Verklarende woordenlijst
Adam-Kadmon – (Heb.) In de kabbala, archetypische of oorspronkelijke
mensheid, macrokosmische of hemelse mens in tegenstelling tot de aardse
Adam; de levensboom van de sefiroth.
Adi-Sanat – (Skt.) ‘Eerste oude’, titel van Brahma,
de hoogste zich manifesterende godheid.
Ah-hi – (Senzar) Dhyani-chohans, oorspronkelijke zeven logoi,
de elohim, een klasse van hemelse wezens door middel waarvan het universele
denkvermogen zich manifesteert.
Akasa – (Skt., van kas, ‘schijnen’) ‘ruimte,
leegte’, ether, het vijfde kosmische element; subtiele spirituele
essentie of substantie die alle ruimte doordringt.
Alaya – (Skt.) Het ‘onoplosbare’; in het boeddhisme
de universele ziel of mahabuddhi.
Amanasa – (Skt.) De verstandeloze, voormenselijke rassen. Zie
manas.
Amshaspend(s) – (Pahlavi) In de leer van Zarathoestra, ‘onsterfelijke
weldoeners’, de zes of zeven scheppende godheden, aspecten van
Ahura Mazda; vergelijkbaar met de elohim of de sefiroth.
Arhat – (Skt.) Hoge ingewijde; in het boeddhisme zij die nirvana
hebben bereikt; meer in het algemeen een asceet.
Arische ras – (Skt., van arya, ‘edel’) Indo-Europese
volkeren die Noord-India, Aryavarta, binnentrokken; in de theosofie
gebruikt voor het 5de (huidige) wortelras.
Arupa – (Skt.) ‘Vormloos’, ongemanifesteerd.
Asura(’s) – (Skt.) Een ‘niet-god’ in de na-vedische
periode, demonen of boze geesten die de sura’s (goden) vijandig
gezind zijn; in de oudste gedeelten van de Rig-Veda, goddelijke
wezens, hoogste geest (misschien van asu, ‘adem’);
in de theosofie verstandelijke godheden.
Atman – (Skt.) ‘Zelf’, universele geest, het hoogste
bewustzijn in alle entiteiten, waaronder de mens.
Aupapaduka – (Skt.) ‘Ouderloos’, uit zichzelf geboren
of bestaand; in het boeddhisme toegepast op bepaalde zelfgeschapen goden
en dhyani-boeddha’s.
Bhashya – (Skt.) Een verhandeling of toelichting.
Bhuta – (Skt.) Een wezen dat ‘is geweest’; schim
of astrale schil van een overleden persoon zonder de ziel en de geest.
Brahma(n) – (Skt.) De onpersoonlijke, absolute, uiteindelijke
werkelijkheid; de ongemanifesteerde logos.
Brahma – (Skt.) Scheppende god van de hindoes; het geïndividualiseerde,
periodiek zich voortbrengende aspect van brahman; hiërarch van
een heelal.
Buddhi – (Skt., van budh, ‘ontwaken’) Menselijke
spirituele ziel, beginsel van intuïtieve kennis.
Chhaya – (Skt.) Een ‘schaduw’, het astrale of modellichaam.
Chhayaloka – (Skt.) Schaduw van kosmische geest; ook de sfeer
van de schaduwen, kamaloka.
Chohan(s) – ‘Heer’, hoogste chef, goddelijk of menselijk.
Crore – Tien miljoen.
Dakini(’s) – (Skt.) Vrouwelijke demonen die Kali vergezellen;
verstandeloze elementale wezens in vrouwelijke vorm; komt overeen met
khado.
Dangma – (Tib.) Bevrijde of gezuiverde ziel, een hoge adept,
mahatma.
De minimus non curat lex – (Lat.) De wet houdt zich niet met
kleinigheden bezig.
Demiurg – (Gr., demiourgos) Kosmische handwerksman, hoogste architect;
gezamenlijk de scheppende krachten die het heelal opbouwen.
Devamatri – (Skt.) ‘Moeder van de goden’, kosmische
of mystieke ruimte.
Dhyani(’s) – (Skt., van dhyana, ‘diepzinnige
contemplatie’) Spirituele wezens.
Dhyani-boeddha – (Skt.) Een spirituele architect van werelden
die goddelijke scheppende krachten emaneert, het kosmische oerbeeld
van een menselijke boeddha.
Dhyani-chohan(s) – ‘Heren van meditatie’, scheppende
goden, hemelse wezens hoger dan de mens.
Dzyan– Een ‘verbastering’ van het Skt. dhyana
(spirituele ‘meditatie’) en jnana (wijsheid, goddelijke
kennis).
Dzyu – Werkelijke kennis; de gezamenlijke wijsheid van de dhyani-boeddha’s
die fohat wordt.
Elementalen – Etherische wezens die zijn voortgekomen uit de
elementen en deze bezielen; klassen van wezens die in de evolutie lager
staan dan de mineralen.
Elohim – (Heb., meervoud) Goden, gewoonlijk vertaald met God;
komt overeen met de scheppende logoi of menigten die uit de eerste logos
worden geëmaneerd.
Facies totius universi . . . – (Spinoza) ‘Het gezicht van
het hele heelal blijft, hoewel het op eindeloos veel manieren varieert,
toch altijd hetzelfde.’
Fohat – (Samengesteld woord, van het Mongoolse pho,
fo, ‘boeddha, buddhi’) De oorzaak of essentie van
kosmische levenskracht of elektriciteit, goddelijke voortbrengende energie
van het heelal.
Fons et origo – (Lat.) Bron en oorsprong.
Hsien-chan – (Chin.) Het stoffelijke heelal, de wereld van illusie.
Jiva – (Skt.) Geïndividualiseerde ‘levenskracht’,
een levend wezen of monade; ook kosmisch levensbeginsel of prana.
Jnanayoga – (Skt.) ‘Vereniging’ met het goddelijke
door middel van ‘kennis’ en wijsheid.
Kabbala – (Heb.) De esoterische ‘overlevering’ of
theosofie van de joden.
Kabiren – (Gr., kabeiroi, mogelijk van Phrygische oorsprong)
Goddelijke leraren op het gebied van kunsten, wetenschappen en landbouw,
verbonden met kosmisch en aards vuur. Ook: heersers over de seizoenen
en kosmische cyclussen.
Kalpa – (Skt.) Een tijdperk of grote tijdcyclus.
Kama – (Skt.) ‘Verlangen’; liefde in al haar vormen,
kosmisch en menselijk.
Karana – (Skt.) ‘Oorzaak’ van het bestaan of van
de dood, de oorzaakloze oorzaak.
Karma – (Skt.) ‘Handeling’ en reactie, oorzaak en
gevolg, absolute rechtvaardigheid en harmonie.
Khado(’s) of khadoma(’s) – (Tib.) Vrouwelijke demonen,
verstandeloze elementalen in vrouwelijke vorm, overeenkomend met Skt.
dakini.
Kriyasakti – (Skt.) ‘Kracht van de handeling’, de
scheppende kracht of het scheppende denken en de spirituele wil.
Kshatriya – (Skt.) In het hindoeïsme een lid van de kaste
van krijgers, bestuurders en heersers.
Kwan-shi-yin – (Chin.) Mannelijk aspect van goddelijke wijsheid;
de eerste gemanifesteerde logos of het zevende (hoogste) universele
beginsel.
Kwan-yin – (Chin.) Boeddhistische ‘godin van mededogen’,
vrouwelijk aspect van Kwan-shi-yin.
Kwan-yin-tien – (Chin.) ‘Melodieuze hemel van geluid’,
verblijfplaats van Kwan-yin.
Lanoe – Student, discipel, chela.
Levensgolf – Rijk of familie van monaden die de 7 bollen van
een planeetketen doorlopen.
Lha(’s) – (Tib.) Hemelse wezens, variërend van de
hoogste tot een aardse geest; equivalent met Skt. deva.
Lhamayin – (Tib.) Niet-godheid, demon, elementaal; geesten van
de lagere sferen; equivalent met Skt. asura.
Lipika – (Skt.) ‘Schrijver’, hemelse optekenaars
op het astrale licht van elke gedachte, elk woord en elke handeling;
hoogste kosmische werktuigen van karma.
Logos (meervoud: logoi) – (Gr.) ‘Woord’, gemanifesteerde
godheid, de levende uitdrukking van het goddelijke denken.
Mahabuddhi – (Skt.) ‘Grote buddhi’, kosmische intelligentie
of denkvermogen, bron van het menselijke denkvermogen.
Mahat – (Skt.) Het ‘grote’; kosmisch denkvermogen
of intelligentie; de bron van manas.
Manas – (van Skt. man, ‘denken’) Zelfbewust
denkvermogen, menselijke intelligentie.
Manasa – (Skt.) Bijvoeglijk naamwoord van manas: manasa-dhyani,
manasaputra’s, uit het denken geboren zonen van Brahma.
Mandukya – (Skt.) Een Upanishad die de heilige syllable
Om behandelt.
Manu – (Skt.) Voortbrenger van de mensheid; gezamenlijk de pitri’s
of entiteiten die een levenscyclus van een planeet openen en afsluiten.
Manushya – (Skt.) ‘Menselijk’, in het bijzonder een
menselijke boeddha die leiding en inspiratie geeft aan een wortelras
of levensgolf.
Manvantara – (Skt.) ‘Tussen twee manu’s’, een
periode van gemanifesteerd leven die wordt afgewisseld met perioden
van rust (pralaya’s).
Matripadma – (Skt.) Moederlotus.
Maya, mahamaya – (Skt.) ‘Illusie’, het niet-eeuwige,
de oorzaak waardoor we de werkelijkheid niet waarnemen zoals deze is.
Metempsychose – (Gr.) ‘Wederbezieling’, de voortgang
van een monade door ziel na ziel; een aspect van wederbelichaming.
Mlechchha’s – (Skt.) ‘Verstotenen’; in het
hindoeïsme buitenlanders, barbaren; ook zij die esoterisch onderricht
niet waardig zijn.
Monad(en) – (van het Gr. monas, ‘één,
eenheid’) Ondeelbare, goddelijke kern van ieder levend wezen,
atomair of kosmisch.
Mulaprakriti – (Skt.) ‘Wortel-natuur’, ongedifferentieerde
kosmische substantie, de sluier of tegengestelde pool van parabrahman.
Mutatis mutandis – (Lat.) Waarbij de nodige aanpassingen worden
gemaakt.
Nastika – (Skt.) ‘Atheïst’, ongelovige, iemand
die geen afgodsbeelden of antropomorfe goden van orthodoxe religies
vereert.
Nidana’s – (Skt.) ‘Schakels’, in het boeddhisme
de 12 oorzaken van het bestaan, de keten van veroorzaking.
Nirvana – (Skt.) ‘Uitgeblazen’, bevrijding van het
stoffelijke bestaan; absoluut bewustzijn.
Occult(ist) – (van Lat. occultus, ‘verborgen’)
Verborgen, door iets anders verduisterd, zoals in de astronomie; een
zoeker naar waarheid, een adept in de verborgen wijsheid en kennis.
Oeaohoo – De heilige naam met de 7 klinkers, die de zevenvoudige
wortel voorstelt waaruit alles voortkomt; ouder van de goden.
Parabrahm(an) – (Skt.) ‘Voorbij brahman’, voorkosmische
bron van goddelijkheid en zijn; het onuitsprekelijke, onbenoembare Dat;
ook de spirituele pool van mulaprakriti.
Paramartha – (Skt.) Ware of hoogste zelfbewustzijn; in het boeddhisme
absoluut of nirvanisch bewustzijn.
Parinispanna, paranirvana or parinirvana – (Skt.) ‘Voorbij
nirvana’; de toestand waarin al het leven is teruggetrokken in
de goddelijke bron en alle stof is ontbonden (kosmische pralaya).
Pitri(’s) – (Skt.) ‘Vaders’, voortbrengers
van de mensheid.
Prakriti – (Skt.) Oorspronkelijke stof, spirituele en etherische
substantie; tegenovergestelde pool van purusha.
Pralaya – (Skt.) ‘Ontbinding’, dood, een periode
van latentie tussen twee planetaire of kosmische manvantara’s.
Purana(’s) – (Skt.) ‘Oude’ verhalen; verzamelingen
hindoe-allegorieën en mythen over kosmische en menselijke levenscyclussen.
Purusha – (Skt.) ‘Ideale of kosmische mens’, het
hindoe-equivalent van Adam-Kadmon; de universele geest die prakriti
bezielt, de substantiële tegenhanger of tegenpool ervan; het individuele
spirituele zelf of de monade van een entiteit.
Ronde(n) – De voortgang van een levensgolf langs alle bollen
van een planeetketen; ook de voltooiing van 7 wortelrassen op een bol
(bolronde).
Rupa – (Skt.) Vorm, lichaam.
Sapta – (Skt.) Zeven.
Saptaparna – (Skt.) ‘De parna-boom met zeven bladeren’,
de mens-plant, de mens met zeven beginselen.
Sarpa – (Skt.) Slang.
Sat – (Skt.) ‘Waarheid, zuiver zijn’ – de essentie
van brahman.
Senzar – Mystieke naam voor de priestertaal, de ‘mysterietaal’
van de ingewijde adepten; de oorspronkelijke taal van de Stanza’s
van Dzyan.
Sefiroth – (Heb.) In de kabbala de tien goddelijke emanaties
van ain sof (het grenzeloze) die de levensboom of het tienvoudige heelal
vormen.
Sishta(’s) – (Skt.) ‘Overblijfsel, overblijver’,
zij die zijn achtergebleven; de verst ontwikkelde vertegenwoordigers
van elk rijk die achterblijven aan het eind van een cyclus om te dienen
als zaden voor dat rijk in de volgende cyclus.
Sloka – (Skt.) Vers van een stanza; het gebruikelijke epische
metrum in het Sanskriet bestaande uit 32 lettergrepen.
Soma – (Skt.) Mannelijke hindoegodheid; ook een ‘drank’
van een heilige plant die een spiritueel visioen kan teweegbrengen.
Stanza’s van Dzyan – Brontekst van De Geheime Leer,
ontleend aan vertalingen in het Chinees, Tibetaans en Sanskriet van
de oorspronkelijke Senzar-commentaren en -glossen van het Boek van
Dzyan.
Stille wachter – De top van een hiërarchie; de aardse stille
wachter is de mahaguru, het grote offer, die nirvana en individuele
vooruitgang opgeeft voor het welzijn van alle lagere wezens.
Sutratman – (Skt.) ‘Draad-zelf’, het blijvende zelf
of de blijvende ziel die de dood overleeft, de spirituele essentie (atman),
stroom van zelfbewustzijn, individualiteit, of stralende draad waaraan
de persoonlijkheden van de verschillende incarnaties zijn geregen.
Svabhavat – (Skt.) ‘Zelfbestaand’, kosmische bewustzijn-substantie,
het reservoir van het zijn, akasa.
Tridasa – (Skt.) ‘Driemaal tien’, in ronde getallen
het aantal van het hindoepantheon, 330 miljoen godheden (levens).
Upadhi – (Skt.) ‘Voertuig’ of lichaam op een of ander
gebied.
Upanishad – (Skt.) Esoterische leer; filosofische tekst die behoort
tot de vedische geschriften.
Vahana – (Skt.) ‘Voertuig’ of vorm waarmee een bewustzijn
zich belichaamt.
Veda(’s) – (Skt.) ‘Kennis’, oudste, heel heilige
verzameling hindoegeschriften: Rig-Veda, Sama-Veda,
Yajur-Veda en Atharva-Veda, die elk zijn onderverdeeld
in vier soorten teksten – Samhita, Brahmana, Aranyaka en Upanishad.
Vedanta – (Skt.) ‘Einde of voltooiing van de Veda’s’;
een van de zes grote filosofische scholen van de brahmanen.
Vidya – (Skt.) ‘Wijsheid, kennis’, esoterische wetenschap.
Völuspá – ‘De profetie van de sibille’,
mystiek gedicht waarmee de Oudere Edda begint, oud-noorse theosofie.
Wortelras(sen) – De belangrijkste onderverdelingen van de levensgolven
op een planeetbol, die elk miljoenen jaren duren; de huidige mensheid
bestaat uit het 5de van de 7 grote wortelrassen.
Yati – Een lengtemaat, ongeveer 3 voet of 0,915 m.