Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Aforismen over karma

[The Path, maart 1893, blz. 366-9]

De volgende aforismen, naast andere die nog niet worden gebruikt, werden door leraren, onder wie H.P. Blavatsky, aan mij gegeven. Sommige waren geschreven, andere werden op andere manieren doorgegeven. Mij werd meegedeeld dat ze afkomstig zijn van manuscripten die nu voor het grote publiek niet toegankelijk zijn. Elk ervan werd aan mijn oordeel en gezonde verstand voorgelegd. En zoals ze zich, na serieuze overdenking en niet op basis van een autoriteit, voor mijn gezonde verstand hebben bewezen, evenzo hoop ik dat ze de goedkeuring krijgen van mijn collega-theosofen voor wie ik ze nu publiceer.    – William Q. Judge

(1) Er is geen karma, tenzij er een wezen is dat het maakt of de gevolgen ervan ondergaat.

(2) Karma is de vereffening van gevolgen die uit oorzaken voortvloeien; en het wezen op wie en door wie die vereffening uitwerkt, ervaart dan pijn of vreugde.

(3) Karma is een nooit wijkende en nooit dwalende neiging in het heelal om het evenwicht te herstellen, en werkt onophoudelijk.

(4) Wanneer dit herstellen van evenwicht lijkt op te houden is dat het gevolg van de noodzakelijke vereffening van een verstoring op een andere plaats of in een ander brandpunt die alleen voor een yogi, een wijze of een volmaakte ziener zichtbaar is; er is dus geen sprake van ophouden, maar alleen van versluiering.

(5) Karma werkt in op alle dingen en wezens, van het kleinst denkbare atoom tot Brahma. Het is werkzaam in de drie werelden van mensen, goden en elementalen, en geen plekje van het gemanifesteerde heelal blijft vrij van de invloed ervan.

(6) Karma is niet onderworpen aan tijd; daarom zal hij die de uiteindelijke verdeling van de tijd in dit heelal kent, karma kennen.

(7) Voor alle andere mensen is de ware aard van karma onbekend en onkenbaar.

(8) Maar de werking ervan kan worden gekend door uit de oorzaak het gevolg af te leiden; en deze afleiding is mogelijk omdat het gevolg in de oorzaak besloten ligt en niet slechts op de oorzaak volgt.

(9) Het karma van deze aarde is de verzameling van daden en gedachten van alle wezens van elke graad die betrokken waren bij het vorige manvantara of de evolutiestroom waaruit de onze voortvloeit.

(10) En omdat tot die wezens zowel ‘Heren van macht’ en heiligen, als zwakken en verdorvenen behoren, leeft de aarde langer dan elke entiteit of ras dat zich erop bevindt.

(11) Omdat het karma van deze aarde en haar levensgolven in een tijd begon die te ver terug ligt om door het menselijk verstand te kunnen worden bevat, is de vraag naar het begin ervan zinloos.

(12) Karmische oorzaken die al in beweging zijn gezet moeten de kans krijgen verder tot uitdrukking te komen tot ze zijn uitgeput, maar dit geeft niemand de vrijheid om zijn medemensen en elk ander levend wezen hulp te weigeren.

(13) De gevolgen kunnen worden geneutraliseerd of verzacht door de gedachten en daden van de persoon zelf of van een ander, en dan vertegenwoordigen de daaruit voortvloeiende gevolgen de combinatie van en wisselwerking tussen alle oorzaken die betrokken zijn bij het voortbrengen van de gevolgen.

(14) In het leven van werelden, volkeren, landen en individuen kan karma niet werken tenzij er een geschikt instrument voor de werking ervan wordt verschaft.

(15) En totdat een dergelijk geschikt instrument wordt gevonden, blijft het betreffende karma onuitgewerkt.

(16) Terwijl een mens karma ondergaat door middel van het verschafte instrument, wordt zijn overige onuitgewerkte karma niet door andere wezens of middelen uitgeput, maar wordt bewaard voor toekomstige uitwerking; en het tijdsverloop waarin geen werking van dat karma wordt ondergaan, vermindert de kracht ervan niet en verandert evenmin de aard ervan.

(17) De geschiktheid van een instrument voor de werking van karma zit in de nauwe band en relatie tussen enerzijds het karma en anderzijds het lichaam, de geest, de verstandelijke en de psychische natuur die door het ego in een bepaald leven voor zijn gebruik zijn verworven.

(18) Elk instrument dat door een ego in een bepaald leven wordt gebruikt is geschikt voor het karma dat erdoor werkt.

(19) Er kunnen tijdens een leven veranderingen in het instrument plaatsvinden om het geschikt te maken voor een nieuwe categorie van karma, en dat kan op twee manieren gebeuren: (a) door de intensiteit van het denken en de kracht van een gelofte en (b) door natuurlijke wijzigingen als gevolg van een volledige uitputting van oude oorzaken.

(20) Omdat lichaam, geest en ziel elk het vermogen tot onafhankelijk handelen bezitten, kan elk van deze, los van de andere, sommige karmische oorzaken uitputten die verder van of dichter bij de tijd van hun ontstaan liggen dan die welke via andere kanalen werken.

(21) Karma is zowel barmhartig als rechtvaardig. Barmhartigheid en rechtvaardigheid zijn slechts de tegengestelde polen van één enkel geheel, en bij werkingen van karma is barmhartigheid zonder rechtvaardigheid niet mogelijk. Wat de mens barmhartigheid en rechtvaardigheid noemt, is onvolkomen, misleidend en onzuiver.

(22) Karma kan van drieërlei aard zijn: (a) op dit moment werkzaam in dit leven door middel van geschikte instrumenten; (b) dat wat wordt gemaakt of wordt opgeslagen om in de toekomst te worden uitgeput; (c) karma dat uit een vorig leven of uit vorige levens is overgebleven en nog niet werkzaam is omdat het wordt tegengehouden door de ongeschiktheid van het instrument dat het ego in gebruik heeft of door de kracht van het karma dat nu uitwerkt.

(23) Drie werkterreinen worden door karma in ieder wezen gebruikt: (a) het lichaam en de omstandigheden; (b) de geest en het verstand; (c) de psychische en astrale gebieden.

(24) Overgebleven karma of huidig karma kan, elk afzonderlijk of beide tegelijk, werkzaam zijn op alle drie karmische werkterreinen tegelijk, of op één van deze terreinen kan een ander soort karma, verschillend van dat wat gebruikmaakt van de andere terreinen, tegelijkertijd werken.

(25) Geboorte in een bepaald soort lichaam en het ontvangen van de vruchten van een bepaald soort karma zijn het gevolg van het overheersen van een bepaalde lijn van karmische neigingen.

(26) Karmische neigingen beïnvloeden de incarnatie van een ego, of familie van ego’s, gedurende ten minste drie levens, wanneer er geen maatregelen worden genomen om deze te beteugelen, uit te schakelen of te neutraliseren.

(27) Maatregelen die door een ego worden genomen om persoonlijke neigingen te beteugelen, tekortkomingen te overwinnen, en om ze te neutraliseren door andere oorzaken in beweging te zetten, zullen de karmische neigingen veranderen en hun invloed verminderen overeenkomstig de kracht of zwakte van de inspanningen die worden verricht om deze maatregelen uit te voeren.

(28) Niemand behalve een wijze of een echte ziener kan het karma van een ander beoordelen. Vandaar dat, hoewel ieder krijgt wat hem toekomt, de schijn kan bedriegen en geboorte in armoede of in zware beproevingen geen straf voor slecht karma hoeft te zijn, want ego’s incarneren voortdurend in armzalige omstandigheden waarin ze moeilijkheden en beproevingen ondergaan, die dienen voor de discipline van het ego, en kracht, vastberadenheid en medeleven tot gevolg hebben.

(29) Het ras-karma beïnvloedt elke eenheid in het ras door middel van de wet van verdeling. Het nationale karma werkt gerichter in op de leden van het land door diezelfde wet. Het familie-karma heerst alleen in een land waarin de families zuiver en afzonderlijk zijn bewaard; want in een land waarin sprake is van vermenging van families – zoals gebruikelijk is in elke kaliyuga-periode – wordt in het algemeen het familie-karma over een land verdeeld. Maar zelfs in zulke perioden blijven families gedurende lange perioden hun samenhang behouden en dan voelen de leden de kracht van het familie-karma. Het woord ‘familie’ kan verschillende kleinere families omvatten.

(30) Karma brengt via de mentale en astrale bestaansgebieden natuurrampen voort. Een ramp kan worden herleid tot een onmiddellijke fysieke oorzaak zoals een inwendig vuur en atmosferische storingen, maar deze danken hun ontstaan aan een verstoring die is teweeggebracht door de dynamische kracht van het menselijk denken.

(31) Ego’s die geen karmische banden hebben met een deel van de aardbol waar een ramp op komst is, worden op twee manieren buiten de werking daarvan gehouden: (a) door afstoting die op hun innerlijke natuur werkt en (b) doordat ze door hen die de voortgang van de wereld in het oog houden, worden geroepen of gewaarschuwd.

 


Theosofische inzichten, blz. 266-70

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag