Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De synthese van de occulte wetenschap

[The Path, november 1891, blz. 242-5; februari 1892, blz. 350-3; maart 1892, blz. 379-82; mei 1892, blz. 44-6]

– 1 –

De onoverbrugbare kloof tussen geest en stof die door de moderne wetenschap is ontdekt, is een logisch gevolg van de huidige zogenaamd wetenschappelijke onderzoeksmethoden. Deze methoden zijn analytisch en hypothetisch, en de bereikte resultaten zijn noodzakelijkerwijs voorlopig en onvolledig. Zelfs de zogenaamde ‘synthetische filosofie’ van Spencer is hoogstens een poging om de hele werkwijze en het plan van de natuur te begrijpen op maar één van haar gebieden. Het doel is synthese, maar ze verdient nauwelijks de naam filosofie, want ze is zuiver speculatief en hypothetisch. Het is alsof een fysioloog de ademhaling van de mens zou willen bestuderen door alleen op de uitademing te letten, en voorbijgaat aan het feit dat elke uitademing moet worden gevolgd door een inademing wil het ademen niet helemaal ophouden.

Als we dus uitgaan van de op de natuurverschijnselen gebaseerde ervaringsfeiten, en zowel de kosmische als de organische processen alleen objectief beschouwen, dan zullen er voortdurend ‘ontbrekende schakels’, ‘onoverbrugbare kloven’ en ‘onvoorstelbare hiaten’ ontstaan. Dit geldt niet voor de occulte wetenschap. De wetenschap van het occultisme is zowel experimenteel als analytisch, maar ze erkent geen ‘ontbrekende schakels’, ‘onoverbrugbare kloven’ of ‘onvoorstelbare hiaten’, want die treft ze nergens aan. Aan de occulte wetenschap ligt een volledige en alomvattende filosofie ten grondslag. Deze filosofie is in haar methoden niet alleen maar synthetisch, want daarop kan zowel de eenvoudigste als de meest wilde hypothese aanspraak maken, maar ze is de synthese zelf. Ze beschouwt de natuur als één volledig geheel, en daarom kan de student van het occultisme vanuit elk standpunt redeneren. Vanuit het standpunt van de volledigheid en eenheid van de natuur kan hij het proces van splitsing en differentiatie volgen tot aan het kleinste atoom dat zich in een bepaalde toestand in ruimte en tijd bevindt; of hij kan, vanaf de waarneembare verschijnselen van het atoom, verder en hoger reiken tot het atoom een onlosmakelijk deel van de kosmos wordt, opgenomen in de universele harmonie van de schepping. De moderne wetenschapper doet dit misschien incidenteel of empirisch, maar de occultist doet dit systematisch en regelmatig, en dus filosofisch. De moderne wetenschapper is, naar eigen zeggen, agnostisch en is daar trots op. De occultist is met eerbied en steeds meer gnostisch.

De moderne wetenschap maakt onderscheid tussen levende en dode, organische en anorganische stof, en ziet het ‘leven’ slechts als een verschijnsel van de stof. De occulte wetenschap neemt

als belangrijkste stelling aan dat er in de natuur niet zoiets als anorganische substanties of lichamen bestaat. Stenen, mineralen, rotsen en zelfs scheikundige ‘atomen’ zijn eenvoudig organische eenheden in diepe lethargie. Hun coma heeft een einde en hun inertie wordt activiteit.1

1H.P. Blavatsky, De geheime leer, 1:694vn.

Het occultisme erkent één universeel, allesdoordringend leven. De moderne wetenschap ziet het leven als een bijzonder verschijnsel van de stof, een louter voorbijgaande manifestatie, toe te schrijven aan tijdelijke omstandigheden. Zelfs op grond van logica en analogie zouden we beter moeten weten, eenvoudig omdat de zogenaamde anorganische of dode stof voortdurend organisch en levend wordt, terwijl stof van het organische gebied voortdurend wordt teruggebracht tot dat van het anorganische gebied. Het is dus zonder meer redelijk en gerechtvaardigd te veronderstellen dat het vermogen of de ‘potentie’ tot leven latent in alle stof aanwezig is!

De ‘elementen’, ‘atomen’ en ‘moleculen’ van de moderne wetenschap, die gedeeltelijk fysisch en gedeeltelijk metafysisch zijn, worden, hoewel ze in alle opzichten hypothetisch zijn, zelden filosofisch opgevat, eenvoudig omdat ze uitsluitend als verschijnselen worden beschouwd. De wet van Avogadro hield een generalisatie in wat betreft fysieke opbouw en aantal, en de latere experimenten van prof. Neumann leidden dezelfde wet wiskundig af uit de eerste beginselen van de mechanica van gassen, maar pas prof. Crookes begreep de filosofische noodzaak van een oorspronkelijk substraat, protyle, en legde daardoor, zoals in De geheime leer is aangetoond, de basis voor ‘metachemie’ – of met andere woorden, voor een volledige filosofie van natuur- en scheikunde die de plaats zal innemen van alleen maar hypothesen en empirie. Als een of twee generalisaties die als logische of wiskundige noodzakelijkheden uit natuurkundige en scheikundige verschijnselen zijn afgeleid zo’n omwenteling in de oude scheikunde hebben kunnen teweegbrengen, wat kunnen we dan verwachten van een volledige synthese die algemene begrippen zou omvatten in een wet die het hele gebied van de stof bestrijkt? En toch was deze volledige synthese al eeuwenlang in het bezit van de echte occultist. Een glimp van deze filosofie is voldoende geweest om de geest van bijvoorbeeld Kepler, Descartes, Leibniz, Kant, Schopenhauer of ten slotte prof. Crookes ideeën te geven die de belangstellende aandacht van de wetenschappelijke wereld trokken en deze wisten vast te houden. Terwijl op sommige punten de uitspraken van deze schrijvers elkaar aanvullen en bevestigen, onthullen ze nergens de volledige synthese, want geen van hen bezat haar, terwijl ze toch altijd heeft bestaan.

Laat de lezer deze ‘monaden’ van Leibniz eens in gedachten houden – elke monade is een levende spiegel van het heelal en weerspiegelt elke andere – en deze opvatting en omschrijving vergelijken met bepaalde door Sir William Jones vertaalde Sanskrietstanza’s (sloka’s), waarin wordt gezegd dat de scheppende bron van het goddelijke denkvermogen, . . . ‘verborgen in een sluier van dichte duisternis, spiegels van de atomen van de wereld vormde, en een weerspiegeling van zijn eigen gezicht op elk atoom wierp’.1

1De geheime leer, 1:691.

Het is misschien vernederend voor de ‘moderne exacte wetenschap’ en ergerlijk voor alle christenen om te moeten erkennen dat de heidenen die ze hebben geminacht, en de ‘heidense geschriften’ die ze lang belachelijk hebben gemaakt of genegeerd, niettemin een schat aan wijsheid bezitten waarvan het Westen nooit heeft gedroomd. Ze zullen echter de les moeten leren dat de wetenschap helemaal niet in het Westen is ontstaan of alleen daar is te vinden, en dat bijgeloof en onwetendheid niet alleen in het Oosten voorkomen.

Het kan gemakkelijk worden aangetoond dat elke werkelijke ontdekking en elke belangrijke vooruitgang in de moderne wetenschap al eeuwen geleden in de wetenschap en filosofie van de oudheid bekend waren. Het is waar dat die oude leringen zijn beschreven in onbekende talen en symbolen, in boeken die tot voor kort voor westerlingen ontoegankelijk waren. De oorzaak waardoor deze oude waarheden de moderne tijd niet hebben kunnen bereiken, ligt niet zozeer in hun ontoegankelijkheid als wel in het vooroordeel en de minachting waarvan de leiders van het moderne denken blijk geven.

Ook heeft men nog niet geleerd dat fanatisme en minachting nooit een teken van wijsheid of kennis zijn, want elke bewering of bespreking van deze oude leringen wordt, op enkele uitzonderingen na, nog altijd met minachting en hoon ontvangen. Maar ze zijn tenminste in grote lijnen geschetst en aan de wereld voorgelegd. Zoals de schrijvers van De geheime leer hebben opgemerkt, worden deze leringen door de huidige generatie misschien niet algemeen aanvaard, maar in de 20ste eeuw zullen ze bekend en gewaardeerd worden.

De omvang en strekking van de filosofie zelf worden door moderne denkers als gevolg van hun materialistische neigingen nog nauwelijks beseft. Een volledige wetenschap van de metafysica en een volledige filosofie van de wetenschap worden op dit moment zelfs nog niet mogelijk geacht; juist omdat de oude wijsheid zo veelomvattend is, heeft ze in deze tijd nog geen erkenning gekregen. Dat de schrijvers over de oude wijsheid vanuit een bewustzijnstoestand hebben geschreven die ten minste twee hele gebieden boven dat van ons alledaagse ‘zintuiglijke bewustzijn’ ligt, is voor ons iets onbegrijpelijks en toch is het een feit; en waarom zou de moderne aanhanger van de evolutieleer geschokt zijn en van zijn stuk zijn gebracht door deze onthulling? Zijn hypothese wordt hierdoor slechts gerechtvaardigd en het werkterrein ervan wordt erdoor vergroot. Is het omdat de tegenwoordige beheerders van die oude wijsheid niet streven naar erkenning op de effectenbeurs, en niet gaan concurreren op de wereldmarkt? Als er een voorbeeld van de praktische resultaten van die concurrentie moet worden gegeven, dan kunnen we Keely noemen. De ontdekkingen van dit tijdperk zijn de ethische ontwikkeling ervan al eeuwen vooruit, en kennis die nog meer macht zou geven aan een klein aantal mensen van wie de ethische ontwikkeling eerder lager dan hoger is dan die van de onwetende, zwoegende, lijdende massa, zou slechts bijdragen tot anarchie en de onderdrukking vergroten. Op deze hogere gebieden van bewustzijn geldt de wet van vooruitgang onvoorwaardelijk; kennis en macht gaan altijd samen met een weldadige invloed op de mens, niet alleen op hen die deze wijsheid bezitten maar op de hele mensheid. De beheerders van de hogere kennis zijn tegelijkertijd door zowel hun motief als hun ontwikkeling de weldoeners van het goddelijke. Dit zijn nu juist de voorwaarden van het hogere bewustzijn, waarnaar hierboven werd verwezen. De synthese van de occulte wetenschap wordt dus de hogere synthese van de vermogens van de mens. Wat doet het er dan toe of de onwetende het bestaan ervan afwijst of haar bespot en minacht? Zij die van het bestaan ervan afweten en iets hebben geleerd over haar omvang en aard kunnen zich op hun beurt een glimlach veroorloven, maar dan met medelijden en verdriet over de vrijwillige onderwerping aan onwetendheid en ellende, waardoor mensen de verlichting verachten en hun ogen sluiten voor de duidelijkste ervaringsfeiten.

Als we het terrein van de natuurkunde en het ontstaan van de kosmos even verlaten, kan het nuttig zijn enkele toepassingen van deze leringen op de plichten en het leven van de mens te beschouwen.

Het verstand dat we door filosofie ontwikkelen is als een wagenmenner, want het is aanwezig in onze verlangens en voert deze altijd tot schoonheid.    – Demophilus

– 2–

Zoals de occulte filosofie ons leert, is in werkelijkheid alles wat verandert organisch, het draagt het levensbeginsel in zich en het bezit alle potentialiteit van de hogere levens. Wanneer, zoals wij zeggen, alles in de natuur een aspect is van het ene element, en het leven universeel is, hoe kan er dan zoiets als een anorganisch atoom bestaan!1

1Een toelichting op De geheime leer – Stanza’s I-IV, TUPA, Den Haag, 1995, blz. 106.

De mens is een vervolmaakt dier, maar nog vóór hij zelfs op het dierlijke gebied volmaking heeft bereikt, moet er al iets van het licht van een hoger gebied tot hem zijn doorgedrongen. Alleen het vervolmaakte dier kan de drempel van het aangrenzende en hogere gebied, namelijk het menselijke gebied, overschrijden, en wanneer hij dat doet schijnt er op hem een straal van het bovenmenselijke gebied. Zoals de dageraad van het menselijke het dierlijk gebied verlicht en de monade als een leidende ster naar een hoger bewustzijn lokt, zo verlicht ook de dageraad van het goddelijke het menselijke gebied, en lokt de monade naar het bovenmenselijke gebied van bewustzijn. Dit is niet meer en niet minder dan het filosofische en metafysische aspect van de wet van evolutie. De mens heeft niet één beginsel méér dan het kleinste insect; hij is echter ‘het voertuig van een volledig ontwikkelde monade en volgt zelfbewust en doelgericht zijn eigen lijn van vooruitgang, terwijl de hogere triade van beginselen in het insect en zelfs in hogere diersoorten nog volledig in een ruststadium verkeert’.2 In de oorspronkelijke monade ligt dus de mogelijkheid van het goddelijke besloten. Het is dus duidelijk onjuist om dat gedachtestelsel dat zich alleen bezighoudt met verschijnselen en eindigt bij de stof op het fysieke gebied een ‘synthetische filosofie’ te noemen. Deze twee generalisaties van de occulte filosofie, waarbij aan elk atoom latente levenskracht wordt toegeschreven, en elk insect of dier de potentiële vermogens van de hogere gebieden reeds bezit, hoewel deze nog sluimeren, voegen aan de gewone evolutietheorie van Spencer juist die elementen toe die daarin ontbreken, namelijk het metafysische en filosofische; en daarmee verrijkt wordt de theorie synthetisch.

2Op.cit., blz. 15.

De monade is dus in essentie en aanleg gelijk in het eenvoudigste plantaardige organisme en – naar boven toe – in alle vormen en schakeringen van dierlijk leven tot aan de mens, en nog verder. Er vindt een geleidelijke ontvouwing plaats van haar mogelijkheden van moneren1 tot mensen, en er zijn twee hele bewustzijnsgebieden, het zesde en zevende ‘zintuig’, die in de gemiddelde mens nog niet zijn ontwikkeld. Iedere monade die door een vorm is omsloten en dus door de stof wordt beperkt, wordt bewust op haar eigen gebied en in haar eigen ontwikkelingsstadium. Zowel planten als dieren hebben daarom bewustzijn, en beschikken niet alleen over gevoel. Zelfbewustzijn hoort bij de mens want, hoewel hij in een vorm is belichaamd, sluimert zijn hogere triade van beginselen, atma-buddhi-manas, niet langer maar is actief. Deze activiteit is echter nog lang niet volledig ontwikkeld. Wanneer deze activiteit volledig is ontplooid, zal de mens al op een nog hoger gebied bewust zijn geworden, en toegerust zijn met het zesde en het begin van het zevende zintuig, en zal hij een ‘god’ zijn geworden in de betekenis die door Plato en zijn volgelingen aan die term werd gehecht.

1Noot. vert.: Verouderde naam voor bepaalde eencellige dieren die schijnbaar uit een vormloze massa protoplasma bestaan.

Door op deze manier aan de wet van evolutie een ruimere en meer volledige betekenis te geven, lost de occulte filosofie het probleem op van de ‘ontbrekende schakels’ van de moderne wetenschap, en door de mens enig inzicht te geven in zijn aard en bestemming, wijst ze niet alleen op de weg van de hogere evolutie, maar geeft ze hem ook de middelen om deze te volgen.

De atomen en monaden van de geheime leer verschillen veel van de atomen en moleculen van de moderne wetenschap. Voor laatstgenoemde zijn het niets anders dan stofdeeltjes voorzien van blinde krachten, voor eerstgenoemde zijn ze de ‘mysterieuze kernlichaampjes’ en potentiële ‘goden’, bewust en intelligent vanaf hun oorspronkelijke belichaming aan het begin van de differentiatie bij de dageraad van het manvantara. Er bestaan niet langer scherpe scheidslijnen tussen het organische en het anorganische, tussen levende en dode stof. Elk atoom is begiftigd met en wordt gedreven door intelligentie, en bezit op zijn eigen gebied van ontwikkeling een eigen mate van bewustzijn. Dit is een glimp van het ene Leven dat

Door alle tijden stroomt, zich wijd en zijd uitstrekt,
Onverdeeld leeft, en onuitputtelijk is.

Het ‘ego’ in de mens kan men opvatten als een monade die door de eeuwen heen talloze ervaringen heeft opgedaan en geleidelijk haar latente vermogens heeft ontplooid in elkaar opvolgende stoffelijke gebieden. Vandaar dat ze de eeuwige pelgrim wordt genoemd.

Het manasische of denkbeginsel is kosmisch en universeel. Het is de schepper van alle vormen en de basis van alle wetten in de natuur. Dat geldt niet voor bewustzijn. Bewustzijn is een toestand van de monade als gevolg van de belichaming in de stof en het verblijf in een fysieke vorm. Zelfbewustzijn, dat vanuit het dierlijke gebied omhoog gezien het begin van vervolmaking is, is van het goddelijke gebied omlaag gezien volmaakte zelfzucht en de vloek van afgescheidenheid. Het is de ‘wereld van illusie’ die de mens voor zichzelf heeft geschapen. ‘Maya is het waarnemingsvermogen van elk ego dat zichzelf beschouwt als een eenheid, afgescheiden en onafhankelijk van het ene oneindige en eeuwige sat of ‘zijn-heid’.’1 De ‘eeuwige pelgrim’ moet daarom verder omhoog klimmen en het gebied van zelfbewustzijn, dat hij met zoveel inspanning heeft bereikt, weer verlaten.

1Op.cit., blz. 30.

De samengestelde structuur die we de ‘mens’ noemen is opgebouwd uit een verzameling van bijna ontelbare ‘leventjes’. Niet alleen elke microscopische cel waaruit de weefsels zijn samengesteld, maar ook de moleculen en atomen waaruit deze cellen bestaan, zijn doordrenkt van de essentie van het ‘ene Leven’. Men weet dat elke ‘organische’ cel haar kern heeft, een centrum van fijnere of meer gevoelige stof. De voedingsprocessen en alle opbouw- en functionele processen bestaan uit een instroming en uitstroming, een inademing en uitademing, naar en uit de kern.

De kern is daarom in haar eigen ontwikkelingsstadium en op haar eigen manier een monade die gevangen zit in een vorm. Elke microscopische cel heeft dan ook een eigen bewustzijn en intelligentie, en de mens bestaat daarom uit ontelbare ‘leventjes’. Dit is niets anders dan een fysiologische synthese, die niet alleen logisch is afgeleid uit de bekende feiten van de fysiologie en de weefselleer, maar ook de logische conclusie is van de filosofie van het occultisme. De gezondheid van het lichaam in zijn geheel hangt af van de ongeschonden toestand van al zijn delen, en meer in het bijzonder van hun harmonische samenwerking. Een weefsel is ziek als daarin een groep individuele cellen weigert samen te werken en een tegenwerkende activiteit begint, en minder gebruikt of meer opeist dan haar rechtmatige deel aan voedsel of energie. Ziekte van het weefsel van het menselijk lichaam is niet meer en niet minder dan de ‘zonde van afgescheidenheid’. Bovendien zijn de cellen op een hiërarchische manier gegroepeerd. Kleinere groepen zijn ondergeschikt aan grotere verzamelingen, en deze zijn op hun beurt weer ondergeschikt aan nog grotere of aan het geheel. Elke microscopische cel symboliseert daarom de mens en is deze mens in het klein, zoals de mens zelf een heelal in het klein is. Zoals al eerder werd gezegd is de ‘eeuwige pelgrim’ het alter ego in de mens, een monade die zich door de eeuwen heen steeds verder ontwikkelt. Omdat het zijn recht is, en op grond van zijn kwaliteiten, is het ego koning in het rijk van het lichamelijk leven van de mens. In de loop van het kosmische proces daalde het af in de stof tot het het minerale gebied bereikte en reisde daarna opwaarts door de drie natuurrijken tot het het menselijke gebied bereikte. De elementen van zijn wezen, evenals de cellen en moleculen van het lichaam van de mens, zijn gegroepeerde structuren die bij hem horen of aan hem ondergeschikt zijn. De menselijke monade, of het ego, is dus verwant aan alles wat lager dan zij staat en erfgenaam van alles wat boven haar staat, en onverbrekelijk verbonden met geest en stof, ‘God’ en de natuur. De eigenschappen die ze verzamelt en de vermogens die ze ontvouwt zijn niets anders dan de latente en sluimerende mogelijkheden die tot bewust leven ontwaken. De weefselcellen vormen de lichamelijke structuur van de mens, maar de manier waarop ze zijn gerangschikt, het beginsel achter hun groepering, waardoor de menselijke vorm ontstaat, is niet slechts een uit het lagere dierlijke gebied geëvolueerde vorm, maar een beginsel dat uit een hoger gebied, een oudere wereld – namelijk de maanpitri’s – is geïnvolueerd. ‘Hanuman de aap’ is duizenden millennia ouder dan Darwins ‘ontbrekende schakel’. Zo is ook het manasische, of verstandselement, met zijn kosmische en oneindige mogelijkheden, niet slechts het ontwikkelde ‘instinct’ van het dier. Denkvermogen is de latente of actieve potentialiteit van de kosmische ideatie, de essentie van elke vorm, de basis van elke wet, de kracht van elk beginsel in het heelal. Het menselijke denken is de weerspiegeling of reproductie van deze vormen, wetten en beginselen op het gebied van het menselijke bewustzijn. Vandaar dat de mens de natuur waarneemt en begrijpt zoals de natuur zich in hem ontvouwt. Wanneer daarom de monade de vorm van het dierlijke ego heeft doorgemaakt, en in de menselijke vorm is geïnvolueerd en deze heeft ontwikkeld, ontwaakt de hogere triade van beginselen uit haar eeuwenlange slaap, waarbij ze werd overschaduwd door de manasaputra die is ingebouwd in haar essentie en substantie. Hoe zou een mens een kopie in het klein van het heelal kunnen zijn als hij niet in elk punt daarmee in contact stond en in elk van zijn beginselen ermee verweven was? Als het wezen van de mens is verweven met het weefsel van het lot, nemen zijn krachten en mogelijkheden deel aan de godheid als de inslag en het patroon van haar grenzeloze leven. Waarom zou hij dan levensmoe of ontmoedigd worden? Waarom zou men hem verlagen, deze erfgenaam van al wat is?

De eigenaardigheid van deze theologie, en die waarop haar transcendente kenmerken zijn gebaseerd, is dat ze de hoogste god niet beschouwt als het beginsel van alle wezens, maar als het beginsel van alle beginselen, d.w.z. van de daaruit voortgekomen goddelijke emanaties, die alle altijd geworteld zijn in de onpeilbare diepten van de onmetelijke bron van hun bestaan en waarvan ze de bovenzinnelijke vertakkingen en schitterende bloesems kunnen worden genoemd.1

1Thomas Taylor, The Mystical Initiations; or Hymns of Orpheus, inleiding, Londen, 1787.

– 3 –

Men vindt het vaak vreemd dat er in de theosofie of het occultisme geen dogma’s of geloofsbelijdenissen zijn. Is theosofie een religie, wordt vaak gevraagd. Nee, ze is religie. Is ze een filosofie? Nee, ze is filosofie. Is ze een wetenschap? Nee, ze is wetenschap. Als eensgezindheid van religie, filosofie en wetenschap mogelijk is, en als die ooit in het menselijk denken is bereikt, dan moet dat denken reeds lang de grenslijn van alle geloofsbelijdenissen hebben overschreden en moet het zijn opgehouden zich in dogma’s uit te drukken. Daarom is het beantwoorden van vragen zo moeilijk. Geen enkele stelling staat op zichzelf of kan afzonderlijk worden behandeld zonder de betekenis ervan te beperken of te verdraaien. Elke stelling moet als ondergeschikt aan het synthetische geheel worden beschouwd. Werkelijk intelligente mensen, die op de juist manier kunnen redeneren, hebben vaak onvoldoende belangstelling om te proberen de universele geldigheid van deze beginselen te begrijpen. Als er bij hen al enige belangstelling voor dit onderwerp bestaat, dan verwachten ze dat hen in een uurtje ‘alles hierover’ wordt verteld, of dat ze het uit een krantenartikel kunnen vernemen – alles over de mens, alles over de natuur, alles over de godheid – om het dan óf te verwerpen óf in te passen in hun vroegere opvattingen. Ze zijn werkelijk niet verstandiger dan de broodschrijver die een of ander punt opvangt en dan bespot, of tot het mikpunt maakt van grove scherts of dwaas sarcasme, en dan zelfingenomen denkt dat hij het hele stelsel heeft omvergeworpen! Indien zulke mensen ook maar een ogenblik hun eigen dwaasheid onder ogen konden zien, dan zouden ze verbaasd staan. De diepste denker, die heel logisch redeneert, zou er zeker goed aan doen een heel leven te wijden aan het doorgronden van de filosofie van het occultisme, en toekomstige levens aan het bestuderen van de wetenschappelijke details, terwijl hij tegelijkertijd zijn ethiek en zijn religieuze leven in overeenstemming brengt met het beginsel van altruïsme en de broederschap van de mensheid. Al lijkt dit misschien een te zware taak, toch is dit de weg van de hogere evolutie van de mens, en vroeg of laat zal iedere ziel die moeten volgen, of achteruitgaan, of ophouden te bestaan.

De mens is slechts een schakel in een eindeloze keten van bestaan, een opeenvolging van een eeuwigheid van oorzaken en processen in het verleden; een latente kracht die geboren wordt in de tijd, maar die twee eeuwigheden met elkaar verbindt, zijn verleden en zijn toekomst, maar in zijn bewustzijn zijn die twee slechts één, de duur, het eeuwige nu. In het tweede artikel van deze reeks werd aangetoond dat de mens een samenstelling van bijna ontelbare ‘leventjes’ is, en deze leventjes, deze levende entiteiten, die ‘cellen’ worden genoemd, bleken op een hiërarchische manier te zijn verenigd, gegroepeerd volgens rang en orde, dienstbaarheid en ontwikkeling, en er werd aangetoond dat dit de ‘fysieke synthese’ van de mens is, en tegelijkertijd zijn synthese van organen. Er werd ook aangetoond dat ziekte te wijten is aan het disharmonische voedingspatroon van de organen, of de fysiologische ‘zonde van afgescheidenheid’. Elk deel van de mens, elk orgaan of elke cel in zijn lichaam bleek in het bezit te zijn van een eigen bewustzijn en intelligentie, die echter altijd onderworpen zijn aan het geheel. In gezonde toestand werken ze alle ritmisch met elkaar samen, hoezeer ze ook verschillen in hun bereik en intensiteit. In de moderne natuurkunde is hierover al genoeg bekend om deze stellingen te kunnen rechtvaardigen, tenminste door analogie. Het beginsel van elektrische inductie en trilling, het kwantitatief en kwalitatief overbrengen van trillingen en hun volmaakte registratie, en de toepassing hiervan in de telegrafie, de telefoon en de fonograaf, hebben een ommekeer gebracht in de eerdere theorieën van natuurkunde en fysiologie.

Kan bijvoorbeeld een metalen plaat spreken als een mens? Ja of nee? Bouillard, en hij was niet de eerste de beste, zei: Nee; als we zoiets aanvaardden, zou dat al onze ideeën over fysiologie omverwerpen. En Bouillard zei dit in de vergadering van de Académie terwijl Edisons fonograaf vóór hem stond, en hij snoerde de mond van de ongelukkige vertegenwoordiger van de beroemde Amerikaanse uitvinder en beschuldigde hem van buiksprekerij.1

1J. Ochorowicz, Mental Suggestion, blz. 291 (De la suggestion mentale et le calcul des probabilitées, Parijs, 1887, voorwoord door C. Richet).

Volgens het occultisme gaat het ego aan het fysieke lichaam vooraf en overleeft dit ook. De verschijnselen van het menselijk leven en de werking van zijn denken laten zich door geen andere theorie begrijpen en verklaren. De moderne fysiologie onderwijst in detail bepaalde feiten over het menselijk bestaan. Ze groepeert deze feiten en leidt er verschillende zogenaamde beginselen en wetten uit af, maar er wordt zelden ook maar een poging gedaan om zoiets als een synthese van de hele mens te vormen. ‘Psychologie’ is niets anders dan empirie, in de vorm van uit hun verband gerukte feiten, die natuurlijk maar weinig worden begrepen en nog vaker verkeerd worden uitgelegd.

Vraag een moderne fysioloog of een mens kan denken als hij buiten bewustzijn is, en hij zal nee antwoorden; en als hem wordt gevraagd of iemand bij bewustzijn kan zijn en toch niet denken, zal hij even gemakkelijk nee zeggen. Beide antwoorden zijn dan gebaseerd op wat over het geheugen bekend is of verondersteld wordt bekend te zijn. Het idee dat de werkelijke mens, het ego, altijd bewust is op een of ander gebied, en dat het alleen op het lagere gebied door middel van de hersenen ‘denkt’ – in de betekenis die wij aan dat woord hechten – in termen van uitgebreidheid en duur, of van ruimte en tijd, wordt door de moderne fysioloog gewoonlijk niet beseft. Als men echter begrijpt dat het ego de werkelijke mens is die het fysieke lichaam bewoont en als zijn instrument gebruikt, door middel waarvan het in verbinding wordt gebracht met ruimte en tijd, waarneming, gewaarwording, denken en voelen, dan zullen de hiaten in fysiologie en psychologie beginnen te verdwijnen. Ook hierbij moet men bedenken dat deze leer over het ego in het licht van een volledige synthese van het occultisme moet worden gezien, en naarmate dit op een intelligente manier gebeurt, zal de betekenis van het ego duidelijk worden.

De korte en beknopte schets van de filosofie van het occultisme die in de inleiding van De geheime leer wordt gegeven, is daarom van grote betekenis, en wie wil begrijpen wat er daarna in de twee dikke delen wordt behandeld, zou die schets zorgvuldig moeten bestuderen. Geen van de daaropvolgende stellingen, geen enkel element in het leven van de mens, kan zonder kennis hiervan juist worden begrepen. De onderwerpen die daarna volgen worden noodzakelijkerwijs fragmentarisch behandeld, maar de schets is zowel alomvattend als zuiver filosofisch, en als men logisch redeneert en de eenvoudigste analogie toepast, kan men niet ver van de waarheid afdwalen. De verhouding tussen verstand en hersenen, denken en bewustzijn, tussen leven en stof, tussen mens en natuur en mens en godheid wordt daarin duidelijk omschreven – natuurlijk niet in alle details, maar op een filosofische manier, die dan door ons verstand en onze levenservaring kan worden uitgewerkt. Het allesdoordringende leven, de cyclische of periodieke bewegingen, de perioden van activiteit en van rust, de nauwe betrekkingen en de onderlinge samenhang van alle dingen betreffen zowel de uitgestrekte kosmos als elk atoom daarin.

Studenten klagen soms dat ze het onderwerp niet kunnen begrijpen, dat het zo uitgebreid, zo diepzinnig en ingewikkeld is, en niet duidelijk wordt gemaakt. Dit komt omdat ze niet beseffen waaraan ze zijn begonnen. Occultisme kan niet worden onderwezen of geleerd in ‘een paar eenvoudige lessen’. De ‘demonstraties’ die HPB van tijd tot tijd gaf en die bijna altijd verkeerd werden begrepen en verkeerd werden toegepast, hoewel ze op dat moment vaak werden toegelicht, leidden even vaak tot doodgewone nieuwsgierigheid en persoonlijke beledigingen als tot belangstelling en studie. Als iemand vóór de komst van de Theosophical Society het plan had geopperd om al onze kennis over de natuur en de mens vanaf de basis opnieuw op te bouwen, en tegen alle leringen van het christendom, het materialisme van de wetenschap, de onverschilligheid en verwaande minachting van het agnosticisme en de spraakverwarring van het spiritisme in te gaan; om de eenheid van de religies van de wereld aan te tonen en duidelijk te maken welke beginselen aan die religies ten grondslag liggen; om de wetenschap van al haar ‘ontbrekende schakels’ te ontdoen; om het agnosticisme gnostisch te maken; om de psychologie en de kennis van de natuur en de wetten van het denken en de ziel tegenover het ‘mediumschap’ te plaatsen – dan zou men dit als een herculische taak hebben beschouwd die niet kan worden volbracht. Nu dit grotendeels tot stand is gebracht en al deze kennis aan de wereld is voorgelegd, vinden de mensen het vreemd dat ze het niet geheel kunnen bevatten, terwijl ze, zoals de dichter Burns sommige van zijn kortere gedichten zou hebben geschreven, ‘op één been staan’!

Ook klagen ze over de onbekende termen en ongebruikelijke woorden uit vreemde talen. Maar wie natuurkunde, scheikunde, muziek of geneeskunde gaat studeren, zal even grote hindernissen moeten overwinnen. Is het dan zo vreemd dat die wetenschap die alle genoemde vakken omvat en een synthese geeft van het hele gebied van de natuur en het leven, haar eigen terminologie zou hebben?

Verder is er naast al deze noodzakelijke en natuurlijke moeilijkheden nog een ander struikelblok, namelijk onze twistzieke geest, die elk punt betwijfelt en bestrijdt voordat het duidelijk is gemaakt of goed is begrepen. Stel dat iemand die geen wiskunde kent zo zou handelen en zou zeggen: ‘Die stelling bevalt me niet’, ‘Ik zie niet in waarom een omgekeerde zes negen moet betekenen’, ‘Waarom is twee en twee niet vijf?’ enz., hoe lang zou zo iemand nodig hebben om wiskunde te leren? Bij het bestuderen van De geheime leer gaat het niet om voorkeur of afkeer, om geloof of ongeloof, maar spelen alleen verstand en begripsvermogen een rol. Hij die zijn onwetendheid erkent en toch zijn voorkeur of afkeer, en zelfs zijn geloofsovertuigingen en dogma’s geen moment opzij wil zetten om de aangereikte denkbeelden op hun eigen waarde te beoordelen, heeft geen behoefte aan De geheime leer en zal er niets aan hebben. Zelfs als de meeste stellingen worden aanvaard of ‘geloofd’ en enkele verworpen, wordt het synthetische geheel volkomen uit het oog verloren. Maar, zegt iemand, dit is een pleidooi voor blind geloof en een poging om het verstand en het geweten van een mens te ketenen aan het blindelings aanvaarden van deze leringen. Alleen onwetende of oneerlijke mensen kunnen, gezien de feiten, zoiets beweren. Luister naar wat op blz. 3 van de inleiding van De geheime leer staat: ‘Het is vóór alles belangrijk voor ogen te houden dat geen enkel theosofisch boek ook maar de minste extra waarde ontleent aan zogenaamd gezag.’ Als dat een pleidooi is voor blind geloof, laat de vijanden van de Theosophical Society er dan zoveel mogelijk munt uit slaan. Als De geheime leer enige autoriteit bezit, dan moet die in de tekst zelf en niet erbuiten worden gevonden. Ze moet berusten op de veelomvattendheid van het werk, zijn volledigheid, zijn logische samenhang, zijn redelijkheid – met andere woorden, op zijn filosofische synthese, iets wat niet wordt opgemerkt door oppervlakkige mensen en evenmin door twistzieke, trage, bijgelovige en dogmatische mensen.

Wijze, u heeft een goede vraag gesteld. Luister nu goed. Een verkeerde voorstellingswijze op basis van een verkeerd inzicht vormt geen afdoende bewijs.

De edele en vredige figuren bestaan om de wereld nieuw leven te schenken, evenals de lente dat doet, en nadat zijzelf de oceaan van het belichaamde bestaan zijn overgestoken, helpen ze belangeloos anderen die proberen hetzelfde te doen.
     – Sankaracharya, Vivekachudamani (Het diadeem van wijsheid), vers 196, 39

– 4 –

In de voorafgaande artikelen in deze reeks, die noodzakelijkerwijs kort en fragmentarisch zijn, werden enkele punten besproken om aan te geven wat de algemene strekking van De geheime leer is als het gaat om vraagstukken over de natuur en het leven.

Synthese is een essentieel kenmerk van de filosofie, ‘het tot een geheel samenstellen van verschillende gedachte-elementen’, het tegenovergestelde van analyse, en analyse is een essentieel kenmerk van de wetenschap.

In de ‘Schets van de geheime leer’ door ‘C.J.’ die nu in Lucifer verschijnt, wordt deze filosofie of synthese van het geheel duidelijk uiteengezet.

Er zijn in recente eeuwen veel filosofen geweest, maar er kan slechts één filosofie zijn, één synthese van het geheel van de eeuwige natuur. Met uitzondering van alleen Plato is er vóór het verschijnen van De geheime leer van H.P. Blavatsky niemand geweest die aan de westerse wereld een ook maar bij benadering volledig filosofisch stelsel heeft gegeven. De geschriften van Plato zijn zorgvuldig versluierd in de symbolische inwijdingstaal. De geheime leer, die meer dan 2000 jaar later in een zogenaamd wetenschappelijke eeuw verscheen, richt zich tot het wetenschappelijke denken van deze tijd en beschouwt het hele onderwerp dan ook voornamelijk vanuit het standpunt van de wetenschap. De huidige tijd schiet wat betreft filosofie evenzeer tekort als de tijd van Plato wat betreft kennis van de wetenschap. Hieruit volgt dat de geheime leer, hoewel ze filosofie en wetenschap behandelt, als ze zich richt tot het denken van een tijdperk, daarbij – zoals bij alles – rekening moet houden met de wet van de cyclussen, die de intellectuele ontwikkeling van een ras evenzeer beheerst als de omwenteling van zonnen en planeten, en zich daarom tot dat tijdperk moet richten overeenkomstig het denken dat dan overheerst. Juist omdat het analytische denken nu overheerst, omdat dit de denkvorm is voor deze tijd, zal de grote meerderheid van de lezers waarschijnlijk de brede synthese over het hoofd zien en daardoor de filosofie van de geheime leer niet opmerken. Het enige doel van deze korte en fragmentarische artikelen is om de aandacht op dit punt te vestigen.

We leven nu in een overgangstijdperk en in de naderende 20ste eeuw zal er een herleving van ware filosofie komen en de geheime leer zal de basis zijn van de ‘nieuwe filosofie’. De huidige wetenschap, vertegenwoordigd door zulke grote onderzoekers als Keely, Crookes, Lodge, Richardson en vele anderen komt al zo dicht bij de grenzen van de occulte filosofie dat het niet mogelijk zal blijken om het nieuwe tijdperk te beletten het occulte gebied te betreden. H.P. Blavatsky’s Geheime leer bevat een schat aan wetenschappelijke feiten, maar dat is niet de grootste verdienste ervan. Deze feiten staan, althans bij benadering, in een zodanig verband met de synthese of de filosofie van het occultisme dat de taak van de student die naar werkelijke kennis streeft relatief gemakkelijk wordt gemaakt, en dat zijn vooruitgang boven alle verwachting wordt bevorderd mits hij voor onderricht ontvankelijk is, serieus, en een goed verstand bezit. Nergens anders in de Engelse literatuur wordt aan de evolutiewet zo’n verreikende en ruime werkingssfeer toegekend. Ze herinnert aan de altijd ruisende ondertoon die men op volle zee hoort en ze schijnt onze aarde te beschouwen in al haar veranderingen van ‘het begin van de tijd tot aan het laatste oordeel’. Ze volgt de mens in zijn drievoudige evolutie – fysiek, mentaal en spiritueel – tijdens de volmaakte cyclus van zijn grenzeloze leven. Het darwinisme heeft zijn uiterste grens bereikt en een terugslag ondervonden. De mens heeft zich inderdaad ontwikkeld uit lagere levensvormen. Maar welke mens? De fysieke, de psychische, de verstandelijke, of de spirituele? De geheime leer laat zien waar de lijnen van evolutie en involutie elkaar ontmoeten, waar stof en geest in elkaar grijpen en waar het opgeklommen dier van aangezicht tot aangezicht staat met de gevallen god, want alle gebieden van de natuur ontmoeten elkaar en vermengen zich in de mens.

Beoordeel geen enkele stelling van de geheime leer alsof ze op zichzelf zou staan, want niet één ervan staat op zichzelf. Hier bestaat evenmin ‘onafhankelijkheid’ als bij de eenheden waaruit de mensheid is samengesteld. Er is overal onderlinge afhankelijkheid, in de natuur en in het leven.

Zelfs leden van de Theosophical Society hebben zich vaak afgevraagd waarom HPB en andere bekende figuren in de Society zoveel nadruk leggen op leringen zoals karma en reïncarnatie. Dit is niet alleen omdat deze leringen gemakkelijk te begrijpen en nuttig zijn voor een mens, niet alleen omdat ze noodzakelijkerwijs een stevige basis verschaffen voor de ethiek of voor het gedrag van de mens, maar omdat ze de ware grondtoon aangeven voor zijn hogere evolutie. Zonder karma en reïncarnatie is evolutie maar een fragment, een proces waarvan het begin onbekend en het resultaat niet waarneembaar is, een glimp van wat zou kunnen en de hoopvolle verwachting van wat zou moeten zijn. Maar in het licht van karma en reïncarnatie wordt evolutie het logische proces van wat noodzakelijk zo moet zijn. De schakels in de keten van bestaan worden alle aangegeven en de cyclussen van logisch redeneren en van het leven zijn volledig. Karma leert ons de eeuwige wet van handeling, en reïncarnatie verschaft het grenzeloze gebied waar deze wet kan worden uitgewerkt. Duizenden mensen kunnen deze twee beginselen begrijpen, ze toepassen als basis voor hun gedrag, en verwerken in het weefsel van hun leven, al zijn ze misschien niet in staat de volledige synthese te bevatten van die eindeloze evolutie waarvan deze leringen zo’n belangrijk onderdeel vormen. Door op deze manier zelfs oppervlakkige denkers en mensen die zwak of onlogisch redeneren een volmaakte basis voor ethiek en een onfeilbare levensgids te verschaffen, bouwt theosofie aan de toekomstige verwezenlijking van universele broederschap en aan de hogere evolutie van de mens. Van de huidige generatie zijn er maar enkelen die zich bewust zijn van het werk waarmee op die manier een begin is gemaakt, of hoeveel al tot stand is gebracht. Dat men in deze eeuw niet ontvankelijk is voor ware filosofie blijkt het duidelijkst uit de manier waarop strijd wordt gevoerd tegen de leringen van karma en reïncarnatie. In de 17 jaar sinds de theosofische beweging op het toneel verscheen, is er van geen enkele kant een serieuze en logische poging gedaan om deze leringen op filosofische basis in twijfel te trekken. Er is meer dan genoeg ontkend, belachelijk gemaakt en openlijk veroordeeld. Op die basis is geen discussie mogelijk, want deze leringen zijn van begin af aan vanuit het logische en objectieve standpunt van de filosofie naar voren gebracht en verdedigd. Bespotting laat zich niet beantwoorden en is een antwoord onwaardig. Ze is geen argument, maar is het wapen van zwakke geesten, voortgekomen uit vooroordeel en onwetendheid.

De synthese van het occultisme is dus de filosofie van de natuur en het leven, de volledige – of onbeperkte – waarheid die elk wetenschappelijk feit beschouwt in het licht van de onfeilbare processen van de eeuwige natuur.

De tijd zal snel aanbreken dat de denkers die tot de echte voorhoede van deze eeuw behoren genoodzaakt zullen zijn om hun onverschilligheid, hun minachting en verwaandheid te laten varen om de methoden van filosofisch onderzoek te gaan volgen zoals die zijn neergelegd in De geheime leer. Nog maar heel weinig mensen schijnen te beseffen hoe overvloedig deze hulpmiddelen zijn, want ze vereist een manier van redeneren die in het huidige tijdperk van empirie en inductie bijna onbekend is. Ze onthult kennis uit archaïsche tijden, onvernietigbaar en eeuwig, maar die toch versluierd en verloren kan raken, maar ook telkens opnieuw kan worden herboren of, zoals de mens zelf, kan reïncarneren.

Wie in één kleur van de regenboog leeft, is blind voor de rest. Leef in het licht dat door de hele boog wordt uitgestraald, en u zult alles weten.    – The Path

Wie de gewone alledaagse dingen niet kent, is een dier onder de mensen. Wie alleen de alledaagse dingen kent, is een mens onder de dieren. Hij die alles weet wat door ijverig onderzoek kan worden geleerd, is een god onder de mensen.    – Plato

 


Theosofische inzichten, blz. 161-77

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag