Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Universele toepassingen van leringen

[The Path, oktober 1889, blz. 219-25]

Hoewel er de laatste jaren op het gebied van de theosofie veel is geschreven, kan men constateren dat een ruime en universele toepassing van de bekendgemaakte leringen ontbreekt. Met uitzondering van H.P. Blavatsky hebben schrijvers zich beperkt tot bekrompen opvattingen, hoofdzakelijk over de bewustzijnstoestand van de mens na de dood of welke invloed karma op zijn leven heeft. Wat laatstgenoemde wet betreft, er is veel aandacht besteed aan de vraag hoe karma onze vreugde of ons lijden verandert, en of er in devachan compensatie zal zijn voor tekortkomingen van karma, terwijl anderen over reïncarnatie schrijven alsof alleen de mens daaraan onderworpen is. En dezelfde bekrompen zienswijze wordt bij het behandelen of in praktijk brengen van veel andere theorieën en leringen van de wijsheid-religie toegepast. Na 14 jaar wordt het nu tijd dat de leden van onze Society elke aanvaarde lering of voorschrift universeel gaan toepassen en zich niet langer beperken tot hun eigen egoïstische zelf.

Om mijn bedoeling duidelijk te maken ben ik van plan in dit artikel te schetsen hoe van enkele van onze leringen een universele toepassing kan worden gegeven.

Vóór ik daaraan begin, wil ik bij hen die vertrouwen hebben in de Upanishads onder de aandacht brengen dat deze heilige boeken voortdurend de nadruk leggen op het identiek-zijn van de mens en Brahma, of God, of natuur, en op de universele toepassing van alle leringen of wetten.

In de Brihadaranyaka Upanishad staat:

Noem mij het Brahman dat zichtbaar is, niet onzichtbaar, de atman die in alles is.

Dit is uw zelf, dat in alles is. . . . Hij die ademt in de levensadem [prana], hij is uw zelf en in alles. Hij die neerwaarts ademt in de neerwaartse adem [apana], hij is uw zelf en in alles. Hij die overal doordringt in de doordringende adem [vyana], hij is uw zelf en in alles. Hij die opwaarts ademt in de opwaartse adem [udana], hij is uw zelf en in alles. Dit is uw zelf dat in alles is.1

13de adhyaya, 4de brahmana, 1.

De 6de brahmana laat zien dat alle werelden met elkaar zijn verweven; en in de 7de verklaart de leraar dat wat in alle dingen ‘trekt’ of beweegt, hetzelfde zelf is dat zich in ieder mens bevindt.

De vraagstellers gaan dan verder en krijgen als antwoord: ‘wat boven de hemelen, onder de aarde is, wat hemel en aarde, verleden, heden en toekomst omvat, dat is zoals schering en inslag geweven in de ether’, en de ether is ‘zoals schering en inslag geweven in het onvergankelijke’. Als dit zo is, dan moet elke wet die op de mens van toepassing is, ook elk gedeelte van het heelal waarin hij leeft beheersen.

En deze vastberaden Ouden pasten hun leringen op elk gebied toe. Ze maakten gebruik van de wetten van analogie en overeenstemming om diepzinnige vraagstukken op te lossen. Waarom zouden we bij hen achterblijven? Indien het gehele grote zelf in de mens verblijft, moet het lichaam in al zijn onderdelen de grote wereld om ons heen symboliseren. Zo ontdekken we dat ruimte, die als haar karakteristieke eigenschap geluid heeft, in het menselijk gestel wordt weergegeven door het oor, zoals vuur wordt weergegeven door het oog, en het oog laat op zijn beurt de ziel zien, want alleen de ziel overwint de dood, en wat in de Upanishads de dood overwint is het vuur.

We kunnen op deze manier constant doorgaan met het verkrijgen van kennis over de natuurwetten, niet alleen die welke moeilijk zijn te doorgronden, maar ook die welke gemakkelijker worden begrepen. Als we aannemen dat het menselijk lichaam en zijn organen in het klein een beeld zijn van het heelal, dan kunnen we de vraag stellen: ‘Waardoor wordt het astrale licht gesymboliseerd?’ Door het oog en vooral door het netvlies en de manier waarop het werkt. In het astrale licht worden de beelden van alle gebeurtenissen en dingen ontvangen, en op het netvlies worden de beelden ontvangen van voorwerpen die zich aan de mens voordoen. We ontdekken dat deze beelden op het netvlies een zekere en meetbare tijd blijven bestaan, en bepaalde veranderingen ondergaan vóór ze volledig vervagen. Laten we de uitkomst van deze waarneming tot het astrale licht uitbreiden, dan kunnen we aannemen dat het, wat de beelden betreft, soortgelijke veranderingen ondergaat. Dus alle beelden die tijdens een cyclus op dit grote netvlies worden afgedrukt, zullen na een zekere tijd zijn verdwenen. Dit is dus de wet zoals die is bekendgemaakt door hen die de geheime leer kennen. Om tot de getallen te komen om de lengte van deze periode te bepalen, moeten we de volgende verhouding berekenen: de tijd die het duurt tot de beelden op het menselijke netvlies zijn vervaagd staat tot de lengte van het leven dat een gezond mens toekomt; de tijd van het vervagen uit het astrale licht wordt berekend op basis van diezelfde verhouding. De ontbrekende term kan worden bepaald met behulp van de leer van de vier yuga’s en de duur van één leven van Brahma.

Deze theosofische leringen waarvoor we in al die jaren dat de TS bestaat veel moeite hebben gedaan om ze uiteen te zetten, kunnen óf universeel worden toegepast óf niet. Als dat niet het geval is dan zijn ze nauwelijks de moeite die we ons hebben gegeven waard, en het zou dan voor ons veel beter zijn geweest als we ons aan een of ander gebied van de wetenschap hadden gewijd.

Maar voor degenen die theosofie bestuderen is het aantrekkelijke ervan dat haar leringen universeel zijn, een oplossing bieden voor alle problemen en van toepassing zijn op alle gebieden van de natuur voor zover we die kennen. Gevorderde onderzoekers verklaren dat dezelfde universele toepasbaarheid geldt voor gebieden die ver buiten het bereik van de huidige wetenschap liggen of het begripsvermogen van de gemiddelde mens te boven gaan. Indien een veronderstelde wet of de toepassing ervan wordt geformuleerd, hetzij door onszelf of door iemand anders, dan kunnen we de juistheid ervan dus onmiddellijk bewijzen of verwerpen; want als deze niet door analogie op elk terrein kan worden toegepast, of een van de aspecten van een al eerder erkende leer blijkt te zijn, dan weten we dat het een onjuiste leer is of dat ze onnauwkeurig is geformuleerd. Zo kunnen al onze leringen worden bewezen en bij elke stap worden gecontroleerd. Het is voor ons niet nodig om voortdurend in contact te staan met de adepten om zeker te zijn van onze zaak; het enige wat we moeten doen is nagaan of een stelling die we poneren in overeenstemming is met welbekende beginselen die al zijn geformuleerd en worden begrepen.

Als we dit in gedachten houden, kunnen we de verheven denkbeelden waarin zo velen van ons geloven, vol vertrouwen verder onderzoeken, om te zien hoe ze op elk gebied kunnen worden toegepast. We moeten deze wetten niet op egoïstische wijze beschouwen door te kijken naar de gevolgen die ze hebben op ons onbeduidende ‘ik’, maar ons afvragen hoe ze overal van toepassing zijn. Dit verschaft een middel om onze horizon te verruimen en egoïsme uit te schakelen. Als we bovendien de leringen toepassen op al onze handelingen en op alle delen van de mens, beginnen we ons misschien bewust te worden van onze werkelijke taak.

Laten we karma nader beschouwen. Het moet niet alleen op de mens worden toegepast, maar ook op de kosmos, op de aardbol waarop hij leeft. Bij gebrek aan een Nederlands woord wordt de periode van één grote dag van evolutie een manvantara genoemd, of de periode van de heerschappij van één manu. Deze volgen elkaar onophoudelijk op. Met andere woorden, ieder van ons is een eenheid, of een cel, in het grote lichaam of wezen van Manu. Evenals wij karma maken en reïncarneren om karma af te werken, sterft ook het grote wezen Manu aan het eind van een manvantara en reïncarneert opnieuw na een rustperiode; hij is het eindresultaat van al wat wij van hem of het hebben gemaakt. En wanneer ik zeg ‘wij’, bedoel ik alle wezens op welk gebied of welke planeet ook die tot dit manvantara behoren. Daarom is dit manvantara precies datgene wat het vorige manvantara ervan heeft gemaakt. Het volgende manvantara zal evenzo, over miljoenen jaren, de som of het eindresultaat zijn van dit manvantara, en ook van alle die eraan zijn voorafgegaan.

Hoeveel heeft u nagedacht over de invloed van karma op de dieren, de planten, de mineralen, de elementalen? Bent u zo egoïstisch ge-weest te veronderstellen dat ze niet door u worden beïnvloed? Is het waar dat op de mens geen verantwoordelijkheid rust voor het bestaan van de grote aantallen wilde en schadelijke dieren, de levensgevaarlijke slangen en schorpioenen, de verscheurende leeuwen en tijgers die van sommige plaatsen op aarde een verschrikkelijke woestenij maken en de mensen in India en elders terroriseren? Dit kan niet waar zijn. Maar zoals de apostel van de christenen zei, het is waar dat de hele schepping wacht op de mens, en zucht omdat hij de verlichting van allen tegenhoudt. Wat gebeurt er wanneer u het leven van een gewone kever met opzet vernietigt? Hij is vermorzeld en u vergeet het. Maar hoe kort zijn leven ook zou zijn geweest, u heeft er voortijdig een einde aan gemaakt. Stel u voor dat dit op honderdduizenden plaatsen in het land wordt gedaan. Elk van deze schepseltjes leefde, en bezat wilskracht en een bepaalde mate van intelligentie. Het totale effect van het sterven van al deze kleine wezens moet aanzienlijk zijn. Zo niet, dan zijn onze leringen fout, en is het ook niet verkeerd om een mens van het leven te beroven.

Laten we eens kijken naar een hogere klasse van het dierenrijk, bijvoorbeeld de vogels en de viervoeters. Elke dag worden er in Engeland in het jachtseizoen als vermaak grote aantallen vogels gedood en op andere plaatsen zulke intelligente en onschuldige dieren als herten. Deze dieren bezitten een hogere intelligentie dan insecten, een grotere verscheidenheid van gevoelens. Zou al dit doden geen karmische gevolgen opleveren? En wat is het verschil tussen het opzettelijk doden van een hert en het vermoorden van een verstandelijk zwaar gehandicapte? Heel klein, volgens mij. Hoe komt het dan dat zelfs fijngevoelige dames genieten van het verhaal van een jacht op vogels of op herten? Het is hun karma dat ze de nakomelingen zijn van vele generaties Europeanen die eeuwen geleden, geholpen door de kerk, tot de conclusie kwamen dat dieren geen ziel hebben en daarom moedwillig kunnen worden afgemaakt. De koningin van Engeland noemt zichzelf de verdedigster van het geloof (van Jezus); hetzelfde karma maakt het haar kleinzoon mogelijk grote voorbereidingen te laten treffen voor zijn aangekondigde bezoek aan India om enkele weken te gaan genieten van de jacht op tijgers, wilde zwijnen en van de vernietiging van elke vogel die misschien zijn weg kruist.

We zijn daarom onderworpen aan ons nationale karma, zodat we bijna niet kunnen zeggen welke gedachten van onze voorvaderen zijn overgenomen en welke in ons eigen denken zijn opgekomen.

Laten we onze aandacht nu richten op reïncarnatie, devachan en karma.

Het is de gewoonte van theosofen over deze onderwerpen alleen te denken met betrekking tot de hele mens, dat wil zeggen, het ego.

Maar zijn ze niet elk uur en elke dag van toepassing? Als we geloven in de leer van het ene Leven, dan moet elke cel in deze stoffelijke lichamen door dezelfde wetten worden bestuurd. Elke cel moet een leventje zijn, met zijn eigen karma, devachan en reïncarnatie. Bij het incarneren te midden van de andere cellen in ons gestel, moet elk van deze cellen worden beïnvloed door de aard van de andere cellen; en wij scheppen die aard. Elke gedachte sterft als het einde van haar levensduur is bereikt. Al snel wordt ze herboren, en als ze terugkomt uit devachan treft ze slechte of goede metgezellen aan. Daarom is elk uur in het leven vol gevaar of hulp. Hoe kunnen enkele uren per week gewijd aan theosofische gedachten en daden – zelfs in de grofstoffelijke cellen – het gevolg opheffen van bijna een hele week doorgebracht in onverschilligheid, oppervlakkigheid of egoïsme? Deze grote hoeveelheid armzalige of slechte gedachten zal een onweerstaanbare vloedgolf teweegbrengen die bij de eerste de beste gelegenheid al uw goede voornemens zal wegvagen.

Dit verklaart waarom degenen die toegewijd studeren vaak tekortschieten. Ze hebben gewacht op een bepaald uur of dag om hun kracht te beproeven, maar toen het moment aanbrak, beschikten ze niet over die kracht. Nadat ze hadden besloten om bijvoorbeeld boosheid te overwinnen, hebben ze deze niet geprobeerd te overwinnen toen zich daarvoor de gelegenheid voordeed, maar zijn ze weggerend om aan de beproeving te ontsnappen; of ze hebben niet het hoofd geboden aan de kleine beproevingen van elk uur die, als ze met succes werden doorstaan, hun meer reserve aan kracht zouden hebben gegeven zodat ze in tijden van grotere beproevingen niet zouden zijn bezweken.

Wat de theorie van de evolutie van de macrokosmos toegepast op de microkosmos, de mens, betreft: Volgens de hermetische filosofie is de mens een kopie van het grotere heelal; hij is op zichzelf een klein heelal, dat door dezelfde wetten wordt beheerst als het grote, en in de kleine verhouding van een mens ziet men de werking van al die grotere wetten, maar voor kortere tijd en met geringere omvang. Dit is de regel waaraan H.P. Blavatsky zich houdt, en die als een rode draad door alle oude mysteriën en inwijdingen loopt.

Er wordt gezegd dat ons heelal een verzameling atomen of moleculen is, die ook leventjes worden genoemd; ze leven samen, en door elk ervan worstelt de geest om tot bewustzijn te komen. Deze strijd wordt beheerst door een wet die de geest dwingt om in of tussen perioden van belichaming dóór te gaan. In elke periode van zo’n worsteling worden sommige van deze atomen of verzamelingen moleculen als het ware achtergelaten, om de strijd in de volgende periode weer op te nemen, en daarom moet de toestand van het heelal op elk moment van manifestatie – of de toestand van elk opnieuw gemanifesteerde heelal – het resultaat zijn van wat er in de voorafgaande periode is gebeurd.

Als we de mens nader bekijken, zien we dat hij een verzameling moleculen of leventjes of cellen is, die elk met elkaar strijden, en die alle, ten goede of ten kwade, worden beïnvloed door de spirituele aspiraties, of het gebrek eraan, in de mens die de gids of god van zijn kleine heelal is. Wanneer hij wordt geboren, staan de moleculen of cellen of leventjes die zijn fysieke en astrale vormen zullen samenstellen vanaf dat moment onder zijn leiding. Tijdens de periode van zijn korte leven doorlopen ze een klein manvantara, precies zoals de leventjes in het heelal. Wanneer hij sterft, laat hij hen alle achter met het stempel van de kracht en de kleur van zijn gedachten en verlangens, klaar om gebruikt te worden bij het samenstellen van de omhulsels van andere ego’s.

Hieruit blijkt dat we een grote verantwoordelijkheid hebben die tweeledig van aard is.

De eerste betreft de gevolgen, veroorzaakt en achtergelaten in wat we de stof van de moleculen noemen, wanneer ze door andere ego’s zullen worden gebruikt, want ze zullen op deze inwerken, ten goede of ten kwade.

De tweede betreft het gevolg op de moleculen zelf omdat er in alles leventjes of entiteiten zijn – of beter gezegd ze zijn allemaal leventjes – die in hun evolutie óf verder geholpen óf vertraagd worden door het juiste of onjuiste gebruik dat de mens heeft gemaakt van de stof waarvoor hij de verantwoordelijkheid heeft gekregen.

Zonder eerst in discussie te gaan over wat stof is, zal het voldoende zijn te zeggen dat stof even eeuwig is als wat ‘geest’ wordt genoemd. In de Bhagavad Gita staat: ‘Hij die geest is, is ook stof.’ Of, met andere woorden, in het absolute is geest de tegenovergestelde pool van stof. Maar de stof waarover we spreken is natuurlijk niet de stof die we om ons heen zien, want deze is in feite niet meer dan een verschijnsel van de stof: zelfs de wetenschap beweert dat we de stof niet werkelijk zien.

Gedurende een manvantara of periode van manifestatie moeten de incarnerende ego’s in elke wereld waarin ze incarneren de stof die daar thuishoort telkens opnieuw gebruiken.

Daarom gebruiken we in onze huidige incarnatie stof die wijzelf en andere ego’s steeds weer hebben gebruikt, en we worden beïnvloed door de verschillende neigingen die erop zijn afgedrukt. En evenzo laten we voor de toekomstige rassen achter wat voor hen een hulpmiddel of een belemmering zal zijn in hun toekomstige levens.

Dit is een zaak van groot belang, of reïncarnatie nu een ware lering is of niet. Want als elk nieuw volk alleen maar een groot aantal nieuwe ego’s of zielen is, dan moet het sterk worden beïnvloed door de stoffelijke omgeving die is achtergelaten door volkeren en rassen die voor altijd zijn verdwenen.

Maar voor ons die in reïncarnatie geloven is het van grotere betekenis, want het geeft ons een goede reden waarom we in universele broederschap moeten geloven en die moeten toepassen.

Het andere aspect van verantwoordelijkheid is even belangrijk. De leer die de dood uit het heelal verbant, en verklaart dat alles bestaat uit ontelbare leventjes die voortdurend met elkaar van plaats wisselen, omvat noodzakelijkerwijs de theorie dat de mens zelf vol is met deze leventjes die alle de lange evolutieweg bewandelen.

De geheime leer verklaart dat in ons vele rijken van entiteiten bestaan die voor hun verlossing van ons afhankelijk zijn.

Hoe geweldig groot is dan deze verantwoordelijkheid dat we niet alleen beoordeeld worden voor wat we met onszelf als een geheel doen, maar ook voor wat we doen voor die onzichtbare wezens die, om het licht te bereiken, van ons afhankelijk zijn.

WQJ

 


Theosofische inzichten, blz. 86-93

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag