Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Moeten we helderziendheid onderwijzen?
Een waarschuwing

[The Path, december 1890, blz. 282-4]

Mijn aandacht werd getrokken door de lezing gehouden in de Adyar-cursus door dr. Daly waarvan een verslag staat in The Theosophist van september. Ze is getiteld ‘Helderziendheid’.

Omdat ze in het kader van de Adyar-cursus werd gehouden heeft ze een zekere schijn van gezag die veel leden van de TS zal aanspreken en waardoor ze de suggesties voor praktische beoefening die in het laatste deel van de lezing worden gegeven misschien opvolgen. Maar het is anderzijds heel waar dat de TS niet verantwoordelijk is voor uitspraken die leden als privépersonen doen.

Dat helderziendheid een vermogen is dat veel mensen nastreven kan niet worden ontkend. Maar de vragen ‘Is het goed om te proberen helderziendheid te ontwikkelen?’ en ‘Moeten we het onderwijzen?’ zijn nooit afdoende beantwoord. Laat ik dus zeggen wat ik erover denk.

Allereerst wil ik verklaren hoe ik persoonlijk tegenover deze vragen sta, en wat volgens mij de feiten zijn. Ik gebruik de term ‘helderziendheid’ voor alle duidelijke waarnemingen op dat gebied.

1. Al vele jaren ben ik ervan overtuigd – op basis van bewijzen geleverd door anderen en uit persoonlijke ervaring – dat helderziendheid een kracht is die tot de innerlijke natuur van de mens behoort, en ook dat het dierenrijk haar bezit.

2. Men heeft dit vermogen geërfd of door oefening ontwikkeld.

3. Degenen die het bij de geboorte hebben meegekregen zijn in het algemeen fysiek niet gezond of zenuwziek. De gevallen waar helderziendheid voorkomt bij een volkomen gezond en evenwichtig mens zijn zeldzaam.

4. De verslagen van het spiritisme in Amerika van de afgelopen 40 jaar tonen afdoende aan dat helderziendheid niet zonder gevaar kan worden nagestreefd door iemand die geen bekwame gids heeft, dat het nastreven ervan schade heeft aangericht, en dat bijna elk medium aan wie men de vraag stelt: ‘Kan ik helderziendheid ontwikkelen?’ zal antwoorden: ‘Ja.’

5. Er zijn voor dit doel hier of in Europa geen bekwame gidsen te vinden die bereid zijn te onderwijzen hoe ze zonder gevaar kan worden verworven.

6. De kwaliteiten waarover zo’n gids zou moeten beschikken maken het vinden van zo iemand moeilijk zo niet onmogelijk. Hij moet naar binnen kunnen zien en de gehele innerlijke natuur van de student helder kunnen waarnemen. Hij moet volledige kennis bezitten van alle gebieden waarop helderziendheid invloed heeft, waaronder kennis van de bron, de betekenis en de uitwerking van alles wat door de helderziende wordt waargenomen, en ten slotte, maar niet minder belangrijk, het vermogen om de werking van de kracht naar wens te doen ophouden. Het is duidelijk dat alleen een adept aan deze vereisten kan voldoen.

Wie zijn deze mensen die helderziendheid onderwijzen, en zij die het beoefenen ervan aanraden? Eerstgenoemden zijn in hoofdzaak mediums, en iedere onderzoeker weet hoe weinig ze weten. Wat hun vermogens betreft verschillen ze allemaal van elkaar. De meesten van hen bezitten slechts één soort helderziendheid; alleen hier en daar zijn er enkelen die op zijn hoogst drie soorten van dit vermogen verenigen. Niet één van hen is in staat verstandelijk achter het waargenomen beeld of idee te zien, en kan in een gegeven geval niet zeggen of het beeld dat men ziet het voorwerp zelf is of het resultaat van de gedachte van een ander. Want op deze waarnemingsgebieden worden menselijke gedachten even objectief als fysieke voorwerpen dit zijn voor onze menselijke ogen. Het is waar dat een helderziende u kan zeggen dat wat op deze manier wordt waargenomen onzichtbaar is voor het fysieke oog, maar verder kan hij niet gaan. Hiervan heb ik honderden voorbeelden gezien. In 99 van de 100 gevallen zag de ziener de gedachte uit het brein van een ander ten onrechte aan voor een helderziende waarneming van een levend mens of een fysiek voorwerp.

De zieners over wie ik het heb zien altijd overeenkomstig hun innerlijke geneigdheid, die wordt beheerst door subtiele erfelijkheidswetten die aan wetenschappers geheel onbekend zijn, laat staan aan mediums en zieners. De een bereikt slechts het gebied van de symboliek, een ander dat wat bekendstaat als de positieve kant van het geluid, weer een ander de negatieve of positieve aspecten van de opperhuid en haar emanaties, en zo verder door laag na laag van helderziendheid en door octaaf na octaaf van trillingen. Ze weten allemaal slechts dat kleine beetje dat ze hebben ervaren, en voor ieder ander mens is het gevaarlijk om te proberen deze kracht te ontwikkelen. De filosofie van dit alles, de wetten volgens welke het beeld verschijnt en verdwijnt zijn terra incognita.

Het occulte zevenvoudige stelsel in de natuur met al zijn modificaties brengt vele gevolgen teweeg, en geen enkel persoon die alleen maar een helderziende is, kan de waarheid zien die aan het eenvoudigste voorbeeld van helderziende waarneming ten grondslag ligt. Als iemand van de ene stoel naar de andere verhuist, doen zich aan het helderziende oog onmiddellijk honderden mogelijkheden voor en alleen de goed geoefende en filosofische ziener – kortom, een adept – kan ze alle zo combineren dat hij tot echt helder waarnemen kan komen. In de zojuist beschreven eenvoudige handeling zijn bijna alle krachtcentra van de zich bewegende mens actief, en elk daarvan heeft zijn eigen bijzondere effect in het astrale licht. De beweging die plaatsvond en de gedachten die werden opgewekt brengen onmiddellijk hun eigen geluid, kleur, beweging in de ether, hoeveelheid etherisch licht, symbolische beelden, verstoring van elementale krachten, enz., voort. Als iemand slechts met zijn ogen knippert, ontstaan dezelfde gevolgen in de juiste volgorde. En de ziener kan slechts dat waarnemen wat is afgestemd op zijn eigen ontwikkeling en persoonlijke eigenaardigheden, die alle wat kracht en graad betreft, beperkt zijn.

Wat weten helderzienden van de wet van preventie of afscherming, die bij veel mensen altijd optreedt? Niets, helemaal niets. Hoe verklaren ze die gevallen waarbij ze met betrekking tot bepaalde onderwerpen helemaal niets kunnen zien, hoe goed ze ook hun best doen? Kunnen we niet, gezien de menselijke natuur en het inhalige karakter van veel scholen van helderziendheid, gerust aannemen dat als degenen die nu onderricht in helderziendheid aanbieden of er geld voor ontvangen over echte of betrouwbare helderziendheid zouden beschikken, ze al langgeleden fortuinen zouden hebben verdiend, banken zouden hebben geplunderd, verloren voorwerpen zouden hebben teruggevonden, en vrienden vaker hebben herenigd? We erkennen dat er op dit gebied zo nu en dan successen zijn geboekt, maar bewijst juist het feit dat dit uitzonderingen zijn niet dat ware helderziendheid niet wordt begrepen en niet snel zal worden begrepen?

Maar wat moeten theosofen doen? Stoppen met alle pogingen om helderziendheid te verwerven. En waarom? Omdat het hen langzaam maar zeker – en bijna onherroepelijk – naar een toestand van innerlijke en uiterlijke passiviteit leidt waar de wil geleidelijk wordt overmeesterd en ze ten slotte in de macht komen van de demonen die op de loer liggen bij de drempel van ons bewustzijn. Volg vooral niet het advies om ‘te gaan zitten om dit vermogen te ontwikkelen’. Die weg voert tot waanzin. De vederlichte aanrakingen die bij deze experimenten de huid beroeren, worden door mediums de zachte aanrakingen van de ‘geesten’ genoemd. Maar dat zijn ze niet. Ze worden veroorzaakt door etherische fluïden die zich van binnenuit een weg door de huid banen en zo de illusie van een aanraking teweegbrengen. Wanneer er genoeg is weggevloeid, wordt het slachtoffer geleidelijk negatief, de toekomstige prooi van spoken en waanvoorstellingen.

‘Maar wat’, zeggen ze, ‘moeten we dan wél nastreven en bestuderen?’ Bestudeer de filosofie van het leven, bewaar de onderscheidingstekens die de weg van spirituele ontwikkeling markeren voor toekomstige levens, en breng altruïsme in praktijk.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 137-40

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag