Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Het ontwikkelen van concentratie

[The Path, juli 1888, blz. 116-23; februari 1890, blz. 329-31]

– 1 –

De meest gebruikelijke term om uit te drukken wat bovenstaande titel inhoudt, is zelfontwikkeling. Deze term schijnt althans voorlopig de oefening van mensen die de waarheid willen kennen, goed genoeg weer te geven. Toch is deze vanuit een theosofisch gezichtspunt onjuist. Want onder het zelf wordt datgene verstaan wat in Indiase boeken Isvara wordt genoemd: een deel van de eeuwige geest, dat door ieder menselijk lichaam wordt omsloten. Er is geen twijfel aan dat dit de Indiase opvatting is. De Bhagavad Gita (15:7-9) zegt dat een eeuwig deel van deze geest

na het leven aangenomen te hebben in de wereld van de levenden, het verstand en de vijf zintuigen, die tot de natuur behoren, tot zich trekt. Welk lichaam Isvara ook aanneemt of verlaat, hij neemt deze zintuigen met zich mee zoals de wind geuren vanaf bloembedden meevoert. Door controle te hebben over het gehoor, het gezicht, het gevoel, de smaak, de reuk en ook het verstand reikt deze geest naar de voorwerpen van de zintuigen.

En in een eerder hoofdstuk:

De hoogste geest in dit lichaam wordt de toeschouwer genoemd, de raadgever, de onderhouder, de genieter, de grote Heer en ook de hoogste ziel.    – 13:22

en verder:

zelfs wanneer de hoogste eeuwige ziel in het lichaam bestaat – of ermee is verbonden – wordt ze niet door de handelingen van het lichaam bezoedeld.    – 13:31

Op andere plaatsen in deze boeken wordt deze geest het zelf genoemd, zoals in de bekende zin die in het Sanskriet luidt ‘Atmanam atmana pasya’, wat betekent ‘Verhef het zelf door het Zelf’, en op verschillende plaatsen in de Upanishads, waar over het zelf voortdurend wordt gezegd dat het hetzelfde is als de Ìsvara van de Bhagavad Gita. Max Müller is van mening dat het woord ‘zelf’ de denkbeelden van de Upanishads op dit punt het beste weergeeft.

Hieruit volgt dat zoiets als ontwikkeling van dit zelf, dat in zijn diepste essentie eeuwig, onveranderlijk en door handelingen niet te bezoedelen is, niet mogelijk is. Door de ontoereikendheid van onze termen zijn studenten en schrijvers die een moderne taal gebruiken genoodzaakt het woord ‘zelfontwikkeling’ te gebruiken, hoewel ze, terwijl ze dit doen, erkennen dat ze wel weten dat het zelf niet kan worden ontwikkeld.

Wat ze bedoelen is ‘dat we een zodanige ontwikkeling of oefening nastreven dat we, terwijl we op aarde zijn, in staat zullen zijn de wijsheid van het innerlijke zelf – dat in alle opzichten wijs en goed is – te weerspiegelen en zijn opdrachten uit te voeren’.

Omdat de term ‘zelfontwikkeling’ voortdurend vraagt om toelichting – in woorden of door innerlijke bevestiging – is het aan te bevelen haar geheel te vermijden en door een andere term te vervangen die de bedoelde oefening omschrijft zonder tot tegenstrijdigheden te leiden. Ook om een andere reden moet de term worden vermeden. Het woord ‘zelfontwikkeling’ heeft iets egoïstisch, want als we het gebruiken om iets aan te duiden wat we alleen voor onszelf doen, maken we onmiddellijk een scheiding tussen onszelf en de rest van de mensheid. Slechts op één manier kunnen we het zonder tegenstrijdigheid of nadere verklaring gebruiken, namelijk als we erkennen dat we egoïstisch aan onze eigen ontwikkeling willen werken, en daarmee zouden we onmiddellijk inbreuk maken op een hoofdregel van het theosofische leven, een regel waarop herhaaldelijk en nadrukkelijk de aandacht is gevestigd, namelijk dat het denkbeeld van een persoonlijk zelf moet worden uitgeroeid. Omdat we deze regel natuurlijk niet zullen tegenspreken, zien we des te meer de noodzaak ervan in om een term te vinden die niet tot tegenstrijdigheden leidt. In deze nieuwe term moet zoveel mogelijk naar de drie essentiële aspecten van de handeling worden verwezen, namelijk het middel, de handeling en de handelende persoon, en ook het motief voor de handeling; ofwel, kennis zelf, dat wat gekend of gedaan moet worden, en de persoon die kent.

Deze term is CONCENTRATIE. In de Indiase boeken wordt ze yoga genoemd. Dit woord wordt ook met ‘eenwording’ vertaald, dat wil zeggen eenwording met het hoogste wezen, of nog anders gezegd: ‘Het doel van spirituele kennis is het hoogste wezen.’

In oude boeken wordt yoga in twee hoofdafdelingen verdeeld: hathayoga en rajayoga.

Hathayoga is een in praktijk gebrachte ascese van het lichaam, waardoor bepaalde vermogens worden ontwikkeld. Deze yoga omvat het aannemen van bepaalde houdingen die het werk vergemakkelijken, bepaalde manieren om adem te halen die veranderingen in de menselijke constitutie teweegbrengen, en nog andere middelen. In de Bhagavad Gita (4:26, 29-30) wordt daarover het volgende gezegd:

Sommige gelovigen offeren het gehoor en de andere zintuigen in het vuur van zelfbeheersing, anderen offeren het geluid en andere voorwerpen van de zintuigen in het vuur van de zintuigen. Weer anderen offeren de inademing in de uitademing en de uitademing in de inademing; ze willen hun adem beheersen door de kanalen van in- en uitademing te blokkeren. Anderen offeren het leven in hun leven door zich van voedsel te onthouden.

In verschillende verhandelingen worden deze methoden in detail uiteengezet, en er is geen twijfel mogelijk dat iemand die ze volgt allerlei abnormale vermogens kan verwerven. Er schuilt hierin echter een gevaar, vooral voor mensen in het Westen waar op dat gebied geen ervaren guru’s of leraren zijn te vinden. Deze gevaren bestaan hierin dat iemand die zonder leiding de hathayoga-voorschriften volgt, invloeden aantrekt die hem kwaad doen. Ook brengt hij zijn natuurlijke levensfuncties nu en dan in zulke toestanden dat hij tijdelijk zou moeten ophouden; omdat hij echter niet over voldoende kennis beschikt, gaat hij dan misschien toch door en schadelijke gevolgen zijn het resultaat. Bovendien is hathayoga moeilijk na te streven en moet deze worden voortgezet tot men meesterschap en succes heeft bereikt. Weinig westerlingen zijn van nature geschikt voor zo’n zware en aanhoudende inspanning op verstandelijk en astraal gebied. Ze worden tot hathayoga aangetrokken – omdat deze iets nieuws is en omdat deze schijnbaar resultaten belooft in de vorm van zichtbare fysieke gevolgen – en beginnen zonder kennis van de moeilijkheden, en als ze dan na een aantal experimenten ophouden, halen ze zich gevolgen op de hals die totaal ongewenst zijn.

Het grootste bezwaar ertegen is echter dat het betrekking heeft op de stoffelijke of halfstoffelijke mens – of ruwweg tot het lichaam – en wat er gewonnen wordt gaat dus bij de dood verloren.

De Bhagavad Gita (4:30-1) spreekt hierover en beschrijft deze dingen als volgt:

Allen weten zij wat offeren is, en door hun offers hebben zij hun zonden vernietigd. Maar alleen hij die drinkt van het ambrozijn, het overblijfsel van een offer, bereikt eenwording met het hoogste wezen.

Dit betekent dat hathayoga-praktijken alleen het offer zelf vertegenwoordigen, terwijl de andere soort het ambrozijn is dat aan het offer of ‘de vervolmaking van spirituele ontwikkeling’ ontspringt, en tot nirvana leidt. De middelen om de ‘vervolmaking van spirituele ontwikkeling’ te bereiken worden in rajayoga gevonden, of – zoals we het nu zullen noemen – in het ontwikkelen van concentratie.

Wanneer de concentratie volmaakt is geworden, zijn we in staat de kennis te gebruiken die altijd binnen ons bereik ligt, maar die ons gewoonlijk voortdurend ontgaat. Wat gewoonlijk kennis wordt genoemd, omvat slechts het verstandelijk begrijpen van de uiterlijke, zichtbare vormen die door bepaalde werkelijkheden worden aangenomen. Neem wat wetenschappelijke kennis van mineralen en metalen wordt genoemd. Dit omvat alleen een classificatie van stoffelijke verschijnselen die empirisch is verkregen. Wetenschappers weten waar bepaalde mineralen en metalen nuttig voor zijn en kennen enkele van hun eigenschappen. Zo weet men van goud dat het zuiver, zacht, geel en heel buigzaam is; en door een reeks toevallige gebeurtenissen bleek het bruikbaar te zijn in de geneeskunde en de schone kunsten. Maar ook nu nog is de vraag nog niet helemaal opgelost of goud mechanisch dan wel chemisch in het ruwe erts is gebonden. Hetzelfde geldt voor mineralen. De kristalvormen zijn bekend en geclassificeerd.

Niettemin is er een nieuwe theorie ontstaan, die heel dicht bij de waarheid komt, dat we de stof op deze manier niet werkelijk leren kennen, maar slechts bepaalde verschijnselen waarnemen die door de stof aan ons worden gepresenteerd en afhankelijk van de verschijnselen goud, hout, ijzer, steen, enz., worden genoemd. Maar de wetenschap zal niet erkennen dat de mineralen, metalen en planten nog andere eigenschappen hebben die alleen door andere nog onontwikkelde zintuigen kunnen worden waargenomen. Als we van de onbezielde voorwerpen overgaan tot de mannen en vrouwen om ons heen, dan kan de gewone verstandelijke kennis ons al evenmin helpen. We zien lichamen met verschillende namen en van verschillende rassen, maar ons gewone, alledaagse verstand reikt niet verder dan de uiterlijke verschijnselen. We schrijven iemand een bepaald karakter toe, nadat we zijn gedrag hebben gadegeslagen, maar dit oordeel is slechts voorlopig, want niemand van ons zou durven zeggen dat we al zijn goede of slechte eigenschappen kennen. We weten dat hij meer is dan we kunnen zien of beredeneren, maar wat, kunnen we niet zeggen. Het ontgaat ons steeds. Wanneer we daarna ons verdiepen in onszelf, blijkt onze onwetendheid even groot te zijn als die ten opzichte van onze medemensen. Op basis daarvan is een oud gezegde ontstaan: ‘Iedereen weet wat hij is, maar niemand weet wat hij zal worden.’

We moeten in ons een onderscheidingsvermogen hebben, waarvan de ontwikkeling ons in staat zal stellen alles te weten wat we maar willen weten. Dat er zo’n vermogen bestaat, wordt door leraren van het occultisme bevestigd, en het middel om het te verkrijgen is het ontwikkelen van concentratie.

Men vergeet vaak of gelooft niet dat de innerlijke mens, die over deze vermogens moet gaan beschikken, volwassen moet worden, zoals ook het lichaam moet opgroeien voordat zijn organen hun functies volledig kunnen vervullen. Met innerlijke mens bedoel ik niet het hogere zelf – de bovengenoemde Isvara – maar dat deel van ons dat ziel, of astrale mens, of voertuig, enz., wordt genoemd. Al deze termen zijn voor verbetering vatbaar en moeten niet star worden gebruikt in de betekenis die verschillende schrijvers eraan geven. Laten we uitgaan van ten eerste het nu zichtbare lichaam, ten tweede de innerlijke mens (niet de geest), en ten derde de geest zelf.

Hoewel het waar is dat de tweede – of innerlijke mens – potentieel over alle vermogens en karakteristieke eigenschappen die aan het astrale lichaam worden toegeschreven, beschikt, is het evenzeer waar dat deze vermogens bij de meeste mensen nog latent of slechts heel onvolkomen ontwikkeld zijn.

Dit innerlijke wezen is zogezegd onlosmakelijk, cel voor cel, vezel voor vezel, met het lichaam verbonden. Het bevindt zich in het lichaam ongeveer zoals de vezels van de mangovrucht in de mango. In die vrucht zit een pit met duizenden fijne vezels die zich van daaruit door het gele vruchtvlees verspreiden. En als men de vrucht eet, is het erg lastig het vruchtvlees van de vezels te onderscheiden. Het innerlijke wezen waarover we spreken, kan dus niet veel doen buiten het lichaam; het wordt er steeds door beïnvloed. Het is daarom niet gemakkelijk om – als we dat willen – het lichaam te verlaten en in het astrale dubbel rond te dwalen. De verhalen die we soms horen dat dit zo gemakkelijk is, kunnen aan een sterke verbeelding, ijdelheid of andere oorzaken worden toegeschreven. Een belangrijke bron van fouten met betrekking tot deze dubbels is dat een helderziende een beeld van iemands gedachten gemakkelijk aanziet voor de persoon zelf. Occultisten die de waarheid kennen, beschouwen het naar wens verlaten van het lichaam en het rondzwerven over de aarde dan ook als iets heel moeilijks, en wel om bovengenoemde redenen. Omdat de persoon nauw vervlochten is met het lichaam, is het absoluut noodzakelijk zijn astrale vorm eerst zorgvuldig, vezel voor vezel, van de omringende massa van bloed, beenderen, slijmvliezen, gal, huid en vlees te scheiden, vóór hij in die astrale vorm door het land kan reizen. Is dit gemakkelijk? Het is noch gemakkelijk noch snel te volbrengen, en het lukt ook niet in één keer. Het moet het resultaat zijn van jarenlange, geduldige oefening en van talrijke experimenten. En het kan niet bewust worden gedaan vóór de innerlijke mens zich tot iets meer dan een onverantwoordelijke en trillende gelei heeft ontwikkeld en samenhang heeft gekregen. Deze ontwikkeling en samenhang worden verkregen door het concentratievermogen te vervolmaken.

Dat we zelfs in onze slaap door het land snellen om vriend of vijand te ontmoeten, of om in verafgelegen streken aardse genoegens te genieten is evenmin waar, zoals mij door experimenten en onderricht is gebleken. In alle gevallen waar iemand enige mate van concentratie heeft bereikt, is het best mogelijk dat het slapende lichaam geheel wordt verlaten, maar die gevallen zijn tot nu toe uitzonderingen.

De meesten van ons blijven heel dicht bij het sluimerende lichaam. Het is voor ons niet nodig eruit weg te gaan om de verschillende bewustzijnstoestanden te ervaren, iets waar iedereen recht op heeft, maar we begeven ons niet mijlenver het land in vóór we dat kunnen, en we kunnen dat niet vóór het noodzakelijke etherische lichaam is verkregen en het heeft geleerd hoe het zijn vermogens moet gebruiken.

Dit etherische lichaam heeft zijn eigen organen, die de essentie of werkelijke basis van de door de mens beschreven zintuigen zijn. Het uiterlijke oog is slechts het instrument door middel waarvan het werkelijke gezichtsvermogen in contact komt met wat tot het gezicht behoort; het oor heeft zijn innerlijke meester – het vermogen om te horen – enzovoort voor ieder orgaan. Deze werkelijke vermogens in ons komen voort uit de geest, waarnaar we aan het begin van dit artikel verwezen. Die geest richt zich op de voorwerpen van de zintuigen door de controle te hebben over de verschillende zintuigorganen. En wanneer hij zich terugtrekt, kunnen de organen niet worden gebruikt. Op deze manier loopt een slaapwandelaar rond met open ogen, die echter niets zien, hoewel de verschillende delen van het oog volkomen normaal en intact zijn.

Gewoonlijk zijn deze innerlijke en uiterlijke organen niet van elkaar te onderscheiden; het innerlijke oor blijkt te nauw met het uiterlijke verbonden om ze afzonderlijk waar te nemen. Wanneer echter de concentratie is begonnen, beginnen de verschillende innerlijke organen als het ware te ontwaken, en zich van de ketenen van hun lichamelijke tegenhangers te ontdoen. Dan begint de mens zijn vermogens te verdubbelen. Zijn stoffelijke organen blijven intact, om ze op het gebied waar ze thuishoren te gebruiken, en hij verkrijgt een ander stel, dat hij los van het eerste kan gebruiken op het gebied van de natuur waar deze thuishoren.

We vinden hier en daar gevallen waar bepaalde delen van dit innerlijke lichaam door bepaalde middelen verder zijn ontwikkeld dan de rest. Soms is alleen het innerlijke hoofd ontwikkeld, en dan hebben we iemand die helderziend of helderhorend is; dan weer is slechts een hand ontwikkeld, terwijl al het andere nevelig en onduidelijk is. Misschien is het een rechterhand, en dan zal het de bezitter in staat stellen bepaalde ervaringen op te doen die tot het gebied van de rechterhand behoren, laten we zeggen de positieve kant van de tastzin en het gevoel.

Maar in deze abnormale gevallen blijven de vruchten van concentratie altijd uit. Ze hebben slechts een gedeelte tevoorschijn gebracht, zoals een kreeft zijn ogen uitsteekt op de steeltjes die deze dragen. Of neem iemand die, vreemd genoeg, een van de innerlijke ogen, zeg het linker, heeft ontwikkeld. Dit heeft betrekking op een gebied van de natuur dat volkomen verschilt van dat wat tot de hand behoort, en de opgedane ervaringen zijn in die gevallen eveneens heel verschillend. Zo iemand is een helderziende van een bepaald niveau, slechts in staat om waar te nemen wat verband houdt met zijn eenzijdige ontwikkeling en geheel onwetend van veel andere eigenschappen die inherent zijn aan het voorwerp dat hij ziet of voelt, omdat de organen die nodig zijn om ze waar te nemen niet zijn ontwikkeld. Hij is als een tweedimensionaal wezen dat onmogelijk kan weten wat driedimensionale wezens weten, of zoals wijzelf zijn vergeleken met vierdimensionale entiteiten.

Tijdens de groei van dit etherische lichaam kan men een aantal dingen waarnemen.

Het heeft aanvankelijk een wolkige, onzekere gedaante, met bepaalde energiecentra die ontstaan omdat er zich organen beginnen te vormen die met de hersenen, het hart, de longen, de milt, de lever, enz., corresponderen. Zijn ontwikkelingsgang is dezelfde als die van het zonnestelsel, en het wordt in feite geleid en beïnvloed door datzelfde zonnestelsel waartoe de wereld behoort waarop dat wezen is geïncarneerd. Bij ons staat het onder invloed van onze eigen zon.

Wanneer de beoefening van concentratie wordt volgehouden, begint deze wolkige massa samenhang te verkrijgen en zich tot een lichaam met verschillende organen te vormen. Terwijl ze groeien, moeten ze worden gebruikt. Ze moeten worden uitgeprobeerd, beproefd en onderzocht. Zoals een kind moet kruipen vóór het kan lopen en moet leren lopen vóór het kan rennen, zo moet de etherische mens eveneens ervaring opdoen. Maar zoals een kind veel verder kan zien en horen dan het kan kruipen en lopen, evenzo begint dit wezen gewoonlijk te zien en te horen vóór het de omgeving van het lichaam kan verlaten voor een reis van langere duur.

Bepaalde struikelblokken beginnen zich dan te vertonen die, als de betekenis ervan door ons goed wordt begrepen, ons goede redenen zullen geven om verschillende deugden te beoefenen die in de heilige boeken worden aanbevolen en die op een natuurlijke manier vallen onder de term universele broederschap.

Een van deze redenen is dat we soms zien dat dit nevelige, groeiende lichaam heftig wordt geschokt of uiteengereten, of in stukken breekt, die onmiddellijk de neiging vertonen naar het lichaam terug te vliegen en dezelfde onlosmakelijke verbinding te vormen waarover we eerder hebben gesproken. Dit wordt veroorzaakt door boosheid, en dit is de reden, waarom de wijzen allen hameren op de noodzaak van kalmte. Wanneer de leerling boosheid in zich laat opkomen, wordt de invloed ervan onmiddellijk gevoeld door het etherische lichaam en komt tot uiting in een oncontroleerbaar trillen dat in de kern begint en de deeltjes die tot dan toe samenhang vertoonden met kracht uiteenrukt. Wanneer dit niet wordt tegengegaan, zal de hele massa uiteenvallen en dan haar natuurlijke plaats in het lichaam hernemen. Het gevolg hiervan is dat er lange tijd moet verstrijken vóór het etherische lichaam opnieuw kan worden gevormd. En iedere keer dat dit gebeurt, is het resultaat hetzelfde. Ook maakt het geen verschil wat de boosheid heeft veroorzaakt. Er bestaat bij deze studie niet zoiets als het koesteren van wat ‘gerechtvaardigde boosheid’ wordt genoemd om dan toch aan die onvermijdelijke gevolgen te ontsnappen. Of iemands ‘rechten’ onrechtmatig of overduidelijk zijn geschonden of niet, maakt geen verschil. Boosheid is een kracht die langs vastgestelde weg zijn uitwerking zal vinden, en dus strikt moet worden vermeden. Ze kan niet worden vermeden tenzij barmhartigheid en liefde – absolute verdraagzaamheid – worden ontwikkeld.

Maar terwijl boosheid afwezig kan zijn, kan er nog iets anders gebeuren. De etherische vorm kan een grote mate van samenhang hebben verkregen en duidelijk zijn afgebakend, maar in plaats van zuiver, helder en fris te zijn, begint men een troebele, onaangename kleur waar te nemen, de voorloper van bederf, dat elk deel aantast en door zijn gevolgen verdere vooruitgang uitsluit, en ten slotte op de leerling terugwerkt, zodat boosheid zich opnieuw manifesteert. Dit is een gevolg van jaloezie. Jaloezie is geen kleinigheid die zonder fysieke gevolgen blijft. Ze heeft op haar eigen terrein een even krachtige uitwerking als boosheid. Ze verhindert niet alleen verdere ontwikkeling, maar bevolkt de atmosfeer van de leerling met duizenden boosaardige wezens van allerlei aard die zich op hem werpen en elke boze hartstocht doen ontwaken of teweegbrengen. We moeten jaloezie dus uitbannen, en we kunnen haar niet kwijtraken zolang we het gevoel van afgescheidenheid in ons laten voortbestaan.

Een andere invloed op dit etherische lichaam wordt door ijdelheid uitgeoefend. IJdelheid vertegenwoordigt de grote illusie van de natuur. Ze laat voor het oog van de ziel allerlei bedrieglijke of verleidelijke beelden of beide verschijnen en ondermijnt het onderscheidingsvermogen dermate dat boosheid of jaloezie opnieuw zullen optreden, of de gebeurtenissen nemen een zodanige loop dat de betrokkene door uitwendige oorzaken in het verderf wordt gestort, zoals in een mij bekend geval waarin iemand aanmerkelijke vooruitgang had geboekt, maar zich ten slotte door ijdelheid liet meeslepen. Het gevolg hiervan was dat voor zijn innerlijke oog hoogst ongewone beelden en gedachten opkwamen, die hem op hun beurt zo aangrepen dat hij tot zijn sfeer horden weinig bekende en moeilijk te beschrijven elementalen aantrok. Deze volgden hun aard en belaagden hem ten slotte, en brachten op een dag op het gebied van zijn astrale lichaam een effect teweeg dat in sommige opzichten vergelijkbaar is met dat wat volgt op een ontploffing van het krachtigste explosief dat de wetenschap kent. Het gevolg was dat zijn etherische vorm plotseling zo scheurde dat door de weerslag zijn hele natuur werd gewijzigd. Hij overleed kort daarna in een psychiatrische inrichting, na zich aan de vreselijkste uitspattingen te hebben overgegeven.

En ijdelheid kan niet worden vermeden, tenzij men die zelfloosheid en bescheidenheid die door zowel Jezus van Nazareth als Boeddha zijn aanbevolen, nauwgezet in acht neemt.

Een ander struikelblok is angst. Deze is echter niet het ergste en zal verdwijnen door middel van kennis, want angst is altijd het kind van onwetendheid. Ze maakt dat de etherische vorm verschrompelt, verstijft en zich samentrekt. Maar naarmate de kennis toeneemt, vermindert die samentrekking, en doet zich de mogelijkheid van groei voor. Angst is hetzelfde als koude op aarde, en haar uitwerking is te vergelijken met het proces van bevriezing.

– 2 –

Het ontwikkelen van concentratie zal zonder succes blijven als iemand zich slechts nu en dan erop toelegt. Het is iets dat voortvloeit uit ‘een vastberaden houding die wordt aangenomen ten opzichte van het te bereiken doel, en die onafgebroken wordt volgehouden’. 19de eeuwse onderzoekers zijn maar al te zeer geneigd te denken dat succes in het occultisme kan worden verkregen zoals men vorderingen maakt op school of op de universiteit, door het lezen en leren van gedrukte woorden. Een volledige kennis van alles wat ooit over concentratie werd geschreven schenkt geen kracht bij het beoefenen van datgene waarover ik spreek. Om boekenkennis alleen wordt in deze school evenzeer gelachen als door een boerenkinkel; hiermee wil ik niet zeggen dat boekenkennis moet worden vermeden, maar zonder concentratie is ze even nutteloos als geloof zonder werken. Ze wordt volgens mij in sommige kringen ‘slechts kennis van het oog’ genoemd. Dat is ze inderdaad; en dit soort cultuur staat in onze gedegenereerde tijden het hoogst in aanzien.

Aan het begin van dit artikel werd de ware training rajayoga genoemd. Deze verwerpt fysieke bewegingen, houdingen en voorschriften die uitsluitend de huidige persoonlijkheid betreffen, en wijst de onderzoeker op deugd en altruïsme als basisbeginselen. Deze worden vaker verworpen dan aanvaard. Er is de afgelopen 1800 jaar zoveel over rozenkruisers, Egyptische adepten, geheime meesters, de kabbala en wonderlijke magische boeken gezegd, dat zoekers zonder gids die tot deze onderwerpen worden aangetrokken, om informatie vragen en zoeken naar de ingang van de tempel van de door hen zo vurig verlangde kennis; echter tevergeefs, want ze zeggen dat de voorschriften over deugden bestemd zijn voor kinderen en zondagsscholen, maar niet voor hen. Als gevolg daarvan vinden we honderden boeken – in alle Europese talen – over rituelen, ceremoniën, invocaties en andere onduidelijke zaken, die tot niets anders leiden dan verlies van tijd en geld. Maar enkele schrijvers bezaten iets meer dan ‘slechts kennis van het oog’. Het is waar dat ze soms een zekere naamsbekendheid hebben, maar het betreft slechts een bekendheid die aan onwetenden is toegekend door mensen die nog minder weten. De zogenaamde grote man, die weet hoe fataal het voor zijn reputatie zou zijn te vertellen hoe klein zijn praktische kennis is, praat over ‘projecties en elementalen’, ‘de steen der wijzen’ en ‘het levenselixer’, maar houdt zijn gebrek aan spirituele verworvenheden en zijn onstabiele geestestoestand tactvol voor zijn lezers verborgen. De aspirant moet eens en voor altijd worden gezegd dat de deugden niet kunnen worden genegeerd of afgedankt; ze moeten tot een deel van ons leven worden gemaakt, en hun filosofische basis moet worden begrepen.

Maar men kan zich afvragen of het ontwikkelen van concentratie alleen door het in praktijk brengen van deugden kan worden bereikt? Het antwoord is: nee, niet in dit leven, maar misschien ooit in een later leven. Een leven van deugd verzamelt veel verdienste; die verdienste zal op een of ander moment leiden tot geboorte in een familie met wijze ouders, waar misschien met de werkelijke beoefening van concentratie een begin kan worden gemaakt. Of ze kan ertoe leiden dat iemand geboren wordt in een familie van religieus ingestelde mensen of van hen die ver zijn gevorderd op het pad, zoals de Bhagavad Gita het uitdrukt. Maar zo’n leven, zegt Krishna, is moeilijk te verwerven; de deugden alleen zullen dus niet altijd in korte tijd tot het beoogde doel leiden.

We moeten besluiten een leven van voortdurende activiteit in deze richting te leiden. De luiaards of genotzoekers kunnen deze poging beter meteen opgeven en tevreden zijn met de aangename paden bestemd voor hen die ‘God vrezen en de koning eren’. Uitgestrekte velden van onderzoek en ervaring moeten worden doorkruist; aan onvermoede gevaren en ongekende krachten moet het hoofd worden geboden; deze moeten alle worden overwonnen, want in deze strijd wordt geen genade gevraagd of gegeven. Men moet grote schatten van kennis ontdekken en zich er meester van maken. Het koninkrijk van de hemel kan niet verkregen worden door erom te vragen; het moet met geweld worden veroverd. En de enige manier waarop we de wilskracht en het vermogen kunnen verkrijgen om het te veroveren en te behouden is door enerzijds ons de deugden eigen te maken en anderzijds ons zelf tot in detail te leren begrijpen. Op een dag gaan we inzien waarom geen enkele voorbijgaande gedachte mag worden genegeerd, geen enkele vluchtige indruk onopgemerkt mag blijven. Het is duidelijk dat dit geen gemakkelijke taak is. Het is een enorm werk. Heeft u er wel eens over nagedacht dat alleen al een oppervlakkige indruk van een afbeelding, of een enkel woord dat in het gedrang van de wereld onmiddellijk verloren gaat, de basis kan vormen voor een droom die de nacht vergiftigt en de volgende dag een reactie in de hersenen veroorzaakt? Elk ervan moet worden onderzocht. Indien u één ervan niet heeft opgemerkt, dan moet u de volgende dag bij het ontwaken elk woord, elk voorval van de voorafgaande dag in de herinnering terugroepen en zoals een door de ruimte spiedende astronoom het verlorene proberen terug te vinden. En evenzo moet u, ook zonder dat daarvoor een bijzondere reden bestaat, in uw verleden leren teruggaan om al het gebeurde, al wat u uw hersenen liet doorkruisen, zorgvuldig en in detail te bestuderen. Is dit gemakkelijk?

Maar laten we even terugkomen op de pseudo-adepten, de vermeende meesters, of deze nu met goede bedoelingen handelden of niet. Neem Éliphas Lévi, die zoveel goede dingen schreef en wiens boeken zoveel mysterieuze aanwijzingen bevatten. In zijn eigen woorden verklaart hij zichzelf schuldig. Met grote ophef vertelt hij over het oproepen van de schim van Apollonius. Al weken tevoren moesten daarvoor allerlei voorbereidingen worden gemaakt, en op de gedenkwaardige avond werden absurde necromantische handelingen verricht. En wat was het resultaat? Alleen maar dat de zogenaamde schim gedurende enkele ogenblikken verscheen, en Lévi zegt dat ze het daarna nooit meer hebben geprobeerd. Elk goed medium van nu zou de schim van Apollonius zonder voorbereiding kunnen oproepen, en als Lévi een adept was, zou hij een dode even gemakkelijk voor zich kunnen zien als dat hij zijn afbeelding zou opzoeken in een boek. Door deze sporadische pogingen en uiterlijke voorbereidingen wordt in werkelijkheid niets verkregen dan nadeel voor hen die zich ermee bezighouden. En het dwaze geliefhebber van Amerikaanse ‘theosofen’ in Indiase yogapraktijken die voor nog geen achtste deel worden begrepen en op zichzelf onvoldoende zijn, zal tot veel slechtere resultaten leiden dan de ongeloofwaardige poging die door Éliphas Lévi is opgetekend.

Omdat we met onze westerse denkwijze te maken hebben, die met deze dingen niet vertrouwd is en door onjuist onderricht en onjuiste logica overbelast is, moeten we beginnen waar we staan; we moeten overzien wat we verworven hebben, en onze huidige vermogens en ons psychisch gestel leren begrijpen. Als dat is gebeurd, beginnen we onszelf op een manier te bekijken die de beste resultaten zal opleveren.

Ramatirtha

 


Theosofische inzichten, blz. 46-58

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag