Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Universele broederschap een feit in de natuur

[The Theosophical Congress, blz. 70-4]1

1Noot vert.: Tijdens de wereldtentoonstelling van 1893 in Chicago nam de Theosophical Society deel aan het eerste Wereldparlement van Religies, dat werd gehouden van 11-27 september in het pas gebouwde Paleis voor de Kunst langs de oever van het meer. Bij afwezigheid van de voorzitter-stichter H.S. Olcott, die in India verbleef, trad vicevoorzitter W.Q. Judge op als vaste voorzitter van het Theosofische Congres. Zijn uiteenzettingen van de idealen en beginselen van de TS trokken steeds meer publiek.

Er is me gevraagd te spreken over het onderwerp universele broederschap als een feit in de natuur; niet als een theorie, niet als een utopische droom die nooit werkelijkheid kan worden, niet als een feit in de maatschappij, niet als een feit in het landsbestuur, maar als een feit in de natuur. Dat wil zeggen, universele broederschap is een werkelijkheid, of ze wordt erkend of niet. Christelijke priesters hebben jarenlang ten onrechte beweerd dat het christendom het denkbeeld van universele broederschap heeft geïntroduceerd. Ik neem aan dat ze hierop aanspraak maakten omdat ze niet wisten dat andere religies op andere momenten dezelfde leer kenden. Ze wordt gevonden in de boeddhistische geschriften, ze wordt gevonden in de Chinese boeken, ze wordt gevonden in de boeken van de parsi’s, ze wordt overal in de geschiedenis van de wereld gevonden, lang vóór het begin van de christelijke jaartelling. Deze gedachte is dus niet specifiek afkomstig uit de christelijke geschriften. Elk land en elke beschaving heeft deze leer naar voren gebracht, en de feiten uit de geschiedenis tonen ons dat deze leer de laatste 1800 jaar meer dan in enige andere tijd geweld werd aangedaan door de maatschappij, de regering en de volkeren. Daardoor ging men ten slotte zeggen: ‘Universele broederschap is erg mooi; het is iets wat we allemaal wensen, maar het is onmogelijk in praktijk te brengen.’ Enerzijds erkennen ze de edele leer en anderzijds ontkennen ze de mogelijkheid dat ze ooit zal worden verwezenlijkt.

Waarom is dit zo? Hoe komt het dat hoewel het christendom en andere religies deze leer naar voren hebben gebracht, er toch in strijd daarmee wordt gehandeld? We kunnen niet ontkennen dat dit is gebeurd. De geschiedenis van zelfs de afgelopen jaren bewijst dit. De geschiedenis van de laatste 40 jaar in Amerika bewijst – zonder nog verder terug te gaan – dat deze leer in het Westen geweld is aangedaan. Hoe kon het een leer zijn waarin Amerikanen geloofden terwijl onder hen de slavernij nog bestond? Hoe konden de Fransen erin geloven toen ze hun hand uitstrekten en Siam [Birma], een zwak en machteloos land, voor zich opeisten? Hoe konden de Duitsers en de Fransen erin geloven toen ze oorlogsmachines bouwden en ten strijde trokken en elkaar massaal doodden? Bewijst de Amerikaanse oorlog van de opstand en de enorme geldverspilling en de duizenden doden in die burgeroorlog niet duidelijk dat universele broederschap niet in praktijk werd gebracht? Ze werd verkondigd, maar niet in praktijk gebracht. Ga nu verder terug, ga terug in de geschiedenis van de volkeren van Europa, zonder naar andere landen te kijken, en wat vindt u? Vindt u geen sektarisch vooroordeel? Hun opvatting over universele broederschap heeft jarenlang de vooruitgang van de wetenschap tegengehouden. Is het niet waar dat de wetenschap pas nadat ze materieel werd – iets heel merkwaardigs maar waar – vooruitgang heeft geboekt? Als men in Amerika overtuigd was geweest van universele broederschap, dan zouden er in dit land geen heksenverbrandingen zijn geweest. En er zouden in andere landen ook geen katholieken door protestanten – of protestanten door katholieken – tot de brandstapel zijn veroordeeld; dan zouden we niet die vervolgingen hebben gehad die de bladzijden van de geschiedenis zwart hebben gemaakt; en toch hebben we altijd beweerd dat we universele broederschap hebben gekend. We kenden wel de theorie maar niet de praktijk. Ontbrak er dan niet iets? Het is een prachtige leer. Aan iemand die lid wil worden van de Theosophical Society wordt alleen gevraagd om deze gedachte te onderschrijven. Wat schort er dan aan? Waarom zijn er zo veel mensen die zeggen dat ze mooi is, maar dat ze onmogelijk is, eenvoudig onmogelijk? Er zijn zelfs afdelingen van de christelijke kerk die zeggen: ‘Neem nu Jezus; de altruïstische, edele leringen van Christus zijn mooi, maar geen enkele staat zou langer dan drie maanden met zo’n leer kunnen bestaan.’ De reden dat ze in de praktijk geen succes heeft, is dat ze in het hart wordt ontkend.

Een theosoof die iets van het leven weet, benadrukt dat universele broederschap niet slechts een theorie is. Het is een feit, een levende steeds aanwezige werkelijkheid, waaraan geen land kan ontkomen; niemand kan eraan ontkomen, en ieder die haar schendt, schendt een wet, schendt de grootste natuurwet, die op hem zal terugslaan en hem laat lijden. En daarom hebben we moeten lijden; daarom zijn er in Chicago, in Londen, in New York, in Berlijn, in alle grote steden van de wereld massa’s mensen die met geweld opeisen wat ze hun recht noemen, die zeggen dat ze dat recht willen en dat een andere groep hen onderdrukt; en in alle hoeken loert het gevaar omdat mensen aandringen op universele broederschap. Deze edele leer is al een gevaar geworden. De reden van dit alles is dat men het feit heeft ontkend. We stellen ons voor u nu te laten zien, als we dat kunnen, dat het een feit is.

Als u erop let, zult u ontdekken dat wanneer het in een bepaald gebied regent, grote aantallen mensen op dezelfde manier worden beïnvloed. Het moet op de akkers regenen om de gewassen te laten groeien, zodat ze naderhand kunnen worden geoogst, en alle boeren worden tegelijk door de regen beïnvloed. Als men de maatschappij bekijkt, zal men zien dat elke dag op ongeveer hetzelfde tijdstip bijna iedereen precies hetzelfde doet. Op een bepaald tijdstip in de ochtend gaan duizenden van uw burgers met die trein mee of haasten zich allemaal tegelijk om de trein te halen, en enige ogenblikken later haasten ze zich uit de trein om naar hun werk te gaan; ze doen allemaal hetzelfde, één en dezelfde gedachte inspireert hen. Dat is een van de – kleine – bewijzen in het maatschappelijke en zakenleven dat ze gezamenlijk beïnvloed worden, dat ze allemaal één zijn. Dan komen ze ’s avonds op hetzelfde moment thuis, en als u het zou kunnen zien, dan zou u zien dat ze allemaal tegelijk eten en verteren, en weer later gaan ze allemaal op hetzelfde tijdstip naar bed. Zijn ze in hun maatschappelijke leven niet verbonden? Zelfs daarin broeders? En wat zien we hier in het zakenleven? Onlangs heb ik het gemerkt; iedere man heeft het gemerkt, en ook veel vrouwen; ongetwijfeld hebben ze het allemaal gemerkt; onlangs hadden we een financiële crisis, misschien is die er nog, waarin de dollars schaars waren, waarin mensen hebben ontdekt dat er maar zoveel dollars en zoveel halve dollars zijn voor iedereen in het land, en we hebben allemaal tegelijkertijd geleden onder de paniek die er overal in dit grote land heerste. Waarom leden we hieronder? Omdat we commercieel met elkaar verbonden zijn en daaraan niet kunnen ontkomen. Zelfs China wordt erdoor beïnvloed, en Japan. Men zegt dat India de oorzaak ervan was. Sommigen zeggen dat India de prijs van rupies omlaagbracht, en wij die zoveel zilver produceren begonnen de gevolgen te merken. Ik weet niet of dat de reden is. Maar ik denk dat er een andere reden is. Ik denk dat Amerika als land zo dol is op luxe, zo dol is op mooie kleren, zo dol is op het hebben van veel geld, dat het te ver is gegaan en er wel een reactie moest komen, omdat alles in de hele wereld met elkaar verband houdt, en toen ze te ver waren gegaan was de geringste aanraking genoeg om het weefsel te laten breken. Dat is de reden, en ook dat is een bewijs van universele broederschap. We zijn allemaal verbonden, niet alleen met elkaar hier, maar met de hele wereld.

Als we nu nog iets verder gaan op het stoffelijke gebied, zult u zien dat alle mensen op elkaar lijken. We hebben dezelfde soort lichamen, misschien een beetje verschillend in lengte, gewicht en omvang, maar als mensen zijn we allemaal gelijk; ze hebben allemaal dezelfde huidskleur in een bepaald land, ze hebben allemaal dezelfde vorm in elk land, zodat ze, gezien als louter lichamen van vlees, één zijn – ze zijn gelijk. We weten dat er bij elke man en vrouw uitwaseming optreedt, het zogenaamde transpireren. De artsen zullen u vertellen dat er een fijnere uitwaseming is die men niet kan zien, de onzichtbare transpiratie die zich een stukje om ons heen uitstrekt; we weten dat deze van ieder persoon uitgaat, en de emanaties van ieder mens beïnvloeden ieder ander mens en worden altijd uitgewisseld. Alle aanwezigen in deze zaal worden beïnvloed door deze emanaties en ook door de ideeën van elkaar, en de ideeën van de sprekers die zich tot u richten. Zo is het op elk gebied. Waar u ook naartoe gaat, waar u ook naar kijkt, we zijn één op welk gebied dan ook; op het gebied van de ziel en ook op het gebied van het lichaam; op het gebied van de emoties, van de geest, waar eigenlijk niet, we zijn allemaal één, en dit is een feit waaraan we niet kunnen ontkomen. En nu verder: de wetenschap begint te erkennen wat de theosofen van de oudheid altijd al hebben gezegd, dat er op elk moment in ieder mens een sterven, een uiteenvallen, een verdwijnen, plaatsvindt. Vroeger leerde en dacht men in het Westen dat we de stof konden zien, dat deze tafel van stof is gemaakt. Tegenwoordig wordt door uw beste wetenschappers overal in de westerse beschaving erkend dat men de stof helemaal niet ziet; het is alleen de verschijningsvorm van de stof die we zien; en mijn zintuigen stellen mij in staat deze verschijnselen waar te nemen. Het is helemaal geen stof, en we zien de stof dus niet. Nu ze dit eenmaal hebben erkend, gaan ze verder en zeggen dat er een voortdurende verandering in de zogenaamde stof optreedt; dat wil zeggen, deze tafel is in beweging. Dit is niet alleen een theosofische theorie. Ga naar een willekeurige natuurkundige en hij zal u bevestigen wat ik u heb gezegd. Deze tafel is in beweging; elke molecule is gescheiden van elke andere, en er is ruimte tussen hen, en ze bewegen. Het is net zo met ieder mens; hij is opgebouwd uit atomen, en deze zijn in beweging. Hoe komt het dan dat we bijna altijd dezelfde grootte en hetzelfde gewicht bewaren vanaf het moment van volwassenheid tot de dood? We eten tonnen vlees en groente maar blijven gelijk. Dit komt niet door de dingen die u heeft gegeten. Daar komt nog bij dat de atomen leven, voortdurend bewegen, komen en gaan van de ene mens naar de ander; en dit is zowel de huidige leer als de leer van het oude India. Ze noemen het de voortdurende ontbinding van atomen; anders gezegd, ik – net als iedereen in deze zaal – verlies een bepaald aantal atomen, die echter worden vervangen door andere atomen. Waar komen deze andere atomen vandaan? Zijn ze niet afkomstig van de mensen in deze zaal? Deze atomen helpen evenzeer om uw lichaam opnieuw op te bouwen als het voedsel dat u eet. En we zenden gedachte-atomen uit, en vangen de atomen op die anderen hebben gebruikt. Want zoals u weet leert de wetenschap ons, en de theosofie heeft dit steeds benadrukt, dat de stof onzichtbaar is voordat ze wordt omgezet in deze combinatie in de levenscyclus die haar voor ons zichtbaar en tastbaar maakt. Deze atomen verlaten ons dus in een stroom en dringen bij andere mensen binnen. En daarom gaan de atomen van goede mensen naar slechte mensen, en de atomen waarop slechte mensen hun stempel hebben gedrukt komen bij goede mensen, en omgekeerd. Op die manier, en op nog andere manieren, beïnvloeden we iedereen in deze wereld; en de mensen in Chicago die een laag en egoïstisch leven leiden, geven deze onzichtbare atomen een laag en egoïstisch karakter, en deze lage en egoïstische atomen zullen weer door andere mensen en door u worden verspreid, tot schade van u en van hen. Ook dat is een aspect van universele broederschap. Dit leert ons om voorzichtig te zijn en erop toe te zien dat we de aan ons toevertrouwde atomen zo gebruiken en in goede staat houden dat ze de anderen – waar ze naartoe gaan – ten goede zullen komen.

Er is nog een andere kijk op universele broederschap – en ik heb niet de pretentie het onderwerp op dit punt uitputtend te behandelen, want ik heb niet voldoende tijd om alles wat in de theosofische boeken en literatuur en gedachten naar voren wordt gebracht te kunnen vermelden – en dat is dat er in deze wereld een daadwerkelijke universele broederschap van mannen en vrouwen, van zielen bestaat, een broederschap van wezens die universele broederschap in praktijk brengen door steeds te proberen de zielen van mensen ten goede te beïnvloeden. Ik breng u de boodschap van deze mensen; ik breng u de woorden van die broederschap. Waarom noemt u zich nog langer armzalige mannen en vrouwen die naar de hemel willen gaan om daar vervolgens niets te doen? Wilt u dan geen goden zijn? Ik hoor sommigen zeggen, ‘Wat, een god! Onmogelijk!’ Misschien houden ze niet van de verantwoordelijkheid. Maar wanneer u die positie verkrijgt, dan zult u de verantwoordelijkheid ervan begrijpen. Deze werkelijke broederschap van levende mensen zegt, Waarom, mensen van het Westen, waarom weigert u zo lang te geloven dat u goden bent? We zijn uw broeders en we zijn goden met u. Wees dan zoals de goden! Geloof dat u goden bent, en dan zult u, na ervaring te hebben opgedaan en na te zijn geslaagd, bewust een plaats innemen in de grote broederschap die de hele wereld leidt, maar niet tegen de wet in kan gaan. Deze grote broederschap van levende mensen, levende zielen, zou, als ze het kon, het aanzicht van de beschaving veranderen; ze zouden, zo mogelijk, van ieder van u een heilige willen maken; maar evolutie is de wet, en ze kunnen deze niet schenden; ze moeten op u wachten. En waarom neemt u er zó lang genoegen mee te geloven dat u in zonde bent geboren en hieraan niet kunt ontsnappen? Ik geloof niet in zo’n leer. Ik geloof niet dat ik geboren ben met een erfzonde. Ik geloof dat ik tamelijk slecht ben, maar dat ik in potentie een god ben, en ik ben van plan die erfenis te aanvaarden als dit mogelijk is. Met welk doel? Om alle anderen te helpen hetzelfde te doen, want zo luidt de wet van universele broederschap; en de Theosophical Society wil daaraan in het Westen kracht bijzetten, en aan het Westen deze grote waarheid laten zien, dat we als goden zijn, en slechts worden belemmerd het daadwerkelijk te zijn door onze eigen dwaasheid, onwetendheid en angst om die positie in te nemen.

We benadrukken dus dat universele broederschap een feit in de natuur is. Het is een feit voor het laagste deel van de natuur – voor het dierenrijk, voor het plantenrijk en het mineralenrijk. We zijn allemaal atomen en gehoorzamen gezamenlijk de wet. Als we dit ontkennen betekent dat nog niet dat het niet waar is. Daardoor wordt alleen de dag van beloning uitgesteld, en blijven we ellendig, arm en egoïstisch. Denk u eens in! Als iedereen in Chicago, in de Verenigde Staten, zou handelen zoals Jezus heeft gezegd, zoals Boeddha heeft gezegd, zoals Confucius zei, zoals alle grote ethische leraren van de wereld hebben gezegd: ‘Behandel anderen zoals u graag wilt dat zij u behandelen’, zou er dan enige noodzaak zijn voor wettelijke maatregelen en politieagenten met wapenstokken in dit park, zoals onlangs gebeurde? Nee, ik denk dat dit niet nodig zou zijn, en dat heeft iemand van deze grote broederschap gezegd. Hij zei dat alle problemen van de wereld in een oogwenk zouden verdwijnen als de mensen maar een kwart deden van wat ze kunnen en zouden moeten doen. Het is niet God die u tot de dood, tot ellende zal verdoemen. U bent het zelf. En wat de Theosophical Society bovenal verlangt is niet dat u het spiritisme begrijpt, niet dat verbazingwekkende occulte wonderen worden verricht, maar dat men begrijpt wat de stof en wat het leven in feite zijn, en dat zullen we nooit begrijpen als we niet de juiste ethische regels in praktijk brengen. Leef met elkaar als broeders, want de ellende en de moeilijkheden van de wereld zijn van groter belang dan alle wetenschappelijke vooruitgang die men zich kan voorstellen. Ten slotte doe ik een beroep op u – bij alles wat de mensheid lief is – om te onthouden wat ik heb gezegd, en of u nu christenen, atheïsten, joden, heidenen of theosofen bent, te proberen universele broederschap in praktijk te brengen, wat de universele plicht van alle mensen is.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 549-55

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag