Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Het doden van dieren

[The Path, maart 1892, blz. 397]

Een correspondent vraagt: ‘Zou u zo vriendelijk willen zijn te verklaren waarom u, als u denkt dat het verkeerd is om een waterwants te doden, het slachten van grotere dieren voor consumptie wel zou toestaan?’

Ik kan me niet herinneren dat ik heb gezegd dat het verkeerd was een waterwants te doden: daarom kan er, wat mij betreft, daaruit geen conclusie worden getrokken met betrekking tot het vraagstuk van het eten van dieren.

Wat goed is en wat verkeerd loopt in dit geval wat door elkaar. Als iemand zegt dat het moreel verkeerd is om een waterwants te doden, volgt hieruit dat het zelfs verkeerd is om te leven, omdat de lucht die we inademen en het water dat we drinken vele miljoenen diertjes bevatten die wat hun bouw betreft veel ingewikkelder zijn dan wantsen. Hoewel ze infusoria en animalculae worden genoemd, zijn het toch evenals wantsen levende en bewegende wezens. We ademen ze in en ogenblikkelijk zijn ze vernietigd, tot en met de laatste afgeslacht. Moeten we daarom stoppen met leven? Het hele leven is een strijd, een vernietiging en een compromis zolang we op dit stoffelijke gebied leven. Als mensen moeten we in leven blijven, terwijl op onze vernietigende weg elk uur miljoenen wezens worden gedood. Door te leven en ons brood te verdienen voorkomt ieder van ons zelfs dat iemand anders hetzelfde doet, die, als we dood zouden zijn, ons zou opvolgen. Maar als we de strijd zouden opgeven – als we dat werkelijk zouden kunnen – dan zouden de doeleinden van evolutie niet kunnen worden bereikt. Vandaar dat we moeten blijven en elk karma verdragen dat voortvloeit uit de noodzakelijke sterfgevallen die we veroorzaken.

Volgens mij is het dus een juist standpunt dat we in sommige omstandigheden, in bepaalde evolutiestadia, andere wezens een hoeveelheid letsel moeten toebrengen die we niet kunnen vermijden. Terwijl we zo leven moeten we eten, sommigen vlees en anderen plantaardig voedsel. Geen van beide groepen heeft geheel gelijk of ongelijk. Het wordt een misdaad als we opzettelijk en zonder feitelijke noodzaak het leven van dieren of insecten verwoesten. De man die is geboren in een gezin en generatie van vleeseters en die het vlees van geslachte dieren eet, doet minder kwaad dan de vrouw die, hoewel een vegetariër, de veren van geslachte vogels in haar hoeden draagt, omdat het voor haar leven niet noodzakelijk was dat ze zich de luxe permitteerde van zo’n verfraaiing. De fijnproever die zijn gehemelte prikkelt met vele vleesschotels die niet nodig zijn om zich te voeden bevindt zich in dezelfde positie als de vrouw die veren draagt. Hetzelfde geldt voor schoenen, zadels, breidels, portefeuilles en wat al niet dat van leer is gemaakt. Die worden allemaal gemaakt van de huiden van geslachte dieren. Moeten ze worden afgeschaft? Doet iemand er verkeerd aan om deze te gebruiken? Iedereen kan deze vragen zelf beantwoorden. Of als we dicht bij de noordpool leefden, dan zouden we gedwongen zijn te leven van het vlees en vet van beren en wolven. De mens leeft, evenals alle stoffelijke wezens, ten koste van sommige andere. Zelfs onze dood wordt veroorzaakt doordat de ene groep microben wordt verslagen en verslonden door de andere groep, die zich dan op hun beurt tegen elkaar keren en elkaar opeten.

Maar de werkelijke mens is het geest-verstand, dat niets vernietigt en niet kan worden vernietigd; en het koninkrijk van de hemel bestaat noch uit vlees noch uit drank: het komt niet door te eten en ook niet door zich eten te ontzeggen – het komt uit zichzelf.

Redactie

 


Theosofische inzichten, blz. 195-6

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag