Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Vormt erfelijkheid een probleem?

[The Path, november 1888, blz., 256-9]

Een bekende medewerker van Harper’s Magazine schreef onlangs dat erfelijkheid ‘een probleem’ is. Hij vervolgde:

Alle mensen zijn als een familie op zo’n ingewikkelde manier met elkaar verbonden dat het bijna onmogelijk is verantwoordelijkheden te bepalen. . . . We proberen dit probleem in onze inrichtingen en gevangenissen te bestuderen en we verzamelen een groot aantal interessante feiten; maar ze zijn te tegenstrijdig om als leidraad voor wetgeving te dienen. De moeilijkheid is om iemand te ontslaan van de verantwoordelijkheid voor de zonden van zijn voorouders zonder hem te ontslaan van de verantwoordelijkheid voor zijn eigen zonden.

Dit is de algemene opvatting. Erfelijkheid is een probleem en zal dit altijd blijven zolang bij al dat soort onderzoek de wetten van karma en reïncarnatie niet worden erkend en er geen rekening mee wordt gehouden. Bijna al deze schrijvers – behalve zij die zeggen dat ze het niet weten – gaan uit van de theologische opvatting dat ieder mens een nieuwe schepping is, een nieuwe ziel die op deze aarde in het leven is geroepen.

Dit is volkomen logisch, want ze beweren dat we slechts sterfelijk en geen geesten zijn. De religieus ingestelde onderzoekers erkennen dat we geesten zijn, maar gaan niet verder behalve dat ze eenzelfde speciale schepping aannemen. Dus als ze voor het vraagstuk van erfelijkheid komen te staan, wordt het voor hen een moeilijke zaak. Het wordt een probleem, vooral voor hen die de erfelijkheid onderzoeken en proberen vast te stellen op wie de verantwoordelijkheid zou moeten rusten, terwijl ze niets van karma en reïncarnatie afweten. En men geeft te kennen dat er op dit gebied wetten moeten worden gemaakt. Wanneer dus in het geval van een moordenaar zou blijken dat hij uit een geslacht of familie van moordenaars komt, waardoor hij iemand is geworden die zich niet kan weerhouden om te moorden, dan moeten we tot de conclusie komen dat, indien dit te wijten is aan ‘erfelijkheid’, hij op geen enkele manier daarvoor verantwoordelijk kan worden gesteld. Neem het geval van de stammen, het geslacht of de sekte van de Thugs in India, die als levensdoel hadden om andere mensen uit de wereld te helpen. Hun kinderen zouden noodzakelijkerwijs deze neiging van hen erven. Het is zoiets als een kat en een vogel. Het ligt in de aard van de kat om de vogel op te eten, en dat kan haar niet worden verweten. Dit zou ons ertoe kunnen brengen een wet aan te nemen die een uitzondering maakt in het geval van zulke ongelukkige mensen. Vervolgens zouden we de kans lopen dat bij het verhoor van de misdadiger een valse getuigenverklaring zou worden afgelegd om aan te tonen dat die wet op hem van toepassing is. Deze kans is zo groot dat het niet waarschijnlijk is dat zo’n wet ooit zal worden aangenomen. Zodat, zelfs wanneer de wetgevende en wetenschappelijke wereld bij het vaststellen van de grote kracht van erfelijkheid tot enige conclusie zouden kunnen komen, dit zonder resultaat zou zijn, tenzij de waarheid van karma en reïncarnatie werd erkend. Want als deze ontbreken, zou er geen wet kunnen worden toegepast, en dus geen herstel van het veronderstelde onrecht dat de onverantwoordelijke misdadigers is aangedaan, kunnen plaatsvinden. Ik zeg hier niet wat er volgens mij zou moeten gebeuren, maar wat zonder de hulp van die twee andere grote wetten het onvermijdelijke resultaat van het onderzoek naar erfelijkheid zou zijn.

Indien deze beide leringen door de wetgevers zouden worden aangenomen, dan zou dat tot gevolg hebben dat een wet zoals die waarop ik doelde nooit zal worden uitgevaardigd; want als karma en reïncarnatie worden erkend, wordt de verantwoordelijkheid van ieder individu daardoor groter dan tevoren. Niet alleen is hij zelfs onder invloed van zijn erfelijke neiging verantwoordelijk voor zijn daden, maar in ruimere zin is hij ook verantwoordelijk voor de grote schade die hij de staat berokkent door de toekomstige invloed van zijn leven – een invloed die hij heeft op degenen die als zijn afstammelingen worden geboren.

Vanuit het standpunt van karma en reïncarnatie gezien levert de ‘erfelijkheid’ als wet geen groot probleem op, hoewel de details van haar werking natuurlijk ingewikkeld en talrijk zullen zijn.

Het is mij bekend dat enkele theosofen hebben verklaard dat ze voor hen nog een raadsel is, maar dit komt omdat het denkbeeld nieuw is, heel anders dan de denkbeelden die ons als kinderen tijdens onze opvoeding, en als volwassenen bij onze omgang met anderen, zijn ingeprent.

We moeten geen enkel waargenomen en erkend feit met betrekking tot de erfelijkheid negeren, en een theosoof hoeft ze niet buiten beschouwing te laten. We moeten wel erkennen dat neigingen en karaktertrekken van vader op zoon en aan alle verdere nakomelingen worden overgebracht. In het ene geval ontdekken we misschien een mentale gewoonte, in het andere een fysieke eigenschap; en in een achterkleinzoon zien we vaak de fysieke gewoonten van zijn verre voorouders opnieuw tevoorschijn komen.

Men kan zich dan afvragen: ‘Hoe kan ik voor zulke vreemde neigingen verantwoordelijk worden gesteld, wanneer ik de man van wie ik ze heb geërfd, nooit heb gekend?’ Met de gangbare theorieën zou het onmogelijk zijn deze vraag te beantwoorden. Want indien ik als een nieuwe ziel uit de schoot van God ben voortgekomen; of indien wat ziel of intelligentie wordt genoemd het product is van het lichaam dat ik bewoon, en dat is voortgebracht zonder dat ik daarbij betrokken was; of indien ik uit verafgelegen sferen ben gekomen, die geen verband houden met deze aarde, om dit lichaam aan te nemen, bij de vorming waarvan ik niet betrokken was, dan zou men mij groot onrecht doen door mij voor de handelingen ervan verantwoordelijk te stellen. Het lijkt mij dat men op basis van de gemaakte veronderstellingen niet aan deze conclusie kan ontkomen, en tenzij onze sociologen, economen en wetgevers de leringen van karma en reïncarnatie aannemen, zullen ze wetten moeten uitvaardigen zoals de hierboven door mij genoemde. We zullen dan een wetboek hebben dat men zou kunnen betitelen ‘Over de beperkte verantwoordelijkheid van misdadigers in geval van moord en andere misdrijven’.

Maar het hele probleem komt voort uit de door overerving overgedragen gewoonte in het westerse denken om naar gevolgen te kijken en ze voor oorzaken aan te zien, en om de instrumenten of middelen waardoor en waarin de natuurwetten werken, als oorzaken te beschouwen. Erfelijkheid wordt meer en meer als de oorzaak van misdaad en deugd aangemerkt. Ze is geen oorzaak, maar slechts een middel of instrument om het gevolg voort te brengen; de oorzaak ligt echter dieper verborgen. Het lijkt even onjuist om erfelijkheid de oorzaak van goede of verkeerde handelingen te noemen, als om de louter sterfelijke hersenen of het lichaam de oorzaak van verstand [mind] of ziel te noemen.

Eeuwen geleden erkenden de hindoewijzen dat het lichaam niet het verstand voortbracht, maar dat er iets was wat ze ‘het verstand van het verstand’ noemden, of, zoals we het zouden kunnen uitdrukken, ‘de intelligentie die boven en achter de hersenstof werkt’. En ze staafden hun bewering met talloze voorbeelden; zo kan het oog, hoewel op zichzelf een volmaakt instrument, niet zien, tenzij het verstand erachter werkzaam is. We kunnen dit gemakkelijk bewijzen aan de hand van gevallen van slaapwandelaars. Ze wandelen met hun ogen wijd open, zodat het netvlies zoals gewoonlijk de binnenkomende beelden opvangt; toch zien ze u niet, zelfs wanneer u vlak voor hen staat. Dit komt doordat de intelligentie van het overigens onbeschadigde gezichtsorgaan is losgemaakt. We moeten dus erkennen dat het lichaam niet de oorzaak van het verstand is, de ogen niet de oorzaak van het gezichtsvermogen zijn, maar dat lichaam en oog instrumenten zijn door middel waarvan de oorzaak werkt.

Karma en reïncarnatie gaan uit van de veronderstelling dat de mens een spirituele entiteit is die het lichaam voor een of ander doel gebruikt.

Sinds onheuglijke tijden verklaren de wijzen dat hij (dit spirituele wezen) het lichaam gebruikt dat hij door karma heeft verkregen. De verantwoordelijkheid berust dus niet bij het lichaam, noch hoofdzakelijk bij hen die het lichaam voortbrachten, maar bij de mens zelf. De rechtvaardigheid hiervan is volmaakt, want terwijl iemand in een lichaam zijn verdiende loon ontvangt, worden ook die andere mensen (of zielen) die zo’n lichaam voortbrachten, ertoe verplicht in andere lichamen compensatie te geven.

Omdat die compensatie niet in een menselijke en onvolmaakte rechtbank wordt gegeven, maar aan de natuur zelf, die alles omvat, betekent ze het herstel van de harmonie of het evenwicht dat werd verstoord.

De noodzaak vanuit het standpunt van de ethiek om de wet te erkennen, komt voort uit het feit dat we pas als we ons bewust zijn dat dit de wet is dingen zullen gaan doen of gedachten gaan denken die erop gericht zijn om de gewenste veranderingen in het astrale licht teweeg te brengen die nodig zijn om een nieuwe orde van gedachten en invloeden te scheppen. Deze nieuwe invloeden zullen natuurlijk niet volledig tot hun recht komen bij hen die ze teweegbrachten, maar zullen op hun nakomelingen inwerken en ook een nieuw toekomstig tijdperk voorbereiden waaraan zij die de nieuwe stroming veroorzaakten deel zullen hebben. Dit is dus in geen enkel opzicht een vruchteloze of ondankbare zaak, want wijzelf komen in een andere tijd terug om de vruchten van het zaad dat we hebben gezaaid te oogsten. De impuls moet worden gegeven, en we moeten bereid zijn op het resultaat te wachten. Het wiel van de pottenbakker gaat door met draaien als de pottenbakker zijn voet heeft teruggetrokken, en zo zal het nu draaiende wiel een tijdje blijven draaien tot de impuls is uitgeput.

 


Theosofische inzichten, blz. 64-7

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag