Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Jakob Böhme en de geheime leer

Jakob Böhme
Jakob Böhme 1575-1624

[The Theosophist, april 1886, blz. 417-21]

Jakob Böhme was een Duitse mysticus [1575-1624] en spiritualist, die in de 17de eeuw begon te schrijven. In zijn geschriften nam hij een afbeelding op van een engel die op een trompet blaast, waaruit de volgende woorden tevoorschijn komen: ‘Voor alle christenen, joden, Turken en heidenen en alle volkeren van de wereld klinkt deze trompet voor de laatste keer.’ [zie afbeelding]. Het was werkelijk een merkwaardig zinnebeeld, maar hij, de schrijver, was een mysticus, en, zoals alle ervaring aantoont, is het pad van een mysticus heel ongewoon. Het is, zoals Job (28:7) zegt, een pad dat ‘door een roofvogel niet wordt gekend’. Zoals een vogel de eeuwige ether doorklieft, evenzo gaat de mysticus vooruit op een pad dat gewoonlijk niet zichtbaar is, een weg die met zorg moet worden betreden, omdat er, zoals bij het grote licht, dat opvlamt en slechts sporen achterlaat als het weer tot zijn kern terugkeert, slechts aanwijzingen worden achtergelaten voor hen die dezelfde spirituele wijsheid proberen te vinden. En toch kan met behulp van zulke ‘sporen’, want zo worden ze in de kabbala genoemd, de weg worden gevonden en de waarheid worden ontdekt.

Böhme was arm, van eenvoudige komaf en had geen enkel regulier onderwijs genoten. Hij was maar een schoenmaker, maar toch kwamen er indrukwekkende waarheden uit het denken en uit de mond van deze man die geen geleerde was.

Het zou zinloos zijn om te proberen erachter te komen welk weefsel van karmische invloeden hem had veroordeeld tot een leven zoals hij dat scheen te leiden. Ze moeten al heel eigenaardig zijn geweest, want, hoewel hij de waarheid had begrepen en haar naar waarde kon schatten, was hij tegelijkertijd niet in staat haar in haar volmaakte vorm weer te geven. Maar hij volbracht zijn taak, en er kan niet de minste twijfel over zijn volgende incarnatie bestaan. Zoals Krishna in de Bhagavad Gita zegt, hij is reeds geboren of zal binnenkort worden ‘geboren in een familie van toegewijde wijzen’; en van daaruit ‘zal hij het hoogste stadium bereiken’.

Zijn levensgeschiedenis en zijn geschriften vormen nog een bewijs dat de verheven wijsheid-religie – de geheime leer – nooit zonder getuigen is gelaten. Hij werd als christen geboren maar zag niettemin de esoterische waarheid die verborgen ligt onder het mos en de korst van de eeuwen, en uit de christelijke Bijbel lichtte hij voor zijn kortzichtige medemensen die parels die ze niet wilden aannemen. Maar hij verkreeg zijn kennis niet enkel uit de christelijke Schrift. Aan zijn innerlijke oog gleed het panorama van werkelijke kennis voorbij. Omdat zijn innerlijke zienersgave was ontloken, kon hij de dingen zien die hij in een vroeger bestaan had geleerd, en terwijl hij aanvankelijk niet besefte wat de betekenis ervan was, werd hij erdoor aangevuurd om zijn uitsluitend spirituele boeken op een esoterische manier op te bouwen. Zijn hersenen namen kennis van het voor hem liggende bijbelboek, maar zijn geest kon de tekst – geholpen door zijn verleden, en misschien bijgestaan door de levende bewaarders van de helder schijnende lamp van de waarheid – niet anders dan op de juiste manier begrijpen.

De titel van zijn eerste werk was Die Morgenröte im Aufgang. Hierin probeerde hij de edele filosofie in grote lijnen weer te geven. Hij vertelt over de omstandigheden en redenen voor de schepping door de engelen, over de val van de belangrijkste drie orden daarvan en van de vreselijke gevolgen die daarop de eeuwige natuur troffen. Niet de mensheid – want die bestond nog niet – maar de eeuwige natuur; dat is brahm. Dan zegt hij dat die gevolgen werden veroorzaakt door het verbreken van het evenwicht van de zeven gelijkwaardige machten of krachten van de eeuwige natuur of Brahm. Dat wil zeggen dat er, zolang de zeven beginselen van Brahm in volmaakt evenwicht verkeerden, geen belichaamd of gemanifesteerd heelal bestond. Evenzo vinden we in de Bhagavad Gita dat Krishna tegen Arjuna zegt dat ‘na verloop van duizend tijdperken (een nacht van Brahma) alle voorwerpen van gemanifesteerde stof uit het niet-gemanifesteerde beginsel tevoorschijn zullen komen. Bij het aanbreken van die dag emaneren ze spontaan’ (Bhagavad Gita, 8:17-18). Dit komt overeen met wat de geheime leer daarover onderwijst.

En verder toont Böhme de dualiteit van de hoogste ziel aan. Want in zijn werk Vierzig Fragen von der Seelen merkt hij op dat deze twee eeuwige beginselen van het positieve en het negatieve, het ja en het nee van het allerhoogste Ene, samen de eeuwige natuur vormen – niet alleen de duistere wereld, die de ‘wortel van de natuur’ wordt genoemd – omdat deze twee als het ware zijn verbonden in een volkomen onverbrekelijke eenheid.

Dit is niets anders dan purusha en prakriti, of samen genomen dat waarop in de Bhagavad Gita (8:20-1) wordt gedoeld wanneer er wordt gezegd: ‘Maar er is een ander onzichtbaar, eeuwig bestaan, hoger dan het zichtbare, dat niet vergaat wanneer alle dingen vergaan. Het wordt onzichtbaar en ondeelbaar genoemd. Dit is mijn hoogste verblijf.’

Het is duidelijk dat het hoogste verblijf nooit in purusha alleen noch in prakriti alleen zou kunnen zijn, maar in beide wanneer ze in een onverbrekelijke eenheid zijn verenigd.

In alle werken van deze grote filosoof houdt hij zich aan deze ordening, of hij nu spreekt over het grote heelal of de macrokosmos, of over de tegenhanger in de mens of microkosmos. In Beschreibung der Drey Göttliches Wesens spreekt hij over de drie grondbeginselen of werelden van de natuur, beschrijft haar eeuwige wording, haar zeven eigenschappen en de twee eeuwige tegelijkertijd bestaande grondbeginselen; bovendien bespreekt hij in Von dem Dreyfachen Leben des Menschen het drievoudige leven van de mens, waaruit dan het zevenvoudige wordt afgeleid.

In Von der Gnaden-Wahl behandelt hij een onderwerp dat voor velen vaak een struikelblok blijkt te zijn, namelijk de onvermijdelijkheid van het kwade zowel als het goede. Op basis hiervan kan men gemakkelijk overgaan tot een bespiegeling van een van de moeilijke punten in het occultisme zoals in de geheime leer duidelijk wordt gemaakt, namelijk dat niets van nature slecht is en dat, zelfs als we erkennen dat er kwaad of verdorvenheid in de mens bestaat, deze de aard van de eigenschap of guna heeft die in de Bhagavad Gita rajas – verdorvenheid of slechte handelwijze – wordt genoemd. En zelfs deze is beter dan onverschillig handelen, wat slechts tot de dood leidt. Zelfs uit boosheid kan en zal spiritueel leven voortkomen, maar op onverschillig handelen volgt niets dan duisternis en uiteindelijk de dood.

Krishna zegt in de Bhagavad Gita, hoofdstuk 14: ‘Er zijn drie manieren om te handelen: ten eerste die welke het karakter draagt van sattva, of ware handeling; ten tweede die welke het karakter draagt van rajas, of slechte handeling; ten derde die welke voortkomt uit tamas, of onverschillige handeling.’ Hij zegt ook: ‘Al was u de grootste van alle boosdoeners, toch kunt u de stroom van slechte daden oversteken in het schip van spirituele wijsheid’; en iets verder: ‘Iemand die onwetend is en geen vertrouwen heeft en voortdurend twijfelt, is verloren en kan in geen van beide werelden geluk vinden’ (4:36, 40). En in een ander hoofdstuk waarin hij zichzelf beschrijft, zegt hij dat hij niet alleen de Boeddha is maar ook de slechtste onder de mensen: de asura.

Dit is een van de meest mystieke gedeelten van de hele geheime leer. Terwijl Böhme genoeg hierover heeft gezegd om te laten zien dat hij hierover kennis bezat, is hij op de meest occulte bijzonderheden niet ingegaan. We moeten niet vergeten dat de Bhagavad Gita en veel andere boeken die over de geheime leer handelen, vanuit zeven verschillende gezichtspunten moeten worden beschouwd, en dat wij, onvolmaakte mensen, niet in staat zijn om haar vanuit de kern te beschouwen, waardoor we alle zeven punten ineens zouden kunnen overzien.

Böhme heeft ongeveer 30 verschillende verhandelingen geschreven; deze gaan alle over belangrijke onderwerpen, gedeelten van de geheime leer.

Het is opvallend dat de eerste, Die Morgenröte im Aufgang, de dageraad van de eeuwige dag behandelt, en dat de tweede, Von dem Dreyfachen Leben des Menschen, gewijd is aan een toelichting van de drie beginselen van de mens. In laatstgenoemde kunnen we in feite een zevenvoudige classificatie vinden vergelijkbaar met die welke Sinnett in zijn Esoteric Buddhism naar voren heeft gebracht.

Volgens hem wordt de grootste belemmering op het pad van de mensheid gevormd door de astrale of elementaire kracht, die deze wereld voortbrengt en in stand houdt.

Dan spreekt hij over ‘tincturen’, die we beginselen zouden kunnen noemen. Volgens hem zijn er twee hoofdtincturen: het waterige en het vurige. Deze zouden in de mens verenigd moeten zijn, en ze proberen elkaar voortdurend te bereiken, om met sophia of goddelijke wijsheid één te worden. Veel theosofen zullen hierin de sleutel ontdekken tot de twee beginselen of tincturen die in de mens verenigd zouden moeten zijn, maar ook de sleutel tot een wet die bij veel magische verschijnselen een rol speelt. Maar zelfs als ik het kon, zou ik over dit punt niet duidelijker moeten spreken.

Veel onderzoekers van deze boeken zullen het meest geïnteresseerd zijn in zijn theorieën over het ontstaan van het stoffelijke heelal. Over de evolutie van de mens van geest naar stof schrijft hij veel meer dan ik zelfs maar vluchtig zou kunnen bespreken. In bijna alle opzichten gaf hij de geheime leer in grote lijnen weer en lichtte haar toe. Genoemde boeken zijn voor zowel westerse als oosterse metafysici erg de moeite waard om te worden bestudeerd. Laten we om deze stelling te onderbouwen hieraan een fragment van graaf Saint-Martin toevoegen, die een toegewijde onderzoeker van deze boeken was.

Jakob Böhme nam als vanzelfsprekend aan dat er een universeel beginsel bestaat; hij was overtuigd dat alles verbonden is in de enorme keten van waarheden, en dat de eeuwige natuur op zeven beginselen of grondslagen berust, die hij soms krachten noemt, of vormen, spirituele wielen, en bronnen, en dat deze zeven grondslagen ook in deze chaotische stoffelijke natuur bestaan, maar daarin worden beperkt. Zijn benamingen voor deze fundamentele verhoudingen waren als volgt: De eerste samentrekkende werking, de tweede gal of bitterheid, de derde angst, de vierde vuur, de vijfde licht, de zesde geluid en de zevende noemde hij wezen of het ding zelf.

De lezer heeft misschien de indruk gekregen dat de schrijver de eerste zes niet goed had begrepen, maar zijn definitie van de zevende laat zien dat hij in alle opzichten het juiste inzicht had, en we kunnen concluderen dat de werkelijke betekenissen achter die namen verborgen liggen.

‘Het derde beginsel, angst, verzacht het samentrekkende, verandert het in water en maakt de doortocht van vuur mogelijk, dat in het samentrekkende beginsel opgesloten lag.’ Hierin liggen verschillende aanwijzingen en het natrekken daarvan zal de moeite waard blijken te zijn.

‘De goddelijke sophia bracht in de kern van ons stelsel een nieuwe orde tot geboorte, en daar brandde onze zon; daaruit komen allerlei soorten eigenschappen, vormen en krachten voort. Deze kern is de afscheider.’ Het is welbekend dat de Ouden allerlei krachten uit de zon afleidden, en als we ons niet vergissen, beweren de hindoes dat wanneer de vaderen paranirvana bereiken, hun verzamelde deugdzaamheid zich over de wereld uitstort via ‘de deur van de zon’.

De Bhagavad Gita zegt dat de Heer van het heelal in de streek van het hart woont, en ook dat deze Heer de zon van de wereld is.

‘De aarde is een verdichting van de zeven oorspronkelijke beginselen, en toen het eeuwige licht zich terugtrok, werd ze een duistere vallei.’ In het Oosten wordt onderwezen dat de wereld een vallei is en dat we daarin wonen, dat onze lichamen tot aan de maan reiken, en tot hardheid worden verdicht op het punt waar wij ons op aarde bevinden en daardoor zichtbaar zijn geworden voor het menselijk oog. Hierin ligt een mysterie, maar niet zo diep dat het niet kan worden doorgrond.

Böhme vervolgt:

Toen het licht het vuur had bedwongen op de plek waar de zon is, ontstond door de hevige schok van de strijd een vurige uitbarsting, waardoor een stormachtige en angstaanjagende massa vlammen omhoogschoot – Mars. Nadat deze door het licht was gevangen, nam hij zijn plaats in, en daar worstelt hij verwoed, een stekende prikkel, die als taak heeft om de hele natuur in beroering te brengen en een reactie teweeg te brengen. Hij is de gal van de natuur. Het vriendelijke, liefdevolle licht ging, nadat het de niet ontsnapte Mars aan banden had gelegd, uit eigen kracht tot de bodem of het punt van de grootste onbuigzaamheid van de natuur, en omdat het daar niet verder kon gaan, kwam het tot stilstand en werd lichamelijk; terwijl het daar blijft verwarmt het die plek en hoewel het van nature een dienaar is, is het de bron van vriendelijkheid en de bedwinger van Mars.

Saturnus komt niet uit de zon voort, maar werd voortgebracht door de hevige samentrekkende angst van het hele lichaam van dit heelal. Voorbij Jupiter kon de zon de ellende niet verzachten, en daaruit ontstond Saturnus, die het tegenovergestelde van meegaandheid is en die in levende wezens alles wat de aard van onbuigzaamheid heeft, voortbrengt, waaronder de beenderen, en wat in normale gevallen daarmee overeenkomt. [Dit betreft allemaal de hoogste astrologie, en komt van iemand die hiervan geen kennis bezat.] Zoals het hart van het leven zich in de zon bevindt, zo brengt Saturnus alles wat lichamelijk van aard is voort. Zo zetelt in deze beide de kracht van het gehele universele lichaam, en zonder hun kracht zou er geen schepping kunnen bestaan of belichaming kunnen plaatsvinden.

Venus heeft haar oorsprong in uitstralingen van de zon. Ze verlicht de olieachtigheid van het water van het heelal, doordringt de hardheid, en wekt de liefde op.

Mercurius is de belangrijkste werker in het planetaire wiel; hij is geluid en doet de kiemen in alles ontwaken. Zijn oorsprong, de overwinning van het licht op de samentrekkende werking (waarin het geluid was opgesloten en tot zwijgen gebracht) gaf het geluid zijn vrijheid door het verzwakken van de samentrekkende kracht.

Het lijdt geen twijfel dat de onderzoeker, als hij deze uitspraak over Mercurius goed begrijpt, een hoog niveau van kennis moet hebben bereikt. Hier wordt een verleidelijk lokaas aangeboden aan hen die zich inspannen en serieus ernaar verlangen om in contact te komen met de wereld van de elementalen. Maar er bestaat geen gevaar, want alle wegen zijn zorgvuldig verborgen, en alleen hij die een zuiver hart heeft kan de voorbereidende stadia doorstaan.

Böhme zegt verder:

Mercurius wordt voortdurend gevoed en doordrongen met de zonnesubstantie; daarin wordt kennis gevonden over wat zich in de daarbovenliggende orde bevond, voordat licht het zonnecentrum had doordrongen.

Wat de maan betreft is het opmerkelijk te zien dat hij zegt: ‘Ze kwam voort uit de zon zelf op het moment dat hij stoffelijk werd, en de maan is zijn echtgenote.’ Wie zich het verhaal van Adam herinnert die door God in een diepe slaap werd gebracht onmiddellijk nadat hij was geschapen en vóór de ‘rokken van vellen’ werden gegeven, toen Eva uit zijn zijde werd voortgebracht, zal hierin een sterke aanwijzing vinden.

Het bovenstaande is in geen geval een volledige uiteenzetting van Böhme’s stelsel. Om dit goed tot zijn recht te laten komen, zou men al zijn geschriften volledig moeten analyseren. Het is echter voldoende als serieuze denkers die Böhme nooit hebben gelezen, zijn werken, na dit artikel gelezen te hebben, gaan bestuderen, of als één enkele serieuze lezer van zijn geschriften, of een zoeker naar waarheid, er slechts een aanwijzing in zal vinden die hem zal helpen om twijfels weg te nemen of hem één enkel nieuw denkbeeld zal schenken. Louis Claude de Saint-Martin las Böhme geregeld, en zelfs een vluchtige blik in de Theosofische correspondentie1 of De waardigheid van de mensgeest2 van Saint-Martin laat zien hoeveel hij van die studie heeft geleerd. Hoeveel meer zal een westerling dan worden geholpen door het licht dat door de lamp van de theosofische leringen op beide wordt geworpen.

1La correspondance inédite de L.-C. de Saint Martin, Parijs, 1862. Engelse vertaling: Theosophic Correspondence, Exeter, 1863; herdruk, Theosophical University Press, Pasadena, 1991.
2Le ministère de l’homme-esprit, Parijs, 1802.

‘Laat de wens van de toegewijden in vervulling gaan.’

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 466-74

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag