Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Reïncarnatie in de Bijbel

[The Path, december 1892, blz. 280-3]

We zijn niet van plan dit onderwerp hier uitputtend te behandelen, maar zelfs een kort overzicht zal aantonen dat de reïncarnatieleer in de christelijke Bijbel is te vinden. Natuurlijk zullen zij die zich alleen houden aan wat de kerk tegenwoordig over de mens, zijn natuur en zijn lotsbestemming leert, niet snel een ander stelsel dan het theologische aannemen; maar er zijn veel mensen die, hoewel ze niet kerkelijk zijn, toch trouw blijven aan het oude boek waaruit ze werden onderwezen.

In de eerste plaats moet men bedenken dat de schrijvers van de bijbelboeken, enkelen uitgezonderd, joden waren en dat Jezus, de stichter van het christendom, zelf een jood was. Als men zijn uitspraken onderzoekt, blijkt dat hij dacht dat zijn opdracht alleen de joden betrof en niet de heidenen. Hij zegt: ‘Ik ben alleen naar de verloren schapen van het geslacht van Israël gestuurd.’ Dit verwijst duidelijk naar de joden en sluit de heidenen even duidelijk uit. Bij een bepaalde gelegenheid weigerde hij een tijd lang iets voor een heidense vrouw te doen, tot hij door haar aandringen wel moest handelen; en ook toen verwees hij naar zijn opdracht met betrekking tot de joden. Daarom moeten we, wanneer we deze zaken onderzoeken, ook nagaan wat de gangbare geloofsopvattingen in die tijd waren. De joden geloofden toen zonder twijfel in reïncarnatie. Deze leer werd door hen even algemeen aangenomen als tegenwoordig in India, en Jezus moet haar gekend hebben. Dit moeten we om twee redenen aannemen: ten eerste omdat de christenen beweren dat hij de zoon van God is en alomvattende kennis bezat, en ten tweede omdat hij kennis had verworven die hem in staat stelde met de schriftgeleerden van gedachten te wisselen. De reïncarnatietheorie was in die tijd al heel oud, en de boeken van het Oude Testament tonen dit aan.

In Spreuken vinden we deze leer wanneer Salomo zegt dat hij vanaf het begin bij de schepper was en dat de mensheid en de bewoonbare plaatsen van de aarde hem (Salomo) vreugde schonken. De verklaring dat hij bedoelde dat hij in de vooruitziende blik van de schepper bestond, is uitgesloten omdat hij spreekt over zijn leven op aarde met de mensen. Bovendien zouden Elia en veel andere beroemde figuren werkelijk op aarde terugkomen, en op bepaalde momenten verwachtte het hele volk hun terugkeer. Adam zou zijn gereïncarneerd om het werk voort te zetten waarmee hij zo’n slecht begin had gemaakt, en Seth, Mozes en anderen waren als verschillende grote figuren in latere eeuwen gereïncarneerd. Het land van de joden is een oosters land, en oosterlingen geloofden altijd in de leer van de wedergeboorte van stervelingen. Er werd niet altijd over gesproken bij de dood of wedergeboorte van gewone mensen, maar deze leer kwam wel duidelijk ter sprake wanneer de namen van grote profeten, zieners en wetgevers werden genoemd. Als onze lezers een ontwikkelde jood die niet ‘hervormd’ is hierover raadplegen, zullen ze veel te weten komen over deze leer van dat volk.

Als we nu spreken over de tijd van Jezus, dan heeft al het bovenstaande invloed gehad op wat hij heeft gezegd. En als wat hij zei niet strookt met de opvattingen van de kerk, dan moeten deze natuurlijk worden verworpen, anders maken we ons schuldig aan twijfel over de wijsheid van Jezus en over zijn vermogen een grote beweging te leiden. En dit is in feite de houding van de kerk, want ze heeft dogma’s verkondigd en leringen veroordeeld zonder daartoe enig recht te hebben, en ze heeft de banvloek uitgesproken over sommige leringen die Jezus zelf onderschreef.

Toen men bij Jezus een man bracht die blind was geboren, vroegen de discipelen zich natuurlijk af waarom hij op die manier door de Almachtige was gestraft, en ze stelden Jezus de vraag of hij blind was geboren omdat hij zelf een zonde had begaan, of zijn ouders. Die vraag bewijst dat ze reïncarnatie volkomen aanvaardden, want het is duidelijk dat die man volgens hen eerder moet hebben geleefd om de zonde te hebben begaan waarvoor hij toen werd gestraft. En als de leer onjuist en verderfelijk was, zoals de kerk heeft verklaard door haar te veroordelen, dan moet Jezus hebben geweten dat ze onjuist is, en had hij de gelegenheid die theorie te ontkennen en te verwerpen, en eens en voor altijd zijn veroordeling erover uit te spreken. Maar dat heeft hij niet gedaan. Hij ging er niet op in en zei alleen dat de blindheid in dit geval aan andere oorzaken was te wijten. Hij ontkende de mogelijkheid niet.

Maar toen Johannes de Doper, die zogezegd Jezus tot zijn ambt had geroepen, door de heerser van het land werd gedood en dit bericht aan Jezus werd meegedeeld, heeft Jezus de reïncarnatieleer duidelijk bevestigd. Toen hij er niet op in ging in het geval van de blind geboren man blijkt dit dus geen weigering te zijn geweest om die leer te erkennen. Jezus bevestigde die leer en ook de oude denkbeelden over de terugkeer op aarde van de profeten door te zeggen dat de heerser Johannes had gedood zonder te weten dat hij, Johannes, Elia was ‘die zou komen’.

Bij een andere gelegenheid kwam hetzelfde onderwerp bij Jezus en zijn discipelen ter sprake toen ze het hadden over de komst van een boodschapper vóór Jezus. De discipelen begrepen het niet en zeiden dat eerst Elia als boodschapper moest komen, en Jezus antwoordde duidelijk dat Elia al was gekomen in de persoon genaamd Johannes de Doper. Dit zou voor Jezus het juiste moment zijn geweest om de leer te verwerpen, maar hij bevestigt haar daarentegen openlijk en onderwijst haar, of beter gezegd, geeft er een toepassing van met betrekking tot bepaalde personen op een voor de discipelen heel interessante en leerzame manier, omdat ze niet genoeg inzicht hadden om te kunnen zeggen wie iemand in zijn onsterfelijke, werkelijke natuur was. Maar Jezus, die een ziener was, kon in het verleden kijken en hun precies zeggen welke historische figuur iemand vroeger was geweest. Zo gaf hij hun bijzonderheden over Johannes, en we moeten aannemen dat hij er nog meer noemde dan aan ons zijn doorgegeven in de natuurlijk onvolledige geschriften waarvan erkend wordt dat ze het verhaal van de daden en woorden van Jezus slechts gedeeltelijk weergeven.

Het moet nu duidelijk zijn dat de kerk en Jezus lijnrecht tegenover elkaar staan. De kerk heeft de leer die Jezus verkondigde, veroordeeld. Wie heeft er gelijk? De ware gelovige in Jezus moet antwoorden dat het Jezus is; de kerk zal zeggen dat zij gelijk heeft. Want als men reïncarnatie onderwees, zouden alle mensen op voet van gelijkheid worden geplaatst, en daardoor zou de macht van de menselijke heersers over hemel en aarde onmiddellijk worden verzwakt. Een zo belangrijke leer als deze zou Jezus niet over het hoofd hebben kunnen zien. En als ze verkeerd was, zou het zijn plicht zijn geweest haar te veroordelen; we moeten aannemen dat hij dit zou hebben gedaan als ze niet volkomen juist was. En omdat hij verder ging, zelfs zover dat hij haar bevestigde, draagt ze voor altijd het zegel van zijn goedkeuring.

Johannes, schrijver van de Openbaring, geloofde er natuurlijk ook in, daarom vinden we in zijn boek een vers waarin staat dat de stem van de Almachtige verklaarde dat de mens die zou overwinnen ‘niet meer zou uitgaan’ uit de hemel. Dit is alleen maar retoriek als reïncarnatie moet worden ontkend; maar het wordt duidelijk als we aan deze woorden de betekenis geven dat de mens die door voortdurende inspanning en vele levens ten slotte erin slaagt de illusies van de stof te overwinnen, niet meer naar een leven op aarde hoeft terug te keren, maar vanaf dat moment zal hij een steunpilaar zijn, of wat theosofen een ‘dhyani-chohan’ noemen. En dit is precies de oude oosterse leer op dit punt.

Ook Paulus geeft de reïncarnatieleer in zijn brief waarin hij over Jacob en Ezau zegt dat de Heer de een liefhad en de ander haatte vóór ze werden geboren. Het is duidelijk dat de Heer een wezen dat niet bestaat, niet kan liefhebben of haten, en dat Paulus hiermee bedoelde dat Jacob en Ezau in hun vorige leven respectievelijk goed en slecht waren geweest, zodat de Heer – of karma – de een liefhad en de ander haatte, vóór ze als mensen bekend onder de naam Jacob en Ezau werden geboren. En Paulus sprak hier over hetzelfde als de oude profeet Maleachi, in strikte overeenstemming met de toen gangbare denkbeelden. Na Paulus en de apostelen kwamen de eerste kerkvaders, en velen onder hen onderwezen deze leer. Origenes was de grootste onder hen. Hij verkondigde haar nadrukkelijk, en met het oog op de invloed van zijn denkbeelden achtte het Concilie van Constantinopel, 500 jaar na Jezus, het gepast om de reïncarnatieleer als verderfelijk te veroordelen. Deze veroordeling werd uitgesproken omdat de kerkvaders onwetende mensen waren; de meesten van hen waren heidenen die zich niet interesseerden voor oude leringen, en ze zelfs verafschuwden. Zo gebeurde het dat deze leer uit de algemeen bekende leringen verdween en ten slotte voor het Westen verloren ging. Maar ze moet opnieuw worden ingevoerd, want het is een van de geloofsovertuigingen van de stichter van het christendom en omdat ze een vaste en hechte basis voor ethiek biedt, is ze in feite de belangrijkste van alle theosofische leringen.

William Brehon

 


Theosofische inzichten, blz. 235-8

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag