Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Onze zon en de ware zon

[The Path, februari 1890, blz. 332-3]

Als we bedenken hoe weinig er over de zon van dit stelsel bekend is, hoeft men zich niet erover te verbazen dat dit nog meer geldt voor de ware zon. De wetenschap lacht natuurlijk over de ‘ware zon’ van de mysticus, want ze ziet geen andere zon dan die welke aan de hemel schijnt. Ze beweren tenminste dat ze dit weten, omdat de zon elke dag op- en ondergaat en tot op zekere hoogte kan worden waargenomen tijdens zonsverduisteringen of wanneer er zich vlekken op vertonen, en met hun gebruikelijke verwaandheid verklaren 19de eeuwse astronomen heel geleerd alles wat ze niet weten over deze machtige bol, en verwijzen de oude denkbeelden over dit onderwerp naar de limbus van bijgelovige onzin. Om kennis op te doen over dit onderwerp zou ik me niet tot de moderne scholen wenden, omdat ze volgens mij, hoe aanmatigend dat misschien ook klinkt, over zowel de maan als de zon in feite maar weinig weten.

Er bestaat nog altijd meningsverschil over de vraag of de zon warmte uitstraalt.1 Enerzijds wordt beweerd dat hij dat doet; anderzijds dat de warmte wordt voortgebracht door een combinatie van de krachten van de zon en de elementen op en rondom deze aarde. Mystici denken dat dit laatste juist is. De hedendaagse astronomen verschillen ook van mening over de afstand tussen ons en de zon, waarbij van een arme mysticus wordt verwacht dat hij dit zelf maar uitzoekt. Zelfs over de vlekken op onze grote lichtgever bestaan tegenwoordig alleen maar gissingen. Als hypothese – en niets meer dan dat – wordt aangenomen dat er een verband zou kunnen bestaan tussen deze vlekken en elektrische verstoringen hier. Enkele jaren geleden ontdekte Nasmyth2 voorwerpen (of veranderingen) in de fotosfeer die bestonden uit wat hij ‘wilgenblaadjes’ noemde, die 1000 mijl lang en 300 mijl breed waren, en die voortdurend bewogen en in groepen schenen voor te komen. Maar, wat zijn dit? Niemand weet het. De wetenschap kan ons hierover niet veel meer vertellen dan iedere gewone sterveling met een scherp waarnemingsvermogen die een goede telescoop gebruikt. En er heerst eenzelfde stilzwijgen over de vraag of er enig verband is tussen deze ‘wilgenblaadjes’ en de vlekken of dat ze zelf met de verstoringen op aarde iets te maken hebben. Samenvattend kunnen we zeggen dat onze wetenschappers over de zichtbare zon maar weinig weten. Enkele dingen zullen ze op een gegeven moment wel te weten komen, zoals nog andere gevolgen van zonnevlekken dan alleen maar elektrische verstoringen, de ware betekenis van zonnevlekken, de betekenis van de eigenaardige kleur van de zon die soms wordt waargenomen, zoals die welke enkele jaren geleden – bij gebrek aan een betere verklaring om onwetendheid te verdoezelen – aan ‘kosmisch stof’ werd toegeschreven, en enkele andere interessante zaken.

1Grote wetenschappers zoals Newton, Secchi, Pouillet, Spörer, Rosetti en anderen verschillen wat betreft hun schatting van de temperatuur van de zon, zoals blijkt uit de door hen opgegeven waarden, want Pouillet geeft 1461° en Waterston 9.000.000° – een verschil van 8.998.539°! (Vgl. De geheime leer 1:531vn.)
2R. Hunt, FRS, ‘The source of heat in the sun’, The Popular Science Review, januari 1865, blz. 148. (Vgl. De geheime leer 1:584.)

Maar wij zeggen dat deze zon die ze hebben bestudeerd niet de ware zon is, zelfs helemaal geen zon, maar slechts een verschijning, louter een weerspiegeling voor ons van een deel van de ware zon. En we krijgen hiervoor zelfs van de huidige astronomen enige steun, want ze beginnen te erkennen dat ons hele zonnestelsel beweegt rond een of ander verafgelegen niet nader bepaald centrum dat zo krachtig is dat het onze zonnebol aantrekt en zo het hele zonnestelsel meesleept. Maar ze weten niet of dit onbekende centrum een zon is. Ze vermoeden van wel, maar willen alleen bevestigen dat het voor ons een centrum van aantrekking is. Nu kan het eenvoudig een groter lichaam zijn, of een krachtiger energiecentrum dan de zon, en het is heel goed mogelijk dat het op zijn beurt zelf draait rond een nog verder afgelegen en nog krachtiger centrum. Op dit punt gaat het de moderne telescoop en rekenmethoden al snel te boven, omdat ze in het sterrengebied heel snel een grens naderen waar er, omdat alles ogenschijnlijk stationair is, door de onmetelijke afstanden geen middelen zijn om tot een conclusie te komen. Al deze verafgelegen bollen kunnen in beweging zijn, en dus kan niet worden uitgemaakt waar het ware centrum is. Een astronoom zal toegeven dat zelfs de sterrenbeelden van de dierenriem die de afgelopen eeuwen onbeweeglijk waren, in feite in beweging kunnen zijn, maar alles op zulke onmetelijke en ontzagwekkende afstanden dat ze voor ons niet schijnen te bewegen.

Mijn doel is echter uw aandacht te vestigen op de leer dat er een ware zon is waarvan de zichtbare een weerspiegeling is, en dat deze ware zon spirituele kracht en hulp kan geven, zoals onze eigen geliefde lichtgever de bron van ons fysieke leven en beweging is. Het heeft geen zin nu te speculeren over de vraag welke van de vele sterren aan de hemel de ware zon zou kunnen zijn, want ik denk dat het géén van deze is, omdat, zoals ik eerder al zei, een fysiek centrum van aantrekking voor dit stelsel slechts een graad hoger dan het onze kan zijn en de dienaar van een nog verder afgelegen centrum. Ieder moet werken op het punt waar hij staat, en het ligt niet in onze macht een schakel van de keten die naar het hoogste voert, over te slaan. Onze eigen zon is dus voor ons het symbool van de ware zon die hij weerspiegelt, en door te mediteren over ‘het voortreffelijke licht van de ware zon’ kunnen we hulp ontvangen bij onze inspanningen om de mensheid bij te staan. Onze fysieke zon is een voorwerp van studie voor de fysica, niet voor metafysica, terwijl die ware zon innerlijk op ons neerschijnt. De bol die we overdag zien beschermt en onderhoudt het dierlijke gestel; de ware zon schijnt in ons door middel van zijn voertuig in onze innerlijke natuur. We moeten ons denken dus richten op die ware zon en ons innerlijk voorbereiden op de invloed ervan, zoals we de grond buiten gereedmaken voor de levengevende stralen van de heerser van de dag.

Marttanda

 


Theosofische inzichten, blz. 107-9

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag