Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Mesmerisme

[Lucifer, mei 1892, blz. 197-205]

Dit is de naam gegeven aan een kunst of het demonstreren van een vermogen om op anderen invloed uit te oefenen en de mogelijkheid om beïnvloed te kunnen worden, die al lang vóór de tijd van Anton Mesmer bekend was. Een andere naam voor sommige van de verschijnselen ervan is hypnotisme, en weer een andere is magnetisme. Deze laatste benaming werd gegeven omdat het individu dat werd beïnvloed soms de hand van de magnetiseur scheen te volgen zoals ijzervijlsel door een magneet wordt aangetrokken. Deze namen worden tegenwoordig door verschillende beoefenaars ervan gebruikt, maar het is onder nog veel meer namen bekend geweest: fascinatie is er een en biologeren is een andere, maar het aantal is zo groot dat het zinloos is om de hele lijst op te sommen.

Franz Anton Mesmer 1734-1815

Anton Mesmer, die in de westerse wereld meer dan iemand anders ertoe heeft bijgedragen om het onderwerp algemeen bekend te maken en wiens naam het nog draagt, werd in 1734 geboren en enige jaren vóór 1783, of omstreeks 1775 verwierf hij grote naam in Europa in verband met zijn experimenten en behandelingen. Maar, zoals H.P. Blavatsky in haar Theosophical Glossary zegt, hij was slechts een herontdekker. Dit hele onderwerp was al lang vóór zijn tijd onderzocht – in feite vele eeuwen vóór het begin van de Europese beschaving – en alle grote broederschappen van het Oosten zijn altijd in het volle bezit geweest van geheimen van de toepassing ervan, die nu nog onbekend blijven. Mesmer onthulde zijn ontdekkingen in feite als vertegenwoordiger – hoewel vermoedelijk zonder zijn opdrachtgevers bekend te maken – van bepaalde broederschappen waarvan hij lid was. Zijn onthullingen kwamen in het laatste kwart van de eeuw, zoals die van de Theosophical Society na 1875 waren gekomen, en wat hij deed was het enige wat er in die tijd mogelijk was.

Maar in 1639, 100 jaar vóór Mesmer, werd in Europa een boek gepubliceerd over de toepassing van mesmerisme bij het genezen van wonden met als titel Het sympathetisch poeder van Erycius Mohyus van Eburonis. De genezing kon, zo werd beweerd, op afstand van de wond tot stand worden gebracht als gevolg van de kracht of het richtende vermogen die de afstand tot die wond overbrugt. Dit is precies een van de vormen van zowel hypnotisme als mesmerisme. Soortgelijke zaken werden door een monnik, Uldericus Balk genaamd – die beweerde dat ziekten op zo’n manier konden worden genezen – in 1611 in een boek over de lamp van het leven beschreven. In deze werken vindt men natuurlijk veel bijgeloof, maar ondanks alle dwaasheden handelen ze toch over mesmerisme.

Nadat een commissie van de Franse Academie – Benjamin Franklin was een van de leden ervan – haar oordeel over het onderwerp had uitgesproken en het vrijwel geheel had afgekeurd, kreeg het mesmerisme een slechte naam, maar het leefde in Amerika weer op door toedoen van allerlei mensen die aan hun werk verschillende nieuwe namen gaven en er boeken over schreven. Een van hen, Dods, verkreeg heel wat bekendheid en werd tijdens het leven van Daniel Webster uitgenodigd om er een lezing over te houden voor een aantal senatoren van de Verenigde Staten. Hij noemde zijn stelsel ‘psychologie’, maar het was niets anders dan mesmerisme, zelfs tot in details over zenuwen en dergelijke. En in Engeland werd eveneens heel wat aandacht eraan geschonken door allerlei mensen die geen wetenschappelijke bekendheid genoten. Zij gaven het mesmerisme geen betere naam dan het al had, en de pers en het publiek beschouwden de aanhangers ervan in het algemeen als kwakzalvers en het mesmerisme als bedrog. Dit was de stand van zaken tot het onderzoek over wat nu als hypnotisme bekendstaat dat aspect van het onderwerp weer meer naar voren bracht, en na 1875 was de algemene belangstelling meer en meer gericht op de mogelijkheden op het gebied van helderziendheid, helderhorendheid, trance, geestverschijningen, en dergelijke. Zelfs artsen en anderen, die voordien al dat soort onderzoek hadden bespot, kregen er belangstelling voor en zijn ook nu nog ermee bezig. En er is geen twijfel aan dat mesmerisme, onder welke naam dan ook, meer en meer de aandacht zal trekken. Want het is onmogelijk om lang met hypnose te experimenteren zonder met mesmerische verschijnselen te maken te krijgen en zodoende gedwongen te worden om ook dat gebied nader te onderzoeken.

Ten onrechte maken hypnotiseurs aanspraak op het doen van ontdekkingen, want zelfs de ongeschoolde zogeheten kwakzalvers of charlatans uit bovengenoemde perioden spraken over het feit – dat hypnotiseurs als hun ontdekking beschouwen – dat veel mensen in een gehypnotiseerde toestand verkeren, terwijl dit voor hen de normale toestand is. Zo iemand, zeiden ze, verkeerde in een ‘gebiologeerde’ of negatieve toestand, enz., afhankelijk van het stelsel dat ze volgden.

In Frankrijk verbaasde baron Du Potet iedereen met zijn demonstraties van mesmerisme, waardoor hij even grote veranderingen teweegbracht in zijn proefpersonen als de hypnotiseurs nu in die van hen. Later, nadat hij in oude boeken had gelezen, gebruikte hij een aantal vreemde symbolen en zei dat die de meest wonderbaarlijke invloed op de proefpersoon uitoefenden, maar weigerde ze aan wie dan ook bekend te maken behalve aan personen die een gelofte hadden afgelegd. Deze regel werd echter overtreden en zijn instructies en symbolen werden enkele jaren geleden gedrukt en verkocht met een schijn van geheimzinnigheid door een slot op de band van het boek te zetten. Ik heb deze verzameling gelezen, maar heb geconstateerd dat ze geen enkele waarde hebben en dat de invloed ervan slechts afhangt van de wilskracht van degene die ervan gebruikmaakt. De baron was van nature een man met grote mesmerische kracht en was in staat zijn proefpersonen dingen te laten doen zoals maar weinig anderen dat konden. Hij stierf echter zonder dat de wetenschap door zijn toedoen veel aandacht aan de zaak had geschonken.

De grote vraag schijnt te zijn of er een fluïdum is dat van de mesmerist uitstroomt of niet. Velen ontkennen dit, en bijna alle hypnotiseurs weigeren dit toe te geven. H.P. Blavatsky zegt dat er zo’n fluïdum is, en zij die op het gebied waar deze thuishoort kunnen zien, bevestigen dat het bestaat als een subtiele vorm van materie. Volgens mij is dit waar, en volstrekt niet in strijd met de experimenten op het gebied van hypnose, want het fluïdum kan zijn eigen bestaan hebben, op hetzelfde moment dat mensen zichzelf hypnotiseren door eenvoudig de ogen omhoog te rollen terwijl ze naar een glanzend voorwerp kijken. Dit fluïdum bestaat deels uit astrale substantie die iedereen omringt, en deels uit fysieke atomen in een fijn verdeelde toestand. Sommigen noemen deze astrale substantie de aura. Maar dit woord is vaag, omdat er verschillende soorten aura’s bestaan en veel verschillende graden waarin deze zich tot uitdrukking brengen. Deze zullen niet worden gekend, zelfs niet door de meest wilskrachtige theosofen, vóór de mensheid als geheel zich tot dat niveau heeft ontwikkeld. Dus voorlopig zal het woord in gebruik blijven.

Deze aura wordt dan door de mesmerist over zijn proefpersoon geworpen en wordt door laatstgenoemde in een bepaald gedeelte van zijn innerlijke samenstelling opgenomen, dat door onderzoekers in het Westen nog nooit is beschreven, omdat ze hiervan niets weten. Die opname heeft tot gevolg dat bepaalde innerlijke en niet-fysieke gedeelten van de proefpersoon ontwaken, waardoor een verandering optreedt in de verhouding tussen de verschillende en talrijke omhulsels van de innerlijke mens, en waardoor verschillende graden van intelligentie en van helderziendheid en dergelijke mogelijk worden. Het heeft geen enkele invloed op het hogere zelf, want dat kan met zulke middelen onmogelijk worden bereikt. Veel mensen worden misleid door te veronderstellen dat het hogere zelf het antwoord geeft of dat er een geest of zoiets aanwezig is, maar het is slechts een van de vele innerlijke personen die spreekt, of beter gezegd die de spraakorganen hun taak laat vervullen. En juist op dit punt vergissen theosofen en niet-theosofen zich, omdat de woorden die worden gesproken vaak ver boven het verstandelijke vermogen van de proefpersoon in zijn gewone waaktoestand staan. Daarom ben ik van plan een ruwe schets te geven van wat er in feite gebeurt, zoals dat al eeuwenlang bekend is aan hen die met het innerlijke oog kunnen zien en zoals dat op een dag door de wetenschap zal worden ontdekt en erkend.

Wanneer het hypnotiseren of mesmeriseren volledig is geslaagd – en vaak ook als dit maar gedeeltelijk zo is – wordt het vermogen van het lichaam om zijn indrukken door te geven onmiddellijk verlamd, waardoor het de uitingen van het innerlijke wezen niet meer kan wijzigen. In de gewone waaktoestand is ieder mens – zonder zich daarvan los te kunnen maken – onderhevig aan alle verschillende indrukken afkomstig uit zijn hele organisme; dat wil zeggen, elke cel in zijn lichaam, tot de kleinste toe, heeft een eigen reeks van indrukken en herinneringen, die alle op het grote register, onze hersenen, inwerken, tot er geen enkele indruk meer in de cel achterblijft. En dit proces kost veel tijd. Bovendien wordt het moment van uitputting voor onbepaalde tijd uitgesteld, omdat we voortdurend nieuwe indrukken toevoegen. Het gevolg is dat de innerlijke mens zich niet kan doen gevoelen. Maar in een geschikte proefpersoon kunnen die lichamelijke indrukken door mesmerisme tijdelijk worden geneutraliseerd, en dit heeft onmiddellijk een ander gevolg, wat gelijkstaat met een generaal van zijn leger af te snijden en hem zo te dwingen andere manieren te zoeken om zich tot uitdrukking te brengen.

De hersenen krijgen – in gevallen waarin de proefpersoon spreekt – net voldoende vrijheid om ze de mogelijkheid te geven om de bevelen van de mesmerist op te volgen en de spraakorganen tot antwoorden te dwingen. Tot zover in het algemeen.

We zijn nu aangekomen bij een ander deel van de menselijke natuur dat voor de westerse wereld en haar wetenschappers onbekend terrein is. Bij praktische toepassing van het mesmerisme worden andere organen – los van het lichaam – aan het werk gezet, die in de normale toestand met en door laatstgenoemde werken. De wereld erkent deze niet, maar ze bestaan toch en zijn even werkelijk als het lichaam – sommigen die het weten verklaren dat deze organen meer werkelijkheid bezitten en minder vergankelijk zijn, want ze blijven vanaf de geboorte tot de dood bijna onveranderd. Deze organen hebben hun eigen stromen of circulatie, hun eigen manier om indrukken te ontvangen en te bewaren. Door deze organen worden in een oogwenk de geringste sporen van een ding of woord dat zich aan de wakende mens voordoet, opgevangen en vastgehouden. Ze houden deze niet alleen vast, maar maken ze vaak bekend, en wanneer de persoon wordt gemesmeriseerd, kunnen deze organen zich onbelemmerd buiten het lichaam begeven.

Ze zijn verdeeld in veel klassen en graden, en elk ervan heeft een hele reeks ideeën en feiten die specifiek bij die klasse horen, en ook centra in het etherische lichaam waarmee ze in verband staan. In plaats dat de hersenen zich met de gevoelens van het lichaam bezighouden, hebben ze iets heel anders te doen, en berichten wat deze innerlijke organen zien in elk deel van de ruimte waar ze op worden gericht. En in plaats dat u het hogere zelf heeft wakker gemaakt, heeft u slechts een van de vele groepen van indrukken en ervaringen blootgelegd waaruit de innerlijke mens bestaat, die zelf ver afstaat van het hogere zelf. Deze verschillende beelden, die overal vandaan zijn gehaald, worden gewoonlijk overstemd door het gedruis van ons fysieke leven, d.w.z. het geheel van alle mogelijke uitingen van een normaal wezen op het fysieke gebied waarop we ons bewegen. Gewoonlijk vangen we maar een glimp ervan op, als we plotseling een inval hebben of ons iets herinneren, of in dromen wanneer we tijdens onze slaap fantasiebeelden zien waarvoor we geen duidelijke oorzaak kunnen vinden in ons dagelijks leven. Maar die oorzaak bestaat en is meestal een van de miljoenen kleine dagelijkse indrukken die door onze fysieke hersenen onopgemerkt zijn gebleven maar foutloos zijn geregistreerd door andere zintuigen die tot ons astrale lichaam behoren. Dat astrale lichaam, of de dubbelganger, doordringt namelijk het fysieke lichaam, zoals waterverf het water in een kom. En hoewel volgens de huidige materialistische opvattingen zo’n mistige schaduw geen onderdelen of vermogens of organen kan hebben, heeft de dubbelganger deze alle met een verbazingwekkende kracht en bereik. Ook al is het misschien een mist, onder de juiste omstandigheden kan het toch een kracht uitoefenen gelijk aan die van de onzichtbare wind wanneer deze de imposante bouwwerken van ons nietige mensen met de grond gelijkmaakt.

De verklaring van het mesmerisme en hypnotisme moet dus in het astrale lichaam worden gezocht. Het hogere zelf kan een verklaring geven van de zeldzame vluchten die we soms naar het gebied van de geest ondernemen, en het is de God – de Vader – binnenin ons die zijn kinderen leidt langs het steile pad naar volmaking. Laten we dit denkbeeld niet onteren door het in verband te brengen met het lage gebied van mesmerische verschijnselen, die door alle gezonde mannen of vrouwen tevoorschijn kunnen worden geroepen als ze dat zouden proberen. Hoe grover de mesmerist is hoe beter, want dan is er meer mesmerische kracht, en indien het hogere zelf de invloed zou voelen, dan zou daaruit blijken dat grove stof gemakkelijk de hoge geest kan beïnvloeden en van richting doen veranderen – en dit is in strijd met het getuigenis van alle tijden.

Een paramahansa van de Himalaya heeft de volgende woorden gepubliceerd: ‘Theosofie is die tak van vrijmetselarij die het heelal voorstelt in de vorm van een ei.’1 Als we de kiem in het ei even buiten beschouwing laten, dan houden we vijf hoofdafdelingen over: het eiwit, de dooier, het dooiervlies, het vlies aan de binnenkant van de schaal en de harde schaal. De schaal en het vlies aan de binnenkant kunnen als één worden beschouwd. Dan blijven er vier over, die overeenkomen met de oude indeling in vuur, lucht, aarde en water. De mens kan globaal genomen op dezelfde manier worden ingedeeld, en uit deze hoofdindelingen komen zijn vele ervaringen op het uiterlijke en innerlijke gebied voort. De menselijke structuur bestaat uit zijn huid, zijn bloed, zijn aardse bestanddelen – die we nu beenderen noemen – zijn vlees en ten slotte de grote kiem, die ergens in de hersenen ligt, afgeschermd door een dikke laag van een vettige substantie.

1The Theosophist, augustus 1882, blz. 273.

Tot de huid worden de slijmvliezen, alle vliezen in het lichaam, de aderwanden, enz., gerekend. Het vlees omvat de zenuwen, de zogenaamde dierlijke cellen en de spieren. De beenderen staan op zichzelf. Het bloed heeft zijn cellen, de bloedlichaampjes en de vloeistof waarin ze drijven. De organen, zoals de lever, de milt, de longen, bevatten huid, bloed en slijm. Elk van deze afdelingen en alle onderafdelingen ervan hebben hun eigen indrukken en herinneringen, en dit alles – samen met de hersenen die het geheel coördineren – vormt de mens zoals hij op het zichtbare gebied bestaat.

Al deze spelen een rol bij de verschijnselen van het mesmerisme, hoewel er mensen zijn die misschien denken dat het onmogelijk is dat slijmvliezen of de huid ook maar enige kennis kunnen verschaffen. Maar toch is dat zo, want elke keer dat we kennis opdoen hebben de gewaarwordingen van alle lichaamsdelen invloed daarop, en als de ervaringen van de huidcellen, of van andere, heel duidelijk zijn overgebracht naar de hersenen van de proefpersoon, zal alles waarover hij de mesmerist verslag uitbrengt daarop berusten – zonder dat één van beiden zich daarvan bewust is – en voor de hersenen in taal worden omgezet zolang de proefpersoon nog niet het volgende stadium heeft bereikt. Dit is de esoterische leer, en uiteindelijk zal men ontdekken dat deze juist is. Want de mens bestaat uit miljoenen levens, en van deze, die niet in staat zijn om rationeel of onafhankelijk te handelen, verkrijgt hij ideeën; en als heer en meester van al deze zet hij die ideeën, samen met andere, afkomstig van hogere gebieden, om in gedachten, woorden en daden. Daarom moet deze factor, zodra men zich met mesmerisme bezighoudt, niet uit het oog worden verloren, maar tegenwoordig weten de mensen er niets van af, en dus kunnen ze er geen rekening mee houden, en worden overweldigd door het vreemde van de verschijnselen.

Zelfs de beste proefpersonen zijn verward in hun berichtgevingen, want wat ze zien is altijd gewijzigd en verdraaid door de ervaringen van de verschillende onderdelen van hun natuur, die eerder werden genoemd en die allemaal voortdurend gehoord willen worden. Iedere mesmerist zal daardoor ongetwijfeld worden misleid zolang hij geen getrainde ziener is.

De volgende stap brengt ons op het gebied van de innerlijke mens, niet van het spirituele maar van het astrale wezen, het model op basis waarvan de uiterlijke, zichtbare vorm is gebouwd. De innerlijke mens is de middelaar tussen het denken en de stof. Als het denken iets gebiedt, brengt het de fysieke zenuwen in actie en zo het hele lichaam. Alle zintuigen hebben hun zetel in deze persoonlijkheid, en elk ervan heeft een bereik dat duizendmaal zo uitgestrekt is als dat van hun uiterlijke vertegenwoordigers, want de uiterlijke ogen en oren, en de tastzin, de smaak en de reuk zijn slechts de grove organen die door de innerlijke worden gebruikt, maar die als ze op zichzelf staan niets kunnen doen.

Dit is te zien wanneer we de zenuwverbinding van bijvoorbeeld het oog verbreken, want dan kan het innerlijke oog geen verbinding maken met de fysieke natuur en kan het het voorwerp dat voor het netvlies wordt geplaatst niet zien, hoewel het tastvermogen en het gehoor het voorwerp op hun eigen manier kunnen waarnemen als bij deze de verbinding niet eveneens is afgesneden.

Deze innerlijke zintuigen kunnen onder bepaalde omstandigheden op elke afstand waarnemingen doen, ongeacht plaats of eventuele belemmeringen. Maar ze kunnen niet alles zien; ook kunnen ze de aard van alles wat ze zien niet altijd begrijpen. Soms zien ze iets waarmee ze niet vertrouwd zijn. En ook gebeurt het vaak dat ze berichten dat ze datgene hebben gezien wat de mesmerist van hen verlangde dat ze zouden zien, en dan geven ze in feite onbetrouwbare informatie. Want omdat de astrale zintuigen van ieder individu de rechtstreekse erfenis van zijn eigen vroegere incarnaties en niet het gevolg van overerving zijn, kunnen ze niet hun eigen ervaring overstijgen, en daarom zijn hun waarnemingen daardoor beperkt, hoe verbazingwekkend hun handelingen ook toeschijnen aan iemand die alleen zijn fysieke zintuigen gebruikt. Bij een gewoon mens die gezond is, zijn de astrale zintuigen onlosmakelijk met het lichaam verbonden en worden beperkt door dit lichaam dat gedurende de waaktoestand voor die zintuigen een werktuig vormt. En alleen als men in slaap valt, of in een mesmerische toestand of in een trance wordt gebracht, of een zeer strenge training volgt, kunnen ze enigszins onafhankelijk handelen. Dit gebeurt tijdens de slaap, wanneer hun leven een heel ander karakter heeft dan dat waartoe ze door de kracht en de behoeften van het wakende organisme gedwongen worden. En wanneer er als gevolg van het mesmerische fluïdum een verlamming van het lichaam ontstaat, kunnen ze handelen, omdat de indrukken van de fysieke cellen worden onderdrukt.

Het mesmerische fluïdum brengt deze verlamming teweeg door van de mesmerist uit te stromen en zich gestaag over het hele lichaam van de proefpersoon uit te breiden, waardoor de polariteit van de cellen in alle lichaamsdelen verandert en de uiterlijke mens van de innerlijke wordt gescheiden. Omdat het hele fysieke zenuwstelsel in al zijn vertakkingen sympathisch is, zullen, wanneer belangrijke takken ervan worden beïnvloed, andere takken door sympathie in dezelfde toestand geraken. Zo gebeurt het bij gemesmeriseerde proefpersonen vaak dat armen en benen plotseling verlammen, zonder dat daar rechtstreeks invloed op wordt uitgeoefend, of wordt het effect van het fluïdum, en dat gebeurt even vaak, het eerst in de voorarm gevoeld, hoewel alleen het hoofd werd aangeraakt.

Dit deel van het proces kent veel geheimen, maar die zullen niet worden bekendgemaakt, omdat het voor iemand met goede bedoelingen gemakkelijk genoeg is om een proefpersoon te mesmeriseren door gebruik te maken van datgene wat al is gepubliceerd. Met behulp van bepaalde zenuwuiteinden die dicht onder de huid liggen, kan het hele zenuwstelsel in een oogwenk worden veranderd, zelfs met niets anders dan een lichte ademtocht uit de mond op een afstand van 2,5 m van de proefpersoon. Maar in moderne boeken wordt dit niet naar voren gebracht.

Wanneer de verlamming en de verandering van polariteit van de cellen volledig is, dan is de astrale mens bijna geheel van het lichaam gescheiden. Heeft hij enige structuur? Welke mesmerist weet dit? Hoevelen zullen waarschijnlijk ontkennen dat hij enige structuur heeft? Is hij slechts een nevel, een denkbeeld? En verder, hoeveel proefpersonen zijn voldoende getraind om hun eigen astrale anatomie te kunnen analyseren?!

De structuur van de innerlijke astrale mens is echter welomschreven en samenhangend. In een artikel zoals dit kan dat onderwerp niet volledig worden behandeld, maar het kan globaal worden beschreven, en dan moeten de lezers verder zelf de details uitwerken.

Zoals het uiterlijke lichaam een ruggengraat heeft, dat wil zeggen een wervelkolom die steun geeft aan het lichaam met aan het bovenste uiteinde de hersenen, zo heeft het astrale lichaam ook een ruggengraat en hersenen. Dit is stoffelijk, want het bestaat uit stof, hoe fijn ook verdeeld, en is niet van spirituele aard.

Nadat een kind zich volledig heeft ontwikkeld, maar nog niet is geboren, ligt deze vorm vast en is samenhangend en blijvend, en vanaf dat moment tot aan de dood verandert deze bijna niet. Zo is het ook wat zijn hersenen betreft; die blijven onveranderd tot het lichaam wordt opgegeven, en ze stoten niet van uur tot uur cellen af om door andere te worden vervangen, zoals dat bij de fysieke hersenen gebeurt. Deze innerlijke delen zijn dus veel duurzamer dan de overeenkomstige uiterlijke organen. Onze fysieke organen, beenderen en weefsels veranderen elk moment. Ze zijn altijd onderhevig aan wat de Ouden noemden ‘de voortdurende ontbinding van ondergeschikte eenheden van stof’, en daarom is er elke maand een waarneembare verandering door hetzij aanwas of vermindering. Dit is niet het geval bij de innerlijke vorm. Deze verandert slechts van leven op leven; zodra een nieuwe incarnatie begint, wordt deze gevormd en blijft dan gedurende de hele bestaansperiode intact. Want het model is dan – overeenkomstig de heersende evolutionaire verhoudingen – vastgesteld voor het uiterlijke lichaam. De innerlijke vorm is als het ware de verzamelaar van de zichtbare atomen die onze uiterlijke verschijning bepalen. Deze heeft bij de geboorte dus bepaalde potentiële afmetingen, en als die grens wordt bereikt, houdt de groei van het uiterlijke lichaam op; wat men nu een gemiddelde omvang en een gemiddeld gewicht noemt konden zo ontstaan. Tegelijkertijd wordt de vorm van het uiterlijke lichaam door het innerlijke gehandhaafd, tot de periode van ontbinding aanbreekt. En deze ontbinding, gevolgd door de dood, is niet toe te schrijven aan lichamelijk verval als zodanig, maar aan het feit dat het astrale lichaam zijn tijd heeft gehad en niet meer de kracht bezit om het uiterlijke omhulsel intact te houden. Het vermogen om weerstand te bieden aan de aanvallen van de fysieke moleculen is uitgeput, en de slaap van de dood begint.

Zoals in ons fysieke lichaam de hersenen en de ruggengraat de centra van het zenuwstelsel zijn, zo zijn er in ons astrale lichaam zenuwen die zich van de innerlijke hersenen en ruggengraat over de hele structuur vertakken. Deze staan alle in verbinding met elk orgaan van ons uiterlijke, zichtbare lichaam. Het zijn veeleer stromen dan zenuwen in de betekenis die wij daaraan hechten, en kunnen astrozenuwen worden genoemd. Ze bewegen zich in verband met de grote centra van het uiterlijke lichaam zoals het hart, de keelholte, de navel, de milt en de zenuwvlecht aan het uiteinde van de ruggengraat. En we kunnen hier en passant aan de westerse mesmeristen vragen wat hun bekend is over de zonnevlecht, wat ze weten over de kracht die daarin schuilt, en hoe ervan kan worden gebruikgemaakt. Ze zullen waarschijnlijk zeggen dat deze geen bijzonder nut heeft nadat de geboorte een feit is. Maar de ware wetenschap van het mesmerisme zegt dat er nog veel te leren valt zelfs over dat ene punt, en in de juiste kringen is er een overvloed aan verslagen van experimenten met, en van het toepassen van, dit zenuwcentrum.

De astroruggengraat heeft drie grote zenuwen van dezelfde soort stof. Ze kunnen paden of kanalen worden genoemd, waarlangs de krachten zich op en neer bewegen die het de innerlijke en uiterlijke mens mogelijk maken rechtop te staan, zich te bewegen, te voelen en te handelen. Als men ze beschrijft kan men zeggen dat ze precies overeenkomen met de magnetische fluïden, d.w.z. ze zijn respectievelijk positief, negatief en neutraal, en het volmaakte evenwicht ervan is van essentieel belang voor een goede gezondheid. Waar de astrale ruggengraat overgaat in de innerlijke hersenen veranderen de zenuwen en worden meer complex, en spreiden zich ten slotte breed uit in de schedel. Met deze twee belangrijke delen van de innerlijke persoon zijn de talloze andere soortgelijke zenuwen verbonden die betrekking hebben op de verschillende gebieden van waarneming in de zichtbare en de onzichtbare werelden. Deze vormen samen de innerlijke, handelende mens, en daarin moet men de antwoorden zoeken op vragen die door het mesmerisme en hypnotisme worden opgeroepen.

Als men dit wezen losmaakt van het uiterlijke lichaam waarmee het is verbonden, dan is het tijdelijk van zijn vrijheid beroofd en wordt het de slaaf van de mesmerist. Maar mesmeristen weten heel goed dat de proefpersoon aan hun macht kan ontsnappen, en dit vaak ook doet, tot schrik en verwarring van de mesmerist. Dit wordt door de beste westerse schrijvers over dit onderwerp bevestigd.

Maar deze innerlijke mens is beslist niet alwetend. Zijn inzicht is begrensd door zijn eigen ervaring, zoals we al hebben gezegd. Daarom ontstaan er fouten als we vertrouwen op wat hij in mesmerische trance zegt over iets waarvoor filosofisch inzicht nodig is, behalve in enkele zeldzame gevallen die zo weinig voorkomen dat we daaraan nu geen aandacht hoeven te schenken. Want noch de grens van het vermogen van de proefpersoon om kennis op te doen, noch de invloed van de mesmerist op bovengenoemde innerlijke zenuwcentra is in het algemeen aan mesmeristen bekend en vooral niet aan hen die de oude indeling van de innerlijke natuur van de mens niet aannemen. Het gevolg is bijna altijd dat de berichten die door de proefpersoon worden overgebracht door de mesmerist worden gekleurd.

Neem dit voorbeeld: A was een mesmerist van C, een hele mediamieke vrouw die zich nooit met filosofie had beziggehouden. A had besloten een bepaalde gedragslijn te volgen ten opzichte van andere mensen en zocht daarvoor argumenten. Maar vóór hij deze gedragslijn begon te volgen, raadpleegde hij het medium; hij was in het bezit van een brief van X, die een scherpe denker is en heel positief is ingesteld; A daarentegen was niet welomlijnd in zijn denken, hoewel hij een goede fysieke mesmerist was. Het resultaat was dat het medium, nadat het in trance was en over de zaak in kwestie werd gevraagd, de inzichten van X gaf, die ze niet kende, en wel zo nadrukkelijk dat A zijn hele plan veranderde maar niet zijn overtuiging, hoewel hij niet wist dat de ideeën van X, die in zijn denken bestonden, het medium zo sterk hadden beïnvloed. Die opvattingen van X waren zo scherp omlijnd dat ze alle vroegere opvattingen van het medium konden wijzigen. Hoeveel vertrouwen kunnen we dan hebben in zieners die geen enkele training hebben ondergaan? En alle proefpersonen die we kennen hebben geen enkele training ondergaan in de betekenis die dat woord heeft in de leerschool van het oude mesmerisme waarover ik heb gesproken.

Op de methoden die bij experimenten met mesmerisme worden gevolgd hoeven we hier niet in te gaan. Er zijn veel boeken waarin deze worden uiteengezet, maar na het onderwerp 22 jaar te hebben bestudeerd, kom ik tot de conclusie dat ze niets anders doen dan elkaar napraten, en dat alle aanwijzingen in feite op één enkel vel papier kunnen worden opgeschreven. Maar sinds de oudheid worden er veel andere methoden onderwezen die veel doeltreffender zijn, en die we voor een andere keer zullen bewaren.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 487-98

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag