogste tot een aardse geest; equivalent met Skt. deva.

Lhamayin – (Tib.) Niet-godheid, demon, elementaal; geesten van de lagere sferen; equivalent met Skt. asura.

Lipika – (Skt.) ‘Schrijver’, hemelse optekenaars op het astrale licht van elke gedachte, elk woord en elke handeling; hoogste kosmische werktuigen van karma.

Logos (meervoud: logoi) – (Gr.) ‘Woord’, gemanifesteerde godheid, de levende uitdrukking van het goddelijke denken.

Mahabuddhi – (Skt.) ‘Grote buddhi’, kosmische intelligentie of denkvermogen, bron van het menselijke denkvermogen.

Mahat – (Skt.) Het ‘grote’; kosmisch denkvermogen of intelligentie; de bron van manas.

Manas – (van Skt. man, ‘denken’) Zelfbewust denkvermogen, menselijke intelligentie.

Manasa – (Skt.) Bijvoeglijk naamwoord van manas: manasa-dhyani, manasaputra’s, uit het denken geboren zonen van Brahma.

Mandukya – (Skt.) Een Upanishad die de heilige syllable Om behandelt.

Manu – (Skt.) Voortbrenger van de mensheid; gezamenlijk de pitri’s of entiteiten die een levenscyclus van een planeet openen en afsluiten.

Manushya – (Skt.) ‘Menselijk’, in het bijzonder een menselijke boeddha die leiding en inspiratie geeft aan een wortelras of levensgolf.

Manvantara – (Skt.) ‘Tussen twee manu’s’, een periode van gemanifesteerd leven die wordt afgewisseld met perioden van rust (pralaya’s).

Matripadma – (Skt.) Moederlotus.

Maya, mahamaya – (Skt.) ‘Illusie’, het niet-eeuwige, de oorzaak waardoor we de werkelijkheid niet waarnemen zoals deze is.

Metempsychose – (Gr.) ‘Wederbezieling’, de voortgang van een monade door ziel na ziel; een aspect van wederbelichaming.

Mlechchha’s – (Skt.) ‘Verstotenen’; in het hindoeïsme buitenlanders, barbaren; ook zij die esoterisch onderricht niet waardig zijn.

Monad(en) – (van het Gr. monas, ‘één, eenheid’) Ondeelbare, goddelijke kern van ieder levend wezen, atomair of kosmisch.

Mulaprakriti – (Skt.) ‘Wortel-natuur’, ongedifferentieerde kosmische substantie, de sluier of tegengestelde pool van parabrahman.

Mutatis mutandis – (Lat.) Waarbij de nodige aanpassingen worden gemaakt.

Nastika – (Skt.) ‘Atheïst’, ongelovige, iemand die geen afgodsbeelden of antropomorfe goden van orthodoxe religies vereert.

Nidana’s – (Skt.) ‘Schakels’, in het boeddhisme de 12 oorzaken van het bestaan, de keten van veroorzaking.

Nirvana – (Skt.) ‘Uitgeblazen’, bevrijding van het stoffelijke bestaan; absoluut bewustzijn.

Occult(ist) – (van Lat. occultus, ‘verborgen’) Verborgen, door iets anders verduisterd, zoals in de astronomie; een zoeker naar waarheid, een adept in de verborgen wijsheid en kennis.

Oeaohoo – De heilige naam met de 7 klinkers, die de zevenvoudige wortel voorstelt waaruit alles voortkomt; ouder van de goden.

Parabrahm(an) – (Skt.) ‘Voorbij brahman’, voorkosmische bron van goddelijkheid en zijn; het onuitsprekelijke, onbenoembare Dat; ook de spirituele pool van mulaprakriti.

Paramartha – (Skt.) Ware of hoogste zelfbewustzijn; in het boeddhisme absoluut of nirvanisch bewustzijn.

Parinispanna, paranirvana of parinirvana – (Skt.) ‘Voorbij nirvana’; de toestand waarin al het leven is teruggetrokken in de goddelijke bron en alle stof is ontbonden (kosmische pralaya).

Pitri(’s) – (Skt.) ‘Vaders’, voortbrengers van de mensheid.

Prakriti – (Skt.) Oorspronkelijke stof, spirituele en etherische substantie; tegenovergestelde pool van purusha.

Pralaya – (Skt.) ‘Ontbinding’, dood, een periode van latentie tussen twee planetaire of kosmische manvantara’s.

Purana(’s) – (Skt.) ‘Oude’ verhalen; verzamelingen hindoe-allegorieën en mythen over kosmische en menselijke levenscyclussen.

Purusha – (Skt.) ‘Ideale of kosmische mens’, het hindoe-equivalent van Adam-Kadmon; de universele geest die prakriti bezielt, de substantiële tegenhanger of tegenpool ervan; het individuele spirituele zelf of de monade van een entiteit.

Ronde(n) – De voortgang van een levensgolf langs alle bollen van een planeetketen; ook de voltooiing van 7 wortelrassen op een bol (bolronde).

Rupa – (Skt.) Vorm, lichaam.

Sapta – (Skt.) Zeven.

Saptaparna – (Skt.) ‘De parna-boom met zeven bladeren’, de mens-plant, de mens met zeven beginselen.

Sarpa – (Skt.) Slang.

Sat – (Skt.) ‘Waarheid, zuiver zijn’ – de essentie van brahman.

Senzar – Mystieke naam voor de priestertaal, de ‘mysterietaal’ van de ingewijde adepten; de oorspronkelijke taal van de Stanza’s van Dzyan.

Sefiroth – (Heb.) In de kabbala de tien goddelijke emanaties van ain sof (het grenzeloze) die de levensboom of het tienvoudige heelal vormen.

Sishta(’s) – (Skt.) ‘Overblijfsel, overblijver’, zij die zijn achtergebleven; de verst ontwikkelde vertegenwoordigers van elk rijk die achterblijven aan het eind van een cyclus om te dienen als zaden voor dat rijk in de volgende cyclus.

Sloka – (Skt.) Vers van een stanza; het gebruikelijke epische metrum in het Sanskriet bestaande uit 32 lettergrepen.

Soma – (Skt.) Mannelijke hindoegodheid; ook een ‘drank’ van een heilige plant die een spiritueel visioen kan teweegbrengen.

Stanza’s van Dzyan – Brontekst van De Geheime Leer, ontleend aan vertalingen in het Chinees, Tibetaans en Sanskriet van de oorspronkelijke Senzar-commentaren en -glossen van het Boek van Dzyan.

Stille wachter – De top van een hiërarchie; de aardse stille wachter is de mahaguru, het grote offer, die nirvana en individuele vooruitgang opgeeft voor het welzijn van alle lagere wezens.

Sutratman – (Skt.) ‘Draad-zelf’, het blijvende zelf of de blijvende ziel die de dood overleeft, de spirituele essentie (atman), stroom van zelfbewustzijn, individualiteit, of stralende draad waaraan de persoonlijkheden van de verschillende incarnaties zijn geregen.

Svabhavat – (Skt.) ‘Zelfbestaand’, kosmische bewustzijn-substantie, het reservoir van het zijn, akasa.

Tridasa – (Skt.) ‘Driemaal tien’, in ronde getallen het aantal van het hindoepantheon, 330 miljoen godheden (levens).

Upadhi – (Skt.) ‘Voertuig’ of lichaam op een of ander gebied.

Upanishad – (Skt.) Esoterische leer; filosofische tekst die behoort tot de vedische geschriften.

Vahana – (Skt.) ‘Voertuig’ of vorm waarmee een bewustzijn zich belichaamt.

Veda(’s) – (Skt.) ‘Kennis’, oudste, heel heilige verzameling hindoegeschriften: Rig-Veda, Sama-Veda, Yajur-Veda en Atharva-Veda, die elk zijn onderverdeeld in vier soorten teksten – Samhita, Brahmana, Aranyaka en Upanishad.

Vedanta – (Skt.) ‘Einde of voltooiing van de Veda’s’; een van de zes grote filosofische scholen van de brahmanen.

Vidya – (Skt.) ‘Wijsheid, kennis’, esoterische wetenschap.

Völuspá – ‘De profetie van de sibille’, mystiek gedicht waarmee de Oudere Edda begint, oud-noorse theosofie.

Wortelras(sen) – De belangrijkste onderverdelingen van de levensgolven op een planeetbol, die elk miljoenen jaren duren; de huidige mensheid bestaat uit het 5de van de 7 grote wortelrassen.

Yati – Een lengtemaat, ongeveer 3 voet of 0,915 m.

 


Een introductie tot de Geheime Leer, blz. 120-8

© 2009  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag