Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Spiritualisme vroeger en nu

[The Path, september 1892, blz. 190-4; oktober 1892, blz. 220-4]

– 1 –

Ik ben zelf een geest, maar verschil in sommige opzichten van die geesten waarover in deze tijd op seances wordt gesproken. Ik heb een lichaam en een stel hersenen om mee te werken, terwijl zij dat niet hebben; ik kan mijn identiteit als zoon van mijn vader bewijzen en voelen, terwijl zij dat niet kunnen; en, wat het belangrijkste is, ik heb de nodige ervaring opgedaan in de drie-eenheid van lichaam, ziel en geest – of in de stoffelijke, verstandelijke en universele natuur – terwijl zij, die geen stoffelijke zenuwen, organen voor de zintuigen, hersenen, bloed en vlees meer hebben, beperkt zijn tot een bewustzijnsgebied waar ze het moeten stellen zonder die organen van handeling en zintuiglijke waarneming die nodig zijn als men in contact wil komen met de stof en de natuur, met persoonlijke menselijke ervaring, of met de edele diepste gevoelens van de mens die naar het evenbeeld van de goden is gemaakt.

De Chinese boeken die King heten, de Zend Avesta van de vuuraanbidders, de mysterieuze Egyptische monumenten en papyrussen, de inspirerende boeken van de arya’s van India, de Griekse religies, de Romeinse verslagen en de nieuwe en oude christelijke geschriften spreken over spiritualisme, schrijven erover, verklaren haar en geven haar symbolisch weer. In de oudheid is het verheven en filosofisch, wetenschappelijk en religieus, maar in deze tijd is het spiritisme in Europa en Amerika heel alledaags, nergens op gericht, zonder een filosofie die door haar leiders wordt verkondigd, gebaseerd op feiten die zich in de loop van vele jaren hebben opgestapeld, maar zonder enige ordening, ontsierd door fraude en een dagelijks aanbod van banaliteiten voor mensen die op zoek zijn naar wonderen. Het vormt een protest tegen het christendom, maar heeft niets anders dan een onlogisch en materialistisch zomerland om een onrechtvaardige hemel te vervangen. In de oudheid raakten zijn zieners en vestaalse maagden geen geld aan, noch waren ze betrokken bij de ordinaire concurrentiestrijd om persoonlijke vooruitgang en persoonlijk genot; tegenwoordig bieden de mediums, die door hun leiders onbeschermd worden gelaten, aan om de geesten en het geestenland voor een of twee dollar aan elke klant te verkopen. Het is een beroep om je brood mee te verdienen, en betekent niet dat men zich bezighoudt met de dingen van de geest. Dat zijn de verschillen. Wordt de zaak hiermee onjuist voorgesteld?

Het soort spiritisme dat nu in het Westen gangbaar is, was in de oudheid goed bekend, maar het werd necromantie genoemd; het bestond maar was verboden. De geschiedenis van de joodse koning Saul, en vooral hoofdstuk 28 van 1 Samuel, tonen aan dat dit zo is. Saul was een medium van de geobsedeerde soort. Zijn specifieke soort duivel had muziek nodig om hem te kalmeren, muziek die door David werd verschaft, maar zelfs dan viel hij soms uit, en bij één gelegenheid wierp hij een speer naar de fluitspeler, die maar nauwelijks aan een onmiddellijke dood ontsnapte. En dat mediums gedijden wordt bewezen in het reeds genoemde hoofdstuk van 1 Samuel: ‘Saul had in het hele land een verbod uitgevaardigd op geestenbezwering en waarzeggerij’ (28:3), maar hij handhaafde het hogere spiritualisme van de urim (orakelstenen) en tummim, van de hogepriester, en van de geïnspireerde uitspraken van profeten die sober leefden en niet voor geld werkten. Saul werd getroffen door slechte tijden, en had geestelijk advies nodig. Vergeefs raadpleegde hij urim en de profeten. ‘En toen Saul de Heer raadpleegde, gaf de Heer geen antwoord, noch in dromen, noch door middel van urim, noch bij monde van profeten’ (28:6). Dus vroeg hij zijn dienaren voor hem een vrouw te zoeken die een huisgeest had, en zij noemden er een die in Endor woonde – en geen heks werd genoemd. Men moet bedenken dat slechts een paar verzen erboven een verslag staat van de dood en begrafenis van Samuel in Rama, en dus was Samuel nog niet lang begraven, en, zoals theosofen weten, waren zijn astrale overblijfselen waarschijnlijk nog niet uiteengevallen. Saul, die een medium was, voegde die dag het vasten toe aan zijn oefeningen, en zocht de vrouw in Endor op om de schaduw van Samuel op te roepen. Toen de gematerialiseerde astrale vorm van de pas overleden profeet verscheen, werd de vrouw bang en ontdekte de identiteit van Saul. Haar helderziendheid was gewekt, en volgens haar ‘zag ze goden vanaf de aarde opstijgen’. Hier waren twee krachtige mediums, de een was Saul en de andere de vrouw. Daarom was de materialisatie van de ‘geest’ heel sterk. Saul was gekomen met een hevig verlangen om Samuel te spreken, en de sterke combinatie bracht een necromantische oproeping van de schim teweeg – die zich uitdrukte door middel van de helderziendheid van beide mediums en die gebruikmaakte van de ziel en de recente geschiedenis van Saul – waardoor de koning op de hoogte werd gebracht van zijn gemakkelijk te voorspellen nederlaag en dood. Mozes had zulke seances terecht verboden. Deze, die Sauls angst en besluiteloosheid deed terugkeren, veroorzaakte een verdere verzwakking van zijn beoordelingsvermogen, zijn geweten en zijn vastberadenheid, verhaastte zijn nederlaag, en maakte een einde aan zijn regeerperiode. Dat de schim slechts Samuels astrale overblijfselen waren, is heel duidelijk omdat ze geërgerd vraagt waarom Saul haar rust had verstoord en haar had opgeroepen. Het hele verhaal is een oude beschrijving van wat er elke maand in Amerika onder de huidige bezweerders en aanbidders van de doden gebeurt. Toen Mozes zijn wetboeken schreef, waren de ‘stem van Bath-kol’ – tegenwoordig is dat de onafhankelijke stem – evenals veel andere mediamieke praktijken gangbaar, en degenen die de schimmen van de doden konden oproepen of adviezen konden geven op basis van huisgeesten, waren zo bekend bij het volk dat de wetgever zijn vaak uitgevoerde bevel ‘een heks mag niet in leven blijven’ formuleerde, iets wat zijn religieuze nakomelingen in Salem, Massachusetts, in Engeland en in Schotland, vele eeuwen later letterlijk opvolgden. In de tempel die in de woestijn was gebouwd, en ook in het permanente aan Salomo in Jeruzalem toegeschreven bouwwerk, was het Heilige der Heiligen, waar het belangrijkste medium – de hogepriester die belletjes aan zijn gewaad liet rinkelen – contact had met de leidende geest die sprak van tussen de vleugels van de cherubijnen. En in de verhalen van de talmud vertellen de joden hoe Jezus de onuitsprekelijke naam verkreeg en in bezit hield, hoewel er tegen hem werd gebruld door de tot leven gebrachte beelden die de poort bewaakten. Overal in het Oude Testament verschijnen de verschillende profeten als geïnspireerde mediums. De een werpt zich in de nacht ter aarde, en de Heer, of geest, spreekt tot hem; een ander vast 40 dagen, en daarna raakt zijn leidende engel zijn lippen aan met vuur van het altaar; Ezechiël hoort zelf het ruisen van water en het ratelen van de wielen terwijl zijn verbaasde hersenen geïnspireerde ideeën opvangen. Al deze gevallen komen overeen met onze moderne vormen, maar de oude inspiraties hebben enige betekenis en verhevenheid. Maar geen van deze oude mediums en zieners en geïnspireerde sprekers – met uitzondering van de dodenbezweerders – heeft geld aangenomen voor wat ze zagen en zeiden. Dat was het verschil tussen een profeet, of iemand met een god, en een verachte dodenbezweerder. Is het mogelijk dat de Ouden dit onderscheid maakten, waarbij ze de ene vorm toelieten en de andere veroordeelden, zonder enige kennis of goede reden?

De grote orakels van Griekenland en andere plaatsen hadden hun vestaalse maagden. Dit waren mediums door middel waarvan de ‘geesten’, zoals spiritisten zouden zeggen, antwoord gaven op de gestelde vragen. Het is waar dat geld en schenkingen bij deze instellingen binnenstroomden, maar de dienstdoende vestaalse maagden leefden niet in de wereld, ze ontvingen geen geld en konden geen vergoeding vragen, ze vergaarden geen bezittingen, ze waren vrij van ambities en van de dagelijkse onbetekenende meningsverschillen; maar hun leven werd gewijd aan het hoogste spirituele denken dat in die tijd mogelijk was, en ze werden geselecteerd op grond van hun zuiverheid. En bovendien kon men door geld of schenkingen niets afdwingen van het orakel. Als het sprak, dan was dat goed, maar als het bleef zwijgen, dan ging de vraagsteller nederig en bedroefd weer weg. Er werd niet openlijk of stilzwijgend gevraagd hoeveel geld er was gegeven. In feite gebeurde het vaak dat het orakel, nadat het had gesproken en een grote schenking had ontvangen, in een volgende uitspraak opdracht gaf om de hele schenking terug te geven.

Dit is een ander verschil tussen het oude en nieuwe spiritualisme, zoals blijkt uit de houding van de bezoeker van mediums. Vraag een van laatstgenoemden daarnaar en u zult ontdekken hoezeer er een resultaat wordt verlangd in ruil voor het voorafbetaalde geld voor een seance. Dit legt een druk op het ongelukkige schepsel dat zich aanbiedt als een kanaal tussen dit gebied en het volgende. Als er geen resultaten worden bereikt, zoals vaak het geval zal zijn, is de bezoeker ontevreden en het medium haast zich om nog een sessie aan te bieden, enigszins volgens het principe van de kwakzalvers die beloven de vergoeding terug te betalen als de zieke niet geneest.

Als we onze aandacht nu richten op India, dan hebben we het voordeel van het bestuderen van een nog bestaande traditie, hoewel ze ongetwijfeld eens de tijdgenoot was van die van de Egyptenaren van wie de joden hun magie, dodenbezwering en spiritualisme verkregen. Spiritualisme heeft bij de hindoes altijd bestaan. Ze kennen het nog steeds, zodat het zowel oud als nieuw is. Ze maakten en maken nog steeds hetzelfde onderscheid tussen de hogere soort ervan en de moderne necromantische verdraaiing. Door eeuwen van ervaring hebben de Indiërs de feiten en gevaren ontdekt, de waarde van de hogere vorm en de schade die voortvloeit uit de lagere. Het is heel juist dat we niet veel kunnen leren van de gewone lagere klassen die met oosterse passiviteit vasthouden aan de gewoonten en ideeën die door hun voorouders werden onderwezen. Maar juist die passiviteit roept voor onze ogen een groot camerabeeld op van een verleden dat tot leven komt en ademt wanneer de filosofie die de basis van de huidige geloofsovertuigingen is, wordt bestudeerd.

Vrouwen worden daar, evenals hier, vaak in bezit genomen door een ‘geest’, zoals onze spiritistische vrienden het noemen, maar deze postmortale verschijning van een directe of verre voorouder wordt door hen niet met vreugde verwelkomd. Ze verafschuwen het. Ze haasten zich naar de priester, of proberen een middel te verkrijgen, fysiek of psychisch, om de ‘geest’ uit te drijven. Ze noemen deze een bhuta, wat bij het volk ‘duivel’ betekent, maar voor de ontwikkelde klasse betekent het ‘elementaal overblijfsel’. Ze erkennen het feit en het verband tussen de bezetenheid en de overledene, maar maken niet de fout te veronderstellen dat het de bewuste, intelligente en onsterfelijke kern is van de degene die was gestorven. Evenals de oude filosofie die overal werd onderwezen, beweren ze dat deze ‘geest’ een deel is van het psychische bekleedsel dat de ziel van de overleden persoon eenmaal droeg, en hij werd evenveel gerespecteerd als alle oude kleren die door iemand waren afgedankt. Maar omdat hij tot het psychische gebied behoort en het vermogen heeft om de lagere elementen in het wezen van de mens en ook louter mechanische verborgen krachten van de natuur wakker te roepen, en geen ziel en geweten heeft, wordt hij een duivel genoemd, of beter gezegd, het woord elementaar heeft bij hen de betekenis van een duivel gekregen op basis van de schade die zijn verschijnen met zich meebrengt.

In het volgende artikel zal ik het onderzoek voortzetten en de huidige spiritistische verschijnselen, hun gevaren, hun gebruik en misbruik bespreken, en ook het oude hogere spiritualisme en de mogelijkheid om dit nieuw leven in te blazen.

– 2 –

Enkele van de geboden van Mozes – die namens Jehovah spreekt – die aan de joden over het onderwerp ‘spiritualisme’ werden gegeven, zijn niet zonder betekenis. Omdat ze een beschrijving geven van de verschillende aspecten ervan die zijn opgenomen in de wettelijke voorschriften, is het zeker dat het hele onderwerp toen zo vertrouwd was dat het, zodra ernaar werd verwezen, zonder enige uitleg kon worden begrepen. En als Mozes en zijn volk ooit echt in Egypte waren, als slaven of als inwoners van het land Gosen, konden ze er niet zijn geweest zonder kennis te nemen van veel van de spiritistische en necromantische praktijken van de Egyptenaren. In Exodus (22:18) beveelt hij ‘Een heks mag niet in leven blijven’. De heks over wie werd gesproken was een ander geval dan mensen die een huisgeest en dergelijke hadden; zij werden niet gedood. Maar een heks moet een kwaadwillende beoefenaar van occulte kunsten zijn geweest, hetzij voor geld of alleen uit boosaardigheid. In Deuteronomium (18:10-11) verwees de wetgever naar het land dat de mensen kort daarna in bezit zouden nemen, en zei: ‘Er mag bij u geen plaats zijn voor mensen die huisgeesten raadplegen, of voor tovenaars, of dodenbezweerders.’ Dit soort occulte praktijken worden dus genoemd en verboden. Er bestaat niet veel twijfel over dat de zeer krachtige geest die zichzelf ‘Jehovah’ noemt, deze aanwijzingen niet alleen gaf om de mensen in het algemeen te beschermen, maar ook om de mogelijkheid uit te sluiten dat een andere, even krachtige stamgod in contact trad met de joden en misschien de plannen van Jehovah in de war gooide.

De ‘raadplegers van huisgeesten’ waren mensen die zich op een of andere manier – door opleiding of toeval of geboorte – hadden opengesteld voor contact met enkele krachtige natuurgeesten van ofwel het vuur- of het lucht-element, van wie informatie over verschillende zaken kon worden verkregen. Met deze elementalen kan men moeilijk in contact komen, soms zijn ze vriendelijk, en soms onvriendelijk, tegen de mens. Maar ze hebben een bijzondere kennis die hen eigen is, en kunnen de innerlijke zintuigen van de mens gebruiken zodat hij antwoorden krijgt die hij op de gewone manier niet kan krijgen. Dit gebeurt ongeveer op de manier waarop een hypnotiseur in deze tijd de innerlijke mens wakker roept, en in zekere mate losmaakt van de uiterlijke mens, en laat zien dat het verborgen geheugen en de verborgen waarnemingsvermogens een veel ruimer bereik hebben dan een gezond mens gewoonlijk vertoont. Deze huisgeesten waren goed bekend bij de Ouden, en Mozes spreekt zo vanzelfsprekend over hen dat het heel duidelijk is dat ze in die periode al een lange geschiedenis hadden en geen nieuwe ontwikkeling waren. Dezelfde soort ‘huisgeest’ wordt ook vermeld in de Handelingen van de apostelen (16:10). Paulus en zijn metgezellen kwamen naar Macedonië – als men op de onzekere uitspraken over plaatsen kan vertrouwen: ‘Een andere keer, toen we op weg waren naar de gebedsplaats, kwamen we een jonge slavin tegen die bezeten was door een geest en zo de toekomst kon voorspellen. Met haar waarzeggerij verdiende ze veel geld voor haar eigenaars’ (16:16). Paulus dreef de bezettende geest uit de vrouw, waardoor hij haar eigenaars de inkomsten ontnam en de vrouw waarschijnlijk de bron van haar levensonderhoud. Dit was niet slechts een geval van gewoon mediumschap waarbij het astrale omhulsel van een overleden ziel het meisje in bezit nam, maar betrof een echte elementaal van een waarzeggende soort die Paulus door de macht van zijn menselijke wil kon uitdrijven.

De ‘huisgeest’ is niet onze hogere natuur die ons nuttige informatie geeft, maar is altijd een entiteit die buiten het menselijke gebied bestaat en niet op het menselijke gebied thuishoort. Ze zijn ook nu nog in het Oosten bekend, en communicatie met hen wordt als gevaarlijk beschouwd. Dit gevaar vloeit voort uit het feit dat ‘huisgeesten’ geen geweten hebben, omdat ze tot een natuurrijk behoren dat lager staat dan het menselijke stadium en daarom manas en het spirituele beginsel nog niet hebben ontwikkeld. Ze handelen automatisch, maar door zich te verbinden met het verstand en andere vermogens van de persoon die ze kwellen is er een schijn van verstand, onderscheidingsvermogen en intelligentie. Maar de schijn van deze vermogens doet zich ook voor bij de moderne grammofoon, die deze beslist niet heeft. Omdat ze die aard hebben, is het begrijpelijk dat de invloed die ze op de mens uitoefenen alleen gericht is op onze lagere natuur met uitsluiting van de hogere, en dus worden de morele eigenschappen na verloop van tijd verlamd. Andere resultaten treden in bepaalde gevallen op waarbij wat ‘astraal dynamiet’ kan worden genoemd, vrijkomt door het verstoren van de menselijke natuur en ook van het andere gebied, en dan worden ook anderen geschaad naast de persoon die betrokken is bij dit contact. Om deze redenen hebben de wijzen in het verleden altijd afgeraden om zich met een huisgeest in te laten.

De volgende klasse die door Mozes wordt genoemd is de tovenaar, die hoger staat dan de eerste, en overeenkomt met een heks. Dat tovenaars niet worden genoemd in het vers waarin de dood van een heks wordt bevolen, kan betekenen dat heksen vaker voorkwamen dan tovenaars, zoals tegenwoordig ‘voodoo vrouwen’ veel talrijker zijn dan ‘voodoo mannen’.

De laatste in het rijtje, die een gruwel werd genoemd, is de dodenbezweerder. Deze komt precies overeen met een moderne spiritist die de doden oproept door middel van een medium, en op die manier het astrale lijk opwekt dat men met rust had moeten laten om volledig uiteen te vallen. Mozes kreeg in Egypte en Medië zijn opleiding als een priester van de hoogste orde. In die tijd betekende dat heel wat. Het betekende dat hij volledig bekend was met de ware psychologie van de mens en kon zien waar het gevaar schuilde voor de liefhebber van deze zaken. Het is van geen enkel belang of er ooit iemand zoals Mozes heeft bestaan; het kan slechts een naam zijn, een denkbeeldige persoon aan wie deze boeken worden toegeschreven, maar de voorschriften en verboden en occulte overlevering die besloten lagen in wat hij deed en zei vormen een oud verslag van grote waarde. Toen hij dodenbezwering verbood, volgde hij slechts de aloude regels die door de ruime ervaring van veel volkeren die leefden vóór hij werd geboren, juist waren gebleken. Een oud voorbeeld van dodenbezwering werd in het eerste artikel gegeven, ontleend aan de geschiedenis van koning Saul.

Ik stel dan ook voor om wat nu ten onrechte spiritisme wordt genoemd met een andere naam weer te geven, en wel dodenbezwering. Dit is de aanbidding van de doden. Het heeft zich in de positie gebracht om zo te worden aangeduid, en de titel is noch een uitvinding noch een verkeerde voorstelling. De tijdschriften die worden gesteund door degenen die dit beoefenen en de boeken geschreven door enkele van haar beste pleitbezorgers hebben jaar in jaar uit verklaard dat de doden – als geesten – aanwezig waren op de seances; de mediums hebben gezegd dat ze werden beheerst door dode blanke mannen en vrouwen, reeds lang gestorven indianen, of baby’s, afhankelijk van de omstandigheden, en in de tijd dat het materialiseren op seances algemeen voorkwam, liet men de reeds lang, of de onlangs, gestorvenen verschijnen, zoals in het geval van Samuel die voor de ogen van de aanwezigen aan Saul verscheen; en dan, terwijl laatstgenoemden vol verbazing toekeken, verdween de verschijning uit het gezicht. En dit bleef ook niet beperkt tot het gewone publiek zonder wetenschappelijke kennis. Wetenschappers hebben het beoefend. Prof. Crookes verklaarde dat in zijn aanwezigheid de ‘geest Katie King’ zich zo sterk materialiseerde dat deze evenveel tekenen van dichtheid van het vlees en gewicht van het lichaam te zien gaf als een levend persoon. Het is daarom niets anders dan dodenbezwering, en de volgende vraag die moet worden beantwoord is of ze, zoals Mozes zei, een gruwel is. Als ze tot niets dan het goede leidt; als ze communicatie blijkt te zijn met de geest – waarbij het woord in de hoogste zin wordt gebruikt; als ze geen verlagend effect blijkt te hebben; als ze vanuit de wereld van de geest, waar volgens de spiritist alle kennis bestaat, die dingen brengt die de menselijke kennis uitbreiden en de beschaving bevorderen; als ze bijdraagt aan onze kennis over de complexe aard van de mens als een psychisch wezen; als ze een nieuwe ethische code heeft gegeven of een substantiële, logische en wetenschappelijke basis voor de ethiek die door Boeddha en Jezus werd verkondigd, dan is ze geen gruwel, hoewel nog steeds dodenbezwering.

Veertig jaar of langer heeft men in Europa en Amerika deze dodenbezwering duidelijk gecultiveerd; een tijd die voor elk tweetal onderzoekers in andere studierichtingen lang genoeg is om goede intellectuele resultaten te kunnen laten zien. Wat heeft de geschiedenis van deze jaren ons opgeleverd? Ze bevat slechts een morbide soort verlangen naar wonderen en een wildernis van ongeordende verschijnselen, waarbij laatstgenoemde door ‘geesten’ of spiritisten nu nog net zo weinig zijn verklaard als toen ze plaatsvonden. Zo kan men de resultaten van die 40 jaar in grote lijnen omschrijven. Voordat ik verder inga op het onderwerp zoals het hierboven is geschetst, zal ik dit artikel besluiten door te wijzen op een eerste belangrijke tekortkoming van de moderne dodenbezwering, namelijk de tekortkoming en de smet dat mediums voor hun werk geld krijgen van degenen die hen raadplegen.

Nog geen tien jaar geleden werd in Chicago en New York een syndicaat opgericht om zilvermijnen te exploiteren op basis van het advies van de ‘geesten’. In elke stad werd een medium geraadpleegd en kreeg een schamele beloning voor de zittingen. De leidende ‘geest’ besliste over de investeringen en veel van de activiteiten. Aandelen werden uitgegeven, verkocht en gekocht. Het bekende resultaat dat de onderneming voor de investeerders niets dan verlies opleverde, is hier van weinig betekenis, hoewel het in een ander kader belangrijk is. Maar vóór de uiteindelijke ineenstorting werd er een zeker bedrag verdiend door verkopen en aankopen. Aan het arme medium werd heel weinig uitbetaald, en het valt te betwijfelen of meer dan de normale dagprijs zou zijn betaald zelfs als de gouden beloften van de ‘geesten’ volledig waren uitgekomen. Dit alles werd in andere gevallen tientallen keren herhaald.

Er zijn een paar geïsoleerde gevallen bekend van een zogeheten medium dat op zakelijk gebied een lange reeks aanwijzingen gaf die een succesvol resultaat opleverden. Een van deze gevallen betrof handelingen op de beurs in New York. Maar ze betroffen allemaal het ‘raadplegen van een huisgeest’, en kwamen helemaal niet overeen met het werk van een gewoon medium. Als ze daarmee zouden overeenkomen, dan moeten we verwachten dat zulke successen veel voorkomen, terwijl in de geschiedenis van mediums het tegendeel een feit is. De mate waarin zelfs nu het mediumschap wordt gebruikt om op verzoek van beursmakelaars in New York en Chicago voorspellingen te doen over de stijgingen en dalingen van aandelen van spoorwegmaatschappijen en graanprijzen in die steden, zou degenen die denken dat ze deze heren goed kennen, verbaasd doen staan.

Dat is de grote vloek van de Amerikaanse rage die spiritistisch wordt genoemd, en pas als deze volledig is verwijderd, ongeacht de prijs die daarvoor moet worden betaald, zullen we het ware spiritualisme zien opkomen. Paulus had gelijk toen hij het meisje in Macedonië verloste van haar huisgeest, zelfs als ze daardoor haar werk verloor en haar eigenaars hun inkomsten. Als spiritisten het financiële element niet uit hun onderzoek willen bannen, dan zou het goed zijn als er een Paulus zou opstaan die met één golfbeweging van zijn hand alle openbare mediums in het land het vermogen zou ontnemen om visioenen te zien, berichten van doden of levenden te vernemen, of op een andere manier hun praktijken voort te zetten. De kleine hoeveelheid individueel leed die daarvan het gevolg zou zijn, zou meer dan gecompenseerd worden door de grote onmiddellijke en toekomstige voordelen.

Een belichaamde geest

 


Theosofische inzichten, blz. 218-27

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag