Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Echo’s uit het Oosten
Een algemene schets van theosofische leringen

Voorwoord

De titel voor deze artikelen werd door Kate Field gekozen toen ze naar haar nieuwe blad, Kate Field’s Washington, werden gestuurd om in januari 1890 te worden gepubliceerd, en ze verdient alle lof voor een passende naam. Het was eveneens op aanraden van Mw. Field dat de artikelen werden ondertekend met het pseudoniem ‘Occultus’, want het was de bedoeling dat de persoon van de schrijver onbekend zou blijven tot de reeks zou zijn voltooid.

De beperkingen in de behandeling van het onderwerp die nodig waren in verband met het populaire karakter van het blad waarin deze artikelen werden gepubliceerd, sloten details en bijzonderheden uit die in een filosofisch of religieus tijdschrift mogelijk zouden zijn geweest. Er wordt geen aanspraak op gemaakt dat het onderwerp theosofie, zoals dat in het Oosten wordt opgevat, uitputtend is behandeld, want als we bedenken dat door de wijzen die de bewaarders van de theosofische waarheid zijn, miljoenen jaren aan het onderzoek ernaar zijn gewijd, dan denk ik dat er geen schrijver is die meer kan doen dan enkele echo’s die zijn oor hebben bereikt, te herhalen.

New York, september 1890
William Q. Judge

Door de schrijver met liefde en dankbaarheid
opgedragen aan Helena Petrovna Blavatsky

– 1 –

In India is er een wijd verspreid geloof dat er verbazingwekkende mensen bestaan die ontzaglijk oud zijn en teruggetrokken leven in plaatsen die voor de gewone reiziger niet toegankelijk zijn, maar westerse denkers beschouwen dit als een vreemd bijgeloof. In India is dit al zo lang een gangbaar denkbeeld dat de naam die aan deze wezens wordt toegekend in het Sanskriet welbekend is: ‘mahatma’, een samengesteld woord van maha, groot, en atman, ziel. Het geloof in het bestaan van zulke mensen is niet beperkt tot ongeschoolde mensen, maar wordt gedeeld door ontwikkelde mensen van alle kasten. De lagere klassen beschouwen de mahatma’s als een soort goden en zien het meest op tegen hun wonderbaarlijke vermogens en hun hoge leeftijd. De pundits, of de klasse van de geleerden, en de ontwikkelde hindoes in het algemeen hebben een andere opvatting; ze zeggen dat mahatma’s mensen of zielen zijn met een onbeperkte kennis van de natuurwetten en van de geschiedenis en ontwikkeling van de mens. Ook beweren ze dat de mahatma’s – of rishi’s, zoals ze hen soms noemen – de kennis van alle natuurwetten eeuwenlang hebben bewaard, niet alleen als overlevering onder hun leerlingen, maar ook als werkelijke verslagen en in bibliotheken die zich ergens in de vele onderaardse tempels en gangen in India bevinden. Sommigen die dit geloven beweren dat er ook voorraden boeken en documenten zijn in afgezonderde plaatsen in dat deel van Tibet dat niet aan Europeanen bekend is, omdat ze alleen toegankelijk zijn voor de mahatma’s en adepten.

Het geloof dat aan deze universele theorie wordt gehecht, is gebaseerd op een oude Indiase lering dat de mens een spiritueel wezen is – met andere woorden een ziel – en dat deze ziel in leven na leven op aarde van verschillende lichamen gebruikmaakt om ten slotte door herhaalde ervaring tot zo’n volmaakte kennis te komen dat ze in staat is een lichaam aan te nemen dat een geschikt verblijf is voor een mahatma of vervolmaakte ziel. Dan, zeggen ze, wordt deze ziel een spirituele helper van de mensheid. Deze vervolmaakte mensen zouden de waarheid kennen over het ontstaan van werelden en stelsels en ook over de ontwikkeling van de mens op deze en andere planeten.

Indien deze leringen alleen in India werden aangehangen, zou het voor de hand liggen het onderwerp na deze korte vermelding te laten rusten. Maar wanneer we zien dat een groot aantal mensen in Amerika en Europa dezelfde opvattingen hebben, is het interessant om de aandacht op zo’n onwesterse gedachtegang te vestigen. In 1875 werd de Theosophical Society in New York opgericht met als doel een kern te vormen voor een universele broederschap, en volgens haar oprichters hebben de Indiase mahatma’s hen opgedragen om zo’n organisatie op te richten. Sinds haar oprichting heeft ze in alle landen leden verworven, waaronder zowel rijke mensen als mensen die in bescheiden omstandigheden leven, en ook hoogontwikkelden. Onder deze leden bloeit het geloof in Indiase mahatma’s en in reïncarnatie en haar tweelingleer, karma. Volgens laatstgenoemde kan geen macht, menselijk of goddelijk, iemand vrijwaren voor de gevolgen van verrichte handelingen, en ondergaan we in dit leven de gevolgen van daden die we in de vorige incarnatie hebben verricht en van de gedachten die we toen hadden.

Hierover is in de Verenigde Staten, Engeland, India en elders veel literatuur verschenen in de vorm van boeken en tijdschriften. In het belang van deze nieuw-oude beweging worden ook kranten gepubliceerd in de landstaal van Hindoestan en in het oude Ceylon. Zelfs Japan heeft tijdschriften die aan hetzelfde doel zijn gewijd. Door zo’n wijdvertakte beweging te negeren zou men blijk geven van onwetendheid over de factoren die onze ontwikkeling beïnvloeden. Wanneer zo’n eminente autoriteit als de grote Franse geleerde Émile Burnouf zegt dat de theosofische beweging op dit moment moet worden beschouwd als een van de drie grote religieuze invloeden in de wereld, dan hoeven we ons niet te verontschuldigen wanneer we haar leringen in detail voorleggen aan lezers die doordrenkt zijn van de westerse beschaving.

– 2 –

In mijn vorige artikel heb ik slechts terloops gezinspeeld op de belangrijkste twee leringen die door de Theosophical Society worden verkondigd. Het is goed nu op te merken dat het oprichten van de Society zelf met hilariteit werd begroet, iets wat zich sindsdien met tussenpozen heeft herhaald. Al snel nadat ze van start was gegaan, begroette de voorzitter, kol. H.S. Olcott, die in Washington tijdens onze laatste oorlog een bekende figuur was, als nieuw lid baron Henry Louis de Palm, die zo vriendelijk was bij zijn dood zijn lichaam aan de kolonel toe te vertrouwen om te worden gecremeerd. De plechtigheid werd gehouden in Masonic Hall in New York en trok veel belangstelling. Ze droeg een theosofisch karakter. Kol. Olcott had de leiding, een spiritist zorgde voor een invocatie en een materialist las de liturgie. Dit alles leidde natuurlijk tot satirische opmerkingen in de pers, maar diende het doel om enige aandacht te vestigen op de jonge Society. Haar geschiedenis is sindsdien opmerkelijk geweest, en men kan gerust zeggen dat geen andere soortgelijke organisatie in deze eeuw zoveel de aandacht heeft getrokken, de mensen zoveel heeft aangespoord tot het nadenken over mystieke onderwerpen, en ondanks de felste bespotting en de hevigste tegenstand in het korte tijdbestek van 15 jaar zo snel is gegroeid.

Terwijl de pers spotte en vijanden samenspanden, hebben de werkers in de Society over de hele wereld centra opgericht en houden zich nu volhardend bezig met het versturen van theosofische literatuur naar alle uithoeken van de Verenigde Staten. Een blik op de theosofische kaart toont een reeks afdelingen van de Society die een strook land beslaat die zich uitstrekt van de stad New York tot de kust van de Grote Oceaan: deze gordel spreidt zich aan beide uiteinden uit om in het oosten Boston en New-Orleans en in het westen San Francisco en San Diego te omvatten, terwijl zich in het midden van het continent een andere opeenhoping van centra bevindt. Dit zou strikt en mystiek theosofisch zijn, omdat er aan elk uiteinde van de magische lijn van krachtsinspanning, en ook bij het middelpunt, een opeenhoping van centra bevindt. Het is een feit dat het aantal afdelingen van de Society in Amerika snel naar het eerste honderdtal oploopt. Korte tijd bestond er in Washington een afdeling van de Society, de Gnostische genaamd, maar ze heeft nooit enig actief werk gedaan. Nadat de afdeling door haar voorzitter onmiddellijk was ontbonden, en hij zich daarna terugtrok en het voorzitterschap aan een ander overdroeg, ontnam het bestuur van de Amerikaanse theosofen de Gnostische afdeling haar charter, en de leden ervan sloten zich bij andere afdelingen aan. Tegenwoordig bestaat er in Washington echter een afdeling die moedig genoemd is naar de veel geprezen en veel verguisde Mw. H.P. Blavatsky, terwijl de theosofische kaart in Washington een opeenhoping van invloeden laat zien die wijzen op het bestaan van nóg een afdeling, en uit een onderzoek in officiële kringen naar bovengenoemd geval blijkt dat de zaak al ter sprake is gebracht.

De theosofische kaart waarover ik sprak, is een curiositeit, een anomalie in de 19de eeuw. Slechts weinig leden van de Society hebben het recht deze te zien; maar degenen aan wie dat veroorloofd is, zeggen dat het een register is van de werkelijke toestand, dagelijks bijgehouden, van de hele Amerikaanse afdeling, een soort weerkaart met hogedrukgebieden en theosofische vochtigheidsgraden in alle richtingen. Waar een afdeling een goede basis heeft en in goede staat verkeert, daar vertoont het gevoelige oppervlak helderheid en vastheid. Op sommige plaatsen die in een toestand van wording verkeren, zien we een verschijnsel dat tekenend is voor een draaikolk, waaruit zich snel een afdeling kan ontwikkelen; terwijl overal waar in een bestaande organisatie een element van ontbinding is binnengeslopen, de plaatsen die vroeger vastheid en helderheid vertoonden, nu nevelig worden. Met behulp van deze kaart kunnen degenen die de werkelijke groei van de beweging leiden, zeggen hoe deze ervoor staat en haar op een verstandige manier bijstaan. Dit alles klinkt in onze eeuw natuurlijk belachelijk; maar of het waar is of niet, veel theosofen geloven erin. Het zou wenselijk zijn dat er voor andere onderdelen van onze beschaving een soortgelijke mogelijkheid bestond.

De edele theorieën van de theosofen over evolutie, mensenrassen, religies en algemene beschaving, en ook over de toekomstige staat van de mens en van de verschillende planeten die hij bewoont, verdienen onze serieuze aandacht, en ik ben van plan hierover een andere keer te spreken.

– 3 –

De eerste echo uit het stralende en mysterieuze Oosten die uit deze bladzijden weerklonk, liet de toon van universele broederschap horen. Zo’n denkbeeld wordt onder de mensen van deze tijd over het algemeen als vaag en utopisch beschouwd, maar als een waarvan het geen kwaad kan om het te onderschrijven; daarom stemt men er al snel mee in, maar slechts om die betuiging even vlug ongedaan te maken door in tegenovergestelde richting te handelen. Want de huidige beschaving, en vooral die van de Verenigde Staten, probeert de nadruk te leggen op het individu en het te verheerlijken. De vaak herhaalde verklaring dat iedere in de Verenigde Staten geboren burger ernaar kan streven het hoogste ambt dat het land te bieden heeft te bekleden, is een bewijs hiervan, en de mahatma’s die door de eeuwen heen de waarheid beschermen, terwijl staten uiteenvallen, beweren dat na verloop van tijd de reactie zeker zal komen als een terugval tot de ergste vormen van anarchie. Zo’n terugval kan alleen worden voorkomen als mensen de universele broederschap die ze met de mond willen belijden, ook werkelijk in praktijk brengen. Deze verheven wezens beweren vervolgens dat alle mensen met elkaar zijn verbonden, en dat dit een wetenschappelijk en dynamisch feit is, of ze dit erkennen of niet, en dat ieder volk op zowel het ethische als het fysieke gebied lijdt als gevolg van de fouten die door alle andere volkeren zijn begaan, en ook van de andere volkeren hulp krijgt, zelfs tegen hun wil in. Dit gebeurt dankzij het bestaan van een onweegbare, ijle middenstof die de hele aardbol doordringt en waarin alle daden en gedachten van ieder mens worden gevoeld en waarop ze worden afgedrukt om later weer te worden teruggekaatst. Vandaar – zo zeggen de adepten – dat de gedachten, de leringen en de religieuze opvattingen van de mensen van het hoogste belang zijn, omdat die welke onder mensen met een onedel karakter gangbaar zijn even goed en even gemakkelijk op aarde worden weerkaatst als de gedachten en de opvattingen van personen die op een hogere trap van beschaving staan.

Als deze stelling waar is, dan is ze een heel belangrijke lering, want met behulp van de ontdekkingen op het gebied van het hypnotisme, die nu door de wetenschap worden erkend, zijn we onmiddellijk in staat te zien dat een enorm hypnotiserend mechanisme ons omgeeft. Omdat deze ijle middenstof – door de oosterlingen ‘akasa’ en door de middeleeuwse filosofen het ‘astrale licht’ genoemd – geheel buiten onze controle valt, zijn we overgeleverd aan de beelden die zich daarin bevinden en die naar ons worden weerkaatst.

Als we hieraan de bijzonder interessante reïncarnatiegedachte toevoegen en bovendien bedenken dat de in het astrale licht gemaakte beelden eeuwenlang blijven bestaan, dan zien we onmiddellijk dat we bij onze terugkeer op aarde ten goede of ten kwade worden beïnvloed door het gedrag, de leringen en de aspiraties van vroegere mensen en volkeren. Wij die nu hier terugkeren, worden bijvoorbeeld, zonder het te weten, beïnvloed door de indrukken die in het astrale licht zijn gemaakt toen de indianen, de Spanjaarden en de wrede puriteinen op aarde leefden.

De woorden van de onsterfelijke Shakespeare:

Het kwaad dat mensen doen leeft na hen voort:
Het goede wordt vaak met hun beenderen begraven.
    – Julius Caesar, 3:2:80

illustreren deze leer op een treffende manier. Want, omdat de slechte gedachten en daden stoffelijker zijn en daarom krachtiger op het astrale licht zijn afgedrukt, terwijl de goede, omdat ze spiritueel zijn, gemakkelijk vervagen, zijn we in feite overgeleverd aan het kwaad dat is bedreven. En de adepten beweren dat Shakespeare, zonder het zelf te weten, door een van hen werd geïnspireerd. Op deze kant van het onderwerp zal ik nog terugkomen. Het evolutieplan dat door deze wezens en hun leerlingen wordt ontvouwd, is zó breed, diep en verstrekkend dat het gewone verstand ervan duizelt. Het beschouwt perioden van biljoenen en biljarden jaren als een gewone zaak. Volgens dit plan heeft de mens miljoenen jaren langer op aarde geleefd dan de wetenschap nu nog wil erkennen. Het is niet gebonden aan het beperkte stelsel van de bijbelse kroniekschrijvers, noch wordt het ondermijnd door de enorme ouderdom van beschavingen die langgeleden zijn verdwenen. De bewaarders van deze leer zeggen dat zij en hun voorgangers in die oude tijden hebben geleefd, en niet alleen de herinnering daaraan maar ook volledige verslagen daarvan hebben bewaard. Bovendien zijn deze verslagen niet op vergankelijk papier- of palmblad vastgelegd, maar op onvergankelijke steen. Ze verwijzen naar overblijfselen zoals de 8 m hoge standbeelden die op Paaseiland zijn aangetroffen: naar rijen reusachtige standbeelden in Azië, die door hun verschillende hoogten een beeld geven van het geleidelijk kleiner worden van de menselijke gestalte, iets wat gelijke tred hield met andere gevolgen van degeneratie; en als kroon op dit alles zeggen ze dat ze op dit moment in het Oosten de uitgebreide en goed bewaarde verzamelingen bezitten van verslagen van allerlei aard. Deze verslagen zouden niet alleen betrekking hebben op de geschiedenis van de fysieke mens, maar ook op zijn astrale en spirituele evolutie.

Vóór ik dit artikel besluit, kan ik alleen nog wijzen op een van hun grondstellingen van het evolutieplan. Deze is dat eerst de evolutie van de innerlijke astrale vorm van de mens plaatsvond en gedurende een enorm aantal jaren werd voortgezet, voordat zijn fysieke gestel daaromheen werd opgebouwd. Dit is samen met andere onderdelen van de leer van essentieel belang en zal ons helpen om de ingewikkelde vraagstukken te begrijpen waarmee we in de geschiedenis van de mensheid worden geconfronteerd, zowel wat betreft het deel dat daarvan al bekend is als dat wat nog op vermoedens berust.

– 4 –

De verslagen waarover ik in mijn vorige artikel heb gezegd dat ze door de adepten worden bewaard en nu in het bezit zijn van hun huidige vertegenwoordigers en opvolgers, eveneens adepten, hebben niet alleen betrekking op de geboorte van planeten in dit zonnestelsel, maar ook op de evolutie en ontwikkeling van de mens door de verschillende natuurrijken, totdat hij de hoogst denkbare toestand heeft bereikt. De evolutie van de mens omvat niet alleen het ontstaan van zijn sterfelijke lichaam, maar ook de geschiedenis van de innerlijke mens, die ze gewoonlijk de werkelijke mens noemen.

Dit brengt ons tot een interessante bewering die door de wijsheid-religie wordt gedaan, namelijk dat ze niet alleen licht kan werpen op de emoties en verstandelijke vermogens van de mens, maar ook op de toestanden vóór de geboorte en na de dood, en beide zijn van het hoogste belang. Vragen als: ‘Waar kom ik vandaan?’ en ‘In welke toestand zal ik na de dood verkeren?’ kwellen en verwarren het denken van alle mensen, zowel onwetenden als ontwikkelden. Van tijd tot tijd hebben priesters en denkers over deze toestanden vóór de geboorte en na de dood min of meer absurde theorieën geformuleerd, terwijl de moderne wetenschap honend lacht bij de gedachte om op dat gebied enig onderzoek te doen. Theologen hebben verklaringen aangereikt die alle slechts betrekking hebben op datgene wat volgens hun veronderstellingen met ons zal gebeuren na de dood, maar ze laten de heel natuurlijke vraag: ‘Wat waren we vóór we hier werden geboren?’ volledig buiten beschouwing en onbeantwoord. Zelfs vanuit hun eigen standpunt bezien is hun positie heel onlogisch, want, omdat ze de onsterfelijkheid van de ziel – de werkelijke mens – hebben geponeerd, kunnen ze in geen van beide richtingen onsterfelijkheid ontkennen. Indien de mens onsterfelijk is, dan kan die onsterfelijkheid nooit een begin hebben gehad, want anders zou ze een einde hebben. Hun enige uitvlucht uit dit dilemma is de verklaring dat iedere ziel een speciale schepping is. Maar bij deze lering van een speciale schepping voor iedere op aarde geboren ziel wordt door de priesters niet lang stilgestaan, omdat ze het beter schijnen te vinden haar wijselijk op de achtergrond te houden.

De wijsheid-religie blijft daarentegen van begin tot eind logisch. Ze verklaart dat de mens een spiritueel wezen is en laat geen breuk toe in de keten van iets dat eenmaal onsterfelijk is verklaard. Het ego van ieder mens is onsterfelijk; ‘het bestond altijd, zal altijd bestaan en kan nooit niet-bestaand zijn’; het verschijnt nu en dan, en verschijnt weer opnieuw, en is elke keer in een ander soort lichaam gehuld, waardoor het slechts in schijn sterfelijk is; het blijft altijd de basis en toeverlaat voor de persoonlijkheid die actief is op het levenstoneel. En voor deze verschijningsvormen als sterveling zijn de ter sprake gebrachte vragen – over de toestanden vóór de geboorte en na de dood – van essentieel belang, want door kennis of onwetendheid daarover wijzigt het denken en handelen van de mens zolang hij nog een speler is op het levenstoneel, en het is nodig dat hij dit weet, opdat hij zó zal leven dat hij kan bijdragen aan de grote opwaartse beweging van de evolutie.

De adepten hebben eeuwenlang wetenschappelijke experimenten gedaan en onderzoek verricht op het gebied van deze onderwerpen. Omdat ze zelf zieners van de hoogste rang zijn, hebben ze niet alleen verslag gedaan van hun eigen feitelijke ervaringen achter de sluier van de stof, aan beide kanten, maar ze hebben de verslagen van dezelfde soort ervaringen van honderdduizenden zieners van lagere rang, hun eigen discipelen, verzameld, vergeleken, geanalyseerd en bewaard; en dit proces is sinds onheuglijke tijden aan de gang. De wetenschap mag erom lachen, maar de adepten zijn de enige ware wetenschappers, want ze houden rekening met alle facetten van het onderwerp, terwijl de wetenschap beperkt wordt door hersencapaciteit, omstandigheden, onvolmaaktheid van instrumenten en het totale onvermogen om iets waar te nemen dat dieper ligt dan alleen maar de verschijnselen van de stof. De verslagen van de visioenen en ervaringen van de grotere en minder grote zieners zijn door de eeuwen heen tot op de huidige dag bewaard gebleven. Van die grote verzameling is alleen datgene als waar aangenomen wat gecontroleerd en bevestigd is door miljoenen onafhankelijke waarnemingen; daarom kunnen de adepten worden beschouwd als degenen die werkelijke experimentele kennis bezitten over wat aan de geboorte van het ego in een menselijke vorm voorafgaat, en wat er volgt wanneer het ‘sterfelijke omhulsel’ wordt afgeworpen.

Dit optekenen van ervaringen gaat nog steeds door, want het oneindige aantal veranderingen van de natuur die evolueert laat geen stilstand toe, geen ‘laatste woord’, geen definitieve formulering. Terwijl de aarde om de zon draait, doorloopt ze in haar baan niet alleen nieuwe plaatsen, maar omdat ze door de zon wordt meegevoerd in zijn grotere baan die miljoenen en miljoenen jaren omvat, moet ze in deze grotere cyclus nieuwe gebieden in de ruimte betreden en geheel nieuwe omstandigheden ervaren. Daarom gaan de adepten nog verder en verklaren dat, zoals de verschijnselen die de stof tegenwoordig vertoont verschillen van die van een miljoen jaar geleden, de stof na nog een miljoen jaar evenzo weer andere verschijnselen zal vertonen. Als we in staat zouden zijn ons gezichtsvermogen over te brengen naar een tijd ver terug in het verleden van onze aardbol, dan zouden we toestanden en verschijnselen van de stoffelijke wereld waarnemen die zoveel verschillen van die welke ons nu omringen dat het bijna onmogelijk zou zijn te geloven dat we ooit in een toestand hebben verkeerd zoals er toen heerste. En de veranderingen in de richting van de toestanden die zullen heersen op een tijdstip dat even ver van ons af ligt in de toekomst – veranderingen die niet minder groot zullen zijn dan die welke vroeger hebben plaatsgevonden – vinden nu plaats. In de stoffelijke wereld blijft niets zelf, of wat betreft zijn toestanden, volstrekt onveranderd, zelfs niet voor de kortst denkbare periode. Al wat is, is voortdurend bezig iets anders te worden. Dit is niet louter transcendentalisme, maar het is een oude bevestigde leer die in het Oosten ‘de leer van de voortdurende, eeuwige verandering van de atomen van de ene toestand in een andere’ wordt genoemd.

– 5 –

De oude leer van de voortdurende eeuwige verandering van elk atoom van de ene toestand in de andere is gebaseerd op, of beter gezegd vloeit voort uit, een andere leer die stelt dat er geen dode stof bestaat. In elk denkbaar punt van het heelal zijn er levens: nergens kan een punt worden gevonden dat dood is; en elk leven snelt voortdurend vooruit naar hogere evolutie. Om dit te kunnen erkennen moeten we natuurlijk toegeven dat stof nooit door het oog of door middel van enig instrument wordt waargenomen. Het zijn slechts de verschijnselen van stof die we met behulp van de zintuigen waarnemen, en daarom zeggen de wijzen dat wat door ons ‘stof’ wordt genoemd een illusie is. Zelfs het protoplasma van de wetenschappelijke scholen is niet de oorspronkelijke stof: het is slechts een van de verschijnselen. Deze eerste oorspronkelijke stof wordt door Paracelsus en anderen oerstof genoemd, wat het dichtst nadert tot dat wat in de Oosterse School wordt aangeduid met het Sanskrietwoord mulaprakriti. Dit is de wortel van stof; ze is onzichtbaar, en kan niet worden gewogen of gemeten of met enig door mensen uitgevonden instrument worden onderzocht. En toch is dit de enige werkelijke stof die ten grondslag ligt aan alle verschijnselen waaraan we ten onrechte haar naam verbinden. Maar zelfs deze is niet dood, maar vol van de levens waarnaar we hierboven hebben verwezen.

Terwijl we dit in gedachten houden, beschouwen we nu het uitgestrekte zonnestelsel, dat alleen uitgestrekt is wanneer we het niet vergelijken met de nog grotere verzameling sterren en planeten eromheen. Het grote siderische jaar dat door de zon wordt doorlopen bij haar gang door de twaalf tekens van de dierenriem, omvat meer dan 25.000 van onze jaren van elk 365 dagen. Terwijl deze enorme cyclus wordt doorlopen, sleept de zon het hele zonnestelsel met zich mee langs zijn eigen reusachtige baan, en we kunnen ons voorstellen – want er zijn geen waarnemingen op dit punt – dat het zonnestelsel als geheel, terwijl de tocht van 25.000 jaar langs de dierenriem wordt afgelegd, slechts een kleine afstand heeft afgelegd langs de eigen baan van de zon. Maar nadat er in deze cyclus miljoenen jaren zijn voorbijgegaan, moet de zon haar reeks planeten naar sterrenruimten voeren waar ze nooit eerder zijn geweest. Hier kunnen heel goed heel andere toestanden en combinaties van stof heersen – omstandigheden en toestanden waarvan onze wetenschappers nooit hebben gehoord, waarvan nooit een enkel verschijnsel is opgetekend – en het verschil tussen planetaire toestanden dan en nu zal zó groot zijn dat er geen overeenkomst zal worden waargenomen.

Dit is een aspect van de cyclische wet waarmee de oosterse wijzen volkomen vertrouwd zijn. Ze hebben hiernaar onderzoek gedaan, hun waarnemingen opgetekend en deze verslagen bewaard. Omdat ze de ontelbare levens gedurende cyclus na cyclus van het verleden hebben gadegeslagen, en hun gedrag hebben waargenomen onder verschillende omstandigheden in andere sterrenruimten die ze langgeleden achter zich hebben gelaten, bezitten ze een basis op grond waarvan ze conclusies kunnen trekken over de toestand van de dingen in toekomstige eeuwen.

Dit voert ons tot een interessante theorie die de theosofie ons biedt over het leven zelf, zoals het tot uiting komt in de mens, in zijn dood en in zijn slaap. Ze houdt ook verband met wat in het algemeen ‘vermoeidheid’ wordt genoemd. De meest gangbare verklaring voor het verschijnsel slaap is dat het lichaam vermoeid wordt – zijn levenskracht raakt min of meer uitgeput – en dan rust zoekt. Theosofie zegt dat dit juist het tegenovergestelde van de waarheid is, want in plaats van een verlies aan levenskracht te hebben geleden heeft het lichaam aan het einde van de dag meer leven in zich dan toen het ontwaakte. Gedurende de waaktoestand stromen de levensgolven elk uur met grotere hevigheid ons lichaam binnen, en omdat we niet in staat zijn hen langer weerstand te bieden dan de gebruikelijke periode, overweldigen ze ons en vallen we in slaap. Gedurende de slaap passen de levensgolven zich aan de moleculen van het lichaam aan, en wanneer het evenwicht is hersteld, ontwaken we om de strijd met het leven voort te zetten. Als deze periodieke aanpassing niet zou plaatsvinden, zou de levensstroom ons vernietigen. Elke verstoring van het lichaam die deze aanpassing dreigt te belemmeren, is een oorzaak van slapeloosheid en misschien de dood. Ten slotte is de dood van het lichaam te wijten aan de ongelijkheid van de strijd met de levenskracht; deze overweldigt ons ten slotte en we zijn genoodzaakt in het graf te dalen. Ziekte, de gemeenschappelijke eigenschap van de mensheid, vermindert slechts het vermogen van het lichaam om zich aan te passen en weerstand te bieden. Volgens de adepten slapen kinderen meer dan volwassenen en hebben ze eerder rust nodig, omdat het lichamelijk gestel nog jong en teer is en gemakkelijk door het leven wordt overmand en in slaap gebracht.

In zo’n kort artikel kan ik deze theorie natuurlijk niet in detail uitwerken; en hoewel ze nu voor de wetenschap waarschijnlijk niet aannemelijk is, zal ze eens als waar worden aangenomen. Zoals men algemeen begint te denken dat elektriciteit allesdoordringend is, evenzo zal er misschien binnenkort mee worden ingestemd dat leven universeel is, zelfs in dat wat we gewend zijn dode stof te noemen.

Omdat het echter voor iedere alerte denker duidelijk is dat bij de werkingen van deze levensenergie intelligentie in meerdere of mindere mate een rol schijnt te spelen, komen we op een natuurlijke manier bij een andere interessante theosofische lering, namelijk over de wezens en hiërarchieën die deze energie sturen.

– 6 –

Wanneer we deze oude denkbeelden bestuderen, is het goed erop voorbereid te zijn dat ze in strijd zijn met veel opvattingen die al lange tijd worden aanvaard. Maar omdat de wetenschap wanneer ze de grote vraagstukken over het ontstaan van de mens en de kosmos probeert op te lossen niet veel anders dan gissingen te bieden heeft, en bij het ontkennen van oude dogma’s gewoonlijk begint met een hypothese, hoeven theosofen zich niet ongerust te maken. Over belangrijke zaken, zoals de temperatuur van de zon of de geschiedenis van de maan zijn wetenschappers of astronomen het onderling niet eens. Newton, Pouillet, Zöllner, Secchi, Fizeau, Waterston, Rosetti en anderen verschillen allemaal van mening over de zon. Hun schattingen van zijn temperatuur verschillen met zelfs 8.998.600 graden.

Als we de adepten horen beweren dat de maan niet een massa is die door de aarde bij haar afkoeling is weggeslingerd, maar dat ze integendeel de voorganger van deze bol is, hoeven we niet bang te zijn voor de spot van een wetenschap die in veel dingen even onzeker en onbetrouwbaar als zelfverzekerd is.

Als ik slechts te maken had met die academici die vasthouden aan de laatste uitspraak uit de mond van de leiders van de wetenschap, dan zou ik nooit proberen te spreken over de hiërarchieën en wezens die aan andere levende wezens leiding geven, waarover ik in mijn vorige artikel schreef. Mijn pen zou dan uit mijn hand vallen, verlamd door ontkenningen. Maar de spirituele overtuigingen van de gewone mensen zullen nog steeds gangbaar zijn wanneer de geleerde materialist is heengegaan. De grote Immanuel Kant heeft gezegd:

Ik beken dat ik sterk geneigd ben aan te nemen dat er in de wereld onstoffelijke wezens bestaan, en mijn eigen ziel in deze categorie van wezens te plaatsen. Later zal worden bewezen, ik weet niet waar of wanneer, dat de menselijke ziel zelfs in dit leven in onverbrekelijke verbinding staat met alle onstoffelijke wezens in de wereld van de geest, en dat ze op deze inwerkt en indrukken van hen ontvangt.1

1Träume eines Geistersehers, etc., Riga & Mitau, Hartknoch, 1766.

En de meeste mensen denken ook zo.

Dat het heelal door hiërarchieën wordt bestuurd, is geen nieuw denkbeeld. Het kan tegenwoordig gemakkelijk in de christelijke kerk worden gevonden. De oude kerkvaders onderwezen het, Paulus sprak erover, en de rooms-katholieke kerk drukt het duidelijk uit in het ‘Boek over het ritueel van de geesten van de sterren’. De vier aartsengelen die de vier windstreken bewaken, vertegenwoordigen de groepen van heersers in het oude stelsel, of de hoofden van elke groep. In dat stelsel worden de heersers dhyani-chohans genoemd. Hoewel de theosofische filosofie niet het bestaan van een persoonlijke God aanneemt, noch buiten noch binnen de kosmos, kan ze niet erkennen dat de natuur geen hulp krijgt bij haar werk, maar beweert dat de dhyani-chohans haar bijstaan en voortdurend bezig zijn aan het allesdoordringende leven leiding te geven bij zijn evolutionaire ontwikkeling. Mw. Blavatsky spreekt over dit onderwerp in De geheime leer (1:149) en citeert uit het oude Boek van Dzyan het volgende:

Een leger van de zonen van het licht staat bij elke hoek, de lipika’s staan in het middenwiel.

De vier hoeken zijn de vier windstreken, en het ‘middenwiel’ is het middelpunt van de ruimte; en dat middelpunt is overal, want, omdat de ruimte onbegrensd is, moet haar middelpunt daar zijn waar het waarnemende bewustzijn is. Dezelfde schrijfster citeert het volgende uit de Catechismus van de leerling:

Wat is het dat altijd is? Ruimte, de aupapaduka. Wat is het dat altijd was? De kiem in de wortel. Wat is het dat altijd komt en gaat? De grote adem. Is er dus drie keer iets eeuwigs? Nee, de drie zijn één. Wat altijd is, is één; wat altijd was, is één; wat altijd bestaat en wordt, is één; en dit is Ruimte.    – De geheime leer, 1:41

In deze ouderloze en eeuwige ruimte is het middenwiel waar de lipika’s zijn, over wie ik niet kan spreken; bij de vier hoeken bevinden zich de dhyani-chohans – hun wensen worden onder de mensen van deze aarde uitgevoerd door de adepten, de mahatma’s. De harmonie van de sferen is de stem van de Wet, en die stem wordt door zowel de dhyani-chohan als de mahatma gehoorzaamd – door hen bereidwillig omdat zijzelf de wet zijn; door de mensen en andere wezens omdat ze vastgeklonken zijn aan de diamantharde ketenen van de wet die ze niet begrijpen.

Toen ik zei dat er niets over de lipika’s kon worden gezegd, bedoelde ik dat het op grond van hun mysterieuze aard en hun onbegrijpelijke vermogens niet mogelijk is genoeg te weten om iets zinnigs of betrouwbaars over hen te zeggen. Maar over de dhyani-chohans en adepten kunnen we iets weten, en vaak wordt ons als het ware een tastbaar bewijs van hun bestaan gegeven. Want de adepten zijn levende mensen, die lichamen gebruiken zoals de onze; ze leven over de hele aarde verspreid onder alle volkeren; ze kennen elkaar, maar niet op basis van louter omgangsvormen en maçonnieke herkenningstekens, tenzij we natuurlijke, fysieke en astrale tekens maçonniek noemen. Er zijn tijden dat ze bijeenkomen onder leiding van sommigen van hen die verder gevorderd zijn in kennis en macht dan de rest. Deze hogere adepten hebben ook weer hun samenkomsten, waarbij de voorzitter de hoogste is; bij laatstgenoemden begint het contact met de dhyani-chohans. Allen doen in hun verschillende graden het werk dat tot hun graad behoort, en hoewel alleen aan de hoogsten enige macht en leiding over natuur en mens kan worden toegeschreven, neemt zelfs de laagste een belangrijke plaats in het hele plan in. Vrijmetselaars en de talrijke pseudo-rozenkruisers van nu zullen deze zienswijze waarschijnlijk niet eenstemmig aannemen, omdat deze adepten zich niet aan hun ritueel hebben onderworpen; maar dat er altijd een wijdverbreid – hoewel soms zo u wilt heimelijk – geloof in zulke wezens en hiërarchieën heeft bestaan, is niet moeilijk waar te nemen of te bewijzen.

– 7 –

Een oud argument voor het bestaan van een buitenkosmische – een persoonlijke – God is de intelligentie die de natuur als het ware doordringt, en waaruit de conclusie wordt getrokken dat er een wezen is dat de intelligente bestuurder daarvan is. Maar theosofie laat het bestaan van zo’n God niet toe, want hij is noch noodzakelijk noch mogelijk. Er zijn te veel bewijzen van de onverbiddelijkheid van de werkingen van de natuur, dan dat we lang het denkbeeld van een persoonlijke God zouden kunnen koesteren. We zien dat stormen woeden en goede en slechte mensen gezamenlijk treffen, dat aardbevingen leeftijd, sekse noch maatschappelijke positie ontzien, en dat overal waar een natuurwet zich moet doen gelden, dit zal gebeuren ongeacht het leed of de wanhoop van de mens.

Wanneer de wijsheid-religie uitgaat van het bestaan van hiërarchieën, zoals die waarnaar ik hierboven heb verwezen, dan schetst ze daarmee niet een persoonlijke God. Het verschil tussen een persoonlijke God – bijvoorbeeld Jehovah – en de lipika’s met de menigten dhyani-chohans is heel groot. Wet en orde, gezond verstand, fatsoen en vooruitgang, dit alles wordt ondergeschikt gemaakt aan Jehovah en verdwijnt soms volledig onder zijn weldadige invloed, terwijl in de wijsheid-religie de dhyani-chohans de onwrikbare wetten die voor eeuwig in het universele denkvermogen zijn gegrift, slechts kunnen volgen; en ze doen dit op een intelligente manier, omdat ze in feite mensen zijn die goden zijn geworden. Omdat deze eeuwige wetten verstrekkend zijn en de natuur zelf blind is, moeten de hiërarchieën – de menigten bij de hoeken – de evolutionaire vooruitgang van de stof leiden.

Laten we om de leer beter te begrijpen één periode van manifestatie nemen, zoals die waarin we ons nu bevinden. Deze begon miljoenen en miljoenen jaren geleden, volgend op een enorme periode van duisternis of winterslaap. In het christelijke stelsel wordt deze chaos genoemd. En voorafgaand aan deze periode van slaap waren er in alle eeuwigheid andere perioden van activiteit of manifestatie. In die vroegere perioden van levenskracht en activiteit had eenzelfde proces van evolutionaire vooruitgang plaats, dat edele wezens voortbracht – vervolmaakte mensen die voor ons als goden zijn en die in talloze evolutieperioden in het verre verleden hulp hadden verleend. Deze werden dhyani-chohans en namen deel aan alle daaropvolgende evolutieperioden. Dit is het grote doel, waarnaar een menselijke ziel moet streven. Hierbij vergeleken zinken de schamele en onmogelijke beloningen van de christelijke hemel in het niet.

We moeten niet de fout maken om deze grote evolutieperioden en de genoemde wezens te beperken tot onze armzalige aarde. Wij bevinden ons slechts op de aardketen. Er zijn andere stelsels, andere ruimten, waar levenskracht, kennis en macht tot uitdrukking worden gebracht. In de mysterieuze melkweg bevinden zich op onbegrijpelijk grote afstand uitgestrekte gebieden waar plaats is voor veel stelsels zoals het onze; en zelfs nu, terwijl we de enorme verzameling sterren gadeslaan, is er hier en daar een plaats waar de lange nacht van de dood zich meedogenloos uitspreidt over een ooit schitterend stelsel.

Deze wezens die onder de heerschappij van de Wet staan, lijken soms misschien onverbiddelijk te zijn. Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarbij het naar menselijk oordeel wijs of rechtvaardig zou zijn om een stad voor verwoesting, een volk voor de ondergang, of een ras voor het volledig uitsterven te behoeden, maar wanneer zo’n lot het natuurlijke gevolg is van verrichte daden of een noodzakelijke stap vormt in de cyclische ontwikkeling, dan kan het niet worden afgewend. Zoals een van de meesters van deze edele wetenschap heeft geschreven:

We hebben nooit beweerd dat we hele volkeren naar een of ander keerpunt kunnen voeren tegen de algemene tendens van de kosmische betrekkingen van de wereld in. De cyclussen moeten hun loop volbrengen. Perioden van verstandelijk en ethisch licht en duisternis volgen elkaar op als dag en nacht. De grote en kleine yuga’s moeten overeenkomstig de vastgestelde orde van de dingen worden volbracht. En wij, die met het machtige getij worden meegevoerd, kunnen slechts enkele van zijn minder belangrijke stromingen wijzigen en bijsturen. Als we de macht van een denkbeeldige persoonlijke God zouden hebben, en wanneer de onveranderlijke wetten slechts speelgoed waren om zich mee te vermaken, dan hadden we wel omstandigheden kunnen scheppen die deze wereld zouden hebben veranderd in een Arcadië voor edele zielen.1

1A.P. Sinnett, The Occult World, TPH, Londen, 1984, blz. 118; Gecombineerde chronologie, TUPA, Den Haag, 1979, blz. 37.

En daarom kan in individuele gevallen de wet niet worden overtreden, zelfs niet voor hen die rechtstreeks in contact staan met een adept. Karma eist dat een individu dit of dat moet ondergaan, en de grootste god of de kleinste adept kan geen vinger uitsteken om dit te voorkomen. Een volk kan als volk in zijn eigen nadeel een grote hoeveelheid slecht karma hebben opgehoopt. Zijn lot is bezegeld, en hoewel er enkele individuen met een edel karakter toe kunnen behoren, grote zielen die zelfs adepten zijn, niets kan het redden en ‘het zal uitdoven zoals een toorts die in water wordt gedompeld’.

Zo was het einde van het oude Egypte, en in deze tijd weet niemand iets over de vroegere glorie ervan. Hoewel het voor ons aan de historische hemel verschijnt als een middagzon, had het toch zijn periode van groei, toen machtige adepten op de troon zaten en het volk leiding gaven. Het bereikte geleidelijk een hoge staat van macht, en daarna werd zijn bevolking materialistisch; de adepten trokken zich terug, pseudo-adepten namen hun plaats in, en langzamerhand taande zijn glorie, tot het licht van Egypte ten slotte duisternis werd. Dezelfde ontwikkeling herhaalde zich in Chaldea en in Assyrië en ook binnen de grenzen van ons eigen Amerika. Hier bloeide eens een grote schitterende beschaving, om slechts te verdwijnen zoals de andere; en dat hier nu opnieuw een begin wordt gemaakt met een grote ontwikkeling van beschaving is volgens theosofen een van de werkingen van de rechtvaardige en volmaakte wet van karma, en een van de mysterieuze werken van een onverantwoordelijke voorzienigheid volgens hen die geloven in een persoonlijke God die het land van anderen schenkt aan de goede christen. Er bestaat een mysterieus maar nauw verband tussen de ontwikkeling van de Amerikaanse natie en het schitterende verleden van de Atlantiërs; het vormt een van de grote verhalen in het boek van het lot dat is geschetst door de lipika’s, naar wie ik vorige week heb verwezen.

– 8 –

De opkomst en ondergang van volkeren en beschavingen zijn onderwerpen die door de adepten worden bestudeerd in het kader van de grote cyclische bewegingen. Ze beweren dat er een onverbrekelijk verband bestaat tussen de mens en elke gebeurtenis die op deze bol plaatsvindt, niet alleen de gewone veranderingen in de politiek en het maatschappelijk leven, maar ook alle gebeurtenissen in het mineralen-, planten- en dierenrijk. De veranderingen in de jaargetijden zijn er door en voor de mens; de grote verheffingen van continenten, de bewegingen van reusachtige gletsjers, de geweldige uitbarstingen van vulkanen of de plotselinge overstromingen van grote rivieren, dit alles gebeurt door en voor de mens, ongeacht of hij zich ervan bewust is, erbij aanwezig is, of afwezig. En ze spreken over grote veranderingen in de stand van de aardas in het verleden en in de toekomst die alle aan de mens zijn toe te schrijven.

Deze leer is in de 19de eeuw in het Westen onbegrijpelijk, want ze valt buiten het waarnemingsgebied, ze gaat in tegen de traditie en wordt door het onderwijs tegengesproken. Maar een theosoof die het stadium van een beginner voorbij is weet dat ze niettemin waar is. ‘Wat’, zegt de bewonderaar van de wetenschap, ‘heeft de mens te maken met de aardbeving in Charleston of met de stortregens van kosmisch stof dat onze atmosfeer binnendringt? Niets.’

Maar de adept die de onmetelijke hoogte heeft bereikt waar hij eeuwen kan overzien, ziet de grote en kleine cyclussen zich ontvouwen, terwijl ze door de mens worden beïnvloed en veranderingen vertonen wanneer deze wordt gestraft of beloond, ervaring opdoet en zich ontwikkelt.

Het is niet nodig nu te proberen duidelijk te maken hoe de gedachten en daden van mensen veranderingen teweegbrengen in de stoffelijke dingen; voorlopig wil ik dit als een lering stellen, om het later te verklaren.

Het belangrijke onderwerp cyclussen is aangeroerd, en dit brengt ons tot een heel interessante uitspraak die door de theosofische adepten is gedaan. Namelijk dat de cyclussen in hun voortgang nu, in de Verenigde Staten en in Amerika in het algemeen, niet alleen een grote glorierijke beschaving doen herrijzen die 11.000 jaar of langer geleden in vergetelheid raakte, maar ook dezelfde mensen, de monaden – de ego’s, zoals ze hen noemen – weer bijeenbrengen die zoveel eeuwen geleden bij haar ontwikkeling betrokken waren en haar tot haar uiteindelijke luister hebben gebracht. In feite zijn wij mensen van de 19de eeuw, die dagelijks horen over nieuwe ontdekkingen en uitvindingen en die dromen van grote vooruitgang in alle kunsten en wetenschappen, dezelfde individuen die lichamen bewoonden onder de machtige en schitterende, maar ook verdorven, Atlantiërs, van wie de naam voor altijd onsterfelijk is gemaakt door de Atlantische Oceaan. Ook de Europeanen zijn Atlantische monaden, maar de bloem van deze herleving of wederopstanding bevindt zich en is te verwachten op het Amerikaanse continent. Ik zeg niet de Verenigde Staten, want als de zon van onze macht weer zal zijn opgegaan, zijn er misschien geen Verenigde Staten meer om op te schijnen.

Om deze theorie enigszins te kunnen aannemen, is het natuurlijk van essentieel belang in de theosofische tweelingleer over karma en reïncarnatie te geloven. Dit lijkt me heel duidelijk. In deze burgers van Amerika kan ik de Atlantiërs bijna herkennen, nog slaperig, en zich nog niet ervan bewust wie ze zijn, maar toch al vervuld van Atlantische denkbeelden, die slechts verhinderd worden om volledig en duidelijk tot uitdrukking te komen door de overgeërfde lichamelijke en mentale omgeving die de machtige mens daarbinnen belemmert en ketent. Ook dit is nemesis-karma, die ons straft door middel van deze ergerlijke beperkingen, onze kracht aan banden legt en ons ideaal tijdelijk dwarsboomt. Dit komt omdat we, toen we in Atlantische lichamen leefden, slecht handelden, niet alleen de lage, slechte daden van onze dagen verrichtten, maar daden van diep verdorven kwaad, zoals door Paulus werden toegeschreven aan onbekende, kwade geesten in de hemelsferen (Efeziërs 6:12). We verlaagden spirituele zaken en misbruikten onze grote macht over de natuur voor lage doeleinden. We deden in hoge mate datgene wat nu blijkt uit de verheerlijking van rijkdom, van stoffelijke goederen, van het individu boven het spirituele en boven de grote Mens – de mensheid. Dit vindt nu zijn tegenwicht in ons huidige onvermogen om te bereiken wat we willen, of om ons te ontdoen van de molensteen van armoede. Tot nu toe zijn we slechts voorbereiders, hoezeer we onze duidelijk grove Amerikaanse ontwikkeling misschien ook verheerlijken.

Hierin ligt de werkelijke kern van de betekenis van deze cyclus. Het is een voorbereidende cyclus die noodzakelijkerwijs veel vernietiging met zich meebrengt, want vóór de opbouw moet er een zekere mate van vernietiging zijn. Hier in Amerika zijn we nu bezig een nieuw ras voor te bereiden dat de volmaking te zien zal geven van de glorie, waarvan ik heb gezegd dat ze gaandeweg bezig is uit het lang vergeten verleden te herrijzen. Daarom zien we dat de beide Amerika’s in een toestand van voortdurende gisting verkeren. Het is het kolken en borrelen van de oudere rassen in de smeltkroes, en het langzaam naar boven komen van het materiaal voor het nieuwe ras. Hier en nergens anders zien we mannen en vrouwen van alle rassen gezamenlijk leven onder éénzelfde regering, de natuur en de problemen van het leven gezamenlijk aanpakken, en kinderen baren die twee rassen in zich verenigen. Dit proces zal doorgaan tot na verloop van vele generaties op het Noord- en Zuid-Amerikaanse continent een heel nieuw ras zal zijn voortgebracht – nieuwe lichamen, nieuwe vormen van intellect, nieuwe verstandelijke vermogens, merkwaardige en onbekende paranormale vermogens en ook bijzondere fysieke vermogens, met nieuwe zintuigen en met uitbreidingen van de huidige zintuigen die nu nog niet zijn te voorzien. Wanneer dit nieuwe soort lichaam en dit nieuwe denkvermogen zijn voortgebracht, dan zullen andere monaden, of opnieuw die van onszelf, deze bezielen en op het scherm van de tijd beelden werpen van 100.000 jaar geleden.

– 9 –

Bij het behandelen van deze leringen is men zo nu en dan gedwongen de strekking en de betekenis van veel woorden uit te breiden. Het woord ‘ras’ is één hiervan. In het theosofische stelsel, zoals dit door de wijzen uit het Oosten is gegeven, wordt over zeven grote rassen gesproken. Elk van deze omvat alle verschillende zogenaamde rassen van onze moderne etnologie. Vandaar de noodzaak van zeven grote wortelrassen, onderrassen, familierassen en talloze zijtakken. Het wortelras zendt onderrassen uit, en die vertakken zich in familiegroepen; alle behoren echter tot het grote wortelras dat op dat moment zijn ontwikkeling doormaakt.

Het verschijnen van deze grote wortelrassen vindt altijd precies dan plaats wanneer de ontwikkeling van de wereld dit toelaat. Toen de aardbol bezig was zich te vormen, was het eerste wortelras min of meer etherisch en had niet een lichaam zoals dat waarin we nu leven. De kosmische omgeving werd meer verdicht en het tweede ras verscheen, waarna het eerste al snel volledig verdween. Toen verscheen het derde ras op het toneel, na een enorm tijdsverloop waarin het tweede de lichamen die voor het derde ras nodig zijn tot ontwikkeling bracht. Er wordt gezegd dat bij de komst van het vierde wortelras de huidige menselijke vorm werd ontwikkeld, hoewel van reusachtige afmeting en in sommige opzichten verschillend van de onze. Het is vanaf dit punt – het vierde ras – dat het theosofische stelsel begint te spreken over de mens als zodanig.

Het oude boek dat door Mw. Blavatsky wordt geciteerd, zegt het op de volgende manier:

Twee aan twee op de zeven gebieden, zo bracht het derde ras het vierde voort . . .
Het eerste ras was in elk gebied maankleurig (geelwit); het tweede geel als goud; het derde rood; het vierde bruin, dat van zonde zwart werd.1

1De geheime leer, 2:256; HPB’s voetnoot op die bladzijde verduidelijkt deze stanza uit het Boek van Dzyan.

Topinard geeft in zijn L’anthropologie steun hieraan, want hij zegt dat het menselijk organisme drie basiskleuren kent – rood, geel en zwart. Het bruine ras dat van zonde zwart werd, heeft betrekking op het Atlantische ras van tovenaars waarover ik in mijn vorige artikel heb gesproken. Hun verschrikkelijk zondige praktijken, zowel mentaal als fysiek, hebben een verandering in de kleur van de huid veroorzaakt.

De evolutie van deze zeven grote rassen beslaat vele miljoenen jaren, en we moeten niet vergeten dat als het nieuwe ras volkomen is ontwikkeld, het voorafgaande ras verdwijnt, omdat de monaden ervan geleidelijk reïncarneren in de lichamen van het nieuwe ras. Het tegenwoordige wortelras waartoe we behoren, ongeacht in welk onderras of welke familie we nu zijn, is het vijfde. Ongeveer een miljoen jaar geleden werd het een afzonderlijk, duidelijk onderscheiden, volledig omlijnd ras; het zal nog veel meer jaren moeten doormaken, voordat het zesde zal opkomen. Dit vijfde ras omvat alle volkeren van Europa, omdat ze samen een familieras vormen en niet van elkaar gescheiden moeten worden.

Het proces om de basis of grote ruggengraat te vormen voor het ras dat het zesde zal inleiden, dat, zoals ik zei, nu in de beide Amerika’s aan de gang is, is voor ons een langzaam proces. Omdat we niet anders dan op basis van vergelijking kunnen oordelen of rekenen, gaat het geleidelijk samenkomen van volkeren en de voortdurende vermenging van hun nakomelingen om in de menselijke ontwikkelingslijn iets nieuws voort te brengen zo geleidelijk dat het lijkt alsof er bijna geen vooruitgang wordt geboekt. Maar deze verandering en deze evolutie vinden niettemin plaats, en wie nauwkeurig waarneemt kan de bewijzen ervan zien. Eén feit verdient de aandacht. Het is de vindingrijkheid die de Amerikanen aan de dag leggen. Hierop wordt door wetenschappers weinig de nadruk gelegd, maar een occultist ziet daarin een bewijs dat de hersenen van deze uitvinders meer ontvankelijk zijn voor invloeden en beelden uit de astrale wereld dan de hersenen van de oudere volkeren. Ik heb van deskundige mensen berichten ontvangen over kinderen, jongens en meisjes, die met heel uitzonderlijke vermogens van spraak, geheugen of anderszins waren geboren, en sommige van die gevallen heb ik zelf gezien. Al die gevallen komen in Amerika voor, en veel ervan in het Westen. Hier zijn de zenuwen meer gespannen dan bij de oudere volkeren. Dit wordt toegeschreven aan de haast en de onstuimigheid van onze beschaving, maar zo’n verklaring zegt in feite niets, omdat de vraag dan blijft, ‘Waarom is er zo’n haast en gedrevenheid en verandering in de Verenigde Staten?’ Zulke alledaagse argumenten draaien in een cirkel rond, omdat ze de fundamentele reden buiten beschouwing laten, waarmee een theosoof zo vertrouwd is, namelijk dat de evolutie van de mens zich hier voor onze ogen afspeelt in overeenstemming met cyclische wetten.

De theosofische adepten geloven in evolutie, maar niet in die soort die beweert dat onze voorouder een aap is. Hun grote en veelomvattende stelsel kan het voorkomen van rudimentaire spieren en sporen van organen die alleen in het dierenrijk volledig ontwikkeld zijn heel goed verklaren, zonder daarvoor een mensaap onze voorouder te hoeven noemen; want ze tonen aan dat het geleidelijke proces van het bouwen van de tempel voor het gebruik van het goddelijke ego onophoudelijk en in stilte in de loop van vele eeuwen voortgaat, waarbij het afwisselend alle vormen van elk natuurrijk betreedt en weer verlaat, van het mineraal tot aan het allerhoogste. Dit is de werkelijke verklaring van het oude joodse, maçonnieke en archaïsche gezegde dat de tempel van de Heer niet met handen wordt gemaakt en dat daarbij geen geluiden van het bouwen ervan worden gehoord.

– 10 –

Het is goed om nu, meer welomlijnd dan ik tot nu toe heb gedaan, enkele woorden te zeggen over twee categorieën van wezens; over één daarvan is veel gezegd in de theosofische literatuur en ook door buitenstaanders die hetzij serieus of spottend over het onderwerp schrijven. Deze twee categorieën van verheven wezens zijn de mahatma’s en de nirmanakaya’s.

Wat de mahatma’s betreft, over hen zijn veel onjuiste denkbeelden in omloop, niet alleen bij het grote publiek maar ook bij theosofen overal op de wereld.

In de begintijd van de Theosophical Society werd de term mahatma hier niet gebruikt; de benaming was toen ‘broeders’. Dit verwees naar het feit dat ze een groep mensen waren die tot een broederschap in het Oosten behoorden. Door de mensen die in hun bestaan geloofden, werden aan hen heel verbazingwekkende vermogens en heel bijzondere motieven toegeschreven.

Ze konden zich in een oogwenk naar alle delen van de wereld begeven. Ze konden brieven aan hun vrienden en leerlingen in New York precipiteren, waarbij de grote afstand tussen India en hier werd overbrugd. Velen dachten dat dit, wanneer het gebeurde, enkel als vermaak werd gedaan; anderen beschouwden het als een toetssteen voor de volgelingen, terwijl weer anderen dachten dat de mahatma’s dit alleen deden omdat ze graag hun macht uitoefenden. De spiritisten, van wie sommigen geloofden dat Mw. Blavatsky de verbazingwekkende dingen die over haar werden verteld, werkelijk deed, zeiden dat ze slechts een medium was en niets anders, en dat haar broeders geesten van de seancekamers waren. De pers in het algemeen lachte intussen, maar Mw. Blavatsky en haar theosofische vrienden zetten hun werk voort en gaven hun geloof in de broeders, die na enkele jaren mahatma’s werden genoemd, nooit op. De woorden adept en mahatma werden zonder onderscheid gebruikt om dezelfde wezens aan te duiden, zodat deze twee benamingen onnauwkeurig en op een verkeerde manier werden gebruikt.

Het woord adept betekent iemand die bekwaam is; de term is niet uitzonderlijk, zodat er, wanneer we het op de broeders toepassen, enige omschrijving nodig is. Om die reden gebruikte ik in een vorig artikel de term theosofische adepten. Een mahatma is niet alleen een adept, maar veel meer. De woordafleiding zal de zaak verduidelijken; het woord is zuiver Sanskriet, van maha, groot, en atman, ziel; dus grote ziel. Dit betekent niet alleen een edelmoedig mens, maar een vervolmaakt wezen dat de toestand heeft bereikt die door mystici vaak is beschreven en door wetenschappers voor onmogelijk wordt gehouden, een toestand waarin tijd en ruimte geen belemmering zijn voor het zien of het handelen, noch voor kennis of bewustzijn. Vandaar dat van hen wordt gezegd dat ze in staat zijn de bijzondere daden te verrichten die door verschillende personen worden vermeld, en ook dat ze een uitgesproken praktische kennis bezitten over de natuurwetten, onder andere over dat mysterie voor de wetenschap – de bedoeling, de werkwijze en het wezen van het leven zelf – en over het wordingsproces van deze planeet en van de rassen die haar bewonen. Deze veelomvattende aanspraken hebben aanleiding gegeven tot het voornaamste bezwaar dat tegen de theosofische adepten naar voren is gebracht door die schrijvers buiten de Society die het onderwerp hebben aangeroerd, namelijk dat ze, als ze al bestaan, in een toestand van kille en egoïstische rust verkeren, de ellende van de wereld zien en het gekreun horen, en toch weigeren een helpende hand uit te steken, behalve aan enkele gunstelingen; dat ze kennis bezitten van wetenschappelijke principes of van geneeskundige preparaten en deze toch verborgen houden voor de geleerden en voor rijke kapitalisten die de handel willen bevorderen, waarbij ze zelf eerlijk hun brood verdienen. Hoewel ikzelf op grond van mij gegeven bewijzen volkomen overtuigd ben van alles waarop deze adepten aanspraak maken, verklaar ik het naar voren gebrachte bezwaar ongegrond, want ik weet dat het berust op gebrek aan kennis over de adepten.

Adepten en mahatma’s zijn niet het gevolg van een wonderbaarlijk groeiproces, noch zijn ze de egoïstische opvolgers van hen die toevallig struikelden over waarheden en het octrooirecht daarvan aan hun aanhangers hebben doorgegeven. Ze zijn mensen die zich hebben geoefend, ontwikkeld en veredeld, niet gedurende één leven, maar in de loop van een lange reeks van levens, en overeenkomstig evolutiewetten en in overeenstemming met wat we zien bij mensen van de gewone wereld of van de wetenschap. Zoals een Tyndall hoger staat dan een primitieve mens, hoewel nog altijd een mens, evenzo staat een mahatma, die toch een mens blijft, weer hoger dan een Tyndall. De mahatma-adept is een natuurlijke ontwikkeling en ontstaat niet door een wonder; het proces waardoor hij dat wordt, is ons misschien onbekend, maar het is strikt volgens de regels van de natuur.

Enkele jaren geleden schreef een bekende in India wonende Engelsman aan de theosofische adepten, en vroeg of ze ooit een indruk hadden achtergelaten op het weefsel van de geschiedenis, waarbij hij dit in twijfel trok. Het antwoord luidde dat hij hen niet voor een rechtbank kon slepen, maar dat ze veel belangrijke regels hadden geschreven op de bladzijden van de geschiedenis van de mens, niet alleen als regeerders in zichtbare vorm, maar dat ze tot in deze tijd, evenals in vele reeds lang vervlogen eeuwen, hun werk ook deden achter de schermen. Duidelijker gezegd: deze bewonderenswaardige mensen hebben het lot van landen bepaald en geven ook nu vorm aan gebeurtenissen. Zuilen van vrede en makers van oorlogen, zoals Bismarck, of redders van volkeren, zoals Washington, Lincoln en Grant, danken hun grootsheid, hun bijzondere kracht en hun verbazingwekkende greep op de juiste personen die nodig waren om hun doeleinden te bereiken, niet aan een geoefend intellect of aan een lange voorbereiding in de scholen van hun tijd, maar aan deze onzichtbare adepten, die geen eerbewijzen verlangen, geen bekendheid zoeken en geen aanspraak maken op erkenning. Ieder van deze grote leiders die ik heb genoemd, had in de jaren dat hij nog onbekend was iets wat hij voorgevoelens van toekomstige grootsheid noemde, of een band met schokkende gebeurtenissen in zijn geboorteland.

Lincoln voelde altijd al dat hij een instrument zou zijn voor een edel doel, en de sporadische uitspraken van Bismarck wijzen op stille uren, waarover hij niet openlijk sprak, waarin hij een drang voelde om het goede te doen dat hij misschien heeft gedaan. Er zou een lange lijst van voorbeelden kunnen worden gegeven waaruit blijkt dat de adepten ‘een onuitwisbaar stempel hebben gedrukt op verschillende tijdperken’. Zelfs gedurende de grote opstand in India, die het Engelse gezag aldaar bedreigde, zagen ze met vooruitziende blik de invloed die Engeland en India juist door de huidige psychische en metafysische veranderingen in de aangelegenheden van de wereld zouden hebben, en verhaastten ze, door hun eigen occulte en wonderbaarlijke methoden de verspreiding van mededelingen over Engelse successen naar districten en volkeren in het binnenland, die in opstand hadden kunnen komen onder invloed van gefingeerde berichten van Engelse verliezen. Op andere tijden werden onder grote aantallen hindoes vage angstgevoelens verspreid, zodat Engeland ten slotte meester bleef, hoewel veel vaderlandslievende Indiërs een andere uitkomst hadden gewenst. Maar de adepten werken niet om lof van mensen te oogsten, niet voor de vluchtige invloed van één dag, maar voor de toekomstige rassen en wat voor de mens het beste is en hem het meeste helpt.

– 11 –

Voor een volledige uiteenzetting over adepten, mahatma’s en nirmanakaya’s zou meer dan één boekdeel nodig zijn. De ontwikkeling waarvan ze blijk geven, is voor moderne denkers zo vreemd en zo bijzonder in deze dagen van middelmatigheid dat de gemiddelde lezer er niet gemakkelijk in zal slagen de denkbeelden te begrijpen die in een beknopt artikel naar voren worden gebracht; en bijna alles wat men over de adepten zou zeggen – om van de nirmanakaya’s maar niet te spreken – waarbij een volledige toelichting van moeilijk te doorgronden wetten en diepzinnige vraagstukken nodig zou zijn, kan gemakkelijk verkeerd worden begrepen, zelfs al zouden er boekdelen vol over worden geschreven. De ontwikkeling, gesteldheid, vermogens en taak van deze wezens omvatten het hele evolutieplan; want, zoals de mystici zeggen, de mahatma is de bloem van een tijdperk. De adepten worden tegenwoordig misschien maar vaag begrepen, de nirmanakaya’s zijn tot nu toe slechts terloops genoemd, en de mahatma’s worden zowel door mensen die overtuigd zijn van hun bestaan als door degenen die dit ontkennen, verkeerd voorgesteld.

Maar één wet die hen beheerst, is gemakkelijk vast te stellen, en zou niet moeilijk te begrijpen moeten zijn. Ze zullen en moeten niet ingrijpen in karma, en doen dat ook niet; d.w.z. hoezeer een individu het ogenschijnlijk ook verdient om geholpen te worden, ze zullen deze hulp toch niet op de verlangde manier verlenen indien zijn karma dit niet toelaat; en ze willen het terrein van het menselijk denken niet betreden met het doel de mensheid verbaasd te doen staan door het uitoefenen van vermogens die door iedereen als wonderbaarlijk zouden worden beschouwd. Sommigen hebben gezegd dat als de theosofische adepten voor de ogen van Europa een paar staaltjes zouden vertonen, ze onmiddellijk een groot aantal volgelingen zouden verkrijgen. Maar dat zou niet het gevolg zijn. In plaats daarvan zou het leiden tot dogmatisme en verafgoding, erger dan er ooit heeft bestaan, met een schadelijke reactie die onmogelijk zou zijn tegen te gaan.

Hypnotisme was bij hen al lang bekend, hoewel onder een andere naam. De hypnotische toestand heeft priesters en kerken bij hun plannen vaak geholpen. Dwang uitoefenen om de ware leer te erkennen is niet de weg die door de wijzen wordt gevolgd, want dwang is hypnotisme. Met slechts vijf broden een menigte voeden zou voor hen gemakkelijk zijn, maar omdat ze nooit inspelen op het gevoel, maar altijd handelen in overeenstemming met de grote kosmische wetten, treden ze niet naar voren met in hun handen materiële hulp voor de armen. Door hun natuurlijke krachten te gebruiken beïnvloeden ze de wereld echter elke dag, niet alleen de rijken en armen van Europa en Amerika, maar van elk ander land, zodat wat er in ons leven gebeurt beter is dan het zou zijn geweest wanneer ze er niet de hand in hadden gehad.

De andere categorie waarnaar is verwezen, de nirmanakaya’s, houdt zich voortdurend bezig met werk dat door hen hoger wordt geacht dan aardse ondernemingen, namelijk het verbeteren van de ziel van de mens, en alle andere goede dingen die ze door middel van menselijke vertegenwoordigers tot stand kunnen brengen. Het lang bediscussieerde onderwerp ‘nirvana’ hangt met hen samen in die zin dat ze niet op een juiste manier ermee in verband zijn gebracht. Want als de opvatting van Max Müller dat nirvana vernietiging betekent juist zou zijn, dan zou een nirmanakaya een onmogelijkheid zijn. Paradoxaal gesproken bevinden ze zich tegelijkertijd in en buiten die toestand. Ze hebben recht op nirvana maar weigeren ervan gebruik te maken om de lijdende wees, de mensheid, te kunnen helpen. Ze hebben het gebod uit het ‘Boek van de gulden voorschriften’ gevolgd: ‘Treed uit het zonlicht in de schaduw om meer plaats te maken voor anderen.’1

1Stem van de stilte, TUPA, Den Haag, 2009, blz. 30.

De nirmanakaya’s hebben een groter aandeel in de geschiedenis van de volkeren dan men denkt. Sommigen van hen hebben uit ieder volk bepaalde personen onder hun hoede, mensen die vanaf hun geboorte bestemd zijn om een belangrijke rol te spelen in de toekomst. Deze leiden en beschermen ze tot de vastgestelde tijd. En zulke beschermelingen weten slechts zelden, vooral in de 19de eeuw, dat ze onder zo’n invloed staan. Erkenning en waardering voor zo’n grote steun worden door de nirmanakaya’s, die achter de schermen werken en het materiaal voor een bepaald doel voorbereiden, niet verlangd. Eén nirmanakaya kan tegelijkertijd veel verschillende mannen of vrouwen leiding geven. Zoals Patañjali zegt: ‘In al deze lichamen is één bewustzijn de stuwende kracht.’2

2Yoga sutra’s, 4:5.

Het lijkt misschien vreemd, maar vaak worden mensen zoals Napoleon Bonaparte van tijd tot tijd door hen geholpen. Iemand zoals Napoleon kon niet toevallig op het toneel verschijnen. Zijn geboorte en zijn vreemde vermogens moeten in de lijn van de natuur liggen. Op de verstrekkende en voor ons niet te meten gevolgen die met een karakter als het zijne samengaan, moet volgens de oosterse theosofische filosofie worden gelet en er moet rekening mee worden gehouden. Indien hij een slecht mens was, des te erger voor hem; maar dat zou een nirmanakaya nooit ervan kunnen weerhouden om hem voor zijn doel te gebruiken. Dat zou erin kunnen bestaan hem van een pad af te brengen dat de wereld in diepten van ellende zou hebben gestort en dat in latere jaren gevolgen zou hebben gehad waar Napoleon nooit van had gedroomd. De angst voor wat de wereld zou kunnen denken over het op een bepaald punt aanmoedigen van een monster kan een wijze nooit tegenhouden, die ziet wat het beste eindresultaat is. In het leven van Napoleon zijn veel dingen die soms wijzen op een invloed die buiten zijn macht lag. Zijn roekeloze tocht naar Moskou werd misschien op touw gezet door deze stille veldheren en misschien ook zijn plotselinge en noodlottige terugtocht. Wat hij had kunnen doen als hij in Frankrijk was gebleven, kan geen enkele historicus ons nu zeggen. Het vaak betwijfelde verhaal over de rode brief, overhandigd door de Rode Man juist toen Napoleon in een besluiteloze stemming verkeerde, kan een aanmoediging op een kritiek moment zijn geweest. ‘De goden maken degenen die ze willen vernietigen eerst krankzinnig.’ En de nederlaag bij Waterloo zal ook nooit worden begrepen, tot de nirmanakaya’s hun verslagen vrijgeven.

Omdat de wijzen van de wijsheid-religie altijd wensen dat er een verandering optreedt in het denken van een volk dat de neiging tot grof atheïsme heeft vertoond, kan men aannemen dat de golf van spiritische verschijnselen, die nu heel duidelijk ertoe bijdraagt dat de ziel opnieuw algemeen wordt erkend, door de nirmanakaya’s wordt gesteund. Ze nemen eraan deel en horen erbij; ze bevorderen de voortgang van een psychische zondvloed bij een grote menigte mensen. Het gevolg ervan is te zien in de hedendaagse literatuur, religie en toneelkunst. Langzaam maar zeker komt het getij op en spoelt over het eens droge strand van het materialisme, en al jammeren de priesters en eisen ze dat ‘theosofie met krachtige hand wordt onderdrukt’, en al probeert een corrupte pers hen te helpen, ze hebben noch de macht, noch de kennis om één golfje in tegengestelde richting voort te brengen, want de hand van de meester wordt geleid door alwetende intelligentie, voortgedreven door een reusachtige kracht en werkt achter de schermen.

– 12 –

Er zijn gedurende het christelijke tijdperk zoveel geheime genootschappen geweest die aanspraak maakten op kennis over geheime natuurwetten, dat als vanzelf de vraag opkomt: ‘Waarin verschillen de theosofische oosterse wijzen van de vele rozenkruisers en anderen over wie men zo vaak hoort?’ In Duitsland zijn er boekenplanken vol oude uitgaven over de rozenkruisers, of geschreven door voorgewende of werkelijke leden van die orde, en tegenwoordig is het niet ongewoon mensen te vinden die zich ‘rozenkruiser’ durven te noemen.

Er is eenzelfde soort verschil als tussen werkelijkheid en illusie, tussen louter ritueel en de tekens die door de natuur zijn afgedrukt op alle dingen en wezens die altijd de weg omhoog volgen naar hogere bestaanstoestanden. De broederschappen van de rozenkruisers en vrijmetselaars die in de geschiedenis bekend zijn, gebruiken uiterlijke tekens en symbolen om de graad van hun leden in de orde aan te geven, die zonder deze waarborgen slechts niet-ingewijde buitenstaanders zijn.

Maar de wijzen over wie wij het hebben, en hun leerlingen, dragen het onuitwisbare kenmerk en spreken de welbekende woorden die aantonen dat ze wezens zijn die zich volgens wetten hebben ontwikkeld, en niet alleen maar mensen die na een kinderlijke beproeving te hebben doorstaan in het bezit zijn van een lidmaatschapskaart. De adepten kunnen stoere eiken worden genoemd die geen vermomming hebben, terwijl de onontwikkelde mens die in maçonnieke woorden en formules liefhebbert, slechts een ezel is die een leeuwenhuid draagt.

Er leven op de wereld veel adepten, die elkaar allemaal kennen. Ze hebben middelen om met elkaar te communiceren die aan de moderne beschaving onbekend zijn, waardoor ze op elk moment en over enorme afstanden zonder hulp van mechanische middelen boodschappen van elkaar kunnen ontvangen en aan elkaar kunnen overbrengen. We zouden kunnen zeggen dat er een vereniging van adepten bestaat, mits we aan het woord ‘vereniging’ nooit de betekenis geven die er gewoonlijk aan wordt gehecht. Het is een vereniging die geen plaats van samenkomst heeft, geen contributies vraagt, geen statuten en reglementen heeft, behalve de eeuwige wetten van de natuur; er is geen politie en er zijn geen spionnen aan verbonden, en er worden geen klachten ingediend of ontvangen, want iedere overtreder wordt gestraft door de werking van de wet die geheel buiten zijn macht valt, omdat zijn beheersing van de wet verloren gaat als hij deze overtreedt.

Deze vereniging van adepten geven bescherming, hulp en leiding aan de leerlingen van ieder van haar leden. Deze leerlingen worden in verschillende graden verdeeld, die overeenkomen met de verschillende ontwikkelingsstadia; de minst ontwikkelde leerlingen worden geholpen door degenen die verder zijn, en deze op dezelfde manier door anderen, tot die graad van leerling wordt bereikt waar rechtstreekse omgang met de adepten mogelijk is. Tegelijkertijd houdt iedere adept een wakend oog op al zijn leerlingen. Door toedoen van de leerlingen van de adepten worden in het menselijk denken en handelen vele gevolgen teweeggebracht; want vanuit de hogere graden worden vaak diegenen gezonden die, zonder hun verband met de mystiek te onthullen, individuen beïnvloeden waarvan bekend is dat ze een belangrijke rol zullen spelen bij gebeurtenissen die ophanden zijn.

Er wordt beweerd dat de Theosophical Society bij haar groei en bij het verspreiden van haar invloed hulp ontvangt van de adepten en hun aangenomen leerlingen. De geschiedenis van de Society schijnt dit te bewijzen, want als er geen verborgen maar machtige kracht zou zijn die in haar voordeel werkzaam is, zou ze allang in het niet zijn verzonken, vernietigd door de storm van spot en laster waaraan ze werd blootgesteld. Er werden in de begintijd van de Society beloften gedaan dat er altijd hulp zou worden gegeven, en er werd op gezinspeeld dat ze het doelwit zou worden van laster en het voorwerp van tegenwerking. Beide profetieën zijn letterlijk uitgekomen.

Zoals een geslepen diamant getuigt van het werk dat hem zijn waarde en glans verleent, evenzo draagt de mens die een proeftijd bij de adepten heeft ondergaan en onderricht van hen heeft gekregen, op zijn persoon de onuitwisbare kenmerken. Voor het gewone oog dat in dit opzicht ongeoefend is, zijn zulke aanwijzingen niet zichtbaar, maar zij die kunnen zien beschrijven ze als heel opvallend en geheel buiten de macht van de drager liggend. De reden hiervoor is dat hij die bijvoorbeeld drie stappen op de weg is gevorderd, drie kenmerken zal hebben, en het heeft geen nut voor te wenden dat zijn rang een stap hoger ligt, want als dat zo zou zijn, zou het vierde kenmerk er zijn, omdat het groeit met de ontwikkeling van het wezen. Maar omdat deze kenmerken niet kunnen worden nagemaakt of vervalst, heeft de gehele innerlijke broederschap geen behoefte aan geheime tekens. Niemand kan hen bedriegen of hun de geheimen van hogere graden ontfutselen door tekens of wachtwoorden verkregen uit een boek of in ruil voor geld; en niemand kan de een of andere bevordering verkrijgen, totdat de hele natuur van de mens exact overeenkomt met het verlangde punt van ontwikkeling.

Het verschil tussen de broederschap van adepten en de wereldlijke geheime genootschappen kan op twee manieren worden bekeken: door de manier waarop ze volkeren behandelen en hoe ze hun eigen rechtstreekse leerlingen behandelen. Niets wordt afgedwongen of hangt af van gunsten. Alles wordt geregeld in overeenstemming met de beste belangen van een volk, en nooit vóór de juiste tijd, waarbij rekening wordt gehouden met de cyclische invloeden die op dat moment heersen. Wanneer ze de door dogmatiek gesmede ketenen willen verbreken, begaan ze niet de fout om plotseling voor de verbaasde blik van de mensen te verschijnen, want ze weten heel goed dat zo’n manier van doen slechts het dogmatische geloof in één soort denkbeelden zou veranderen in een even zinloze en dogmatische verering van de adepten als goden, of in het denken van veel mensen de overtuiging zou wekken dat de duivel daar aanwezig was.

– 13 –

De training van de leerling door de leraren van de school waartoe de theosofische adepten behoren, staat op zichzelf, en stemt niet overeen met de tegenwoordig heersende opvattingen over onderwijs. In één opzicht is ze een bijzondere vorm van de pelgrimstocht naar een heilige plaats, die in India zo gebruikelijk is; en het geheiligde doel van de reis is de ziel zelf, want voor hen is het bestaan van de ziel een van de eerste beginselen.

In het Oosten wordt het leven van de mens beschouwd als een pelgrimstocht, niet slechts van de wieg tot het graf, maar ook door dat reusachtige tijdperk dat miljoenen en miljoenen jaren omvat, van het begin tot het einde van een manvantara, of tijdperk van evolutie; omdat men de mens als een spiritueel wezen beschouwt, is de continuïteit van zijn bestaan ononderbroken. Volkeren en beschavingen ontstaan, worden oud, vervallen en verdwijnen; maar het wezen leeft voort, en is toeschouwer van alle ontelbare veranderingen van zijn omgeving. Het ontspringt aan het grote Al, straalt als een vonk uit het centrale vuur, en doet in alle eeuwen ervaring op, onder alle heersers en beschavingen, en met allerlei gebruiken, steeds bezig met zijn pelgrimstocht naar de heilige plaats vanwaar het is gekomen. Het is nu eens de heerser en dan weer de slaaf; vandaag staat het op het hoogtepunt van macht en welvaart, morgen op de laagste sport van de ladder, misschien in afschuwelijke ellende; maar steeds hetzelfde wezen. Om dit te symboliseren is heel India bezaaid met heilige plaatsen, waarheen pelgrimstochten worden ondernomen. Het is de wens van iedereen in dat zogenaamd onwetende land tenminste één keer vóór de dood zo’n reis te maken, want de religieuze levensplichten zijn niet vervuld als zulke heilige plaatsen niet zijn bezocht.

Een goede reden hiervoor, gegeven door hen die de innerlijke betekenis ervan begrijpen, is dat de pelgrimsoorden centra van spirituele kracht zijn, waar verheffende invloeden worden uitgestraald die niet kunnen worden waargenomen door de reiziger die op wilde zwijnen jaagt en wijn drinkt. In feite beweren velen dat er in de meeste van de bekende pelgrimsoorden een adept leeft, van dezelfde orde als die waartoe de theosofische adepten zouden behoren. Deze adept staat altijd klaar om een beloning van spiritueel inzicht en steun te geven aan hen die deze plaatsen bezoeken en zuiver van hart zijn. Hij maakt zich natuurlijk niet aan iedereen bekend, want dat is helemaal niet nodig, en dan zou hij misschien naar een andere plek moeten verhuizen. Uit de leer van de pelgrimstochten is bijgeloof ontstaan, zoals in deze eeuw nu eenmaal te verwachten is, maar dat is geen reden om deze pelgrimstochten af te schaffen. Indien de spirituele centra zouden worden opgeheven, zouden goede mensen die vrij zijn van bijgeloof, de hulp die ze nu kunnen krijgen, niet ontvangen. De adepten stichtten deze plaatsen om in het denken van de mens de ziel als denkbeeld springlevend te houden, iets wat anders door de hedendaagse wetenschap en het huidige onderwijs al snel tot agnosticisme zou leiden, als deze ongehinderd hun gang konden gaan.

Maar de leerling van een adept weet dat het pelgrimsoord zijn eigen natuur symboliseert; de adept laat hem zien hoe hij met het wetenschappelijk onderzoek daarvan moet beginnen en op welke manieren en in welke richting hij verder moet gaan. Hij wordt verondersteld in enkele levens de ervaring en oefening te concentreren waarvoor gewone mensen talloze incarnaties nodig hebben om deze op te doen. Zijn eerste schreden, en ook zijn laatste, gaan langs moeilijke, vaak gevaarlijke wegen. De weg gaat in feite ‘aldoor bergopwaarts’ en wanneer hij deze inslaat, laat hij de hoop op een beloning, die bij alle ondernemingen zo gebruikelijk is, varen. Er wordt niets door begunstiging verkregen, maar alles hangt af van zijn feitelijke verdienste. Omdat het doel dat moet worden bereikt zelfstandigheid in combinatie met volmaakte kalmte en helderheid is, wordt hem van begin af aan geleerd op zichzelf te staan. Dit is voor de meesten van ons moeilijk, en brengt vaak een soort wanhoop met zich mee. Mensen houden van gezelschap, en vinden het moeilijk de mogelijkheid om geheel aan zichzelf te worden overgelaten onder ogen te zien. In plaats van dus voortdurend in het gezelschap van een loge van medeleerlingen te verkeren, zoals het geval is in een gewone wereldse geheime organisatie, wordt hij gedwongen in te zien dat hij, zoals hij de wereld alleen is binnengegaan, moet leren om daarin op dezelfde manier te leven, en haar te verlaten zoals hij is gekomen; uitsluitend in zijn eigen gezelschap. Dit leidt echter niet tot egoïsme, want door voortdurend te mediteren op het onzichtbare verkrijgt hij het inzicht dat de eenzaamheid die wordt ervaren slechts betrekking heeft op het lagere, persoonlijke, wereldse zelf.

Een ander voorschrift dat deze leerling moet volgen, is dat hij zich nooit ergens op mag beroemen. Dit geeft ons de stelregel dat als iemand spreekt over zijn vermogens die hij als adept bezit, of opschept over zijn vooruitgang op spiritueel gebied, we er altijd zeker van kunnen zijn dat hij noch adept, noch leerling is. Er zijn in de Theosophical Society mensen geweest die aan de wereld verkondigden dat ze in feite adepten waren, of dit bijna waren, en grote vermogens bezaten. Uit onze stelregel volgt dat ze alleen maar opscheppers waren, en achter hun dwaze aanspraken schuilde slechts verwaandheid en een redelijke kennis van de zwakheid en goedgelovigheid van de menselijke aard. Hiervan maken ze gebruik tot hun voordeel of genoegen. Maar verborgen achter een uiterlijk dat geen aandacht trekt, leven veel werkelijke leerlingen in de wereld. Ze bestuderen hun eigen menselijke hart en dat van anderen. Ze bezitten geen lidmaatschapskaarten, maar er is in hen een besef van voortdurende dienstbaarheid en een heldere kennis over de ware Loge, die in het geheim bijeenkomt en nooit in een adresboek is te vinden. Hun hele leven proberen ze met volharding de snelbewegende ziel te naderen, die, al lijkt ze stil te staan, sneller is dan de bliksem. Hun dood is slechts een nieuwe stap vooruit naar grotere kennis door middel van betere fysieke lichamen in nieuwe levens.

– 14 –

Wanneer een 19de-eeuwse historicus terugkijkt in het verleden, wordt zijn gezicht al snel versluierd door nevel en ten slotte in diepe duisternis gedompeld. Omdat hij in feite wordt beperkt door de invloed van een belachelijke dogmatiek, die voor het leven van de mens hier op aarde slechts 6000 jaar toestaat, is hij niet bereid de oude chronologie van de Egyptenaren of hindoes aan te nemen; en hoewel hij de veronderstelling van enorme tijdperken voor geologische veranderingen aanvaardt, wordt hij aan het twijfelen gebracht door enkele miljoenen jaren meer of minder, wanneer deze worden toegevoegd aan de tijdsduur gedurende welke de mensheid de aardbol heeft bevolkt. De student in de theosofie ziet echter geen reden waarom hij de uitspraak van zijn leraren over dit onderwerp in twijfel zou trekken. Hij weet dat de evolutieperioden eindeloos lang zijn. Deze worden manvantara’s genoemd, omdat het perioden tussen twee manu’s zijn.

Deze perioden kunnen golven worden genoemd, die elkaar onophoudelijk opvolgen. Elke grote periode, die alle kleinere golfbewegingen omvat, beslaat 311.040.000.000.000 menselijke jaren. Gedurende één enkele manu verstrijken 306.720.000 menselijke jaren, en de kleinere yuga’s of tijdperken – die ons meer rechtstreeks aangaan – omvatten 4.320.000 zonnejaren. Gedurende deze zonne-omwentelingen bewegen de mensenrassen zich steeds over deze planeet. Holbewoners, paalbewoners en mensen uit een neolithisch of een ander tijdperk verschijnen en verdwijnen telkens opnieuw, en in elk van deze groepen waren wij die nu over hen lezen, schrijven en denken, zelf de ego’s van wie we het verleden nu proberen na te gaan.

Maar wanneer men diep doordringt in de geologische lagen, rijst twijfel over het gelijktijdige bestaan van de mens en de plesiosaurus, omdat er in dezelfde laag geen fossiel genus homo wordt aangetroffen. Hier komen de theosofische theorieën van pas en verschaffen de sleutel. Deze houden in dat de mens, vóór hij een fysiek lichaam ontwikkelde, zich met een astrale vorm bekleedde, en daarom schrijft H.P. Blavatsky in haar Geheime leer (2:1): ‘. . . deze leert het ontstaan van het astrale lichaam vóór het fysieke, waarbij het eerste een model is voor het laatste’. In de tijd van de reusachtige antediluviale dieren namen zij met hun ontzaglijke lichamen zoveel van de totale hoeveelheid grove stof die voor lichamen van levende wezens beschikbaar was, in beslag dat de astrale mens zonder fysiek lichaam bleef, en nog niet was bekleed ‘met rokken van vellen’. Daarom kon hij zonder angst op dezelfde plek leven als die enorme vogels en reptielen. Hun massale afmetingen boezemden hem geen angst in, en hun verbruik van voedsel veroorzaakte voor hem geen schaarste aan voedingsmiddelen. En omdat hij zo’n samenstelling had, liet hij geen indrukken achter op modder of vloeibaar gesteente. Na de dood van het ene astrale lichaam na het andere werden geen fossielen achtergelaten en geen uiterlijke tekenen die door ons, samen met die dieren en vogels die zijn tijdgenoten waren, kunnen worden opgegraven.

Al die tijd was de mens bezig het vermogen te verwerven om een meer vaste vorm te bekleden. Hij wierp het ene na het andere astrale lichaam af, in een steeds voortgaand proces, waarbij elke poging hem wat meer dichtheid schonk. Toen begon hij als het ware een schaduw te werpen, en de grote onbeholpen dierenwereld – en ook andere wezens – voelde steeds meer de aanspraken die de toekomstige mens op haar maakte. Naarmate hij zich verdichtte, werden zij steeds kleiner. Zijn overblijfselen konden in geen enkele laag worden afgezet tot het moment dat hij voldoende hardheid had verkregen. Maar onze hedendaagse antropologen hebben nog niet ontdekt wanneer dat was. Ze staan klaar om eenduidige uitspraken te doen, maar hoe geleerd ze misschien ook zijn, er wachten hun binnen niet al te lange tijd verrassingen.

Terwijl onze onderzoekers zo nu en dan de overblijfselen van vogels, reptielen en andere dieren vinden in lagen die een veel hogere ouderdom vertonen dan die welke aan de mensheid wordt toegekend, stuiten ze daarin dus nooit op skeletten van mensen. Hoe kon de mens enig spoor nalaten in een stadium waarin hij geen afdruk kon maken in de klei, of gevangen kon raken in zachte lava of een laag vulkanische as? Daarmee wil ik echter niet zeggen dat de periode van de plesiosaurus de periode is waarin de mens alleen een astraal lichaam had, en geen fysiek lichaam. Het onderwerp van de exacte datering kan best wachten tot een meer gedetailleerde beschrijving ervan wordt gegeven. Er wordt hier slechts verwezen naar de algemene regel en naar de verklaring van het ontbreken van menselijke resten in heel oude geologische lagen. Maar de theosofische adepten houden vol dat er in de aarde nog overblijfselen van menselijke skeletten aanwezig zijn, waardoor zijn eerste verschijnen in een vast lichaam vele miljoenen jaren eerder kan worden gedateerd dan tot nu toe is erkend. Deze overblijfselen zullen worden ontdekt vóór er veel tijd zal zijn verstreken.

Een van de eerste gevolgen van deze ontdekkingen zal zijn dat ze de theorie over de opeenvolging van de tijdperken, zoals die tegenwoordig wordt gegeven en aangenomen, volledig omverwerpt. Dit geldt eveneens voor de beoordeling van de verschillende beschavingen die van de aarde zijn verdwenen en geen spoor hebben achtergelaten, behalve in de innerlijke samenstelling van onszelf. Er wordt gezegd dat wij diezelfde personen zijn, nu in andere lichamen, die zo lang geleden op deze planeet leefden, liefhadden en stierven. We begonnen toen karma te maken en sindsdien hebben we steeds onder de invloed daarvan gestaan. Het lijkt me goed om deze belangrijke leer een andere keer meer in detail te bespreken.

– 15 –

De oosterse leer over beloning en straf voor het menselijke ego verschilt veel van het theologische stelsel dat door het christendom wordt aangenomen, want de brahmanen en boeddhisten lokaliseren de plaats voor straf en vergelding op onze aarde, terwijl de christenen het ‘oordeel van de Heer’ naar het hiernamaals overbrengen. Het zou geen nut hebben om met laatstgenoemden over de logica daarvan te redetwisten; het is voldoende hun de woorden van Jezus, Mattheus en de psalmdichter in herinnering te brengen. ‘Met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden’,1 zei Jezus, en Mattheus verklaarde dat we ons voor elk woord, elke daad en elke gedachte moeten verantwoorden, terwijl David, de koning en dichter, zong dat zij die de Heer dienen, nooit het brood van een bedelaar zouden eten. We weten allemaal heel goed dat de eerste twee verklaringen de verzoeningsleer tenietdoen; en wat de woorden van de joodse zanger betreft, die worden dagelijks in alle steden van beide halfronden door de feiten weersproken.

1Mattheus 7:2.

Bij de boeddhisten van Ceylon is de naam van deze leer kamma; bij de hindoes is het karma. In een religieus licht beschouwd is het ‘de onfeilbare invloed of kracht van de goede en slechte daden van bewuste wezens waardoor deze in de een of andere bestaanstoestand de passende beloning of straf ervaren, geheel naar verdienste’.2 Wanneer iemand sterft, zendt hij als het ware een hoeveelheid kracht of energie uit, die de nieuwe persoonlijkheid zal helpen vormen wanneer deze reïncarneert. In deze energie is het leven dat juist voorbij is, samengevat, en door middel daarvan wordt het ego gedwongen dat soort lichaam aan te nemen, en onder die passende omstandigheden, die samen het middel zijn om het gebod van karma uit te voeren.

2Eerw. T.P. Terunnanse, hogepriester in Dodanduwa, Ceylon.

De hel is dus geen mythische plaats of toestand na de dood in het een of andere onbekende gebied dat door de Almachtige speciaal is gereserveerd voor het straffen van zijn kinderen, maar bevindt zich in feite op onze eigen aardbol; want het is op aarde, in aardse levens, in menselijke lichamen, dat we voor slechte daden die vroeger werden verricht, worden gestraft, en als beloning voor vroegere verdienste geluk en vreugde ervaren.

Wanneer men, zoals zo vaak, ziet dat een goed mens in zijn leven veel lijdt, komt vanzelf de vraag op: ‘Heeft karma iets daarmee te maken, en is het rechtvaardig dat iemand zozeer wordt gekweld?’ Voor hen die in karma geloven is het strikt rechtvaardig, omdat deze mens in een vorig leven handelingen moet hebben verricht die nu bestraffing verdienen. En evenzo geldt dat een slecht mens die nu vrij van lijden is, gelukkig en welvarend, dit ervaart omdat hij in een vroeger leven door zijn medemensen slecht is behandeld of veel heeft geleden. En de volmaakte rechtvaardigheid van karma treedt in zijn geval duidelijk aan het licht, want, hoewel hij nu door het lot wordt begunstigd, legt hij, omdat hij slecht is, oorzaken die, wanneer hij wordt wedergeboren, als gevolg hebben dat hij voor het slechte dat hij nu doet, zal worden gestraft.

Sommigen denken misschien dat het ego na de dood moet worden gestraft, maar zo’n conclusie is niet logisch. Want slechte daden die hier op het objectieve gebied zijn verricht, kunnen op wetenschappelijke of morele gronden niet worden gestraft op een gebied dat zuiver subjectief is. En dit is de reden waarom zoveel mensen, zowel jongeren als ouderen, de leer van een hellevuur waarin ze eeuwig zouden worden gestraft voor het begaan van zonden hier op aarde, hebben verworpen en ertegen in opstand zijn gekomen. Zelfs wanneer ze niet in staat zijn de redenen in metafysische termen te formuleren, weten ze intuïtief dat het onmogelijk zou zijn het toneel van vergelding te scheiden van de plaats waar de zonde is bedreven en disharmonie is veroorzaakt. Toen de discipelen van Jezus hem vroegen of de man die blind was geboren, zo ter wereld kwam door een zonde die hij had begaan, dachten ze aan deze leer van karma, evenals alle hindoes en boeddhisten dit doen wanneer ze enkele van hun medemensen zien die invalide of mismaakt zijn of niet kunnen zien.

De theorie waarop hierboven wordt gezinspeeld, dat de mens bij de dood de nieuwe persoonlijkheid als het ware uit zichzelf uitzendt, gereed om de tijd af te wachten waarop het ego naar de aarde moet terugkeren en een nieuw lichaam moet zoeken, is een algemene wet die behalve bij de geboorte en de dood van de mens ook in veel andere gevallen werkt. Theosofen halen deze wet aan om de betrekkingen tussen de maan en de aarde te verklaren. Ze denken namelijk dat de maan de planeet is waarop we vroeger leefden, vóór we de aarde bereikten en voordat zo’n aarde ook maar bestond, en dat, toen onze zogenaamde satelliet stierf, alle energie die erin besloten lag de ruimte in werd gestoten, waar deze in een draaikolk bleef bestaan tot het moment aanbrak waarop die energie weer van een lichaam – onze aarde – kon worden voorzien. En dezelfde wet is van kracht voor mensen, de afzonderlijke eenheden in het grote geheel dat onder gevorderde theosofen bekendstaat als de grote Manu. Omdat de mensen, wat hun stoffelijk omhulsel betreft, afkomstig zijn van de maan, moeten ze de wet van hun oorsprong volgen, en daarom zegt de boeddhistische priester het volgende: ‘Bij de dood van een wezen vertrekt niets van hem naar de andere wereld voor zijn wedergeboorte, maar door de kracht – of meer figuurlijk, door de straal – van invloed die karma uitzendt, wordt een nieuw wezen in de andere wereld voortgebracht, dat veel lijkt op degene die is gestorven’, want al het leven van de overledene ligt in dit ‘nieuwe wezen’ besloten. De term ‘wezen’, zoals die hier wordt gebruikt, kan door ons slechts onder enig voorbehoud worden aanvaard. Het is eigenlijk meer een massa energie, zonder geweten en beladen met verlangens van de persoon uit wie het voortkwam; en zijn bijzondere taak is de terugkeer van de individualiteit af te wachten en voor haar het nieuwe lichaam op te bouwen, waarin laatstgenoemde zal lijden of vreugde zal ervaren. Daarom is ieder mens zijn eigen schepper onder de grote kosmische wetten die alle scheppingen beheersen. Een betere term dan ‘schepping’ is ‘evolutie’, want we zijn leven na leven bezig uit het materiaal waarvan dit manvantara ons voorziet, nieuwe lichamen te ontwikkelen bij elke wenteling van het wiel van wedergeboorte. De gereedschappen die we bij dat werk gebruiken, zijn verlangen en wil. Verlangen is de oorzaak dat de wil zich op het objectieve leven richt; op dat gebied verwekt hij kracht, en daaruit komt de stof in haar objectieve vorm voort.

– 16 –

Veel westerlingen zeggen dat deze oosterse leer over karma moeilijk is te begrijpen en alleen geschikt is voor ontwikkelde en nadenkende mensen. Maar in India, Ceylon en Birma, om over andere Aziatische landen maar te zwijgen, neemt de hele bevolking haar aan en schijnt haar te begrijpen. De reden hiervoor ligt waarschijnlijk in het feit dat ze ook overtuigd zijn van reïncarnatie, en daarvan kan worden gezegd dat ze de tweelingleer van karma is. In feite kan de ene lering niet goed worden begrepen zonder ook de andere te beschouwen, want karma – hetzij als straf of als beloning – zou geen daadwerkelijke of rechtvaardige uitwerking op het ego kunnen hebben, indien de middelen voor die uitwerking niet door reïncarnatie werden verschaft.

Onze verdiensten worden ons toegemeten terwijl we in het leven met elkaar omgaan en niet terwijl we alleen of in afzondering zijn. Indien we in een volk een machtspositie hebben gekregen of rijkdom hebben verworven en als dit een beloning wordt genoemd, zou die alle waarde verliezen als er geen mensen waren om over te heersen, geen personen met wie we onze rijkdom konden delen en aan wie we haar konden besteden en die ons hielpen om onze vele verlangens te bevredigen. En zo trekt de wet van reïncarnatie ons telkens weer naar het leven terug en brengt ons ontelbare keren samen met de verschillende ego’s die we in vorige levens hebben gekend. Dit gebeurt opdat het samen met die ego’s voortgebrachte karma – of de oorzaken – kan uitwerken; want om ons afzonderlijk naar een onbekende hel te brengen om daar een of andere straf te ondergaan, of naar een onmogelijke deels serieuze deels komische hemel om onze beloning te ontvangen, zou even onmogelijk als onrechtvaardig zijn. Daarom kan geen enkele zojuist opgehangen moordenaar die door een priester wordt vergeven omdat hij Jezus heeft geprezen, aan zijn straf ontkomen. Hij moet samen met zijn slachtoffer naar deze aarde terugkeren, om de ander te helpen de verstoorde harmonie te herstellen, waarbij hij de nodige compensatie verleent. Met deze leer plaatsen we rechtvaardigheid opnieuw op haar troon om te regeren over de mensen, want zonder deze leer is het wettige doden van de moordenaar, na de veroordeling, slechts een halfbakken remedie, omdat de staat geen voorzieningen treft voor degene die uit zijn lichaam wordt geslingerd, noch voor degenen die zijn achtergebleven en van hem afhankelijk waren, en ook wordt er niets gedaan voor die familieleden van de moordenaar die hem overleven.

De theosofische wijzen van alle eeuwen betrekken de leer van karma niet alleen op geïncarneerde mensen. Ze beschouwen alle werelden als met elkaar verbonden en door karma beheerst. Zoals het oude hindoeboek, de Bhagavad Gita, zegt: ‘alle werelden, tot aan die van Brahma toe, zijn aan karma onderworpen’ (8:16). Het werkt daarom op alle gebieden. Zo beschouwd, zeggen ze dat deze wereld, in de toestand waarin ze nu verkeert, het feitelijke gevolg is van wat ze was bij het begin van de pralaya, of de grote dood, die vele miljarden jaren geleden plaatsvond. Dat wil zeggen dat de wereld zich, evenals de mens, ontwikkelt. Ze wordt geboren, wordt oud, sterft en wordt wedergeboren. Dit gebeurt vele keren, en gedurende die levens lijdt ze en ervaart ze vreugde op haar eigen manier als gevolg van haar vorige evoluties. Voor haar is de beloning een verdere vooruitgang op de weg van ontwikkeling, en de straf is een verlaagde toestand. Deze toestanden hebben, zoals ik in een vorig artikel heb gezegd, natuurlijk de mens als doel en oorzaak, want hij is de kroon van alle evolutie. En afdalend van de weidse beschouwing van grote kosmische ruimten en verschijnselen, wordt de theosoof geleerd deze wetten van karma en reïncarnatie toe te passen op elk atoom in het lichaam in het bijzonder en los van het gehele karma. Omdat we uit een menigte leventjes zijn opgebouwd, beïnvloeden onze gedachten en daden deze atomen of leventjes en drukken er een eigen karma op af. Zoals de oosterse denkers zeggen: ‘Er gaat geen moment voorbij zonder dat er wezens in ons tot leven komen, karma verwerven, sterven en worden wedergeboren.’

Er zijn drie hoofdcategorieën van karma. De ene soort is dat karma dat nu in het huidige leven en lichaam uitwerkt en alle omstandigheden en veranderingen van het leven teweegbrengt. Hiervan zien we elke dag voorbeelden, met nu en dan vreemde hoogtepunten die een schitterend licht op de leer werpen. Eén daarvan is in India vereeuwigd door een gebouw dat is opgericht door een van de gunstelingen van het lot, en kwam als volgt tot stand. Een raja had een heel vreemde droom, zo treffend dat hij een beroep deed op zijn waarzeggers voor de verklaring ervan. Ze zeiden dat hun horoscopen aanwezen dat hij de volgende dag een enorme som geld moest geven aan de eerste persoon die hij na het ontwaken zag; hun bedoeling was om zelf op een vroeg uur te verschijnen. De volgende dag stond de koning vroeger op dan anders, stapte naar zijn raam, wierp het open en zag daar een chandala die het vuil opveegde. Hem gaf hij een fortuin en verhief hem zo in een oogwenk van afschuwelijke armoede tot rijkdom. De chandala bouwde toen een groot gebouw om zijn plotselinge verlossing uit de ketenen van nijpende armoede te gedenken.

Een andere categorie van karma is dat wat wordt uitgesteld en nu niet actief is, omdat de mens niet de passende middelen verschaft om het te laten uitwerken. Dit is te vergelijken met damp die in de atmosfeer hangt en niet zichtbaar is voor het oog, maar die als regen op aarde zal vallen zodra de omstandigheden daarvoor rijp zijn.

De laatste hoofdcategorie is dat karma dat we nu maken en dat door ons in toekomstige levens zal worden ervaren. Het passende symbool ervoor is de pijl die door een boogschutter de lucht in is geschoten.

– 17 –

Karma heeft op geen enkel moment en onder geen enkele omstandigheid invloed op de geest, en dus zullen de theosofische adepten de uitdrukking ‘het ontwikkelen van de geest’ niet gebruiken. De geest in de mens, door hen Isvara genoemd, is onveranderlijk, eeuwig en ondeelbaar – de grondslag van alles. Daarom zeggen ze dat het lichaam en alle voorwerpen vergankelijk zijn en de ziel dus misleiden wanneer deze ten onrechte voor de werkelijkheid worden gehouden. Ze zijn slechts werkelijk voor en op dit gebied en gedurende de tijd dat het bewustzijn ze hier beschouwt om ze te leren kennen. Daarom zijn ze niet in absolute zin werkelijk, maar relatief werkelijk. Dit kan gemakkelijk worden bewezen op basis van dromen. In de droomtoestand verliezen we alle kennis van de voorwerpen die we, toen we wakker waren, als werkelijk beschouwden, en in die nieuwe toestand gaan we door met lijden en genieten. We zien dat het bewustzijn zich hier richt op de voorwerpen die natuurlijk deelhebben aan de aard van de ervaringen van de waaktoestand, maar die tegelijkertijd de gewaarwordingen van vreugde en verdriet teweegbrengen, zolang deze ervaringen duren. Laten we ons voorstellen dat iemands lichaam in een verdoofde toestand verkeert die 20 jaar duurt, en dat het denkvermogen intussen een aangename of onaangename droom ervaart, dan hebben we precies zo’n soort leven, heel anders dan het leven van iemand die wakker is. Voor het bewustzijn van deze dromer is de werkelijkheid van de voorwerpen die tijdens het waakbewustzijn worden gekend, vernietigd. Maar het stoffelijk bestaan is een noodzakelijk kwaad, en alleen tijdens dit bestaan kan bevrijding of verlossing worden verkregen; daarom is dit bestaan van het grootste belang, en daarom moet karma, dat dit beheerst en door de beschikkingen waarvan bevrijding kan worden bereikt, goed worden begrepen en vervolgens worden aanvaard en gehoorzaamd.

Karma kan uitwerken en een misvormd of gebrekkig lichaam voortbrengen, of in een goed lichaam een slecht karakter geven of omgekeerd; het zal voor het fysieke lichaam ziekte, pijn of ergernis veroorzaken, of genoegens en gunstige omstandigheden teweegbrengen. Zo zien we soms bij een misvormd of ziekelijk lichaam een zeer verlicht en edel denkvermogen. In dit geval is het fysieke karma slecht en het mentale goed.

Dit brengt ons op het soort karma dat op het mentale gebied werkt. Wanneer een ongunstige karmische oorzaak in het fysieke lichaam tot uitdrukking komt, kan tegelijkertijd een ander en beter soort karma in het denken en karakter uitwerken of iemand een evenwichtig, kalm, opgewekt, diepzinnig en schitterend denkvermogen hebben gegeven. We zien dus dat er naast een zuiver fysiek ook een volledig mentaal karma is. Zuiver fysiek zou bijvoorbeeld dat karma zijn dat ontstaat als gevolg van het oprapen van een vruchtenschil waardoor anders een onbekende zou kunnen uitglijden, vallen en zich bezeren. Zuiver mentaal karma zou te danken kunnen zijn aan een leven dat aan kalm filosofisch denken en dat soort dingen werd besteed.

Er is in een van de hindoeboeken een vreemde zin over dit deel van het onderwerp, die luidt: ‘Volmaaktheid van het lichaam, of bovenmenselijke vermogens, worden voortgebracht door geboorte, of door kruiden, bezweringen, boetedoeningen of meditaties.’1

1Patañjali, Yoga sutra’s, 4:1.

Tot de mentale kwellingen die erger worden geacht dan enige fysieke pijn of schade, behoort dat karma uit een vorig leven dat een zodanige verduistering tot gevolg heeft dat er een verlies is van het vermogen om de werkelijkheid van de geest of het bestaan van de ziel te erkennen – dat is materialisme.

Als laatste werkterrein voor deze wet kan de psychische aard worden genoemd. In Amerika zijn hiervan talloze voorbeelden: mediums, helderzienden, helderhorenden, gedachtelezers, hysterici en allerlei andere soorten abnormaal gevoeligen. Volgens de oosterse opvatting zouden er geen helderzienden kunnen zijn, als de mensen die daaraan lijden – en dit is denk ik de juiste term – in hun vorige levens niet zo veel tijd hadden besteed aan een eenzijdige ontwikkeling van de psychische natuur, die nu vermogens tot gevolg heeft en degene die ze bezit abnormaal maakt.

Onder de hindoes bestaat de vreemde gedachte dat het voor een sterveling mogelijk is om een zodanige toestandsverandering door te maken dat hij die ooit mens was, een ‘deva’ of lagere god wordt. Ze verdelen de natuur in verschillende afdelingen; in elk daarvan zijn bewuste machten of entiteiten, die ruwweg deva’s worden genoemd. Toch staat dit niet zo ver af van de denkbeelden van enkele van onze beste wetenschappers die zeggen dat er geen reden is waarom er in elke straal van het spectrum geen voor ons onzichtbare wezens zouden kunnen zijn. Vele eeuwen geleden erkende de hindoedenker deze mogelijkheid en verklaarde bovendien dat de mens door middel van een bepaald soort karma een van deze wezens kan worden, met de daaraan verbonden vreugden en vrijheid van zorgen, maar met de zekerheid om uiteindelijk weer te veranderen in een mens om opnieuw aan de moeizame ronde van geboorten te beginnen.

Wat men de leer van het neutraliseren van karma zou kunnen noemen, is een toepassing op dit terrein van de bekende wet in de natuurkunde die zegt dat er een evenwicht ontstaat als twee gelijke krachten elkaar tegenwerken. Iemand kan op zijn karmische rekening een heel onaangename oorzaak hebben en tegelijkertijd een oorzaak van tegenovergestelde aard. Indien deze tegelijk tot uiting komen, kunnen ze elkaar zodanig tegenwerken dat geen van beide tevoorschijn treedt en evenwicht de uitkomst van beide is. Op deze manier is het gemakkelijk te begrijpen dat het bijbelse gezegde: ‘de liefde bedekt tal van zonden’1, betrekking heeft op het verzachtende effect van liefderijke daden als tegengestelde van slechte daden, en verklaart waarom een middeleeuwse ridder enkele jaren van zijn leven aan liefdadigheid wijdde.

11 Petrus 4:8.

In de Bhagavad Gita, een boek waarvoor iedereen in India veel eerbied heeft, wordt de hoogste plaats toegekend aan ‘karmayoga’ of de religie van het verrichten van daden en van plicht, en daarin wordt gezegd:

Wie niet gehecht is aan de vruchten van zijn handelingen en slechts die handelingen verricht die moeten worden gedaan, is iemand die zich zowel van handelen onthoudt als zich aan juist handelen wijdt; maar dat geldt niet voor iemand die het ontsteken van het offervuur verzuimt en tijdens zijn leven nalaat de rituelen uit te voeren. . . . Wie stil zit en zijn zintuigorganen beheerst, maar in zijn denken gehecht blijft aan voorwerpen van de zintuigen, is een dwaas en wordt een hypocriet genoemd. Maar iemand die zijn zintuigen beheerst door zijn denken, zonder gehechtheid, en met de zintuigen de yoga van het handelen beoefent, staat hoger.    – 6:1, 3:6-7

– 18 –

Dat de leer van karma onrechtvaardig en fatalistisch is, en geen mededogen kent, wordt beweerd door hen die ertegen gekant zijn, maar zulke conclusies worden niet bevestigd door de ervaringen van de volkeren die erin geloven, en de bezwaren ertegen houden bij nader onderzoek geen stand. De hindoes en boeddhisten geloven vast in karma, en zijn ervan overtuigd dat geen ander dan zijzelf in dit of in een ander leven straft of beloont; toch blijken ze niet gevoelloos of onsympathiek te zijn. Het is in feite welbekend dat de hindoe in de omgang even liefdevol en teder is als zijn Amerikaanse broeder, en er zijn evenveel voorbeelden van heldhaftige zelfopoffering in hun geschiedenis als in de onze. Sommigen gaan nog verder en zeggen dat het geloof in karma en reïncarnatie de hindoe vriendelijker heeft gemaakt in zijn omgang met mensen en dieren dan de Europeanen, en spiritueler in zijn dagelijks leven. Als men zich verder verdiept in hun geschiedenis, vindt men dit geloof in karma zij aan zij met belangrijke bouwwerken van grote omvang, waarvan de overblijfselen tot op de dag van vandaag onze verbazing, bewondering en eerbied wekken; het valt te betwijfelen of we ooit zo’n triomf over de natuur zouden kunnen tonen zoals we die zien in de rotstempels van Hindoestan. Het lijkt dus onwaarschijnlijk dat deze lering een slechte of ontmoedigende invloed zal hebben op de mensen die haar aannemen.

‘Maar,’ zo luidt de tegenwerping, ‘het is fatalisme. Indien karma karma is, indien ik op die en die manier moet worden gestraft, dan zal dat gebeuren, of ik dat nu wil of niet, en daarom moet ik evenals de Turken ‘kismet’ zeggen, en niets doen.’ Hoewel de islamitische leer over kismet is verdraaid en werd voorgesteld als alleen maar fatalisme, werd ze door de profeet niet op die manier opgevat en evenmin door zijn grootste discipelen, want ze onderwezen dat deze leer wet was en geen noodlot. En dit bezwaar geldt evenmin voor karma. In het denken van hen die nadat ze zich een vaag beeld hebben gevormd van karma waarbij ze het op slechts één leven toepassen en de leer niet haar ware, majestueuze, oneindige strekking geven, luidt het oordeel: fatalisme. Wanneer men daarentegen ieder mens ziet als de vormgever van het lot voor zijn volgende vergankelijke, aardse persoonlijkheid, is er niets noodlottigs aan, want het vonnis ligt in zijn eigen hand. Hij zette de oorzaken ervan in gang, die onvermijdelijk bepaalde gevolgen zullen hebben. Hij had even gemakkelijk andere oorzaken kunnen leggen en zó andere gevolgen kunnen voortbrengen.

Sommige mensen die hun leven door hun gevoel laten beheersen vinden dat een leer die onwrikbare rechtvaardigheid uitdeelt en ons dwingt onze vrienden en geliefde familieleden voor altijd te verliezen, zodra de dood de deur heeft gesloten, van een afstotelijke koelheid en gebrek aan tederheid getuigt. Maar omdat ons gevoel en onze wensen niet de leidende wetten van de natuur zijn, is er geen reden, zelfs geen emotionele, voor dit bezwaar; het is ontstaan door een gebrekkig inzicht in de leer die, wanneer ze volledig wordt begrepen, evenveel gelegenheid blijkt te bieden om tot uitdrukking te brengen wat het hart dierbaar is, als elke andere levensopvatting. Dezelfde wet die ons in het leven werpt om te lijden of vreugde te ervaren, al naar we dat verdienen, bepaalt dat de vrienden en familieleden die wat hun aard betreft overeenkomen, samen moeten incarneren, totdat ze op grond van een verschil van karakter onder geen enkele wet van aantrekking in elkaars gezelschap kunnen blijven. Ze gaan niet uiteen, tenzij of tot ze verschillend zijn geworden. En wie zou eeuwig gebonden willen zijn aan ongelijksoortige familieleden of kennissen, alleen omdat men bij hen werd geboren!

Deze wet werkt ook goed en onophoudelijk om ons te steunen. ‘De mensen die u helpt, zullen u in andere levens helpen’, luidt de uitspraak. Misschien kenden we in vroegere eeuwen degenen die sindsdien allang grotere hoogten hebben bereikt. Zodra we in de lange reeks incarnaties de weg naderen, waarlangs ze hun pelgrimstocht vervolgen, verlenen ze onmiddellijk hulp, hetzij op stoffelijk of op ethisch gebied. En het maakt geen verschil of iemand zich ervan bewust is wie helpt of wie wordt geholpen. Een onwrikbare natuurwet leidt het verloop en brengt het gevolg tot stand. Op die manier beïnvloeden de leden van de hele menselijke familie elkaar wederzijds, daartoe gedwongen door een wet die even mild als verheven is, en die de verachting die we in het verleden koesterden omzet in een gevoel van eerbied nu en een kans om onze medemensen te helpen.

Er is in de natuur geen voortrekkerij mogelijk; niemand heeft een voorrecht of een gave die hij niet heeft verdiend, hetzij als beloning of als compensatie. Wanneer we het huidige leven beschouwen zoals het zich aan onze beperkte blik voordoet, kunnen we misschien geen oorzaak zien waarom er voor een onwaardig mens zo’n beloning zou moeten zijn, maar karma maakt nooit fouten en zal ongetwijfeld terugbetalen. En het beloont niet alleen, maar die vergeldingen die wij door wraak proberen uit te delen, behoren uitsluitend aan karma toe. En daarom zegt de heilige schrift van de christenen: ‘Mij komt de wraak toe; ik zal vergelden’, want zo zeker als de een de ander benadeelt, zo zeker is het dat karma de dader zal treffen; maar laat de benadeelde ervoor oppassen dat hij niet wenst dat de ander wordt gestraft, want dan zal ook hij door karma worden gestraft. Op die manier verschaft karma bevrijding en de middelen tot bevrijding van dit levensweb en dit voortdurend draaiende wiel, en door reïncarnatie wordt ons de tijd gegeven om ons te bevrijden.

– 19 –

Hoofdstuk 10 van het Egyptisch Dodenboek beschrijft de plaats waar, na de dood, de ontlichaamde zielen in verschillende graden van volmaaktheid verblijven. Van sommigen wordt aangegeven dat ze tarwe tot zich nemen, van drie armlengten lang, terwijl anderen slechts wordt toegestaan de tarwe te verzamelen – ‘hij verzamelde aren in de velden van Aanroo’. Sommigen genieten dus de volmaaktheid van spirituele gelukzaligheid, terwijl anderen slechts de lagere graden bereiken in die plaats of toestand waar goddelijke rechtvaardigheid de ziel wordt toegemeten.

Devachan is het land van beloning, het domein van spirituele gevolgen. Het woord spiritueel slaat hier op het vrij zijn van het lichaam; het moet slechts worden gebruikt met betrekking tot ons stoffelijk bestaan. De christen bevestigt dit feit door de stoffelijke entourage van zijn hemel. In De geheime leer (1:69) zegt H.P. Blavatsky: ‘De dood zelf is niet in staat de mens ervan [van karma] te verlossen, want de dood is alleen maar de deur waardoor hij na een korte rustperiode op de drempel – devachan – naar een volgend leven op aarde gaat.’ Devachan is dus de drempel van het leven. In het hindoestelsel is het etymologisch de plaats van de goden, Indra’s hemel. Indra is de bestuurder van de hemel, die aan hen die zijn gebied kunnen bereiken, langdurige gaven van geluk en macht geeft. De Bhagavad Gita (9:20-21) zegt: ‘Na ontelbare jaren in de gebieden van Indra gelukzaligheid te hebben genoten, wordt hij opnieuw op deze aarde geboren.’

Voor het doel van dit artikel nemen we aan dat de hele mens, minus het lichaam, naar devachan gaat. Maar dit is niet zo. De postmortale verdeling van onze zevenvoudige samenstelling zoals die in de theosofie wordt gegeven, is juist. Ze geeft de basis weer voor leven, dood en reïncarnatie. Ze laat zien dat het samengestelde wezen, de mens, overeenstemt met dat andere samengestelde wezen, de natuur. Beide zijn een eenheid in verscheidenheid. De mens, die in de natuur zweeft, deelt zich en herenigt zich, evenals zij. Deze zevenvoudige indeling zal in een volgend artikel worden behandeld.

Devachan, dat een toestand van langdurig subjectief geluk is na de dood van het lichaam, is duidelijk de hemel van de christenen, maar met een verschil. Het is een hemel die wetenschappelijk mogelijk is. De hemel zelf moet overeenstemmen met de goddelijke wetten die in de natuur werken. Zoals de slaap een toestand van bevrijding van het lichaam is, waarin we dromen hebben, zo is de dood een volledige scheiding en bevrijding, waarna we in devachan dromen, tot we, als we weer in een nieuw lichaam op aarde zijn geïncarneerd, opnieuw komen tot wat we een wakend bestaan noemen. Zelfs de menselijke ziel zou moe worden van de onophoudelijke cyclus van wedergeboorten, als er niet was voorzien in een plaats of toestand waar rust kan worden verkregen, waar ontkiemende aspiraties, die door het leven op aarde worden belemmerd, volledig tot ontwikkeling kunnen komen. Geen kracht kan worden tenietgedaan, laat staan een psychische kracht; deze moet ergens tot uitdrukking kunnen komen. Deze uitdrukkingsmogelijkheid wordt in devachan gevonden; deze verwerkelijking is de rust van de ziel. Haar diepste verlangens, haar hoogste aspiraties, worden daar gerealiseerd. Elke hoopvolle verwachting komt daar tot volle bloei. Om deze gelukzalige toestand te verlengen geven de hindoeboeken vele bezweringsformules en voorzien ze in talloze ceremoniën en offerrituelen, die alle gericht zijn op een langdurig verblijf in devachan. De christen doet precies hetzelfde. Hij verlangt naar de hemel, bidt dat hij daarheen zal gaan en verricht als offer aan zijn God die gunstig stemmende rituelen en handelingen die hem het beste toeschijnen; het enige verschil is dat hij het niet half zo wetenschappelijk doet als de hindoe. Een hindoe heeft ook een levendiger opvatting van deze hemel dan een christen. Hij veronderstelt vele plaatsen of toestanden, aangepast aan de verschillende energetische en kwalitatieve niveaus van de zielen. Kamaloka en andere toestanden zijn die waar concrete begeerten die door het leven in het lichaam werden belemmerd, volledig tot uitdrukking komen, terwijl de abstracte en welwillende denkers in tribhuvana geheel in beslag worden genomen door de vreugde van verheven gedachten. De orthodoxe hemel voorziet niet daarin. Deze gaat ook voorbij aan het feit dat een onveranderlijke eentonigheid van het hemelse bestaan de ziel zou uitputten, en stilstand en geen groei zou zijn. Het devachanische leven is ontwikkeling van aspiraties en gaat door de verschillende stadia van ontwikkeling, geboorte, steeds verdere groei, neerwaartse beweging en overgang naar een andere toestand, alle in vreugde geworteld. Enkel het moment van sterven verandert niets aan de ziel. Ze is een groep psychische krachten, en de hemel moet daarmee iets gemeen hebben; waarom zou ze anders daarheen worden aangetrokken? Zielen verschillen evenals mensen. In devachan ontvangt elke ziel die graad van gelukzaligheid die ze in zich kan opnemen; haar eigen ontwikkeling bepaalt haar beloning. De christen plaatst alle knorrige oude heiligen even hoog als andere heilige zielen, en laat het genie afzakken tot het niveau van de middelmatige massa, terwijl de hindoe een oneindige verscheidenheid van bezigheden en bestaansvormen geeft, geschikt voor de ernstige en de vrolijke, de ziel van een genie of een dichter. Niemand zit op een ongewenste plaats, evenmin zingt hij psalmen waarvan hij nooit heeft gehouden, of woont in een stad die hem zou gaan vervelen als hij steeds gedwongen werd haar straten geplaveid met parels te bewandelen. De wetten van oorzaak en gevolg zorgen ervoor dat devachan niet eentonig zal zijn. De uitkomsten zijn evenredig aan de eraan voorafgaande krachten. De ziel wordt heen en weer geslingerd tussen devachan en het leven op aarde, en in beide vindt ze toestanden die geschikt zijn voor haar steeds verdergaande ontwikkeling, tot ze door inspanning een volmaking bereikt waarin ze niet langer onderhevig is aan de wetten van actie en reactie en in plaats daarvan hun bewuste medewerker wordt.

Devachan is een droom, maar alleen in die zin waarin het objectieve leven zo kan worden genoemd. Beide gaan door totdat in één richting aan karma is voldaan en het in de andere begint te werken. De devachanische entiteit heeft geen idee van ruimte of tijd, behalve zoals ze die voor zichzelf maakt. Ze schept haar eigen wereld. Ze is samen met iedereen die ze ooit heeft liefgehad, niet in lichamelijk gezelschap, maar in een samenzijn dat voor haar werkelijk, innig en gelukzalig is. Wanneer de mens sterft, sterven de hersenen het laatst. Het leven is daarin nog actief nadat de dood al is vastgesteld. De ziel rangschikt alle vroegere gebeurtenissen, vat het resultaat samen; de gemiddelde neiging komt naar voren, het overheersende verlangen wordt gezien. Hun uiteindelijke aroma vormt de grondtoon van het devachanische bestaan. De lauwe mens gaat noch naar de hemel noch naar de hel. De natuur spuwt hem uit. Positieve toestanden, objectieve of subjectieve, worden slechts door positieve impulsen bereikt. De devachanische lotsbedeling wordt bepaald door de overheersende drijfveer van de ziel. Iemand die haat kan door de terugslag daarvan iemand worden die liefheeft, maar de onverschilligen hebben geen stuwende kracht, en bereiken geen groei.

– 20 –

Het is voor de onbevooroordeelde onderzoeker heel duidelijk dat christelijke geestelijken om een of andere reden de samengestelde aard van de mens angstvallig negeren, hoewel hun grote autoriteit, Paulus, duidelijk ernaar verwijst. Hij sprak over lichaam, ziel en geest; zij prediken alleen over het lichaam en de ziel; Paulus onderwees dat we een spiritueel lichaam hebben; zij blijven vaag wat het lichaam van de ziel betreft en houden vast aan een belachelijke opstanding van het stoffelijk omhulsel. Het werd de plicht van theosofen de aandacht van het hedendaagse denken opnieuw te vestigen op de oosterse indeling van de samenstelling van de mens, want alleen hierdoor kan inzicht in zijn toestand vóór en na de dood worden verkregen. Paulus gaf een indeling in drieën; die van de hindoes is in zevenen. Die van Paulus is bedoeld voor mensen die een ruwe schets verlangen, maar zich niet bekommeren om een gedetailleerd onderzoek. Geest, ziel en lichaam omvatten echter alle zeven componenten. Laatstgenoemde indeling geeft een vollediger inzicht, en veel diepzinnige denkers vermoeden dat Paulus het volledige stelsel kende, maar dat hij goede redenen had om het geheim te houden.

Een analyse van het lichaam onthult meer dan alleen een moleculaire structuur, want ze toont een kracht – of leven of vermogen – aan die het lichaam bijeenhoudt en actief houdt gedurende zijn natuurlijke levensduur. A.P. Sinnett, die in zijn Esoteric Buddhism zijn landgenoten enige kennis van het oosterse stelsel probeerde bij te brengen, noemt het prana of jiva; anderen noemen het alleen prana, wat meer geschikt lijkt, omdat het menselijke aspect van de levenskracht afhankelijk is van prana, of adem.

Wat in de indeling van Paulus geest is, kunnen we voor ons doel opvatten als het Sanskriet atman. Geest is universeel, ondeelbaar en hebben we allen gemeenschappelijk. Met andere woorden, er zijn niet vele geesten, één voor ieder mens, maar slechts één geest die op alle mensen gelijkelijk schijnt, en die zoveel zielen aantreft als er wezens op de wereld zijn. In de mens heeft de geest een meer compleet werktuig of samenstel van gereedschappen om mee te werken. Dit spirituele één zijn is de basis van de filosofie; hierop rust haar hele structuur. Indien men de geest individualiseert en aan ieder mens zijn eigen bijzondere geest toekent, die gescheiden is van de geest van ieder ander mens, dan werpt men de hele theosofische filosofie omver, doet men haar ethiek teniet en verijdelt men haar doel.

Als we beginnen bij atman – geest – die het geheel omvat, omdat hij daarvan de basis en steunpilaar is, zien we dat de hindoe de theorie naar voren brengt van omhulsels of bekleedsels van de ziel of innerlijke mens. Deze omhulsels zijn nodig vanaf het moment dat de evolutie begint en zichtbare voorwerpen verschijnen, zodat het doel van de ziel in samenwerking met de natuur kan worden bereikt. Op deze manier, volgens een proces waarvan de uiteenzetting hier niet op haar plaats zou zijn, wordt een indeling verkregen door middel waarvan de verschijnselen van leven en bewustzijn kunnen worden verklaard.

De zes voertuigen (waarbij we de benamingen van A.P. Sinnett overnemen) die door de geest worden gebruikt en door middel waarvan het ego ervaring opdoet, zijn:

Lichaam, als een grof voertuig.
Levenskracht, of prana.
Astraal lichaam, of lingasarira.
Astrale ziel, of kamarupa.
Menselijke ziel, of manas.
Spirituele ziel, of buddhi.

Het lingasarira is nodig als een meer verfijnd lichaam dan het fysieke lichaam, omdat laatstgenoemde in feite slechts verstandeloze, inerte stof is. Kamarupa is het lichaam, of beter gezegd de verzameling, van begeerten en hartstochten. Manas kan heel goed het denkvermogen worden genoemd. Buddhi is het hoogste begripsvermogen en gaat de hersenen en het denken te boven; ze is het onderscheidingsvermogen.

Bij de dood van het lichaam gaat prana terug naar het reservoir van kracht; het astrale lichaam valt na een langere periode uiteen en, wanneer het wordt geholpen door bepaalde andere krachten, keert het vaak met kamarupa terug naar de seancekamers, waar het zich voordoet als de overledene: een voortdurende leugen en een altijd aanwezige valstrik. De menselijke en spirituele ziel gaan over naar die toestand die hierboven devachan of hemel werd genoemd, waar het verblijf lang of kort is afhankelijk van de bij die toestand horende krachten die tijdens het leven zijn opgewekt. Wanneer deze uitgeput beginnen te raken, wordt het ego geleidelijk naar het aardse leven teruggetrokken, waar het door menselijke voortplanting een nieuw lichaam aanneemt met een ander astraal lichaam, levenskracht en dierlijke ziel.

Dit is het ‘wiel van wedergeboorte’, waaraan geen mens kan ontkomen, tenzij hij ware ethiek volgt en ware kennis en een waarachtig bewustzijn verwerft, terwijl hij in een lichaam leeft. Om dit onophoudelijk draaiende wiel tot stilstand te brengen verkondigde Boeddha zijn volmaakte wet, en het is het doel van de ware theosoof om zijn grote en schitterende ‘wiel van de wet’ te laten draaien voor het welzijn van de volkeren.

– 21 –

De hindoe heeft groot respect voor de slang, als symbool en ook als wezen. Ze beweegt zich in een golvende lijn, en geeft zo de enorme omloop van de zon door de eeuwige ruimte weer, waarbij ze de snel ronddraaiende aarde met haar kleinere baan met zich meevoert; ze werpt periodiek haar huid af en geeft een zichtbare illustratie van de vernieuwing van het leven, of reïncarnatie; ze kronkelt om toe te slaan, en symboliseert zo de werking van de wet van karma-nemesis die op basis van onze handelingen onfeilbaar toeslaat. Als symbool met de staart in de bek, een cirkel vormend, stelt ze de eeuwigheid voor, de cyclus van noodzakelijkheid, de allesverslindende tijd. Voor de oudere ingewijden betekende ze ook het astrale licht, dat zowel duivels als goddelijk is.

Op het hele terrein van theosofisch onderzoek is er waarschijnlijk niets zo interessant als het astrale licht. Bij de hindoes staat het bekend als akasa, dat ook vertaald kan worden met ether. Volgens hen brengen de oosterse yogi’s alle verbazingwekkende verschijnselen teweeg op basis van hun kennis van de eigenschappen ervan. Er wordt ook beweerd dat helderziendheid, helderhorendheid, mediumschap en zienerschap, zoals deze in de westerse wereld bekend zijn, slechts door middel van het astrale licht mogelijk zijn. Het is het register van onze daden en gedachten, de grote beeldengalerij van de aarde, waar een ziener altijd kan kijken naar elke gebeurtenis die ooit heeft plaatsgevonden, en ook naar die welke nog moeten komen. Wezens van verschillende orde zwemmen erin als in een zee, en ook de astrale overblijfselen van overleden mannen en vrouwen. De rozenkruisers en andere Europese mystici noemden die wezens sylfen, salamanders, gnomen, undinen, elementalen; de hindoes noemen ze gandharva’s of hemelse musici, yaksha’s, rakshasa’s, en geven ze nog vele andere namen. De ‘geesten’ van de doden – die door de spiritisten ten onrechte worden beschouwd als individuen die er niet meer zijn – zweven in deze akasische substantie en zijn eeuwenlang aan de mystieke hindoe bekend geweest en worden door hen een bhuta genoemd, een andere naam voor duivel, of een pisacha, een heel verschrikkelijke duivel; geen van deze is iets meer dan het afgeworpen zielenlichaam dat het dichtst bij de aarde staat, zonder geweten en alleen in staat om kwaad te doen.

De uitdrukking ‘het astrale licht’ is niet nieuw, maar is van zuiver oosterse oorsprong. Porphyrius sprak erover, toen hij verwees naar het hemelse of zielenlichaam, waarvan hij zegt dat het onsterfelijk, stralend en ‘sterachtig’ is; Paracelsus noemde het het ‘siderische licht’; later raakte het bekend als astraal. Er wordt van gezegd dat het hetzelfde is als de anima mundi of wereldziel. De huidige wetenschappers benaderen het wanneer ze spreken over ‘lichtgevende ether’ en ‘stralende stof’. De grote astronoom Camille Flammarion, die tijdens zijn leven lid van de Theosophical Society was, spreekt over het astrale licht in zijn roman Uranie en zegt:

Het licht dat uit al deze zonnen, die de oneindige ruimte bevolken, emaneert, het licht dat in de ruimte wordt weerkaatst door al deze werelden die door hun zonnen worden verlicht, fotografeert overal in de grenzeloze hemel de eeuwen, de dagen, de momenten, terwijl ze voorbijgaan. . . . Hieruit volgt dat de geschiedenis van alle werelden door de ruimte reist, zonder volledig te verdwijnen en dat alle gebeurtenissen van het verleden aanwezig zijn en altijd voortleven in de schoot van het oneindige.

Zoals alle onbekende of occulte dingen is het astrale licht moeilijk te omschrijven en dat komt vooral omdat het ‘licht’ wordt genoemd. Het is geen licht zoals wij dat kennen, en het is evenmin duisternis. Misschien werd het een licht genoemd, omdat als helderzienden erin kijken de verafgelegen voorwerpen verlicht schijnen te zijn. Maar hoewel ook geluiden erin kunnen worden gehoord, zware lichamen door middel ervan aan het zweven kunnen worden gebracht, geuren duizenden kilometers erdoor kunnen worden vervoerd, gedachten erin kunnen worden gelezen en allerlei paranormale verschijnselen door de werking ervan kunnen worden teweeggebracht, kwam toch de term ‘licht’ in gebruik, die, hoewel onvermijdelijk, niettemin onjuist is.

Om nauwkeurig te zijn moet een definitie alle werkingen en vermogens van dit licht omvatten, maar omdat deze zelfs aan de mysticus niet volledig bekend zijn, en voor wetenschappers een terra incognita, moeten we ons tevreden stellen met een gedeeltelijke analyse. Het is een substantie die men zich gemakkelijk kan voorstellen als onweegbare ether die vanuit de sterren wordt geëmaneerd en de aarde omhult, en elk atoom van de aardbol en elke molecule erop doordringt. Het gehoorzaamt de wetten van aantrekking en afstoting, trilt heen en weer, en maakt zichzelf nu eens positief en dan weer negatief. Dit geeft het een cirkelvormige beweging, die door de slang wordt gesymboliseerd. Het is, kosmisch gesproken, het grote achterliggende beginsel, of de voornaamste drijfveer, die niet alleen de plant doet groeien maar ook de samentrekking en ontspanning van het menselijk hart in stand houdt.

Dit licht lijkt veel op de werking van een gevoelige fotografische plaat. Zoals Flammarion zegt, neemt het de beelden van elk moment op en houdt ze vast in zijn greep. Dit is de reden dat de Egyptenaren het als de optekenaar kenden; het is de optekenende engel van de christenen en in één opzicht is het Yama, de rechter over de doden in het hindoepantheon, want door de beelden die we erop afdrukken, worden we door karma geoordeeld.

Het astrale licht hangt als een groot reflectiescherm boven de aarde en wordt een krachtige universele hypnotiseur van mensen. Omdat de beelden van alle daden, goede en slechte, door zowel onze voorouders als onszelf verricht, steeds voor ons innerlijk zelf aanwezig zijn, beïnvloeden ze ons voortdurend door suggestie, en dan gaan we hetzelfde doen. Hierover zei de grote Franse priester-mysticus, Éliphas Lévi:

We verbazen ons vaak wanneer we in gezelschap worden overvallen door slechte gedachten en ingevingen die we niet voor mogelijk hadden gehouden, en we zijn ons niet ervan bewust dat we die uitsluitend te danken hebben aan de aanwezigheid van een ziekelijke medemens; dit feit is van grote betekenis omdat het verband houdt met de werking van het geweten – een van de vreselijkste en onbetwistbare geheimen van de magische kunst. . . . Daarom hebben ziekelijke zielen een slechte adem, en bederven de morele atmosfeer; dat wil zeggen, ze brengen onzuivere gedachten in het astrale licht dat hen doordringt, en brengen op die manier verderfelijke stromingen tot stand.1

1 Dogme et rituel de la haute magie, 2de ed., Parijs, 1861, deel 1, hfst. 8, blz. 207.

Dit licht heeft ook een nuttige functie. Omdat het de beelden van alle gebeurtenissen en dingen uit het verleden bewaart, en omdat er niets nieuws onder de zon is, worden de gebruiken, de denkbeelden, de filosofie, de kunsten en wetenschappen van lang begraven beschavingen vanuit het astrale licht voortdurend als beelden in het brein van levende mensen geprojecteerd. Dit verklaart niet alleen het vaak voorkomende ‘toeval’ dat twee of meer uitvinders of wetenschappers ongeveer op hetzelfde moment en onafhankelijk van elkaar dezelfde ideeën krijgen of uitvindingen doen, maar ook andere gebeurtenissen en vreemde voorvallen.

Sommige zogenaamde wetenschappers hebben heel geleerd gesproken over telepathie en andere verschijnselen, maar geven geen bevredigende verklaring voor gedachteoverbrenging, of geestverschijningen, of helderziendheid, of de honderd en één verschillende gebeurtenissen van occulte aard die elke dag door mensen uit alle lagen van de samenleving worden waargenomen. Het is goed om te erkennen dat een gedachte zonder woorden rechtstreeks van het ene brein naar het andere kan worden overgebracht, maar hoe kan de overdracht zonder middenstof tot stand komen? Die middenstof is het astrale licht. Zodra een gedachte in de hersenen vorm aanneemt, wordt ze in dit licht afgebeeld en wordt vandaar weer opgenomen door een ander brein dat gevoelig genoeg is om haar ongeschonden te ontvangen.

Omdat de theosofische adepten van alle tijden de vreemde eigenschappen van het astrale gebied kennen en ook het feitelijke lot van de omhulsels van de ziel waarover in een vorig artikel werd gesproken, hebben ze geen geloof gehecht aan het zogenaamde terugkeren van de doden. Éliphas Lévi heeft dit goed begrepen en zei:

Het astrale licht vormt, door zich te verenigen met etherische fluïden, de astrale geestverschijning waarover Paracelsus spreekt. Als het astrale lichaam bij de dood vrijkomt, trekt het de weerspiegeling van het afgelopen leven tot zich en bewaart haar lange tijd omdat het gelijke het gelijke aantrekt; indien een krachtige, ermee sympathiserende wil het in de juiste stroom trekt, manifesteert het zich in de vorm van een verschijning.1

1Op.cit., deel 5, hfst. 5 & 6.

Maar als iemand met een gevoelig en abnormaal gestel aanwezig is – met andere woorden een medium, en iedereen die tot deze klasse behoort heeft een onevenwichtig zenuwstelsel – dan is een sterke wil niet nodig. Want het astrale licht en het astrale lichaam van het levende medium roepen de zielloze ‘geesten’ terug en ontlenen aan hetzelfde reservoir hun woorden, hun tongval, hun karaktereigenaardigheden; en de misleide volgelingen van deze onterende praktijken worden ertoe gebracht zich te verbeelden dat zo’n ‘geest’ het teruggekeerde zelf van een gestorven vriend of familielid is.

Alles waarnaar ik hier heb verwezen, zijn slechts voorbeelden van enkele van de vele eigenschappen van het astrale licht. Voor zover het onze wereld betreft, kan men zeggen dat het astrale licht overal is, alle dingen doordringt, een fotografisch vermogen bezit waardoor het beelden vasthoudt van gedachten, daden, gebeurtenissen, tonen, klanken, kleuren en alle andere dingen; het is weerkaatsend in de zin dat het zich in het denkvermogen van de mens weerspiegelt; aan zijn positieve kant stoot het af en aan zijn negatieve trekt het aan; het kan een buitengewone dichtheid aannemen wanneer het door een krachtige wil of door abnormale lichamelijke toestanden rondom een lichaam wordt samengetrokken, zodat geen fysieke kracht het kan doorboren. Dit aspect van zijn werking verklaart enkele feiten die officieel werden opgetekend tijdens de opwinding over hekserij in Salem. Daarbij werd ontdekt dat hoewel stenen en andere voorwerpen door de lucht naar de bezetene vlogen, ze altijd als het ware door de zwaartekracht precies voor de voeten van die persoon neervielen. De hindoeyogi demonstreert het gebruik van de verdichting van het astrale licht, als hij toestaat dat pijlen en andere projectielen op hem worden afgezonden, die alle aan zijn voeten neervallen, hoe groot hun snelheid ook is; de verslagen van echte spiritistische verschijnselen in de Verenigde Staten vermelden soortgelijke ervaringen.

Het astrale licht is een machtige, door de wetenschap niet erkende factor bij de verschijnselen van het hypnotisme. Zijn werking zal een verklaring bieden voor veel van de problemen waarop Binet, Charcot en anderen zijn gestuit, en in het bijzonder die categorie waarin twee of meer afzonderlijke persoonlijkheden door de proefpersoon schijnen te worden aangenomen, waarbij deze zich in elk daarvan slechts die dingen en manier van uitdrukken kan herinneren die tot dat specifieke deel van hun ervaringen behoren. Deze vreemde zaken zijn te danken aan de stromingen in het astrale licht. In elke stroming bevindt zich een duidelijk afgebakende reeks reflecties, en ze worden door de innerlijke mens in zich opgenomen, die er op dit gebied in woord en daad verslag van doet alsof ze van hemzelf waren. De helderzienden en de helderhorenden schijnen door van deze stromingen gebruik te maken eveneens, hoewel onbewust, in de verborgen bladzijden van het leven te kunnen lezen.

In dit licht kunnen dus goede of slechte beelden worden afgedrukt, en deze worden in het onderbewuste denkvermogen van ieder mens weerspiegeld. Indien we het astrale licht vullen met slechte beelden, zoals de huidige eeuw die zo goed weet te scheppen, zal het onze duivel en vernietiger zijn; maar als door het voorbeeld van zelfs maar enkele goede mannen en vrouwen op dit eeuwige doek een nieuw en zuiverder soort gebeurtenissen wordt geschilderd, zal het onze goddelijke verheffer worden.

 


Theosofische inzichten, blz. 583-637

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag