Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Meesters, adepten, leraren en leerlingen

[The Path, juni 1893, blz. 65-8]

Dit artikel is bestemd voor leden van de TS, en vooral voor hen die veel aan HPB denken, hetzij uit eerbied en liefde of uit angst en jaloezie. Die leden die geloven dat wezens zoals de meesters kunnen bestaan, moeten met betrekking tot HPB tot één van de volgende twee conclusies komen: óf ze heeft haar meesters verzonnen, die dus niet werkelijk bestaan, óf ze heeft ze niet verzonnen, maar sprak uit naam en in opdracht van zulke wezens. Indien we zeggen dat ze de mahatma’s heeft verzonnen, dan is natuurlijk, zoals ze zo vaak zei, alles wat ze leerde en schreef het product van haar eigen brein; en we moeten daaruit concluderen dat ze op de lijst van grote en machtige figuren een hogere plaats inneemt dan mensen haar hebben willen geven. Maar ik neem aan dat de meesten van ons overtuigd zijn van de waarheid van haar verklaring dat ze die leraren, die ze meesters noemde, had, en dat ze meer volmaakte wezens zijn dan gewone mensen.

Het onderwerp dat ik kort wil bespreken omvat: HPB en haar verhouding tot de meesters en tot ons; haar boeken en leringen; leerlingen of chela’s met hun verschillende graden, en de vraag of een hoge chela vergeleken met ons, en daartoe behoren alle leden van de voorzitter tot degene die zich het meest recent heeft aangemeld, niet bijna een meester zou lijken.

Het laatste punt is heel belangrijk, en mijn ervaring is dat dit door de meeste leden van de TS vaak over het hoofd is gezien. De algemene opvatting is ontstaan dat chela’s en leerlingen allemaal dezelfde graad hebben bereikt, en dat dus de ene chela, wat kennis en wijsheid betreft, gelijk is aan de andere. Het tegenovergestelde is echter het geval. Er zijn chela’s en leerlingen van verschillende graden, en sommige adepten zijn zelf chela’s van hogere adepten. Er zijn daarom grote verschillen tussen de categorieën van chela’s, omdat zelfs de meest bescheiden en meest onontwikkelde persoon die zich in dienst stelt van de mensheid en die kennis van het zelf nastreeft, tot hen moet worden gerekend. Aan de andere kant zijn er chela’s van een hoge graad, in feite leerlingen van de meesters zelf, en deze leerlingen hebben zoveel kennis en macht dat ze voor ons adepten lijken. En vergeleken met de 19de eeuwse mens zijn ze in feite adepten. Ze hebben door kennis en discipline die macht over hun denkvermogen, de stof, ruimte en tijd verkregen, die voor ons de stralende belofte van de toekomst is. Maar toch zijn zij niet de meesters over wie HPB spreekt. Nu dit is vastgesteld, kunnen we ons vervolgens afvragen hoe we HPB zelf moeten beschouwen.

In de eerste plaats heeft iedereen het recht haar voor zichzelf op het hoogste niveau te plaatsten, omdat hij de kwaliteiten en de aard van hen die hoger staan dan zij misschien niet onder woorden kan brengen. Maar volgens haar eigen woorden was ze een chela of leerling van de meesters en met betrekking tot hen bevond ze zich in de positie van iemand die kan worden berispt, gecorrigeerd of terechtgewezen. Ze noemde hen haar meesters, en gaf blijk van haar toewijding aan hun opdrachten en van een diepe eerbied voor en groot vertrouwen in hun uitspraken, die een chela altijd heeft voor iemand die hoog genoeg staat om zijn meester te zijn. Maar als we kijken naar haar vermogens die ze aan de wereld heeft getoond en waarover één van haar meesters schreef dat deze de grootste denkers van haar tijd hadden verbijsterd en voor een raadsel hadden gesteld, dan zien we dat ze vergeleken met ons een adept was. Zowel in vertrouwelijke kring als in het openbaar sprak ze over haar meesters vrijwel op dezelfde manier als Subba Row toen hij in 1884 aan mij verklaarde: ‘In feite zijn de mahatma’s enkele van de grote rishi’s en wijzen uit het verleden, en mensen hebben te vaak de gewoonte gehad ze te verlagen tot het lage peil van deze tijd.’ Maar tegelijk met deze eerbied voor haar leraren koesterde ze voor hen een genegenheid en vriendschap die men hier op aarde niet vaak ziet. Dit alles wijst erop dat ze hun chela was, maar het verlaagt haar op geen enkele manier tot ons niveau, en het geeft ons evenmin het recht te concluderen dat we gelijk hebben als we haar overhaast of naar de huidige maatstaven beoordelen.

Sommige theosofen vragen of er naast de gepubliceerde brieven nog andere brieven van haar meesters bestaan waarin ze ter verantwoording wordt geroepen, waarin ze hun chela wordt genoemd en af en toe wordt berispt. Misschien wel. En wat dan nog? Laat men deze publiceren, zodat we over de volledige set van alle brieven die tijdens haar leven zijn verstuurd, kunnen beschikken; brieven die naar voren worden gebracht en na haar dood zijn gedateerd, zijn van geen betekenis als het gaat om een oordeel over haar, omdat de meesters zich niet bezighouden met het leveren van kritiek op leerlingen die de aarde hebben verlaten. Omdat ze zelf brieven en delen van brieven van de meesters aan haar heeft gepubliceerd waarin ze een chela wordt genoemd en wordt berispt, doet het er niet toe als we andere soortgelijke brieven leren kennen. Want we hebben ons gezonde verstand om al deze te beoordelen, en ook de verklaringen van haar meesters dat ze het enige beschikbare werktuig was voor het werk dat moest worden gedaan, dat ze haar stuurden om dit te verrichten, en dat ze in het algemeen alles wat ze deed goedkeurden. En ze was het eerste rechtstreekse kanaal naar en van de Loge, en tot op heden het enige door wie het objectieve bestaan van de adepten is gebleken. We kunnen de boodschapper niet negeren, de boodschap aannemen, en dan degene die ons de boodschap bracht bespotten of minachten. De gedachte dat er nog ongepubliceerde brieven bestaan waarin de meesters haar een lagere plaats geven dan zichzelf, bevat niets nieuws, en er is geen reden om ongerust te zijn. Maar het is ongetwijfeld waar dat geen van die brieven iets bevat dat aan haar een lagere plaats toekent dan aan ons; ze zal altijd de grootste van de chela’s blijven.

Dan is er nog het standpunt, dat door sommigen zonder kennis van de wetten die deze zaken beheersen wordt ingenomen, dat chela’s soms zelf boodschappen schrijven terwijl ze beweren dat deze van de meesters zouden komen. Dit is een theoretisch standpunt dat noch op wetten noch op regels berust. Het is een gevolg van onwetendheid over wat chelaschap is en wat niet, en ook van verwarring over de graden van leerlingschap. Het is ook over HPB gezegd. Men heeft eerst de onjuiste conclusie getrokken dat een aangenomen chela van hoge rang eraan gewend kan raken door de meester gedicteerd te worden en dat hij dan de onjuiste houding kan aannemen iets van hemzelf bekend te maken en te doen alsof het van de meester komt. Dit is onmogelijk. Haar band met de meester was niet zodanig dat ze zich dat kon permitteren. Als zoiets één keer zou voorkomen, dan zou dit de mogelijkheid van elk verder contact met de leraar tenietdoen. Het is heel goed mogelijk dat leerlingen die op proef zijn zich soms hebben verbeeld dat hun werd bevolen dit of dat te zeggen; maar dit, of iets wat erop lijkt, komt niet voor bij een aangenomen chela van hoge rang die zich onherroepelijk heeft verbonden. Deze gedachte moet men dus laten varen; ze is absurd, in strijd met de wet, met alle regels en met alles wat het geval moet zijn wanneer een band, zoals die tussen HPB en haar meesters bestond, is gevormd.

William Q. Judge

 


Theosofische inzichten, blz. 290-3

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag