Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Het theosofische dieet

[The Path, december 1888, blz. 290-2]

De vraag ‘of men al of niet vlees moet eten’ speelt in het denken van veel theosofen tegenwoordig een belangrijke rol. Sommigen eten geen vlees, terwijl anderen dat nog wel doen, en enkelen, die vegetariërs zijn, schijnen te denken dat de vleeseters zondigen en niet spiritueel kunnen zijn.

Hoewel ik tot een Spaanssprekend volk behoor, ben ik vegetariër en theosoof, en ik hoop dat het mijn Amerikaanse lezers, broedertheosofen, niet uitmaakt dat ik tot een ander ras behoor.

Laten we de verschillende standpunten eens nagaan en de zaak bekijken zonder enig vooroordeel ten gunste van het vegetarisme of het vleesdieet.

De vleeseters zeggen dat we in de natuur koeien en olifanten zien, die geen vlees eten, en dat deze als gevolg daarvan toch niet méér spiritualiteit vertonen; en dat we onder de mensen vaak personen zien die, hoewel ze vlees eten, niettemin in hoge mate spiritueel zijn. Dit is hun argumentatie.

De vegetariërs hebben de volgende argumenten: (a) dat dierlijk voedsel onvermijdelijk de eigenschappen van een dier overbrengt op degenen die het eten, en dat het eten van vlees niet alleen de ziekten van het dier op ons kan overdragen, maar tevens ertoe bijdraagt de hartstochten aan te wakkeren en het fysieke omhulsel, het lichaam, grover dan ooit te maken; (b) dat het verkeerd is dieren te doden om als voedsel te dienen, want we hebben niet het recht hun het leven te ontnemen, omdat we hun dat niet hebben geschonken; (c) dat we door van plantaardig voedsel te leven het fysieke lichaam meer doordringbaar maken voor hogere invloeden. Hun redeneringen kunnen misschien nog verder worden doorgevoerd, maar hun argumentatie komt in het algemeen op het bovenstaande neer.

Het zal uiteindelijk veel verschil maken of men spreekt over iemand die tot de westerse volkeren behoort of over iemand die, zoals de hindoe, tot een volk behoort dat eeuwenlang geen dierlijk voedsel heeft gebruikt. Door veel fysiologen wordt aangenomen dat de maag een orgaan is dat alleen voor het verteren van dierlijk voedsel geschikt is, en dat bij een vegetariër de pylorische klep bij de uitgang van de maag door gebrek aan werking zo verlamd is dat het voedsel onmiddellijk doorgaat naar de ingewanden. Daaruit volgt dat de westerse mens zich misschien aan het gevaar van een noodlottige ontwrichting van zijn gestel blootstelt wanneer hij ophoudt vlees te eten en vegetariër wordt. In veel gevallen bleek dit een reëel gevaar te zijn. Vóór me liggen verklaringen van verschillende theosofen die zeggen dat het voor hen onmogelijk was de verandering door te zetten; anderen hebben het echter probleemloos kunnen doen. De moeilijkheid ontstond niet door zwakte als gevolg van een tekort aan vlees, maar door een gebrekkige spijsvertering die ziekte veroorzaakte. Dit is een gevolg van het zo lang in de maag achterblijven van plantaardige stoffen dat gisting en andere processen de stofwisseling beïnvloeden, wat tot tuberculose, zenuwziekten en veelvuldige andere stoornissen kan leiden. Het is algemeen bekend dat een mens die aan melancholie tengevolge van bloedarmoede lijdt, niet kan verwachten een hoge ontwikkelingsgraad in het occultisme te bereiken.

Verder zien we dat er in India en ook in veel andere streken machtige zwarte magiërs zijn die zich geen vlees ontzeggen, maar het zoveel eten als ze willen, en hetzelfde geldt voor sterke drank. Hieruit kunnen we concluderen dat macht over de natuurkrachten niet alleen binnen het bereik van vegetariërs ligt. We hoeven er niet bij stil te staan om het lot van zulke magiërs te bespreken, omdat daarover al vaak is uitgeweid.

Hoewel de hindoe altijd een vegetariër is geweest, is het een feit dat het verkrijgen van kennis over de absolute waarheid voor hem even moeilijk is als voor de westerling die vlees eet. De voorschriften in de boeken van de hindoes over de ontwikkeling van de geest of de ziel zijn bijzonder moeilijk na te leven. Het eten van vlees wordt niet speciaal genoemd, maar het één-worden met het allerhoogste – de enige manier waarop kennis over de absolute waarheid kan worden verkregen – gaat gepaard met zodanige moeilijkheden dat het eten van vlees daarmee vergeleken in het niet verzinkt; maar we moeten wel bedenken dat in India wordt aangenomen dat de aspirant geen vlees eet. De reden voor het verbod is echter dat een mens niet het recht heeft dieren te doden om als voedsel te dienen of om welke andere reden ook. Hij moet zich daarvan onthouden, niet omdat het een verboden handeling is, maar omdat zijn hele natuur, door de grote liefde en het medelijden die hij voelt, vanzelfsprekend voor zo’n daad terugdeinst. Indien dit voorschrift juist is – en dat denk ik – dan is het duidelijk dat iemand die het eten van vlees nalaat om daardoor een bepaalde ontwikkelingsgraad te bereiken, zijn doel voorbijschiet en dat hij die gedragslijn uit egoïstische overwegingen heeft gekozen. Het is een oud en waar gezegde dat het koninkrijk van God niet wordt bereikt door het eten of zich onthouden van vlees, noch door het zich onthouden van iets anders wat dan ook, maar dat het binnenin ons is. Op een andere plaats wordt gezegd dat het koninkrijk van de hemel door geweld wordt bereikt; d.w.z. het vereist alle kennis en grote goedheid om ten slotte die eenheid met de geest te bereiken die het koninkrijk van de hemel is. En het bereiken daarvan is niet mogelijk voor wie slechts verlangt naar sentimentele religie of voor wie werkt om voor zichzelf de zegenrijke gevolgen daarvan te oogsten. Eerstgenoemden worden, hoewel ze bijzonder goed zijn, belemmerd door gebrek aan kennis en de anderen door het egoïstische motief dat aan hun gedrag ten grondslag ligt. In ‘The great journey’ – uit het Sanskriet vertaald door Arnold1 – staat een mooie toelichting op de geest en het motief die ons zouden moeten drijven. Na onderweg zijn vrienden te hebben verloren bereikte Yudhishthira de hemel en kwam bij de poort vergezeld door zijn hond die in hem zijn enige vriend zag; en toen hem de toegang werd geweigerd omdat de hond bij hem was, wilde hij er niet binnengaan. Hij werd toch binnengelaten en de hond maakte zich bekend als een van de goden. Daarop ontdekte de koning dat zijn vrienden daar niet aanwezig waren en men deelde hem mee dat ze in de hel waren. Hij vroeg daarheen te mogen gaan, en werd erheen gestuurd. Hij vond het een vreselijk oord en stond op het punt terug te gaan, toen de meelijwekkende stemmen van zijn vrienden hem terugriepen en zeiden dat hij hun door zijn aanwezigheid enige troost gaf, waarop hij zei dat hij dan voor hen in de hel zou blijven. Dit werd aan de goden bericht, en ze gingen als één man naar de hel en redden ter wille van hem alle bewoners van dit oord. De zelfzuchtigheid of onzelfzuchtigheid van het motief zal de uitkomst bepalen.

1Een gedeelte uit zijn Indian Idylls (Boston, 1884), dat vertalingen bevat uit het Mahabharata.

In het belangrijke Indiase werk van Patañjali over yogafilosofie staat niets over het eten van vlees. De leerling wordt in het begin niet met het voorschrift ontvangen: ‘Je moet je van vlees eten onthouden.’ Dit is niet omdat alle mensen in de tijd waarin het werd geschreven vegetariërs waren, want zelfs toen werd aan bepaalde categorieën van mensen toestemming gegeven om vlees te eten. Het was een krijger toegestaan vlees te eten, en uit de kaste van de krijgers kwamen velen voort die de grote hoogten van het adeptschap bereikten. Als we zeggen dat het eten van vlees op zichzelf iemand zal beletten om spirituele vorderingen te maken, dan is dat te vergelijken met de bewering dat iemand niet kan opklimmen tenzij hij tot de onbevlekte brahmanenkaste behoort. Dit werd soms door sommige brahmanen gezegd, maar het wordt gemakkelijk weerlegd door het feit dat de grote Krishna in de herderskaste werd geboren.

Wat is dus het beste theosofische dieet? Het is dat wat u het beste bekomt, waarbij u matigheid betracht, en noch te weinig noch te veel eet. Indien uw gestel en geaardheid vegetarisme toelaten, dan zal dat uw hartstochten minder vurig maken; en indien vegetarisme wordt nagestreefd uit een oprechte overtuiging dat het niet van ware broederschap getuigt om levende wezens die zo hoog zijn ontwikkeld als dieren, te doden, des te beter. Indien u zich echter van vlees onthoudt om uw paranormale vermogens en zintuigen te ontwikkelen, terwijl u dezelfde soort gedachten blijft koesteren die u altijd al heeft gehad en u het hoogste altruïsme noch ontwikkelt noch toepast, dan is vegetarisme nutteloos.

Onze innerlijke natuur wordt gevoed door onze gedachten en motieven. Indien deze minderwaardig of grof of egoïstisch zijn, staat dit gelijk met de innerlijke natuur grof voedsel te geven. Werkelijk theosofische voeding bestaat daarom niet uit vlees of wijn; ze bestaat uit onbaatzuchtige gedachten en handelingen, onvermoeide toewijding aan het welzijn van ‘de grote wees, de mensheid’, volstrekte zelfverloochening, een onuitsprekelijk streven naar het goddelijke – de allerhoogste ziel. Alleen deze voeding bevordert de groei. En vergeefs is de hoop van hen die op enige andere leer vertrouwen.

Rodriguez Undiano

 


Theosofische inzichten, blz. 71-4

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag