Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Asceten die verdwijnen wanneer ze dat willen

[The Path, januari 1894, blz. 315-18]

We lezen vaak over yogi’s en rishi’s die plotseling verdwijnen; een moment tevoren spraken ze met een koning of zijn ministers, hun taak is volbracht en dan verdwijnen ze. Hoe konden ze dat doen? Verschenen ze in hun mayavirupa? Konden ze hun fysieke lichaam ontbinden en dan opnieuw vormen? Deze vragen werden me vaak gesteld, maar ik kon geen bevredigend antwoord geven; veel van onze heiligen zijn op die manier verdwenen, een paar zelfs nadat de moslims over India gingen heersen. Van een van hen werd gezien dat hij een tempel binnenging, kennelijk om eerbied te betonen, maar men zag hem nooit weer naar buiten komen; de tempel had maar één deur en geen ramen; hij woonde sinds lang in de buurt van de tempel – in zijn fysieke lichaam; aan zijn werk kwam een einde, en hij verdween plotseling.

2. Men moet begrijpen dat voor al deze verschijnselen een ontwikkelde en getrainde wil absoluut noodzakelijk is en een krachtig concentratievermogen dat gedurende lange tijd is geoefend. De yogi hypnotiseert eenvoudig de aanwezige mensen en vertrekt onopgemerkt. Iemand die zich zo heeft getraind hoeft zich alleen maar te concentreren op de gedachte dat zijn lichaam geen rupa heeft, en zoals een sterk geurende essence uit een flesje dat in een bijeenkomst wordt geopend door alle aanwezigen wordt geroken, zo zendt die gedachte in alle richtingen stralen uit en is van invloed op of hypnotiseert degenen die in de buurt staan, en dan zien ze de yogi niet, hoewel hij misschien vlak langs hen gaat of zich dicht bij hen bevindt. Dat dit kan is in Frankrijk en andere plaatsen al bewezen door experimenten met hypnose.

3. Maar een dergelijke succesvolle concentratie is niet mogelijk zonder voorafgaande training, zonder lange oefening. In die tijd probeerde men nooit om iets van alles te weten, maar ieder probeerde uit te blinken in datgene wat het beste bij zijn aard leek te passen.

4. De yogi’s gingen in die tijd vrijer om met de mensen, en misschien waren de omstandigheden toen gunstiger. Pas na de slag bij Kurukshetra en de dood van Sri Krishna trokken ze zich terug om voortaan op een afgelegen heilige plek te leven waar de invloed van het zwarte tijdperk niet zou worden gevoeld.

5. Antardhanam, zoals een dergelijk verdwijnen wordt genoemd, wordt door onze Indiërs aan wie de wetenschap van het Westen is bijgebracht, niet langer beschouwd als iets wat tot het terrein van de waarheid en werkelijkheid behoort, totdat het westerse hypnotisme – een wanstaltig aftreksel van occulte wetten – hun laat zien dat antardhanam toch niet onmogelijk is.

6. Maar dat concentratievermogen en die voorafgaande training treft men bij ons niet langer aan. We richten ons erop om alles te weten over alles, we kunnen over een verscheidenheid aan onderwerpen meepraten die veel wijzen, als ze nog leefden, zou hebben verbijsterd, en we zijn altijd actief en praten altijd, en verbeelden ons dat we vooruitgang boeken.

7. Zo vinden we in de Yoga Sutra’s van Patañjali in de 21ste sutra van Bibhuti Padu dat door zich te concentreren op het rupa van ons lichaam, de zichtbaarheid ervan wordt onderbroken, er geen verbinding meer is met het gezichtsvermogen, en antardhanam wordt bereikt. Men moet begrijpen dat er om een object te kunnen zien drie dingen nodig zijn, namelijk: 1. de zichtbaarheid van het object, 2. ons vermogen om te zien, en 3. de verbinding tussen die twee. Als er bijvoorbeeld geen transparante middenstof is tussen onze ogen en het object dat moet worden gezien, ontbreekt de eerste voorwaarde en zien we het niet; als anderzijds het object zichtbaar is, maar ons gezichtsvermogen niet sterk genoeg is, zien we het niet omdat niet aan voorwaarde nr. 2 is voldaan. Het gebeurt soms dat we, wanneer we diep in gedachten verzonken zijn, een object niet zien hoewel het voor ons volkomen zichtbaar is en onze ogen erop gericht zijn; in dit geval is er geen verbinding tussen de twee. Om een object onzichtbaar te maken, moet daarom deze verbinding worden verbroken; om dit te doen, moet het denken van de anderen worden beïnvloed, en dit gebeurt door een getrainde en geconcentreerde wil.

Kali Prasanna Mukherji

Barakar, India, 10 september 1893

 

Opmerkingen van de redactie [Judge]:

Het aforisme van Patañjali dat het onderwerp van dit artikel betreft, is nr. 21, boek 2, en luidt als volgt:

Door het uitoefenen van concentratie met betrekking tot de eigenschappen en de wezenlijke aard van de vorm, in het bijzonder die van het menselijk lichaam, verwerft de asceet het vermogen om zijn fysieke lichaam uit het gezicht van anderen te laten verdwijnen, omdat daardoor de eigenschap om door het oog te worden waargenomen wordt belemmerd, en die eigenschap van sattva die tot uiting komt in helderheid wordt losgekoppeld van het gezichtsorgaan van de toeschouwer.

In de oude editie en in die welke later door M.N. Dvivedi werd gepubliceerd, is het woord dat voor concentratie wordt gebruikt sanyama. Dit moet worden vertaald met concentratie, en ook met ‘beheersing’, wat op hetzelfde neerkomt. De moderne wetenschap heeft gereageerd op dit aforisme door het standpunt dat er geen verdwijning mogelijk is indien het object zich voor een normaal oog bevindt en er licht is en dergelijke. Door het hypnotisme zijn sommige mensen een beetje gaan twijfelen aan het wetenschappelijke standpunt, maar velen ontkennen het hypnotisme, en de gevallen van verdwijning bij die experimenten zijn allemaal slechts verdwijningen voor de zintuigen van maar één persoon die onder een of andere invloed blijkt te staan en van wie de organen niet normaal functioneren. De schrijver citeert vermeende gevallen van volledige verdwijning van asceten uit het gezicht van normale personen met normaal werkende zintuigen. Dit is geen geval van collectieve of individuele hypnose, maar moet van al dat soort gevallen worden onderscheiden. Bij hypnose wordt de normale werking van het bewustzijn uitgeschakeld en aan het bewustzijn wordt een beperkende gedachte opgelegd of een beeld dat voor de proefpersoon werkelijk lijkt te bestaan. In het geval van de asceten behouden de omstanders de volledige controle over hun organen en zintuigen, maar brengt de krachtige mentale activiteit van de asceet een andere wet in het spel, zoals aangegeven in het aforisme, die de zintuigen, ook al werken ze normaal, verhindert om de vorm van de asceet te zien. Volgens de occultisten van de school waartoe Patañjali moet hebben behoord, is vorm zelf een illusie, die voor de meeste mensen nog bestaat, want ze zijn onderworpen aan een grote algemeen voorkomende beperking omdat ze de andere dan de gebruikelijke zintuigen nog niet hebben ontwikkeld. Het lijkt erop dat alle helderziendheid dit aantoont, want de ziener weet dat elke vorm die voor ons oog zichtbaar is, uitbreidingen en varianten heeft in de subtielere delen van de samenstelling ervan die op het stoffelijke gebied niet zichtbaar zijn. Door erover te mediteren dat de aard van de vorm in essentie illusoir is, zou men in staat zijn de ‘helderheid van sattva’ te beheersen en zo te voorkomen dat iets wordt gezien. Dit betekent niet dat het gewone licht wordt belemmerd, maar iets anders. Al het licht, grof of fijn, is toe te schrijven aan het universele sattva, dat een van de eigenschappen is van de basis van de gemanifesteerde natuur. En het vertoont zich niet alleen als gewoon licht, maar is ook aanwezig – hoewel voor ons onzichtbaar – en absoluut noodzakelijk voor elke zintuiglijke waarneming van die soort door mensen, dieren of insecten. Als het subtielere gebied van deze helderheid wordt belemmerd, bestaat het gewone licht niettemin, maar het resultaat zal zijn dat geen oog het lichaam kan zien van die persoon wiens denken op dat moment actief is om de genoemde eigenschap van helderheid te belemmeren. Dit lijkt misschien omslachtig geformuleerd, maar dit komt door onze taal en onze denkbeelden. Ik ken een aantal gevallen in het Westen van verdwijningen vergelijkbaar met die welke in bovenstaand artikel worden genoemd; en in De geheime leer, en ik geloof ook in Isis ontsluierd, staan enkele verwijzingen naar dit onderwerp waar de schrijfster zegt dat het vermogen dat hierdoor wordt verkregen wonderbaarlijk is maar ook een grote verantwoordelijkheid betekent. Hoewel waarschijnlijk geen theosoof of wetenschapper in staat zal zijn om dit vermogen te gebruiken, tonen de genoemde gevallen en de toelichting niettemin aan dat de oude rishi’s meer over de mens en zijn aard wisten dan men tegenwoordig wil erkennen, en het kan ook dienen om de aandacht van jonge Indiërs die het heiligdom van de moderne wetenschap aanbidden, te richten op de werken en gedachten van hun voorouders.

 


Theosofische inzichten, blz. 333-6

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag