Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Een commentaar op de Gayatri

[The Path, januari 1893, blz. 301-3]

U die voedsel schenkt aan het heelal, van wie alles uitgaat, naar wie alles terugkeert, onthul dat gelaat van de werkelijke zon, dat nu door een vaas van gouden licht verborgen is, opdat we de waarheid zullen zien en op onze reis naar uw heilige zetel onze hele plicht zullen vervullen.     – De Gayatri1

1Noot vert.: Deze verzen, ook Savitri genoemd, staan in de Rig-Veda, 3:62:10. In het Sanskriet luiden ze: Om, bhur bhuvah svah! Tat savitur varenyam bhargo devasya dhimahi dhiyo yo nah prachodayat.

Ik heb de hierboven gegeven vertaling genomen, omdat ze uitmunt door de manier waarop ze de betekenis van deze versregels weergeeft. Wat is de Gayatri? Het is het heilige vers van de hindoes en het begint met Om, hun heilige woord en letter. De eerste woorden ervan zijn: Om, bhur, bhuvah, svah!

Het eerste woord verwijst naar de drie perioden van een manvantara en de drie vermogens van dat grote wezen dat als enige is. Van een manvantara is het het begin, het midden en het einde, en de drie vermogens zijn schepping (of manifesteren), instandhouding (of voortzetten) en vernietiging. De drie woorden, bhur, bhuvah, svah, vestigen de aandacht op en verwijzen naar de drie werelden (aarde, tussenwereld, hemel). Het hele vers is een aspiratie in de hoogste zin. Iedere brahmaan wordt bij zijn inwijding verder in dit vers onderwezen, maar noodzakelijkerwijs ben ik ervan ontheven om daarop in te gaan, want ik kan het niet op een manier doorgeven waarop ik het zelf niet heb ontvangen.

Onthul is de roep van een mens die vastbesloten is de waarheid te leren kennen, en die beseft dat iets haar voor hem verbergt. Ze is verborgen door zijn eigen karmische gevolgen, die hem nu in een situatie hebben gebracht waar de hersenen en de verlangens zo sterk zijn dat het hogere zelf niet erdoorheen kan schijnen, zolang hij achteloos en onwetend blijft. De roep wordt niet gericht tot een door mensen gemaakte god met ledematen, hartstochten en eigenschappen, maar tot het hogere zelf, dat in het verborgene ziet en aan het licht brengt. Deze roep is gericht tot dat waarop het heelal is gebouwd en is gebaseerd, tot geen ander dan het zelf dat in ieder mens is en dat zit als een vogel in een boom die toeziet terwijl een andere vogel van de vruchten eet.

Vanuit dit zelf komt het hele universum tot manifestatie. Volgens de Ouden bestaan alle dingen in feite slechts als denkbeeld, en dus werd aan hem die yoga beoefent onderwezen, en zag deze dit al snel ook zelf in, dat de zon, de maan en de sterren in hemzelf zijn, en zolang hij dit niet leerde kon hij geen vooruitgang maken. Deze leer is heel oud, maar wordt nu door veel moderne denkers aangenomen. Want ze komen door nadenken tot het inzicht dat geen voorwerp het oog binnengaat, en dat alle voorwerpen, of we ze waarnemen door het gezicht, het gevoel of een ander zintuig, alleen als denkbeeld bestaan. Vanouds werd dit op twee manieren aangetoond. Ten eerste door de leerling duidelijk te maken dat werelden elkaar in feite wederzijds doordringen; dus terwijl wij hier leven te midden van die dingen die door ons objectief worden genoemd, leven andere wezens evenzo in en te midden van ons en onze voorwerpen en verrichten daarin in feite hun werkzaamheden, en nemen de voorwerpen op hun gebied objectief waar, en worden helemaal niet beïnvloed door en zijn ongevoelig voor ons en de voorwerpen die wij als zo stoffelijk beschouwen. Dit is nu niet minder waar dan toen. En als het niet waar was, zouden modern hypnotisme, helderziendheid en helderhorendheid onmogelijk zijn. Dit werd op een tweede manier aangetoond, precies zoals bij de mesmerische en hypnotische experimenten, maar daaraan werd nog het vermogen toegevoegd om de proefpersoon naast zichzelf te laten staan en zijn eigen toestand met een tweeledig bewustzijn te laten waarnemen. Want indien een houten schot in het gezichtsveld van een proefpersoon werd geplaatst, nam deze het duidelijk waar en wist hij dat het van hout was, ondoordringbaar voor het gezicht en een belemmering voor vrije beweging, maar als hij was gehypnotiseerd, zag hij het niet, maar kon alle voorwerpen daarachter, die in zijn normale toestand voor hem verborgen waren, wel waarnemen; en wanneer hij ertegen drukte terwijl hij dacht dat daar niets dan lucht was, en toch weerstand ondervond, en niet verder kon reiken, was hij verwonderd waarom de lucht zijn lichaam tegenhield. Dit is zowel een modern als een oeroud voorbeeld. Het toont duidelijk de denkbeeldige aard van objectiviteit aan. Objectiviteit is slechts relatief een werkelijkheid, want het denkvermogen ziet geen enkel voorwerp maar alleen het denkbeeld ervan, en het is door zijn eigen evolutie op dit moment beperkt, tot het andere vermogens en eigenschappen zal hebben ontwikkeld.

Het verzoek dat in de versregel wordt gedaan om het gelaat van de ware zon te onthullen, is dat het hogere zelf in ons zal neerstralen en zijn werk van verlichting doen. Dit brengt bovendien een natuurfeit naar voren dat aan de moderne mens onbekend is, namelijk dat de zon die we zien niet de werkelijke zon is; en het betekent ook dat het licht van het intellect niet de werkelijke zon van onze ethische aard is. Onze voorouders in het grijze verleden wisten hoe ze door middel van de zichtbare zon de krachten van de werkelijke zon tevoorschijn konden roepen. We zijn dit tijdelijk vergeten, omdat onze evolutie en onze neerdaling in de hel van stof, om het geheel te beschermen, daartussen een scherm hebben geplaatst. In christelijke landen zegt men dat Jezus drie dagen in de hel afdaalde. Dit is juist, maar geldt niet alleen voor Jezus. De mensheid doet dit gedurende drie dagen – wat alleen de mystieke manier is om uit te drukken dat we in de stof moeten afdalen gedurende drie perioden die zo enorm lang duren dat aan elke periode de logaritme van één dag wordt gegeven. Logaritmen waren niet het eerst aan Napier bekend, maar ze werden in de zuivere vorm van de mysteriën onderwezen, omdat bepaalde berekeningen met enorm grote getallen alleen op die manier konden worden gemaakt.

Dat nu door een vaas van gouden licht is verborgen. Dat wil zeggen, het licht van de werkelijke zon – het hogere zelf – is verborgen door het bloed dat zich in de vaas van het sterfelijke lichaam bevindt. Het bloed heeft twee aspecten waarop hier niet verder wordt ingegaan: aan de ene kant helpt het bij het waarnemen, aan de andere kant vormt het een belemmering. Maar hier betekent het de hartstochten en begeerten, kama, het persoonlijke zelf, de dorst naar het leven. Hierdoor wordt het werkelijke licht voor ons versluierd. Zolang begeerte en de persoonlijkheid sterk blijven, zal het licht vaag blijven, en zolang zullen we woorden aanzien voor kennis en kennis voor datgene wat we willen weten en waarvan we ons bewust willen worden.

Het doel van dit gebed is dat we onze hele plicht zullen vervullen, nadat we de waarheid hebben leren kennen, terwijl we op weg zijn naar uw heilige zetel. Dit is onze pelgrimstocht, niet van een eenling, niet zelfzuchtig, niet alleen, maar van de hele mensheid. Want de heilige zetel is niet de brahmaanse hemel van Indra, noch de christelijke, egoïstische hemel die zonder verdienste wordt verkregen terwijl zij die hem verdienen in de hel lijden. Het is die plaats waar allen samenkomen, de enige plaats waar allen één zijn. Het is waar en wanneer de drie verheven klanken van het eerste woord van het gebed in één klankloze klank versmelten. Dit is het enige juiste gebed, de enige verlossende aspiratie.

Een onbekende brahmaan

 


Theosofische inzichten, blz. 243-6

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag