Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

De adepten
Enkele bezwaren en een antwoord erop

[The Path, januari 1893, blz. 317-19]

Hieronder zal ik enkele bezwaren die worden gemaakt tegen de theorie van het bestaan van adepten kort weergeven, en de antwoorden die erop zouden kunnen worden gegeven. De bezwaren hebben diverse gronden, en betreffen zowel de termen meesters en mahatma’s als andere betitelingen.

Het begrip ‘meesters’ zou verwerpelijk zijn omdat het niet strookt met de republikeinse gezindheid, met democratie of individualisme.

Maar meester komt van magister, hij die een leraar is, degene die de wet uitlegt en toepast; vandaar magistraat. In feite heeft iedereen een meester, of het nu een fysieke, mentale of morele meester is; en deze tegenwerping is slechts het oude en dwaze vertoon van minachting voor regelgeving van een regering waaraan Amerika al langgeleden wist te ontsnappen.

Anderen maken het bezwaar dat ze nooit een adept hebben gezien. Dit zou net zo goed kunnen gelden voor de bewering dat Napoleon, of een andere persoon, die iemand niet heeft gezien, niet zou hebben bestaan en met meer overtuigingskracht. Want er was maar één Napoleon, terwijl er vele adepten hebben bestaan en nog steeds bestaan. Alle volkeren in de oudheid hebben verhalen over adepten; de tegenwoordige hindoes hebben die ook; veel middeleeuwse schrijvers en de overleveringen uit die tijd zien hun bestaan als een vaststaand feit; de overleveringen van alle landen die niet zo nieuw als dit land zijn, bevatten soortgelijke getuigenissen; de Chinese, Tibetaanse, Birmese, en andere oosterse volkeren spreken over zulke personages, terwijl Chinese, boeddhistische en hindoeïstische literatuur bol staat van de getuigenissen. Om deze gedachte te steunen bestaat er dus een hoeveelheid menselijke verklaringen die groter is dan die welke beweren dat Bonaparte ooit over Europa zou hebben geheerst. Ten slotte bevestigen verschillende Europeanen en Amerikanen van goede reputatie, leden van de Theosophical Society, op basis van eigen ervaring het bestaan van deze adepten.

De moderne criticus zegt ook: Ten eerste, ‘Waarom komen deze adepten niet tevoorschijn om de nieuwsgierigheid naar hen te bevredigen als ze mensen zijn?’ Deze vraag komt voort uit dezelfde geest die leidt tot op sensatie beluste, ordinaire en bemoeizuchtige kranten die de persoonlijke details van ieders leven breed uitmeten voor het publiek, omdat dat door datzelfde publiek wordt verlangd. Ten tweede, ‘Waarom komen ze niet tevoorschijn om het kwaad te vernietigen als ze over zulke enorme vermogens beschikken?’ De adepten hebben verklaard dat er geen andere kracht bestaat om het kwaad te vernietigen dat de mens zelf heeft geschapen dan de inspanningen die de mens doet om zichzelf te zuiveren. Ten derde, ‘Waarom komen ze niet tevoorschijn en maken ze een einde aan alle misstanden? Ten vierde, ‘Waarom vermenigvuldigen ze het voedsel niet in tijden van hongersnood?’

Verschillende antwoorden op deze vragen zijn:

(a) De aard van de tegenwoordige mensheid is het resultaat van evolutie, en alleen een evolutie die op een gedisciplineerde manier wordt geleid kan verandering teweegbrengen door vervolmaking, verfijning en zuivering.

(b) Het is belachelijk dat de westerse volkeren van de adepten verlangen dat ze voedsel vermenigvuldigen want iedereen weet dat er altijd genoeg voedsel is – ongebruikt of door op winst beluste mensen bewaard – om alle hongerigen te voeden.

(c) Als er toch voedsel in de westerse wereld zou worden vermenigvuldigd, zouden zij die dat zouden doen in de gevangenis worden geworpen en als misdadigers worden gezien, want het is duidelijk dat meteen zou worden gezegd dat het voedsel gestolen moet zijn, of er zou een aanklacht volgen dat het de handel verstoort. In 1892 stalen hongerige mensen in Berlijn brood uit winkels en werden gestraft voor diefstal. De moraal en de conclusie werken duidelijk in het nadeel van de criticus.

(d) Niemand kan weerleggen dat adepten in oosterse landen in tijden van hongersnood voedsel hebben vermenigvuldigd in een tijd waarin veroordeling en vervolging niet op zo’n daad volgden.

(e) Terwijl de adepten toegeven dat ze over grote krachten beschikken, maken ze er geen aanspraak op de menselijke natuur te kunnen veranderen op welke manier dan ook, behalve door de werking van evolutie en altijd strikt overeenkomstig de wet van rechtvaardigheid.

(f) De adepten verschijnen niet in het openbaar en presenteren zich niet aan de wereld om redenen die hierboven zijn genoemd, en ook omdat de cyclus zijn beloop moet hebben, want indien zij zich op het verkeerde tijdstip zouden bekendmaken, zou er een verkeerd resultaat worden teweeggebracht, zoals een bepaalde noot, die op zichzelf goed is, op het verkeerde moment of op de verkeerde plaats of als ze niet in harmonie is, een dissonant veroorzaakt. Deze verklaring geeft de reden die kan worden afgeleid uit de wet van de cyclussen.

Waarmee houden de adepten zich dan bezig? Het is onmogelijk al hun activiteiten te noemen. Maar voor een deel bestaan die uit:

(a) Het geven van hulp aan alle goede bewegingen door achter de schermen op mensen in te werken door een mentale invloed.

(b) Het trainen van zoveel mogelijk mannen en vrouwen die er geschikt voor zijn, zodat zij in hun volgende incarnatie in de wereld actief en toegewijd kunnen werken aan het welzijn van de menselijke familie.

(c) Het verspreiden van een levensfilosofie door op vele plekken – die hier niet kunnen worden genoemd – impulsen te geven die geleidelijk het denken van de mensheid zullen beïnvloeden en in het bijzonder de actieve, imperialistische westerse volkeren, en daardoor alle mensen voor te bereiden op verandering en verdere ontwikkeling tot het kwade verdwijnt en er weer betere dagen en mensen verschijnen.

William Brehon

 


Theosofische inzichten, blz. 246-8

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag