Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De allegorische parasol

[The Path, februari 1890, blz. 347-8]

In boeddhistische verhalen staan veel verwijzingen naar parasollen. Toen Boeddha volgens het verhaal aan zijn leerlingen het vermogen verleende om wat ze ‘boeddhavelden’ noemden te kunnen zien, zagen ze tienduizenden boeddha’s onder bomen en met juwelen versierde parasollen zitten. In de boeken en op de monumenten van de hindoes staan volop verwijzingen naar en voorstellingen van parasollen die boven personen worden gehouden. In een heel eigenaardig en bijzonder oud stenen reliëf op de zeven pagoden in India, dat de strijd uitbeeldt tussen Durga en de demonen, wordt een parasol boven de hoofden van de aanvoerders gehouden. Het is niet onze bedoeling dit gewone en nuttige voorwerp een hoge plaats in het occultisme te geven, maar we willen in dit verband een denkbeeld naar voren brengen dat voor de serieuze student waardevol kan zijn.

In de Upanishads lezen we de aanroeping: ‘Pushan [de zon], onthul dat aangezicht van de ware zon dat nu door een gouden sluier verborgen is’ (Isa, 15). Dit verwijst naar de opvatting van alle ware occultisten, van de oudste tijden tot nu toe, dat er een ‘ware zon’ is en dat de zon die we zien, secundair is; of duidelijker gezegd, dat er in de zon een invloed of macht is die, wanneer de mysticus deze heeft verworven, voor weldadige doeleinden kan worden gebruikt en die, indien niet beschermd, verborgen of verduisterd door een sluier, voor anderen die erin zouden slagen haar tevoorschijn te roepen vernietigend werkt. Dit was welbekend in het oude Chaldea en ook bij de oude Chinese astronomen; laatstgenoemden beschikten over instrumenten die ze gebruikten om bepaalde stralen van het zonlicht te concentreren die nog onbekend zijn aan de moderne wetenschap en nu door de Chinese filosofen zijn vergeten. Tot zover wat betreft de zichtbare zon, waarvan de waarschijnlijke dood wordt berekend door sommige ambitieuze wetenschappers die zich bezighouden met absurde redeneringen.

Maar er bestaat zoiets als het ware centrum waarvan de zon aan de hemel een symbool en een gedeeltelijke weerspiegeling is. Laten we dit centrum voorlopig plaatsen bij de dhyani-chohans of planeetgeesten. Het is alwetend en zo enorm krachtig dat, indien een zwoegende leerling onvoorbereid plotseling in tegenwoordigheid van dit centrum zou worden gebracht, hij onmiddellijk zou worden vernietigd, zowel zijn lichaam als zijn ziel. En dit is het doel waarnaar wij allemaal streven, en dat velen van ons al aan het begin van onze ontwikkelingsweg willen zien! Maar voor onze bescherming is er een sluier of parasol onder het geplaatst. De baleinen zijn de rishi’s of adepten, of mahatma’s – de oudere broeders van de mensheid. Het handvat bevindt zich in de hand van ieder mens. En hoewel ieder mens in verbinding staat of zal staan met een bepaalde adept, kan hij ook via het handvat de invloed van het ware centrum ontvangen.

Het licht, het leven, de kennis en de kracht die op dit scherm vallen, doordringen in ontelbare stromen de hele mensenmenigte eronder, of ze studenten zijn of niet. Naarmate de discipel omhoog streeft, begint hij zich af te scheiden van de grote mensenmenigte en komt op een min of meer duidelijke manier in verbinding te staan met de baleinen. Zoals het water naar beneden stroomt langs de baleinpunten van onze paraplu’s, zo stromen er spirituele invloeden uit van de adepten die het geraamte vormen van het beschuttende scherm, zonder welke de arme mensheid door de verzengende gloed van de spirituele wereld zou worden vernietigd.

William Brehon

 


Theosofische inzichten, blz. 112-13

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag