Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De illusie van tijd en ruimte

[Uit een oorspronkelijk manuscript, gevonden tussen de door hem nagelaten geschriften, en gepubliceerd in The Theosophical Path, Point Loma, januari 1912, blz. 1-3.]

Van alle illusies waaraan we in deze wereld van maya onderworpen zijn, zijn de grootste misschien wel die welke bij gebrek aan een betere term ‘tijd’ en ‘ruimte’ worden genoemd. Dat is natuurlijk zo, omdat ze bij al onze handelingen hier op aarde belangrijke factoren zijn; elke onderneming wordt voorafgegaan door de – al of niet uitgesproken – vragen: Hoe lang duurt het? Hoe ver is het? Welke tijdsduur of afstand ligt tussen ons en de vervulling van onze wens? Dat ze echter in feite illusies zijn, dat hebben de wijzen van alle eeuwen ons verzekerd. We lezen in de Bijbel (2 Petrus 3:8) dat ‘voor de Heer één dag is als duizend jaar, en duizend jaar als één dag’; een islamitische legende vertelt ons over een gelovige bij de bron, die een engel ontmoette die hem naar het paradijs voerde, waar hij 70.000 jaar in gelukzaligheid verbleef in de tijd dat een druppel water uit zijn kruik op de grond viel; en Emerson drukt dezelfde waarheid uit in de taal van onze tijd:

De ziel . . . vernietigt tijd en ruimte. . . . Tijd en ruimte zijn slechts maten die omgekeerd evenredig zijn aan de kracht van de ziel. De geest drijft de spot met de tijd – hij kan de eeuwigheid in een uur persen, of een uur tot een eeuwigheid uitrekken.     – Essays, ‘The Over-Soul’

En we beseffen dit tot op zekere hoogte zelf, hoewel misschien onbewust; toch worden we door onze eigen gedachten – prettige of onprettige – of door de gesprekken van anderen soms zo in beslag genomen dat we de tijd helemaal vergeten of niet merken welke afstand we hebben afgelegd terwijl we daardoor in beslag werden genomen.

Nog sterker is dit het geval wanneer we slapen; in dromen bezoeken we weer de plaatsen van onze kinderjaren en maken die tijd opnieuw door – spreken met vrienden die allang zijn overleden of bezoeken de verste uithoeken van de aarde, zonder dat we ons erover verwonderen of ons afvragen of het wel mogelijk is; maar een uur later, als we ontwaken en terugkeren tot wat we in onze blindheid ‘het werkelijke leven’ noemen, slaan we ons opnieuw in de ketenen, waarover Veda, Bijbel en Koran – profeet, priester en wijze – ons eensgezind verzekeren dat we ze ten slotte als even onwerkelijk zullen beschouwen als een luchtspiegeling in de woestijn.

In afwachting van deze volmaakte verlichting is het misschien niet helemaal nutteloos om te proberen deze grote waarheid gedeeltelijk te begrijpen – zelfs al is het alleen maar vanuit een verstandelijk gezichtspunt.

Laten we een tot gewoonte geworden zuiver mechanische of automatische handeling nemen, zoals de dagelijkse reis van een forens in de trein. Elke dag betreedt hij op hetzelfde uur dezelfde wagon, gaat waarschijnlijk op dezelfde plaats zitten en ontmoet dezelfde medepassagiers; ze bespreken hoofdzakelijk dezelfde onderwerpen; op hetzelfde tijdstip knipt de conducteur zijn kaartje, en de machinist laat helaas hetzelfde helse en overbodige gefluit horen. De forens heeft geen levendige verbeeldingskracht nodig om de herinneringen van gisteren en de verwachte ervaringen van morgen zodanig met die van vandaag te vermengen dat ze alle gelijktijdig lijken te gebeuren. Als men hiertegen inbrengt dat dit voorbeeld niet deugt omdat het element van onzekerheid, waaraan menselijke zaken onderworpen zijn, buiten beschouwing wordt gelaten, zou daarop redelijkerwijs kunnen worden geantwoord dat dit alleen in zoverre het geval is dat hier een werkhypothese wordt gebruikt die in ons dagelijks leven algemeen wordt aangenomen, en zonder dit element van onzekerheid zou niemand verder kijken dan de behoeften van dit moment. Maar misschien kan er een beter voorbeeld worden gevonden. Stel dat ik een mij bekende, maar verafgelegen plaats opnieuw wil bezoeken – bijvoorbeeld Damascus. Als ik er in mijn fysieke lichaam naartoe ga, zal het dagen en weken duren vóór ik de eeuwenoude stad bereik; wisselingen van dag en nacht, van zon en maan, van slapen en waken, van genoegens en moeilijkheden, misschien zelfs wisselingen van ziekte en gezondheid – deze moeten alle worden doorgemaakt, en de daarvoor vastgestelde tijd kan zelfs niet met één seconde worden bekort. Als ik er echter enkel in mijn herinnering en verbeelding heenga, hoef ik slechts te willen – en onmiddellijk, zonder een waarneembaar interval, wandel ik weer tussen moskeeën en minaretten, tussen de rozenbladeren en amandelbloesems die de tuinen van het ‘Oog van het Oosten’ met geuren vervullen.

Hetzelfde geldt voor de vergelijkbare illusie van ruimte. Duizenden kilometers moet ‘deze met leed beladen gevangenis van de zintuigen’ over zee en over land afleggen, hetzij op een stoomboot dat worstelt met de Atlantische golven, of in de sneltrein die door de wijngaarden van het mooie Frankrijk raast, of in het rijtuig dat zich met moeite langs de met ceders begroeide hellingen van de Libanon omhoogwerkt – elke centimeter van de moeizame tocht moet achtereenvolgens worden afgelegd, geen haarbreedte ervan kan worden overgeslagen. Als ik er echter zonder de last van het vlees heenga, heb ik, evenmin als dat ik me bewust was van de tijd, ook geen gewaarwording van de afstand tussen de draaikolken van het getij van de Hudson en het geklater van de fonteinen van Abana en Pharpar.

Ervaringen zoals deze zijn ons zo vertrouwd en zijn ogenschijnlijk zo zonder betekenis dat sommigen er misschien weinig belang aan hechten, of zelfs geneigd zijn ze volledig te negeren, maar dit zou waarschijnlijk niet verstandig blijken te zijn. Het is heel goed mogelijk dat in het occultisme, evenals in de natuurwetenschap, grote waarheden zich vlak vóór ons bevinden, ons als het ware in het gezicht staren, en wanneer ze ten slotte worden ontdekt, komt dit niet door uitgebreid onderzoek, maar door algemeen bekende methoden toe te passen.

Maar bedenk ook dat de goede dienaar tot een heerser over vele dingen werd bevorderd, omdat hij aan enkele dingen trouw was gebleven. Welk recht hebben wij dan om te verwachten hogere kennis te verwerven, of te verlangen dat grotere vermogens aan ons worden toevertrouwd, vóór we ons zo’n voorrecht waardig hebben betoond door van de vermogens die we nu bezitten een goed en nuttig gebruik te maken?

 


Theosofische inzichten, blz. 543-5

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag